Mijn militaire dienstplicht heb ik dus vervuld bij de Gravendienst van de Koninklijke Landmacht. Tegenwoordig heet de Gravendienst de Berging en Identificatiedienst van de Landmacht. Een ieder die bij dit onderdeel als dienstplichtig soldaat gediend heeft weet hoe speciaal dit onderdeel was.
Zelf ben ik de laatste dienstplichting militair die zijn dienstplicht bij de gravendienst vervuld heeft.
Mijn militaire diensttijd was een nogal ongebruikelijke. We werden opgeleid bij de Gravendienst om eventueel gevallen soldaten te identificeren. De opleiding kregen we in Bussum op de kolonel Palmkazerne en op de VU te Amsterdam.(museum Vrolijk)
We werden opgeleid door de later bekend geworden kapitein Harry Jongen. Tijdens onze opleiding was hij nog adjudant.

Na zijn pensionering zet Harry Jongen zijn deskundigheid in voor zijn eigen grafruimingsbedrijf. In het boek "De Neus"vertelt hij over zijn wederwaardigheden op zijn vakgebied.
Voorwoord
Hij zwaaide af als kapitein, maar bij het grote publiek geniet Harry Jongen meer bekendheid dan menige generaal. Dankzij zijn grote vakkennis en formidabele reukorgaan - kwalitatief, niet kwantitatief - slaagde hij erin vele listig verborgen slachtoffers van moord aan een aniniem graf te ontfutselen en verwierf daarmee wereldfaam. Reden voor Parool-redacteur Hans van der Beek om een boek aan deze markante KL-speurder te wijden, met als titel,"De Neus". Van vele zaken die hierin worden aangeroerd, vormt de affaire Dutroux de meest saillante, doch ook bij andere gelegenheden bewees Jongen zich dubbel en dwars. Hans van der Beek doet hier op vlotte wijze verslag van, en kruipt daarbij heel diep in de huid van zijn onderwerp. Het boek leest als een detective waarin zaken beschreven worden die door Harry Jongen aan hem verteld zijn. Het zijn herinneringen uit zijn persoonlijke aantekeningen en dossiers. ISBN 905333 959 0
KORTE INHOUD BOEK
Hij vond de lichamen van An en Eefje in België, en in voormalig Joegoslavië ontdekte hij massagraven, slechts gewapend met een prikstok, zijn gezond verstand en zijn neus. In "De Neus " worden de herinneringen van Jongen op meeslepende wijze beschreven. Zijn macabere vak, waarbij het tot de bassiskennis behoort dat brandnetels gedijen op menselijke resten. Zijn speurtocht naar lijken van de Bende van Venlo en de vermoorde baby's van incest- slachtoffer Jolanda. De opgravingen van Chris "King Kong " Lindemans, waarbij Jongen in conflict komt met krachten die sterker zijn dan hij. En, vooral, de weken dat hij tussen de puinhopen van Marc Dutroux op zoek is naar diens slachtoffers. Dit is het verhaal van Harry Jongen en zijn strijd tegen de anonimiteit van de dood.
De werkzaamheden tijdens de diensttijd bestonden eruit dat we moesten assisteren bij verplaatsen van begraafplaatsen, bij identificeren van gevonden militaire oorlogsslachtoffers en bij het ruimen van begraafplaatsen. Ook werden er werkzaamheden verricht op het Duitse soldatenkerkhof te IJsselsteyn.
Het oorlogsarchief bestaat uit identificatiegegevens van 32.000 dode Duitse soldaten. Zesduizend van hen zijn tot op heden niet geïdentificeerd. De Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn is sinds 1946 de plaats waar alle in Nederland gestorven Duitse soldaten worden herbegraven.
Dat niet van elke soldaat gegevens voorhanden zijn, is volgens de Koninklijke Landmacht logisch. Van 6000 militairen op Ysselsteyn is het niet meer mogelijk de identiteit te achterhalen. ,,Die gegevens zijn niet kwijt, die zijn er nooit geweest'', zegt Kirchmeier.
Op maandagavond vertrokken we naar de plaats waar we de rest van de week opgravingen moesten doen.

“VERMIST IS ERGER DAN DOOD”
Gesneuvelde militairen bergen……….een dagtaak?
De Tweede Wereldoorlog is al tientallen jaren voorbij. Toch heeft een klein onderdeel van de Koninklijke Landmacht er nog dagelijks handenvol werk aan. Regelmatig krijgt de Bergings- en Identificatie Dienst (BID) melding van de vondst van zogenaamde "veldgraven,'. Daarnaast bevinden zich in de Nederlandse bodem nog ettelijke honderden vliegtuig wrakken, waarvan de bemanning nog steeds als vernist te boek staat. Regelmatig assisteert de BID bij de berging van deze wrakken.
Na de Tweede Wereldoorlog begonnen de autoriteiten direct met het onderbrengen van alle bekende graven van omgekomen militairen op erevelden.De locatie van veel veldgraven was echter toen al niet meer bekend. In het heetst van de strijd was er meestal geen gelegenheid om de plaatsen van de haastig gedolven graven duidelijk te markeren. Zo gebeurt het nog steeds dat aanleg van nieuwe wegen, het uitbaggeren van sloten, het omploegen of bouwrijp maken van grond, leidt tot het vinden van onbekende veldgraven. Regelmatig krijgt de BID/KL dan ook het verzoek om de hierin aanwezige stoffelijke resten te bergen.
Grondslag Het werk van de Bergings-en Identificatie Dienst vindt zijn grondslag in artikel 17 van de conventie van Genève van 27 juli 1929:
"Zij (de oorlogvoerenden) zullen er voor zorgen, dat zij (de gesneuvelden) eervol begraven worden; dat hun graven worden ontzien en deze altijd kunnen worden teruggevonden. Tot dat doel zullen zij aan het begin der vijandelijkheden van overheidswege een dienst voor de graven organiseren, teneinde eventuele opgravingen mogelijk temaken en de identificatie der lijken te verzekeren, welke ook de achtereenvolgende ligging der graven mogen zijn. Onmiddellijk na het einde der vijandelijkheden zullen zij lijsten der graven en die der in hun begraafplaatsen en elders begraven doden uitwisselen."
Tussen 1945 en 1952 zorgde de Dienst Identificatie en Berging (D.I.B.) ervoor dat Nederland zijn verplichtingen ten aanzien van omgekomen militairen vervulde. De dienst had voornamelijk een vredestaak. Zij bracht de verspreid liggende graven van geallieerden, van de in concentratiekampen omgekomen burgers, en van Duitse gesneuvelden onder op aparte begraafplaatsen.
Nadat de D.I.B. was opgeheven formeerde het toenmalige Ministerie van Oorlog een gravendienst organisatie en bracht die, naar Amerikaans voorbeeld, onder bij de Intendancetroepen. Het takenpakket van deze Gravendienst was uitgebreider dan dat van zijn voorganger. De nieuwe dienst moest, in tegenstelling tot de D.I.B., volledig op een oorlogstaak berekend zijn en beschikte dan ook over parate en mobilisabele gravendiensteenheden.
Erevelden Tot halverwege de jaren '60 heeft de Gravendienst zich voornamelijk bezig gehouden met het inrichten van militaire erevelden. In 1967 voltooide de dienst een laatste oorlogskerkhof voor 7.000 Duitse gesneuvelde militairen bij Ysselsteyn in Limburg. Daarna kreeg het personeel in het kader van zijn praktische opleiding voornamelijk taken bij het ruimen van civiele begraafplaatsen. Tot 1972 hebben de medewerkers zo'n 23.000 burgergraven geruimd of verplaatst.
In 1972 volgde de opheffing van de parate Gravendienst. De oorlogstaken van de dienst werden overgeheveld naar mobilisabele eenheden. Twee onderofficieren- gravendienst-specialist bleven over. Zij kregen vanaf 1972 de taak het mobilisabel personeel te trainen en voor te bereiden op hun oorlogstaak. Daarnaast hoorde het ruimen van verspreid liggende veldgraven en het bergen en identificeren van vliegtuigbemanningen tot hun takenpakket. Vooral boven het IJsselmeer zijn in de Tweede Wereldoorlog veel geallieerde toestellen neergestort. Het inpolderen van delen van het IJsselmeer brengt veel toestellen met hun bemanningen letterlijk weer boven water. In 1992 werd de Gravendienst gereorganiseerd. Er vond een soort tweedeling plaats. De Instructiegroep Gravendienst van het Opleidingscentrum Intendance verzorgde de opleidingen van mobilisabel Gravendienstpersoneel. De berging en identificatie van stoffelijke resten werd een taak van de Identificatiegroep Nationaal Territoriaal Commando.
In 1995 gingen beide groepen op in de huidige Bergings-en Identificatie Dienst (BID). Deze dienst, die uitbreiding kreeg tot een officier en drie onderofficieren identificatiespecialisten, ging deel uitmaken van het Explosieven Opruimings Commando Koninklijke Landmacht. In 1998 resulteerde een verdere reorganisatie uiteindelijk in het onderbrengen van de BID op het Opleidingscentrum Logistiek (OCLOG) te Bussum envervolgens werd in 2000 de BID verder gereorganiseerd en werd de sterkte teruggebracht tot een officier en twee onderofficieren.
Onzekerheid Als militairen sneuvelen betekent dit voor familieleden een groot verlies en veel verdriet. Als ze echter vermist raken tijdens schermutselingen, blijven de nabestaanden met een ondraaglijke onzekerheid zitten. "Vermist is erger dan dood" zegt vrijwel iedereen die zo'n situatie heeft meegemaakt. De medewerkers van de BID stellen daarom alles in het werk om de identiteit te achterhalen van iedere gesneuvelde die in een veldgraf wordt teruggevonden. Ze weten zich daarbij volledig gesteund door de nabestaanden van deze vermisten.
Die nabestaanden tonen zich altijd zeer verheugd als zij de privé-eigendommen van de gesneuvelde terugkrijgen. Vaak vormen deze persoonlijke bezittingen de enige tastbare herinnering aan een verloren echtgenoot, broer of zoon. Daarom ook doet de BID een dringend beroep op vinders van veldgraven om daaruit vooral niets weg te nemen om een eventuele privé-collectie te verrijken. Het zich toe-eigenen van "oorlogssouvenirs" betekent vaak dat mensen dierbare herinneringen, die hen toekomen, mislopen. Daarnaast vraagt de BID met klem de mensen die de overblijfselen van een onbekend militair hebben aangetroffen, om alstublieft niet over te gaan tot het verder omwoelen van het graf. Door het zogeheten 'roeren' van het graf kunnen veel waardevolle gegevens over de identiteit van het slachtoffer verloren gaan. Degene die stoffelijke resten aantreft is altijd verplicht hiervan melding te doen bij de lokale politie.
Prikijzers Wanneer de BID een verzoek krijgt om een vermoedelijk veldgraf te onderzoeken, gaan de deskundigen met een speciale uitrusting op verkenning. Met verschillende metaaldetectors en met prikijzers onderzoeken ze eerst de ligging van het graf. Daarna leggen ze het graf op een archeologische wijze bloot. Is eenmaal vastgesteld dat de inhoud zonder gevaar te bergen is, volgt exhumatie.
Exhumeren is het opgraven van menselijke stoffelijke resten. Worden er echter tijdens de opgraving explosieven aangetroffen, dan leggen de specialisten het werk neer en schakelen het Explosieven Opruimings Commando in. De munitie die in veldgraven aangetroffen wordt kan namelijk levensgevaarlijk zijn. Na de berging brengen de specialisten de stoffelijke resten over naar het laboratorium van de BID in Bussum. Daar voeren zij het identificatieonderzoek uit.
Allereerst ontsmetten ze de gevonden resten. Dan bekijken ze de kenmerken van het gevonden materiaal. Beenderen geven veel informatie over leeftijd, lichaamsbouw, lengte en dergelijke. De medewerkers van de BID beschikken dan ook over een gedegen anatomische kennis.
Ook de gevonden uitrustingsstukken en persoonlijke bezittingen spelen een belangrijke rol bij het vaststellen van de identiteit van de aangetroffen militair. Uiteindelijk doel van al dit onderzoek is te komen tot een definitieve identificatie. Bij voorkeur gebeurt dit aan de hand van een gevonden herkenningsplaatje of een opgemaakte gebitsstatus. In deze eeuw zijn miljoenen gebitskaarten opgemaakt. Daardoor is identificatie aan de hand van de gebitsstatus zeer betrouwbaar en doeltreffend.
Wanneer zowel het herkenningsplaatje als de essentiële delen van het gebit ontbreken, dan moet de onderzoeker zijn toevlucht nemen tot andere identificatiemethoden.
Een voorbeeld daarvan is de toepassing van de zogenaamde "schedelprojectie". Iedere schedel heeft zijn eigen unieke vorm. Als er een foto van het vermoedelijke slachtoffer beschikbaar is, kan een daarvan gemaakte transparant worden geprojecteerd over een transparante opname van de schedel. Als nu specifieke contouren van zowel gezicht als schedel met elkaar corresponderen, is met zekerheid vast te stellen dat deze schedel aan het slachtoffer toebehoorde.
Ook DNA onderzoek wordt steeds vaker gebruikt in het identificatieonderzoek. Daarnaast is via historisch onderzoek, zoals het uitpluizen van oorlogsdagboeken, ooggetuigenverslagen en andere documentatie, vast te stellen onder welke omstandigheden een militair vermist moet zijn geraakt.
De BID beschikt dan ook over een uitgebreid archief, waarin onder andere "vermistenlijsten" zijn opgenomen.
Achterhalen In heel veel gevallen slagen de mensen van de BID er in de identiteit van gevonden stoffelijke resten te achterhalen. Ze werken daarbij samen met andere organisaties zoals de Oorlogs- gravenstichting, de Commonwealth Wargraves Commission, de Deutsche Kriegsgräber- fursorge en de US Army Mortuary Affairs.
Via deze instanties kan de BID ook in het bezit komen van lijsten van vermisten alsmede van gegevens uit archieven. Instellingen zoals het Rode Kruis helpen eveneens mee om tot de identificatie van vermiste militairen te komen.
Wanneer de specialist van de BID de identificatie heeft afgerond, worden de stoffelijke resten doorgaans op een van de erevelden in Nederland begraven. Zo krijgen gesneuvelde Britten meestal een graf op een Brits ereveld (War Graves Cemeteries). Nederlandse militairen vin- den een laatste rustplaats op de Grebbeberg en Loenen, Amerikanen in Margraten en Duitse militairen op de begraafplaats te Ysselsteyn. In enkele gevallen gaan de stoffelijke resten terug naar het land van herkomst van de gesneuvelde. De betrokken autoriteiten stellen alles in het werk om bij een herbegrafenis, waar deze ook plaatsvindt, eventuele nabestaanden daarvan getuige te laten zijn.
Assistentie Sinds 1992 vragen zowel Politie als Justitie steeds vaker assistentie van de BID bij zoekacties naar vermiste personen, als het vermoeden bestaat dat deze door een onnatuurlijke oorzaak om het leven zijn gekomen. De Belgische zaak "Dutroux" is daarvan het meest bekende voorbeeld. Het lokaliseren van een stoffelijk overschot vereist specialistische vaardigheden.
Het juist kunnen interpreteren van terreinfactoren, begroeiing en bodemlagen is daarbij onontbeerlijk. In 1993 verzochten de Verenigde Naties de BID om te assisteren bij een onderzoek naar de aanwezigheid van massagraven in het voormalige Joegoslavië. Dit onderzoek moest plaatsvinden om bewijs voor gepleegde oorlogsmisdaden te verkrijgen, teneinde de schuldigen hieraan bij het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag te berechten. Bij deze actie ontdekte de BID inderdaad graven van zowel burgers als militairen.
Wat moet u doen als u een graf vindt? Iedereen die op een mogelijk veldgraf stuit, moet er vooral afblijven. Vaak zijn er besmettelijke bacteriën op een stoffelijk overschot te vinden. Bovendien kunnen er nog gevaarlijke explosieven in het graf aanwezig zijn. Markeer de vindplaats en dek zo mogelijk de stoffelijke resten weer af. Zo blijven voor het identificatieonderzoek belangrijke gegevens bewaard. Stel daarna zo spoedig mogelijk de lokale politie in kennis. Degene die een veldgraf op militair terrein vindt, kan hiervan melding maken bij de Koninklijke Marechaussee. Politie en Marechaussee zorgen ervoor dat de BID/KL op de hoogte wordt gebracht. Deze komt dan direct in actie, zodat het graf niet onbeheerd blijft liggen.
Meer weten over de Bergings-en Identificatie Dienst (BID)? Sinds november 2005 is men verhuisd van Bussum naar Soesterberg. U kunt u schrijven of bellen naar Opleidings- en Trainingscentrum Logistiek (OTCLOG) SBT/IGLD/Gravendienst-BIDKL Kamp Soesterberg Zeisterspoor 10 gebouw V37 3769 AP Soesterberg Tel: (033) 4662442 Mob: 06-53415207 Fax: (033) 4662100 email:
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien.
Met dank aan Patrick van Aalderen voor het doorgeven van de adreswijziging. Sergeant der eerste klasse instructeur Onderofficier identificatie Gravendienst / BIDKL
History - After April 1945 - Identification en Exhumation Service
http://www.kampamersfoort.nl/dienst_identificatie_berging_uk.htm
De geschiedenis van de enige Duitse Begraafplaats in Nederland te Ysselsteyn, in de Provincie Limburg dichtbij de Duitse grens.
Hier liggen 85 gesneuvelde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog en bijna 32.000 gesneuvelden uit het Tweede Wereldoorlog op in totaal 30 hectare. Hier rusten niet alleen Duitse soldaten die sneuvelden in Nederland maar ook ongeveer 3000 Duitse soldaten die tijdens de laatste maanden van de oorlog (Hürtgenwald, Ardennen-offensief) zijn gesneuveld. Deze werden éérst door de Amerikanen bijgezet naast de Amerikaanse militaire begraafplaats in Margraten waarna ze naar Ysselsteyn werden overgebracht.
Ook rusten er een groot aantal burger oorlogsslachtoffers waaronder zuigelingen, kinderen en vrouwen uit Kamp Vught. (Duitse evacués,november 1944 – mei 1945 en collaborateurs) Met dank aan Richard Schoutissen voor de laatste aanvulling
Voor de achtergronden klik op de link: http://www.joc-ysselsteyn.com/begraafpl.html
Het gebit helpt Sherlock Holmes
door Jacques Cats
De voorbeelden liggen er: zelfs zoveel jaar nadat de Tweede Wereldoorlog is beëindigd, kunnen onderzoeken naar stoffelijke restanten van militairen die toen zijn omgekomen leiden tot een identificatie van de gesneuvelde personen. Daarbij vormt het gebit het belangrijkste houvast, zo hebben de deskundigen van de bergings- en identificatiedienst (B.I.D.) van de Koninklijke Landmacht tijdens hun vele naspeuringen vastgesteld.
Dit legeronderdeel komt in actie wanneer er waar dan ook in Nederland stoffelijke overschotten worden ontdekt van militairen die vermoedelijk zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog. Dezer dagen gebeurde dat nadat bij wrakopruimingswerkzaamheden in het kader van de verdieping van de Westerschelde een deel van een menselijk lichaaam was aangetroffe'. Zie voor de rest van het verhaal: http://www.patient.dentnet.nl/dent1/patient/?MIval=dent_patient_news&newsnr=60&case=2
|