Het Midden Oosten. Honderd jaar brandpunt van de wereldpolitiek
Hoofdstuk.1: De nadagen van het Ottomaanse Rijk
Verval, verdeling, vernieuwing 1870 -1923
drs. J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl
Oriëntatie
Dit katern legt de nadruk op de relatieve kennisachterstand van de Arabieren op het Westen, en de Westerse doelgerichtheid in de tijd van het moderne imperialisme.
Na opening van het Suezkanaal in Egypte in 1869 en de eerste vondst van olie rond 1900 waren de westerse machten helemaal niet meer weg te slaan uit het Midden-Oosten.

Het Midden-Oosten is geografisch een vaag omlijnd begrip. Hier wordt verstaan onder het Midden-Oosten: het gebied van de huidige staten: Turkije, Syrië, Libanon, Israël, Jordanië, Egypte, Irak, Iran, Saudi-Arabië met zijn zuiderburen en de Golfstaten.
Naast Arabieren leven in het Midden-Oosten onder meer Turken in Turkije, Perzen in Iran, Joden in Israël en het volk van de Koerden zonder een eigen staat.
Het Midden- Oosten is de bakermat van oude culturen: de Mespotamiërs, de Byzantijnen en de Egyptenaren en drie monotheïstische wereldgodsdiensten: het jodendom, christendom en de islam.
Sinds de opkomst van de islam vormden steden als Damascus, Bagdad en Caïro nieuwe brandhaarden van cultuur en wetenschap. De Arabische beschaving bereikte een hoogtepunt halverwege de Middeleeuwen. Na 1200 trad er verval in, onder meer door de kruistochten en de invasies van de Mongolen. Vier eeuwen lang viel het Midden-Oosten onder het gezag van de sultan van het Ottomaanse Rijk waarna het geconfronteerd werd met het moderne westerse imperialisme.
De geschiedenis van het Midden-Oosten is zeer complex. Hier concentreren we ons op de hoofdlijnen:
- Het optreden van imperialistische mogendheden;
- De tegenstelling tussen voor- en tegenstanders van modernisering en secularisering;
- De problematiek rond de stichting van de staat Israël;
- De complexe situatie rond Irak.
Op de volgende vragen wordt antwoord gegeven:
- Hoe lang wordt er strijd geleverd om de olie in het Midden-Oosten?
- Waarom lieten de Britten de wensen van zionisten zwaarder wegen dan die van Arabieren?
- In hoeverre slaagde Kemal Atatürk erin om van Turkije een modern land te maken?
- Hoe handhaaft de staat Iraël zich in een vijandige omgeving?
- Hoe werden de Palestijnen het kind van de rekening?
- Wat is de kracht van het moslimfundamentalisme?
Hoofdvraag
Door welke interne en externe factoren veranderde het Midden-Oosten vanaf 1900 van een uithoek van het Ottomaanse Rijk in een van de voornaamste brandhaarden van de wereldpolitiek?
Deelvragen
- Welke langetermijnproblemen vloeiden voort uit de liquidatie van het Ottomaanse Rijk aan het einde van de Eerste Wereldoorlog?
- Welke omstandigheden hebben geleid tot de stichting van de staat Israël op het grondgebied van het toenmalige Palestina?
- Hoe heeft de staat Israël zich kunnen handhaven tegen vijandige buurstaten met veel inwoners, en welke invloed heeft het bestaan van Israël gehad op de koers van de Arabische staten?
- Hoe maakte de opkomst van het moslimfundamentalisme de bestaande tegenstellingen in het Midden-Oosten nog complexer?
- Hoe hebben het stagnerende vredesproces tussen Israël en de Palestijnen en de chaos in Irak de spanningen in het Midden-Oosten doen toenemen?
Hoofdstuk 1: De nadagen van het Ottomaanse Rijk
Deelvraag 1: Welke lange termijnproblemen vloeiden voort uit de liquidatie van het Ottomaanse Rijk aan het einde van de Eerste Wereldoorlog?
Inleiding
Het Ottomaanse Rijk werd gesticht in de dertiende eeuw. In de veertiende eeuw onderwierpen de Turkse sultans de Balkan, in 1453 Constantinopel. In de vijftiende en zestiende eeuw wisten de sultans, nakomelingen van de stichter Osman I, hun imperium uit te breiden met het Midden-Oosten - inclusief de moslimsteden Mekka en Medina - en Noord - Afrika. De Turken wisten zich vijf eeuwen te handhaven. De Slavische volken op de Balkan en de Arabieren in het Midden-Oosten schikten zich in hun lot van onderworpen volkeren. De getrainde legers van de sultan waren de schrik van christelijk Europa. Zijn vlooteenheden beheersten de Middellandse Zee en de Rode Zee. In de loop van de eeuwen ging de Ottomaanse heerschappij echter zwakke plekken vertonen.
Het belang van dit onderwerp
In de moderne geschiedenis van Turkije vormt de tegenstelling tussen voor en tegenstanders van secularisering een rode draad. Veel vraagstukken vinden hun oorsprong in de liquidatie van het Ottomaanse Rijk aan het einde van de Eerste Wereldoorlog:
- De inmenging van de westerse landen;
- De onvervulde nationale aspiraties van de Arabieren;
- De opdeling van de Arabieren tegen wil en dank in meerdere staten;
- De kwestie van de Armeense genocide vormt tot op heden een precair onderwerp, en een belangrijk obstakel op de lange weg naar het Turkse lidmaatschap van de EU;
- De nationale rechten van de Koerden vergen veel aandacht;
- Het thema van de Turkse identiteit - islamitisch, westers of ultranationalistisch - vormt een hoofdmotief in het werk van opiniemakers en schrijvers zoals de Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk.
- Het hoofddoekjesdebat in Turkije.
1.1 De Zieke man van Europa
Vanaf de zestiende eeuw was het Midden-Oosten onderdeel van het uitgestrekte Ottomaanse of Osmaanse Rijk, het gebied onder gezag van de Turkse sultan. Deze regeerde vanuit de hoofdstad Constantinopel, het huidige Istanbul.
In 1683 scheelde het een haartje of de sultan had Wenen ingenomen. Maar in de achttiende eeuw brokkelde de Ottomaanse macht snel af. Deze achteruitgang had verschillende oorzaken:
- Een groeiende technologische achterstand op het Westen, zoals op het gebied van scheepsbouw en bewapening. de ideeën van de Renaissance, de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting gingen aan de heersers in Constantinopel voorbij.
- De opkomst van Rusland. begin achttiende eeuw drongen de troepen van tsaar Peter de Grote door tot de Zwarte zee, de noordrand van het Ottomaanse Rijk. Russische schepen mochten vrij door de Bosporus en de Dardanellen varen. Na 1800 drongen de Russen ook door in de Kaukasus.
- Economisch raakte het Ottomaanse Rijk op achterstand: er groeide een wereldeconomie. De handel in Oost-Aziatische specerijen ging vanaf de zeventiende eeuw aan het Midden-Oosten voorbij.
- Veel van de sultans in de achttiende en negentiende eeuw misten leiderscapaciteiten. Sultans hielden zich vooral bezig met hun hof en hun harem. Eunuchen, gecastreerde harembewakers, oefenden invloed uit op de sultan, die het overzicht kwijtraakte op wat zich in zijn rijk afspeelde.
- In de negentiende eeuw ontwaakte er onder de niet-Turkse onderdanen een vurig nationalisme. Zo slaagden de Grieken er in 1860 in een eigen staat te vormen. Daarna riepen onder meer Roemenië, Bulgarije en Servië de onafhankelijkheid uit. In 1912-1913 bestond Europees Turkije slechts ui Constantinopel en omgeving.
- Ook Noord-Afrika ging verloren. De oorzaak daarvan lag in het modern imperialisme, men zocht naar grondstofgebieden en afzetmarkten.

1.2 Britten kopen het kanaal en ruiken olie
In 1869 vond de opening van het Suezkanaal plaats. Door het Suezkanaal was het strategisch belang van het Midden-Oosten enorm toegenomen.
Omdat de toenmalige Egyptische heerser zijn land wilde moderniseren klopte hij voor geld aan bij buitenlandse financiers. Hij bood in ruil in 1875 zijn persoonlijk aandelenkapitaal van de Suezkanaalmaatschappij te koop aan.
De Broitse premier Disraeli kocht de aandelen. De vitale zeeroute tussen Londen en Bombay was 8000 kilometer korter geworden. Groot-Brittannië was koploper in de imperialistische race.
Frankrijk speelde ook een rol en wierp zich op als de verdediger van de christelijke minderheden in Syrië en Libanon, Ottomaanse provincies. In 1911 maakte Italië Lybi"tot een Italiaanse kolonie.
In 1882 braken er in Egypte antiwesterse rellen uit. Een invasie van Britse troepen drukte de rebellie de kop in. Zo begon een Britse bezetting die tot 1956 zou duren. Egypte werd een Brits protectoraat (letterlijk:gebied onder bescherming). Veel Egyptenaren ergerden zich aan de arrogante houding van de Britten.
Spoedig kwam er echter een belangrijke factor bij: olie. Na de uitvinding van de benzinemotor kwam in 1880 de auto-industrie op gang. Begin twintigste eeuw werd in het huidige Iran en Irak de eerste aardolie aangeboord.('het zwarte goud').In 1909 werd de Anglo-Persian Oil Company opgericht die later bekend werd onder de naam BP, waarvan de Britse regering in 1914 51 % van de aandelen bezat. Naast de Britten en de Fransen speelden vanaf de jaren twintig in de twintigste eeuw vooral de Amerikanen een actieve rol in het verwerven van olieconcessies.
Het gegeven dat én het strategische Suezkanaal én de al even strategische oliereserves in het Midden-Oosten lagen, maakte van de regio in de twintigste eeuw een van de voornaamste conflicthaarden in de wereldpolitiek.
1.3 De Jong-Turken grijpen de macht
Omstreeks 1900 werd het Ottomaanse Rijk 'de zieke man van Europa genoemd. Het was politiek en economisch in de greep van Europese mogendheden. Tevergeefs probeerde sultan Abdoel Hamid II zijn gezag te versterken. Hij dreigde zelfs met de jihad, de heilige oorlog van de moslims, om zo het westerse imperialisme het hoofd te bieden.
Na het verlies van de Balkan en Noord-Afrika was er van het Ottomaanse Rijk een staatsverband overgebleven waarin voornamelijk Turken en Arabieren samenleefden. In Istanbul en op het schiereiland Anatolië groeide het nationalisme onder de Turkssprekende bevolking. Voor fanatieke Turkse nationalisten was er geen plaats voor andere nationaliteiten met een eigen taal en cultuur. Het sterkst leefde dit eng-Turkse nationalisme onder officieren van het Ottomaanse leger, die zich ergerden aan het verval van het rijk. Zij stichtten een genootschap, het 'Comité van Eenheid en Vooruitgang'. Zij werden de Jong-Turken genoemd. Zij streefden naar modernisering van de staat en afschaffing van de voorrechten voor buitenlandse ondernemers. Enerzijds bewonderden zij de westerse techniek en vooruitgang, anderzijds koesterden ze haat tegen de Europese overheersing.
In 1908 pleegden de Jong-Turken een staatsgreep. Sultan Hamid II werd in 1909 vervangen en een militair driemanschap van het Comité van Eenheid en Vooruitgang maakte nu de dienst uit.
Ze volgden een harde politiek van Turkificatie. De Arabieren werden er het slachtoffer van. Zij vormden de grootste niet-Turkse bevolkingsgroep. Als reactie daarop ontwikkelden de Arabieren een zelfbewustzijn, dat later Arabisme is genoemd. De Arabische taal werd nieuw leven ingeblazen en Nationalistische Arabische genootschappen verspreidden geschriften en kranten. Veel van die geschriften en kranten werden in het buitenland gedrukt. De Westerse mogendheden zagen dit als een middel om het Ottomaanse Rijk van binnenuit te verzwakken.
1.4 De Armeense genocide
De Eerste Wereldoorlog betekende voor het Midden Oosten een echt breukvlak. In 1914 besloot het jong-Turkse driemanschap de kant van Duitsland en Oostenrijk -Hongarije te kiezen. Zo kwam men in oorlog met Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Hoewel de verwachtingen hoog gespannen waren liep de oorlog toch anders en leed men zware verliezen.
Het driemanschap nam wraak op de christelijke Armeniërs. In april 1915 besloot men om de hele bevolkingsgroep te deporteren naar de Syrische woestijn. Deze evacuatie eindigde in een ware dodenmars en gaf het sein voor een reeks massaslachtingen die met recht genocide, volkerenmoord, genoemd kan worden.
Tussen de zeshonderdduizend en een miljoen Armeniërs vonden in 1915 de dood, en in latere jaren nog eens ettelijke honderdduizenden. Deze massaslachtingen waren niet het werk van het Turkse leger als zodanig, maar van speciale milities, gevormd uit vrijgelaten criminelen of leden van Koerdische bendes. De regering wakkerde wel de haat aan tegen de christelijk Armeniërs. De organisatie van de genocide stond onder direct gezag van de regeringspartij. Ook werd de plaatselijke bevolking medeplichtig gemaakt: zij werd aangemoedigd de huizen van de Armeniërs te plunderen.
Het Armeense volk werd de hete woestijn ingedreven; iedereen wist dat de overlevingskansen klein waren. Al wie de Armeniërs hielp onder te duiken, riskeerde de dood door onmiddellijke ophanging.
De vergelijking met Auschwitz is niet ver gezocht; het ging namelijk om een poging een heel volk uit te roeien.
Tot op de dag van vandaag is er een meningsverschil over het bloedbad. Volgens de officiële Turkse versie van het verhaal is ging het om een betreurenswaardig bijverschijnsel van een onoverzichtelijke oorlogssituatie. Maar volgens de Armeniërs was het een doelgerichte volkerenmoord. Dit standpunt wordt gedeeld door gezaghebbende historici en de EU.
1.5 De verdeling van het Midden-Oosten
In 1915 legde de Brit Mac-Mahon, hoge commissaris van Egypte, contact met de Arabische vorst Hoessein Ibn Ali. Deze was sjarief (hoeder) van de heilige plaatsen Mekka en Medina. Begin 1916 kwam uit dit contact een Brits-Arabische overeenkomst voort. Hoesseins bedoeïenenlegers zouden in opstand komen tegen de Jong-Turken. In ruil daarvoor ontving Hoessein van McMahon de belofte dat hij van de Britten een onafhankelijk koninkrijk mocht stichten op het Arabisch schiereiland en in Syrië en Irak. Hoessein kwam zijn afspraak na. Ook de Britten kwamen in actie en in 1918, het uur van de triomf, ontvingen de Britse en Arabische troepen massale toejuichingen van de bevolking, als bevrijders van het Turkse juk.
De Arabieren juichten te vroeg. De Britten koesterden hun eigen plannen. Het Midden-Oosten was te rijk aan olievoorraden en lag te strategisch, om het zomaar cadeau te doen aan Hoessein. Bovendien verdiende de christelijke minderheden in Syrië bescherming. In de belofte van McMahon was een voorbehoud gemaakt voor het kustgebied van Syrië, vanwege Franse belangen.

Achter de rug van de Arabieren om sloten de Britten en de Fransen in 1916 de zogenaamde Sykes-Picot-overeenkomst. Ze spraken in het geheim af om samen het Midden-Oosten onder elkaar te verdelen. Frankrijk zou een invloedssfeer krijgen in Syrië en Libanon, en Engeland een landverbinding tussen de Middellandse Zee en de Perzische golf, ongeveer het gebied van Palestina tot en met Irak.
Op de Parijse vredesconferentie van 1919 kregen de Arabieren geen poot aan de grond. In het verdrag van Sevres (1920) werd beslist dat de Arabieren geen eigen koninkrijk kregen. Hun gebieden werden losgescheurd van het Ottomaanse Rijk en kwamen in Brits-Franse handen. Frankrijk kreeg het beheer over Syrië en Libanon, Groot-Brittannië over Palestina en Irak.

De voormalige Arabische delen van het rijk werden mandaatgebieden. een mandaat is een volmacht om een bepaald gebied te beheren. De Volkenbond, die in 1919 was opgericht om de wereldvrede te bewaken, kreeg het toezicht. De mandatenregeling was een typisch staaltje van modern imperialisme.
Sjarief Hoessein had het nakijken, maar zijn zoon Feisal kreeg van de Britten de koningskroon van het mandaatgebied Irak aangeboden. In 1932 werd Irak een onafhankelijk koninkrijk, maar de Britten hielden controle over de olievelden. Feisals broer Abdoellah werd door de Britten aangesteld als emir van Transjordanië, het gebied ten oosten van de Jordaan, dat in 1921 werd losgemaakt van Palestina. Zo probeerden de Britten nog iets van de belofte van Mcmahan uit 1916 in te lossen.
1.6 Turkije onder Kemal Atatürk
Turkije bestond na het verdrag van Sèvres alleen nog maar uit het schiereiland Anatolië en een klein stukje Europees gebied rond Istanbul.

De Turken reorganiseerden echter hun troepen en vormden in Ankara een nieuwe regering onder leiding van Mustafa Kemal. Onder zijn commando veegden de Turken een kort daarvoor opgerichte Armeense republiek in Oost-Anatolië van de kaart.
Bij het verdrag van Lausanne in 1923 werden de nieuwe grenzen van Turkije internationaal erkend. Met de Koerden in Oost-Turkije, de grootste etnische minderheid binnen Turkije, werd in 1925 na een opstand bloedig afgerekend. De Koerden kregen geen eigen staat. Hun woongebied bleef verspreid over vier staten: Turkije, Syrië, Irak en Iran.
Mustafa Kemal was een populaire oorlogsheld. In 1923 zette hij de laatste sultan af, en riep Turkije uit tot republiek. Hijzelf werd president en Ankara werd de nieuwe hoofdstad.
Modernisering was zijn devies en Europa diende als voorbeeld. Zo wilde hij het idealisme van de Jong-Turken levend houden. Hij beschouwde de islam als de voornaamste hinderpaal voor de vooruitgang. Hij begon een proces van secularisering, letterlijk verwereldlijking. Op alle terreinen moest de invloed van de godsdienst worden teruggedraaid. Daarom hief hij het kalifaat op. Dat betekende een scheiding tussen godsdienst en staat. Veel moskeeën werden gesloten.
Het islamitisch onderwijssysteem en de islamitische gerechtshoven werden opgeheven. De Sharia, het traditionele islamitische rechtssysteem werd vervangen door een burgerlijk wetboek uit Zwitserland, en een wetboek van strafrecht uit Italië. Het Latijnse schrift kwam in de plaats van het Arabische schrift en tegelijk werd de Turkse taal van Arabische en Perzische gezuiverd.
Er waren ook uiterlijke, symbolische hervormingen zoals het verbod op polygamie en de invoering van het vrouwenkiesrecht. In 1926 werden ook de westerse klok en kalender overgenomen.
Kemal liet ook de geschiedenis herschrijven. de Ottomaanse erfenis moest worden gewist en verzon men nieuwe historische wortels. Het extreme nationalisme, het feit dat Kemal vanaf 1931 met een eenpartijstelsel regeerde, en de persoonsverheerlijking van Kemal gaven aan zijn dictatuur fascistische trekken.
Toch ging de droom van Kemal - een volk alfabetiseren en bewegen tot westers denken en handelen - nooit in vervulling. Veel hervormingen raakten alleen de buitenkant. Een groot deel van de bevolking bleef bovendien tegenstander van een westerse koers. De fundamentalistische onderstroom bleef bestaan. Kemal liet zich echter verheerlijken als vader des vaderlands, krijgsheld, leraar en symbool van moderniteit. Hij werd Atatürk genoemd, vader van alle Turken. Hij stierf in 1938, 57 jaar oud.








