We hebben 186 gasten online

Recensie 'Het geluk van Limburg' Marcia Luyten

Gepost in Homepagina

Het geluk van Limburg Marcia Luyten

Marcia Luyten is econoom en cultuurhistoricus. Voor het publiek bekend doordat ze voor de VPRO het programma Buitenhof presenteert. De titel van haar boek 'Het geluk van Limburg' verbindt als eerste draad de sociaal-economische  en sociaal-culturele geschiedenis van de Mijnstreek. De andere draad is de familiegeschiedenis van Jack Vinders, geboren in 1949 uit Heilust, die met alles moest breken om zijn dromen na te jagen. De ene draad is historisch, de andere een vertelling waarin persoonlijke ervaringen en gevoelens doorklinken. De ene noemt zij objectief, de andere gebaseerd op subjectieve ervaringen van Sjaakie. En toch zijn ze innig verweven en onlosmakelijk met elkaar verbonden. In feite gaat het boek vooral over de Oostelijke Mijnstreek en minder over de Westelijke Mijnstreek. Hoewel de ontwikkeling van Maastricht bijvoorbeeld ook aan de orde komt, gelukkig kwam dat, doordat o.a. door Sjeng Tans, uiteindelijk de medische faculteit er kwam, waardoor Maastricht werd wat het nu is. Maar het boek gaat hoofdzakelijk over de ontwikkeling en teloorgang van de mijnindustrie in Limburg. Marcia heeft dit boek eigenlijk alleen maar kunnen schrijven omdat ze er zelf vandaan kwam, hetgeen blijkt uit het feit dat ze het boek opdraagt aan haar vader en moeder, kinderen van de Mijnstreek, en zij ter wereld kwam aan het randje van de Mijnstreek, toen de mijnsluiting in volle gang was.

Opvallend daarbij is dat Marcia weinig wist van de ontwikkeling van haar geboortestreek, waar ze pas achter kwam toen ze gereisd en geschreven had over economieën en culturen van landen duizenden kilometers verderop. Omdat Marcia niet kon vertellen hoe de mijnindustrie zich in Zuid-Limburg had gevormd, misschien ook vervormd besloot ze terug te keren naar Nederland, een kwart eeuw na haar vertrek uit de regio, en een boek te gaan schrijven dat inzicht biedt, maar ook het gevoel geeft voor wat daar is gebeurd. Ik heb haar boek met belangstelling gelezen. Daar waren drie redenen voor. Als voormalig bedrijfsleider van een schildersbedrijf in Sittard werden nogal veel werkzaamheden uitgevoerd in de Oostelijke en Westelijke Mijnstreek, waarbij mij vooral is bijgebleven - het was in de jaren zestig van de vorige eeuw -  de grote hoeveelheid ex-mijnwerkers die afhankelijk waren van zuurstofflessen, omdat ze leden aan silicose, opgedaan door het werk in de mijnen. Verder was ikzelf een keer in de gelegenheid geweest ondergronds te gaan in de Oranje Nassau mijn IV en daarnaast heb ik onderzoek gedaan naar de Nederlandse steenkolenmijnbouw tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zie daarvoor  De Nederlandse steenkolenmijnbouw tijdens de Duitse bezetting. Het woord 'geluk' in de titel 'Het geluk van Limburg' kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Het ligt er maar aan van welke kant men een en ander bekijkt. Was de komst van de mijnen een zegen of eigenlijk wellicht leidend, tot het uiteindelijk door de economische ontwikkeling en de vondst van de aardgasbel in Slochteren zou leiden tot massale werkeloosheid en verpaupering. Heilust, een stukje van Kerkrade, was een zogenaamde mijn kolonie, waar men leefde voor de mijn. Hier de mijn Willem-Sophia. In 1904 kwam er de eerste kolen naar boven toe. Heilust had volgens Marcia Luyten zo zijn gemene delers, die van een nieuwe wijk een eenheid maakten. Iedereen was arm - al waren sommigen armer dan de anderen. De tweede gemene deler van Heilust was een gelijkwaardig leven. Daarnaast was er nog een derde gemene deler, de kerk. Bijna alle medewerkers waren katholiek. De manier waarop de grootschalige steenkool winning werd aangepakt was van meet af aan anders dan de ontwikkeling van een willekeurig andere industrie. De manier waarop een en ander werd aangepakt deed in alles denken aan een kolonisatie. De nederzettingen van mijnwerkers vertoonden overeenkomsten met nederzettingen van plantagearbeiders in Nederlands-Indië of Suriname: gebouwd als satellieten van bestaande dorpen en steden, vlakbij plantage of mijnterrein. Daarbij was segregatie een doel op zichzelf. Alles weerspiegelde de katholieke opvatting van de samenleving: ieder mens hoorde tot een stand, met zijn eigen taken en bevoegdheden, en daar behoorde je tevreden mee te zijn. Het koloniale karakter van de mijnwinning was ook zichtbaar in de keuze van het hogere kader. De oprichting van de Staatsmijnen in 1902 betekende, dat in twintig jaar tijd die zouden volgen, oostelijk Zuid Limburg op zijn kop werd gezet. Limburgse jongens stonden in beginsel argwanend tegenover een ondergronds bestaan en dus kwamen buitenlandse arbeidskrachten, hetgeen tot zorgen en ongerustheid leidde want 'anarchisme en zedeloosheid' lagen op de loer, maar de staat  vond een ideale partner in de katholieke clerus. Beide hadden angst voor het rode gevaar en andere ideologieën die de verloedering van de Limburgse cultuur zou inleiden. Tot dan toe waren bijna alle migranten katholiek geweest. Maar dat veranderde toen de Staatsmijnen om buitenlanders te weren protestanten uit Holland haalde. waardoor de soortelijke dichtheid van het katholicisme snel af nam. Maar gelukkig kwam toen Henri Poels ten tonele, gedenigreerd door zijn eigen bisschop, slaagde hij er uiteindelijk in als 'hoofdaalmoezenier van sociale werken', hij moest het socialistisch gevaar  afwenden en de ontkerkelijking stoppen. Het sociale vraagstuk dat zich aftekende, was volgens Henri Poels een zedelijk en godsdienstig probleem. En dus begon hij het maatschappelijk leven te organiseren in wat later de katholieke zuil werd genoemd. Poels herschikte de belangen van de mijn, kerk een staat tot één gemene deler; de katholiek vond het polderen uit. Door te midden van snelle industrialisatie en maatschappelijke verwarring zekerheid te bieden, kreeg de kerk de Limburgers onder de duim.

De Eerste Wereldoorlog had Limburg drie dingen duidelijk gemaakt. Het was nu hartgrondig en onmiskenbaar Nederlands. Vier jaar lang was Limburg alleen open geweest naar boven. Nog geen 5 kilometer was ter hoogte van Susteren de doorgang naar de rest van Nederland geweest. Het tweede nieuwe gegeven: de katholieke kerk was eindelijk vrij in haar streven naar almacht in Limburg. In 1917 was de schoolstrijd beslecht. Toen Limburg in 1918 ook nog met Charles Ruijs de Beerenbrouck de eerste katholieke minister-president leverde, ebde het gevoel van minderwaardigheid weg. Het derde voldongen feit was dat de Limburgse mijnen van vitaal belang waren gebleken voor de Nederlandse staat. 

Voor de drie-eenheid van de Limburgse macht - mijn, kerk en staat - bleef de onbestendige beroepsbevolking een probleem. De bouw van de mijnwerkers koloniën temperde het woelen. Een huis van de zaak legden de mijnwerkers aan een leiband. Werknemers zaten met handen en voeten vast aan het mijnbedrijf. Maar Henri Poels wist dat de mazen van het net nog kleiner moesten om de zedenbederf tegen te gaan. Marcia Luyten omschrijft hetgeen Poels voor ogen stond iets was als een welwillende dictatuur:' Er moest een geest komen van geloof, van onderwerping'. God werd een verlicht despoot en Zijn regent luisterde naar de naam Poels.

Zo succesvol als de kerk was geweest in het bestrijden van links, zo slecht zag ze de onvrede over rechts aankomen. De NSB werd bij verkiezingen in 1935 groter dan waar ook in Nederland. Bijna 12% van de stemmen behaalde men. In Kerkrade stemde 25% op de NSB. Hoewel de katholieke kerk al in 1935 verbood lid te worden van de NSB. Veel Kerkradenaren hadden het gevoel door Den Haag in de steek te worden gelaten. De jaren dertig hadden weinig modernisering en veel armoede gebracht. De mijnwerkers waren uitgezogen, het drijfsysteem had ze tot slaaf gemaakt. De Limburger had geen hekel aan Duitsers. De Duitse cultuur was de Zuid-Limburgers vertrouwder dan de 'Hollandse'; er werkten Zuid-Limburgse kompels in Duitsland en Duitse mijnwerkers zaten in Nederland.

 Na de bezetting door de Duitsers hadden de bezetter en de bevolking van de Mijnstreek een gedeeld belang. De Duitsers hadden kolen nodig. De mijnwerkers wilden hun baan niet kwijt. De oorlog maakte het werk in de mijnen populair. Mijnwerkers kregen allerlei extra's en hoefden niet in Duitsland te gaan werken. Net als in de rest van Nederland onderging men de bezetting gelaten. Maar dat veranderde in 1943 toen de bezetting grimmig werd zoals ook het verzet. Na de april-mei staking kwamen de bisschoppen met duidelijke instructies hoe de katholieken zich dienden op te stellen tegenover de bezetter. 

Na de invasie in Normandië werd uiteindelijk het zuiden van ons land bevrijd en werd de steenkoolindustrie zeer belangrijk voor de wederopbouw van ons land. Bij het overlijden van Henri Poels in 1948 garandeerde  de mijnen dat het de arbeiders aan niets ontbrak; de mijnwerker voelde zich geborgen, het sociale leven was onder controle, de katholieke vreugde  werd vol zelf overtuiging beleefd. Conflicten van belangen, of van geweten, waren zo goed als uitgebannen in de eenduidigheid van het bestaan. De social engineering waarmee de Mijnstreek werd ontwikkeld, moest materiële en sociale noodvoorkomen. Geen arbeider had een betere CAO dan de mijnwerker. In 1952 bestonden de Staatsmijnen vijftig jaar en ook de Willem-Sophia, waarbij uitbundig werd stilgestaan. Maar halverwege 1956 vertoonde het naoorlogse economisch optimisme de eerste scheuren. Er kwamen steeds meer tekenen dat steenkool op zijn retour was. De steenkolenindustrie besloeg zowat de hele arbeidsmarkt in oostelijk Zuid-Limburg. In de Mijnstreek werkten 60.000 werknemers boven en onder de grond. Maar gelukkig groeide de chemische industrie van de Staatsmijnen hard.

 Op 29 mei 1959 werd in Slochteren een aardgasbel ontdekt hetgeen verstrekkende gevolgen zou hebben voor de Mijnindustrie. Maar daarnaast bleek de Mijnindustrie niet opgewassen te zijn tegen de import van Amerikaanse steenkolen, die middels dagbouw werden gewonnen en lager in kostprijs waren. Uiteindelijk bleek de productie van Nederlandse kolen veel te duur en moest er veel geld bij worden gelegd. Dit bleek niet langer houdbaar. Joop de Uyl, minister van Sociale zaken in het kabinet Cals kwam op 17 december 1965 met slecht nieuws voor de Mijnstreek. Alle mijnen zouden op termijn worden gesloten. Daarbij was het eerste uitgangspunt 'Geen Mijnsluiting zonder redelijk perspectief op ander werk'.  (...). Marcia Luyten beschrijft vervolgens de gevolgen van de Mijnsluitingen voor de streek. 

Eigenschappen die nodig waren voor ondernemerschap waren in Limburg niet sterk ontwikkeld. Volgens Marcia Luyten waren de daarvoor noodzakelijke eigenschappen, inventiviteit en zakelijke schranderheid, in een kleine eeuw carboon disciplinering juist uitgebannen. Een halve eeuw social enginering had hier de mens gevormd naar het tegendeel van de entrepreneur. De katholieke arbeider had geleerd te gehoorzamen. Hij had nooit initiatief hoeven nemen, nooit keuzes hoeven maken. Voor de 45.000 mensen die in dienst van de mijnen waren geweest was altijd goed gezorgd. In de nazorg tekende zich een schifting af tussen particulier en staat. Voor werknemers van particuliere mijnen bleek dat ze vooral op zichzelf waren aangewezen. De oud-mijnwerkers van de staatsmijnen konden wel rekenen op een regeling. Een aanzienlijk deel van hen vond een gesubsidieerde baan in een sociale werkplaats. De sociale fondsen van alle mijnen vormden het Sociale Werkvoorzieningschap Zuid-Oostelijk Limburg en werd zo de grootste werkgever van Limburg. Daarnaast gingen veel oud-kompels van de Staatsmijnen met vervroegd pensioen. Een ander deel werd arbeidsongeschikt verklaard. Het aantal arbeidsongeschikten verdubbelde tussen 1970 en 1980 in Zuid-Limburg tot 43.000.

De eerste tien jaar was de economische transformatie een zaak van het Rijk, de provincie speelde toen nauwelijks een rol, en elk mijnminvesteringsfonds probeerde vervangende werkgelegenheid te organiseren. Deze misten niet alleen de nodige expertise , sommige ontbrak het aan de intentie om Zuid-Limburg aan nieuwe werkgelegenheid te helpen. Op 31 december 1974 sloot de laatste mijn en was de Nederlandse steenkolenindustrie ten einde. 

Het Rijk probeerde door de spreiding van Rijksdiensten nog arbeidsplaatsen te scheppen zoals het CBS en ABP in Heerlen. Pas eind zeventiger jaren, onder leiding van Sjeng Kremers die gouverneur van Limburg werd kwam er schot in de zaak door middel van de zogenaamde perspectievennota Zuid-Limburg. Belangrijkste doelstelling ervan was de regionale werkloosheid terug te dringen tot het landelijke niveau. 

Maar de mijnwerker leed onder het verlies van zijn sociale status en viel ook nog eens het leeuwendeel van zijn inkomen weg. Er was sprake van sociale ontwrichting want de zogenaamde trojka was weg. De mijn opzichter maar ook de pastoor zijn rol als moreel leider was ook uitgespeeld (komst van conservatieve bisschop Gijsen speelde daarbij een grote rol.) Bleef over de staat, maar deze had te lijden onder de oliecrisis.

Kortom het leven na de mijnsluiting was en pijnlijke teleurstelling. Wat overheerst, was het gevoel: wat zijn wij lelijk bedrogen. Men was nu ongemotiveerd. Er ontstond een hausse aan gebroken gezinnen en een cultuur van armoede. Daarbij kwam nog dat er een cultuur bestond van geven en nemen in Limburg, in feite grootschalige corruptie. Daarnaast spreekt men van een  'werkloosheidsgen' , waarbij ouders lage verwachtingen hebben van hun kinderen. Niet alleen is economisch het gebied overhoop gehaald, maar ook sociaal en cultureel.

Toch spreekt Marcia Luyten van een ontstaan van een renaissance, een vooruitgangsgeloof dat langzamerhand in de streek begint te ontstaan. Dat is maar goed ook want dat is het enige perspectief voor de toekomst. Maar van een trojka zal nooit meer sprake zijn.

Titel: Het geluk van Limburg

Auteur: Marcia Luyten

Uitgeverij: De Bezige Bij ISBN 9789023496250 € 19,90