Geschiedenis en Levensloop
deel 12 C Interview met het Centraal Overleg Orgaan
drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl
Omologie jaargang 22. nr.1, september 1990
GEHEIM GENOOTSCHAP OF GEWAARDEERD ORGAAN?
door: H. Grielen/T. Spamer
Interview met het C.O.O.
Woensdag"20 juni. Het schooljaar 1989/1990 loopt naar zijn einde. Het Centraal Overlegorgaan, meestal aangeduid als C.O.O.. of C.0.2, maakt zich op voor zijn laatste bijeenkomst van dit cursusjaar. Op de agenda onder meer het afscheid van een aantal vertrekkende leden. Een goed moment om eens wat uitvoeriger stil te staan bij het C.O.O.: hoe is het ontstaan? wat wilde het zijn en wat is het geworden? Heeft een c.o.o. nog wel zin en welke taken ziet het bestuur voor de jaren '90?
Direct voorafgaand aan die laatste vergadering spraken Ton Spamer en Harrie Grielen met het (nagenoeg complete) bestuur. Met Jo Swaen als nieuwe voorzitter, met Marcel van der Weerden en Jef van Riet als aantredende bestuursleden, Jules van Binnebeke en Wernel Diehl als scheidende en met 'good old' Thijs Blom als blijver. Door omstandigheden moesten Walter van der Aa (aftredend) en de nieuw gekozen Ad Poulisse verstek laten gaan. Verslag van een openhartig gesprek.
Voorgeschiedenis
Wie zich anno 1990 een beeld wil vormen van de omstandigheden waaronder het c.o.o. werd geboren, moet terug naar het midden van de jaren ' 70. In de periode ervoor is in allerlei maatschappelijke geledingen de behoefte gevoeld aan meer betrokkenheid, meer inspraak ook. Het onderwijs vormt daarop geen uitzondering. Wel zijn er verschillende benaderingen mogelijk. Zo had O.M.O. de moed om in het zgn. 'Ontwikkelingsplan" een beweging van onderaf, vanuit de scholen dus, in gang te zetten. Het kon ook anders. In de herfst van 1974 laat het N.G.L. aan het Hoofdbestuur van O.M.O. weten, dat het op grond van de Wet op de Ondernemingsraden een O.R. in het leven moet roepen. Het HB voelt daar vooralsnog niet veel voor en zal - beproefde methode - de kwestie nader bestuderen. Daartoe hoort allereerst de vraag of de W.O.R. wel op scholen van toepassing is. Later spitst de kwestie zich toe op de omvang van de instelling, nl. alléén een O.R. op scholen met meer dan 100 medewerkers.
Ongewenst kind?
Ruim een jaar later, in november 1975, bindt er één de kat de bel aan: personeelsleden van het Sint Joriscollege in Eindhoven vragen het bestuur om een O.R. voor hun school. De Rectorenvergadering wil op drie na het verzoek van het SJC ingewilligd zien. Molkenboer, op dat moment voorzitter van de Vereniging O.M.O., houdt zijn bestuur voor niet bang te zijn en vooral niet als een regentencollege op te (willen) treden. De meningsvorming heeft iets van een gesprek over een (nog) niet gewenst kind: dat het komt, staat vast maar we doen nog éven of het niet zo is. Het HB blijkt verdeeld. Er zal daarom eerst worden nagegaan of een centrale ondernemingsraad voor scholen wel verplicht is. Dat is -gelukkig?- niet het geval, maar enkele vooraanstaande bestuursleden menen dat een centraal overlegorgaan toch niet achterwege kan blijven. De docenten hebben er recht op en de RV is zeker niet representatief voor deze groep. Een toekomstig C.O.O.. wordt door de een gezien als een pendant van de RV, dus ook met adviesbevoegdheid. Een ander vreest dat een C.O.O. uiteindelijk ook beslissings bevoegdheid zal claimen. "Dat is op den duur toch niet tegen te houden", is het kernachtige standpunt van Molkenboer. Intussen
-het is dan vlak voor de zomervakantie van 1977- verzoeken zes scholen van O.M.O. hun bevoegd gezag om instelling van een c.o.o.
Plaatselijke besturen en ook de RV willen meer tijd om tot een oordeel te komen, maar al snel -in september 1977- wordt duidelijk dat álle scholen in een c.o.o. vertegenwoordigd. willen zijn. In december gaat een vergadering van vertegenwoordigers der scholen accoord met het principe dat er één representant per. school zal zijn en een afzonderlijke vertegenwoordiging van het N.O.P., d.w.z. het huidige O.O.P. Ook de conrectoren zijn apart vertegenwoordigd. Bij diezelfde gelegenheid in december 1977 laat de voorzitter van O.M.O. weten, dat er van het C.O.O. ongetwijfeld een grote invloed zal uitgaan op de besluitvorming binnen O.M.O. Het kind is er. Wie durft er dan nog spreken over niet zo gewenst?
Wapenfeiten
Vraag: Het C.O.O. had een heldere doelstelling: advisering aan het bestuur en vertegenwoordiging van het personeel. Is die gerealiseerd? lijn er successen te vermelden of is het allemaal heel anders gelopen dan de bedoeling was?
Jo Swaen stelt nuchter vast dat de feitelijke activiteiten -ondanks die heldere doelstelling- in de praktijk toch wel eens heel "dun" zijn. Hij licht dat ook toe.
- De betrokkenheid bij wat toch het eigen belang van dat personeel is, blijkt gering. Men heeft vertrouwen in een personeelsbeleid, waarvan men veronderstelt dat het er is.
Het C.O.O. heeft feitelijk weinig macht en mogelijkheden. Wat men doen kan, hangt in feite af van de specifieke situatie zoals die zich voordoet. Niet van welomschreven omstandigheden en daarbij behorende procedures.
- Er is een zekere tweespalt tussen HB en Plaatselijke Besturen, die ook het functioneren van het C.O.O. frustreert. Men verschuilt zich te vaak achter elkaar. Het HB achter de zgn. autonomie, een PB achter onmacht. Een vertraagde beleidsontwikkeling is er het gevolg van.
- De stortvloed van plannen en nota's die de laatste tien jaar over het onderwijs zijn uitgestort en die nimmer tot een concrete en in de praktijk haalbare aanpak konden voeren. Zoiets blokkeert ook een C.O.O.
- Een permanente kwaal van het C.O.O. ten slotte: de samenstelling is te wisselend en de motivering niet gelijk. Er zijn te weinig mogelijkheden om snel bij elkaar te komen en te overleggen.
Thijs Blom, T.O.A. aan het Dr. Mollercollege te Waalwijk en al vele jaren C.O.O.-bestuurslid, noemt toch moeiteloos een aantal zaken waarbij het centraal overlegorgaan wel degelijk betrokken is geweest of nog is. Dat varieert van de (ook in 1990 weer zeer goed verlopen) "wachtgeldersregeling", overleg bij de totstandkoming van de nieuwe statuten, de waarnemers van het C.O.O. in de HB-vergadering, tot de BAVO-commissie, het vele werk dat in de andere commissies (mede) wordt verricht en de speciale aandacht voor het O.O.P. in de cursus vergaderen en overleggen die voor hen werd georganiseerd. Niemand echter die beter beseft dan Thijs zelf dat er -ondanks dit lijstje van "wapenfeiten"- nog heel wat te wensen over blijft.
Dat weten ook Jules van Binnebeke en Werner Diehl als afscheidnemende heel goed.
Goed of niet?
Jules van Binnebeke: "De aandacht voor individuele personeelsleden is bij O.M.O. heel groot. Verrassend groot soms. Salaire en rechtspositionele zaken zijn goed verzorgd en dat is natuurlijk heel belangrijk. Toch ontbreekt er iets en dat is een algemeen personeelsbeleid, een aanpak in brede zin. Er zijn immers meer aspecten die het welbevinden van mensen in hun werksituatie bepalen. O.M.O., juist O.M.O., zou mogelijkheden moeten hebben of ze anders moeten máken om daaraan iets te doen.
Het formatiebudgetsystëem Zal daartoe ook wel gaan dwingen, maar O.M.O. zou op formele regelgeving niet hoeven wachten. Is het niet vreemd dat het FBS nog geen onderwerp van gesprek heeft kunnen zijn in het C.O.O..?
Werner Diehl meent dat de structuur van het C.O.O. in beginsel alle mogelijkheden heeft om tot goed functioneren te komen. Er zijn echter belemmeringen. Die liggen deels in de formele sfeer zoals een onduidelijke wettelijke basis, minimale bevoegdheden en ontoereikende faciliteiten. Anderzijds -en dat is erger zijns inziens- staat de cultuur van het besturen verdere ontwikkeling van het C.O.O. in de weg. Het C.O.O. is of wordt te zeer een overlegorgaan. Informatieverstrekking en meningsvorming komen daar weliswaar voldoende aan de orde, maar "zaken" met de werkgever worden er niet gedaan. Er lijkt een soort "gedoogsituatie" te ontstaan. De relatie bestuur-C.O.O. dreigt zich daarin te beperken tot éénmaal per jaar door het DB ontvangen worden. De rest van de tijd breng je als C.O.O. door aan de zijlijn.
Werner denkt dat het zó niet zal werken: er is een structuur nodig van waaruit je claims op het bevoegd gezag kunnen leggen. Claims die goed bedoeld zijn en gericht op verbetering. Is het niet vreemd dat HB en DB ons nooit iets vrágen? Zijn ze alwetend of niet geïnteresseerd in de mening van het personeel?
Kloof
Vraag: Waaraan schort het volgens jullie in het bijzonder en is het mogelijk om daar iets aan te doen?
Marcel van der Weerden signaleert niet alleen een historische kloof, maar ook een mentaliteits-, een cultuur- en een angstkloof. O.M.O. is een massale, zo niet massieve, organisatie waarin de afstand tussen bestuur en werkvloer vaak gigantisch groot is. Je zou alles in het werk moeten stellen om die te verkleinen. Hij parafraseert met instemming een uitspraak van Ignace van Swieten, scheidsrechter, en niet te verwarren met onze Van Zwieten, dat leiderschap is gebaseerd op deskundigheid èn op goede, nee uitstekende, relaties tot de medewerkers. Zo beschouwd zou het C.O.O. een medewerkend orgaan moeten zijn. Het O.M.O.-bestuur leidt en beslist. Dat moet (en zal ook) gerespecteerd worden. C. O. O. en bevoegd gezag hebben niet dezelfde bevoegdheden, niet dezelfde macht, maar kunnen wel op eenzelfde niveau met elkaar verkeren. Dat zou uitgangspunt moeten zijn. Niet alleen van een C.O.O. mag verlangd worden dat het zich telkens opnieuw waar maakt. Ook een HB/DB van een organisatie dient aan die eis te voldoen.









