Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte

De aanloop naar Pearl Harbour

E-mail Afdrukken PDF

 

 

In de Amerikaanse film over de Japanse aanval op Pearl Harbor strijden mannelijke heroïek en spectaculaire gevechtscènes om de aandacht. de film is fel gekritiseerd om zijn Amerikaans chauvinisme en oorlogsverheerlijking. Maar hoe zat het werkelijk? Wat waren de achtergronden van de verrassingsaanval van japan op zijn grote buur, waarvan het wist dat hij hem niet kon verslaan?

Op zondagmorgen 7 december 1941 kwamen meer dan 2400 Amerikaanse militairen om bij de onverhoedse Japanse aanval op Pearl Harbor. De schepen lagen op die vooruitgeschoven basis, tegen de uitdrukkelijke wens van de Amerikaanse legerleiding in.

 

 Na de manoeuvres van 1939 in de Pacific had Roosevelt bevolen dat de vloot daar moest blijven om de Japanners te intimideren. De Japanners waren er daarom op gebrand die buiten gevecht te stellen. Zij vreesden de Verenigde Staten. Misschien niet eens zozeer vanwege hun militaire superioriteit als wel door hun enorme industriële vermogen, dat het tienvoudige van het Japanse beliep. Territoriale ambities jegens de Verenigde Staten waren er niet. Toch voelde Japan zich gedwongen een grote klap uit te delen. Waarom?

Verstoken van natuurlijke hulpbronnen van enige betekenis had Japan, laatkomer in de internationale arena, het gevoel zich een plaats te moeten bevechten in de club van erkende groten van de Pacific: de Amerikanen, de Britten, de Nederlanders en de Fransen. Japans pogingen grondstoffen en afzetmarkten in bezit te krijgen, waren dan ook herhaaldelijk door die groten gedwarsboomd, en dat niet zonder racistische bijgeluiden waarvoor de Japanners buitengewoon allergisch waren.

Samenvattend zijn de volgende ervaringen van belang geweest.


• In 1894-1895 had Japan de oorlog met China gewonnen. Als overwinnaar had het de vredesovereenkomst gedicteerd. Maar zes dagen later kwamen Rusland, Frankrijk en Duitsland tussenbeide en Japan moest het grootste deel van zijn buit laten. De Japanse regering kon niets anders dan de Japanners aanraden `het ondraagbare te dragen'. (Een verwoording die overigens in augustus 1945 door ie Japanse keizer herhaald werd in zijn capitulatietoespraak.)


Vanaf 1900 werden de Japanners onder druk gezet een maximum te stellen aan de emigratie van Japanners naar Hawaii en het Amerikaanse vasteland. Maar dat was niet genoeg: in 1924 kwam de zogenaamde Exclusion Act tot stand, die iedere mmigratie van Aziaten, Japanners incluis, verhinderde.
De Russisch-Japanse oorlog van 1904-1905 werd door Japan gewonnen. Theodore Roosevelt bemiddelde bij het sluiten van de vrede. Ditmaal kregen de Japanners veel meer, maar lang niet waarop zij recht meenden te hebben.


• In de Eerste Wereldoorlog deed Japan mee in het geallieerde kamp. Het verklaarde Duitsland de oorlog en bezette het merendeel van de Duitse eilanden in de Stille Oceaan: de Marianen, de Marshall eilanden, de Carolinen, alle in Micronesië. In China bezette het het schiereiland Siantoeng aan de Gele Zee. Maar de Vrede van Versailles werd als een klap in het gezicht ervaren. Siantoeng moest worden opgegeven en de eilanden werden een mandaatgebied onder toezicht van de Volkenbond. Voor de Japanners was het misschien nog wel het moeilijkst te verwerken dat een bepaling overgelijkheid van ras niet in de eindtekst van het vredesverdrag was opgenomen.


• Tijdens die Eerste Wereldoorlog had Japan niet stil gezeten. In de veronderstelling dat de Westerse mogendheden met hun hoofd geheel bij de loopgravenoorlog waren, legde Japan in 1915 in het geheim een lijst van 21 eisen aan de Chinese regering voor. Bij acceptatie daarvan zou China een vazalstaat van Japan geworden zijn.
Prompt lieten de Chinezen deze eisen uitlekken, waarna een sterke internationale reactie de Japanners dwong deze van tafel te nemen. Er bleven twee gevolgen: Japan had zijn gezicht verloren, en de Chinese publieke opinie keerde zich tegen Japan.


• Op de vlootconferentie van Washington (1921-1922) trok Japan opnieuw aan het kortste eind. Engeland en de Verenigde Staten legden een verhouding van 5:5:3 in de aantallen kruisers en slagschepen vast. In 1930 bij eenzelfde verdrag in Londen voor de overige schepen van de vloot, was Japan opnieuw de verliezer. In 1934 zegde Japan beide verdragen op en startte koortsachtig een vlootbouwprogramma.

• In 1931 zetten Japanse officieren het zogenaamde `Incident van Mulden' in scène: onder een voorwendsel bezette Japan deze staat in Mantsjoerije. Het liep uit op de algehele bezetting van dit Chinese gebied en de installatie van een marionetten-regering. De Volkenbond stelde de Lytton-commissie in die Japan als agressor bestempelde. Japan bleef in Mantsjoerije, een gebied met kolen en ijzer, en stapte in 1933 uit de Volkenbond.

opbouw Japans Imperium


Japanse expansie in China In1937,nabinnendringen un China echt serieus. Wat zocht men daar?

Zoals vaak bij agressie twee zaken: grondstoffen ('wat kunnen wij roven?') en afzetmarkten ('wat kunnen wij daar verkopen?'). Afgezien van het grondstofrijke Mantsjoerije, ging het in China vermoedelijk meer om afzetmarkten dan plundering. De Amerikanen poogden de Japanners ertoe te bewegen zich uit China terug te trekken. Er bestond veel weerzin tegen het brute Japanse optreden zoals in de wrede `Furie van Nanking' (1937). De arme, lijdende Chinees kon op veel sympathie rekenen, maar niet genoeg om er een oorlog voor te wagen. Daarvoor waren de handelsbelangen (Amerikaanse export van gietijzer, schrootstaal, machines, olie en olieprodukten waaronder vliegtuigbenzine, maar ook van technologie en vliegtuigen) te groot. In feite ontbrak het achter de schermen zelfs niet aan verkapte aanmoediging. Het was geen slechte zaak, wanneer Japan zich zou verstrikken in zijn Chinese avontuur zoals dat Napoleon was overkomen - en een Japanse generaal verwoordde dat ook zo - met zijn campagne in Spanje.
De Amerikanen bleven dus op de vriendelijk aanmoedigende toer met China en boden Tsj ang-Kai-Tsjek voldoende kredieten om hem op de been te houden.

 Oorlogsmateriaat werd hem verkocht of geschonken. Of dit werd geruild tegen tung-olie (noodzakelijk voor de productie van verven en vernissen). Ondertussen probeerde men in de zuidelijke staten van de Verenigde Staten tungbomen aan te planten, maar daarvan kon weinig olie verkregen worden vóór het einde van de jaren veertig. Natuurlijk zou een handelsembargo Japan echt hard hebben geraakt. Maar zover ging Amerika niet. Het was hun belang niet het Japans-Chinese conflict te bezweren. Dit gaande houden en de Japanse handen binden leek een verkieslijker weg. Dus werd Japan schrootstaal geleverd dat alleen maar gesmolten hoefde te worden om gebruiksklaar te zijn. Maar ook olie, machines en onderdelen daarvan en nog veel meer onmisbare zaken.
Tsjang-Kai-Tsjek begreep heel goed dat hij aan het lijntje werd gehouden en gebruikt werd. Meer dan eens pleegde hij chantage door te dreigen een vergelijk met de Japanners te zullen zoeken. Een loos dreigement was dat niet. Tsjang sprak zelf vloeiend Japans. Hij had in 1909 Zij fl opleiding voltooid aan de Militaire Academie in Japan (dat er toen op uit was het bewind van de Tsjing dynastie in China te ondermijnen), en onderhield de gehele oorlog door in het geheim contacten met Japanners.
Oliebelangen MaarwaaromditAmerikaanse dubbelspel? Omdat de wezenlijke belangen van Amerika niet in Japan of China lagen, maar in zuidelijker gebieden. Daarvan moest Japan worden weggehouden. 95 procent van het in Amerika gebruikte tin kwam uit Nederlands-Indië (Banka en Billiton) en een paar eilandjes voor de kust van Malakka. 85 procent van het gebruikte natuurrubber kwam uit Malakka en Nederlands-Indië. De Duitsers hadden tijdens de Wereldoorlog al ontdekt wat het betekende zich daarmee niet meer te kunnen bevoorraden. Zij hadden ijlings de technologie voor het maken van synthetisch rubber ontwikkeld en de fabrieken daarvoor gebouwd.

In de Verenigde Staten was het niet vóór de paniek van 1942 - na de Japanse bezetting van Zuid-Oost Azië - dat dit alternatief serieus genomen werd. 
Aan het voorgaande kunnen nog enkele gegevens worden toegevoegd. In 1940 had Japan een voorraad olie voor het leger, voldoende voor achttien maanden. Maar veel minder voor niet-militair gebruik. De olie was voornamelijk betrokken van de Verenigde Staten, dat toentertijd nog een van 's werelds grootste olie-exporteurs was. Waar zou Japan zijn olie vandaan moeten halen, wanneer die Amerikaanse leverantie zou ophouden? In Nederlands-Indië.
En toen kwamen nog twee nieuwe prikkels voor verdere zuidwaartse territoriale expansie. De Duitsers onderschepten een Engels bericht dat in geval van een oorlog in Azië de Engelsen het bij verdedigend militair optreden zouden laten. Men had de handen vol aan de oorlog in Europa en Noord-Afrika. De Japanners keken hun ogen uit over dit bericht, dat hun uiteraard in handen werd gespeeld. Vervolgens kwam daarbij dat Nederland door de Duitsers was bezet, er in Nederlands-Indië niet meer dan 8o 000 Nederlanders, overwegend burgers, leefden, en dat de inheemse bevolking nationalistisch geïnfecteerd was en de oren maar al te graag naar Japanse beloften liet hangen.
Bezien wij deze feiten eens in het licht van de Japanse olie-situatie. In 1940 werd slechts 12 procent van het Japanse oliegebruik gedekt door enige onbeduidende oliebronnen op het schiereiland Sachalin (thans Russisch gebied) of was van plantaardige herkomst. De overige 88 procent werd voor 8o procent met Amerikaanse en voor 8 procent met Nederlands-Indische olie gedekt. Het was toen inderdaad een andere wereld dan nu. Het wereld-olieverbruik leunde slechts voor een kleine 5 procent op produktie in het Midden-Oosten. De Verenigde Staten, Sumatra-Borneo, Venezuela (via de Nederlandse Antillen) waren de grote leveranciers.

De enige machtige tegenspeler van Japan in de Pacific waren de Verenigde Staten. John Hay, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, ontzet over de wijze waarop de mogendheden op het hulpeloze China inhakten, kondigde in 1899 de `Open Deur' politiek af: iedereen mocht met China handel drijven op voet van gelijkheid. Er mocht geen verdere inbezitneming van Chinees territorium plaatsvinden. De Verenigde Staten bleven wel zo ongeveer de enige mogendheid die zich hieraan hield. Er bestond in de Verenigde Staten veel sympathie voor de Chinese zaak, mede door de grote activiteit van missie en zending.


De Spaans-Amerikaanse oorlog van 1898 had de Verenigde Staten de Filippijnen en eilanden als Guam opgeleverd. De kwetsbaarheid van deze bezittingen bij Japanse agressie had president Theodore Roosevelt al tot de uitspraak gebracht dat zij de achilleshiel van Amerika's buitenlandse politiek konden worden. Met de tocht van de zogenaamde Grote Witte Vloot liet hij in 1909 over de hele wereld een demonstratie van de kracht van de Amerikaanse vloot geven. Ostentatief werd ook aan een
paar Japanse havens een 'vriendschapsbezoek' gebracht. Maar Amerikaanse belangen in het gebied van de Pacific reikten veel verder dan de Filippijnen en nog wat eilanden. Grondstoffen en handelsbetrekkingen, daar ging het ook Amerika om. De Filippijnen waren de enige bron ter wereld voor abaca, een plantaardige vezel van grote betekenis voor de fabricage van scheepstouw.

Maar vooral Nederlands-Indië speelde een doorslaggevende rolvoor Amerika. `Nederlands-Indië is het koloniale neusje van de zalm. Het bezit rubber, tin, olie, suiker, koffie, tabak, topra, palmolie en een reeks van andere plantaardige en minerale produkten,' merkte een Amerikaanse diplomaat op. En Stanley Hornbeck, een hoge functionaris van het State Department, stelde in 1940: `Voor de Verenigde Staten is Zuidoost-Azië van zo'n vitaal belang dat onze hele buitenlandse politiek in dat licht bedreven moet worden... Het is geen overdrijving te stellen dat het land voor zijn voortbestaan als industriële grootmacht gedwongen zal zijn oorlog te voeren tegen elke macht of combinatie van landen die onze verbindingen met dit deel van de wereld in gevaar zouden kunnen brengen.'

Een dergelijk geluid liet ook de staatsecretaris voor marine in 1940 horen: `Wij zouden het de Japanners nooit mogen toestaan Nederlands-Indië in bezit te krijgen, want dat is de levensader voor olie, rubber, tin... We moeten helder onder ogen durven zien dat de inbezitneming van Nederlands-Indië door Japan oorlog betekent.'


De Verenigde Staten importeerden toen meer uit het Verre Oosten dan uit welk ander deel van de wereld ook: 30 procent van de totale import kwam op dat moment daarvandaan. Voor hun grondstoffenvoorziening waren Japan en de Verenigde Staten in feite beiden even kwetsbaar. Hoe dan verder?


Japan was zich ervan bewust dat de Verenigde Staten zich in hoog tempo opnieuw aan het bewapenen waren. Japan was daar reeds veel eerder mee begonnen en bezat in de jaren 1939-1942 een overwicht in schepen, vliegtuigen en inzetbare troepen. Maar die voorsprong zou in 1943 voorbij zijn, omdat Amerika's produktiecapaciteit die van Japan verre overtrof. Als Japan naar het zuiden wilde oprukken, dan moest het dit snel doen. De Verenigde Staten zagen dit ook. Als het op een conflict moest uitdraaien, dan liefst niet eerder dan in 1943 of 1944.
Het ligt voor de hand, dat in zo'n situatie diplomatie een belangrijke rol kan spelen: van Japanse kant door te proberen concessies los te krijgen om over voldoende oliereserves en -aanvoer te bechikken om er geen oorlog voor te hoeven beginnen; van Amerikaanse zijde door te proberen Japan genoeg problemen met China te geven en, mocht dat onvoldoende lukken, hoe dan ook tijd te winnen.

De Amerikanen hadden voor dat doel de diplomaat Joseph Grew in Tokyo. Grew was om zo te zeggen een heer. Hij was goed ingevoerd in de Japanse cultuur en politiek. Hij bleef, misschien wat naïef, hopen dat in Japan het gezonde verstand zou zegevieren en hield de japanners de mogelijkheid van een vergelijk met de Verenigde Staten voor. Hij moest de Amerikaanse opvatting naar voren brengen dat Japan China diende te verlaten, maar deed dat niet al te nadrukkelijk. Als Japan nu eens begon zijn agressieve houding wat te beteugelen... Misschien kon hij voor ze bemiddelen om tot een vergelijk met Tsjang-Kai-Tsjek te komen... Grew moet evenwel op de hoogte zijn geweest van het contact van Tsjang met de Japanners. Tsjang maakte zich veel grotere zorgen over de Chinese communisten dan over de Japanners. Bekend is zijn uitspraak: `De Japanners zijn een Chinese huidziekte, maar de communisten verzieken de Chinese ziel'.


De Japanners hadden admiraal Kichisaburo Nomura naar Washington gestuurd, een al wat oudere, tamelijk joviaal optredende gentleman met een goede naam in de Verenigde Staten, een oude kennis van Franklin Roosevelt. De Amerikanen mochten hem wel en vertrouwden hem ook. Maar zij hadden wel de code van zijn post gebroken, lazen de stukken, en begrepen dat Tokyo hem dwong een toneelstukje op te voeren. Dat besefte hij trouwens zelf ook. Slechts anderhalve maand voor de aanval op Pearl Harbor seinde hij naar zijn regering: `Ik ben vast van mening dat ik bij de val van het vorige kabinet vervangen had moeten worden [in Tokyo was het kabinet Konoye )pgevolgd door dat van Hideki Toyo, J.M.}. Er zijn Amerikanen die mij moed inspreen door te zeggen dat alles beter zal woren. Ook onder mijn collega-diplomaten ier zijn er die het zo zien, maar zij laten
ch gewoon bedotten. Ik voel er niets voor dit hypocriete gedoe voort te zetten. Meen niet dat ik het slagveld ontvlucht. Als een man van eer is weggaan de enige weg die voor mij open ligt. Geef mij alsjeblieft toestemming naar Japan terug te keren.' Zijn regering wees zijn verzoek in hoffelijke bewoordingen af.


Embargo

 Laten we de draad van de gebeurtenissen oppakken. In de nasleep van de barbaarse slachting van Chinese burgers in december 1937 in Nanking en de systematische bombardementen op burgerdoelen, riepen de Verenigde Staten in juli 1938 een moreel embargo uit: ondernemers werden verzocht de verkoop van vliegtuigen en vliegtuigonderdelen aan Japan stop te zetten. In juli 1940 werd dit omgezet in een officieel embargo en kwamen er ook vliegtuigbenzine, smeeroliën en bepaalde soorten ijzer en staal onder te vallen. De zwaarste klap werd op 30 september uitgedeeld, toen iedere uitvoer van ijzer en staal verboden werd. Roosevelt was het eens met zijn minister van buitenlandse zaken, Cordell Huil, dat door geen olie meer te leveren, Japan in feite gedwongen werd zich naar het zuiden, naar Nederlands-Indië te richten. Nederland was door de Duitsers bezet en niets zou hun beter uitkomen dan Nederlands-Indië als een geschenk aan Japan aan te bieden. Japan was immers een bondgenoot sinds het anti-cominternpakt van 1935 en het verdrag van de drie as-mogendheden (Duitsland, Italië en Japan) van 27 september 1940.


De Amerikanen volgden de Japanse ontwikkelingen met stijgende vrees. Zouden zij zuidwaarts trekken? De Japanners probeerden de Chinese havens af te sluiten. In 1939 bezetten zij het eiland Hainan, gevaarlijk dicht op Frans Indo-China en ook niet ver van de Filippijnen. Voor China bleven er nog maar twee aanvoerroutes open: een via Haifong in Indo-China en een smal spoorlijntje naar Kunming; en een tweede met vrachtwagens over de Birma-weg. De Fransen - hun land was inmiddels grotendeels bezet door de Duitsers - moesten op 25 juni 1940 erin toestemmen dat Japan een paar kruisers in de haven van Haifong stationeerde. Engeland vocht in Europa op leven en dood voor zijn voortbestaan. Churchill liet op 18 juli de Birma-weg sluiten. Maar de heropening op 18 oktober hield een regelrechte provocatie in.

De daadwerkelijke Japanse bezetting van het noorden van China was op 22 september al begonnen. Het Amerikaanse antwoord (het ijzer-en-staal-embargo van 30 september) liet niet lang op zich wachten. Het was duidelijk dat er een lijn getrokken werd die niet zonder oorlog overschreden kon worden. De Japanners begrepen dat maar al te goed, al kregen ze nog steeds olie. Japan probeerde het Amerikaanse bijna-monopolie op olie te doorbreken en stuurden een dringende missie naar Nederlands-Indië. Ondanks hun uitzichtloze militaire situatie bogen de Nederlanders niet het hoofd, zoals de Fransen.

De Japanse missie vertrok op 30 oktober 1940 uit Batavia met hooguit io procent van hun wensen ingewilligd. De Nederlandse oliebronnen en de raffinage-capaciteit waren groot genoeg om de Japanners van nagenoeg alles te voorzien wat zij nodig hadden. Een tweede missie, die van 28 december 1940 tot 11 juni 1941 in Indië verbleef, boekte geen beter resultaat. Tot grote tevredenheid van de Verenigde Staten wezen de Nederlanders de Japanners er bovendien op dat geen enkele afspraak geldig zou blijven wanneer Japan het zuiden van Indo-China bezette.


Toch drukten de Japanners door. De Fransen moesten nog dieper door de knieën: op 25 juli 1941 stemden zij in met de totstandkoming van een Frans Japans dubbelprotectoraat voor geheel Indo-China. Er was slechts één uitleg mogelijk: het Japanse pistool stond nu gericht op de borst van de Filippijnen, Brits Malakka en Nederlands-Indië. De volgende dag, 26
juli, bevroor Roosevelt alle Japanse activa in de Verenigde Staten. De olie-toevoer werd gestopt.

De Engelsen en de Nederlanders volgden snel het Amerikaanse voorbeeld. Het mes stond Japan op de keel. In feite was de oorlog in de Pacific al begonnen. Waren de Nederlanders - zoals de Fransen - voor de Japanse eisen gezwicht, dan zou er geen oorlog geweest zijn. Althans op dat moment nog niet. Het valt immers moeilijk voor te stellen dat het militairistische, nationalistische Japan en de Verenigde Staten met hun grote belangen in de Pacific vroeg of laat niet met elkaar in oorlog zouden raken. Om bij een opmars naar het zuiden de linkerflank te beschermen moest Japan de Amerikaanse vloot in de Pacific en de luchtmacht op de Filippijnen uitschakelen. Op 7 december 1941 werden Pearl Harbor en Clark Field onverhoeds overvallen en vernietigd. Cordell Huil nam dezelfde dag de oorlogsverklaring van de Japanse ambassadeurs Nomura en Kurusu in ontvangst.

Artikel oorspronkelijk verschenen in Spiegel Historiael pagina 364 t/m 369.jaargang onbekend) Auteur Jans Muller

 

Wie is online

We hebben 47 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.