De Nederlandse Steenkolenmijnbouw tijdens de Duitse bezetting
Auteur: drs. J.W. Swaen Utrecht Juli 1981
|
De Nederlandse Steenkolenmijnbouw is pas sinds het begin van de twintigste eeuw uitgegroeid tot een industrie van nationale betekenis. De oorzaak daarvan lag vooral in het feit dat de Nederlandse staat omstreeks 1900 belangstelling begon te krijgen voor de Limburgse kolen.
De staat nam vanaf die tijd een leidende rol in het tot ontwikkeling brengen van nieuwe mijnen. In de oude mijnstreek ontstonden 11 mijnen tegen in de nieuwe mijnstreek 1.
De periode 1900 - 1914 was een periode van ongekende bloei, met zijn opgaande conjunctuur en een stijgende, vooral buitenlandse vraag naar kolen.
De eerste wereldoorlog deed de binnenlandse vraag naar steenkolen plotseling stijgen waardoor vooral de Staatsmijnen zich snel ontwikkelden. Terwijl het in en vlak na de eerste wereldoorlog een probleem voor de steenkolenmijnbouw was voldoende kolen te produceren om zo goed mogelijk aan de vraag tegemoet te komen, brak daarna een tijd aan van overvloed en lage prijzen.
In de twintiger jaren was Nederland één van de meest betwiste afzetmarkten door zijn ligging t.o.v. Engeland en Duitsland. Toch bleef de Nederlandse produktie stijgen om zo te trachten de produktiekosten per ton te drukken.
In 1929 kwam de Kolenconventie van Nederland tot stand. Deze conventie was enerzijds een samenwerking tussen de Nederlandse producenten onderling en anderzijds tussen de Nederlandse producenten en de importeurs van Duitse kolen. De totale produktie ging van 2 miljoen ton in 1914 naar ruim 12 miljoen ton in 1930.
Door de economische wereldcrises van 1929 daalde de kolenprijs van fl 9,95 per ton in 1930 tot fl. 5,76 per ton in 1934. De particuliere mijnen moesten als gevolg hiervan de produktie inkrimpen, de Staatsmijnen hoefden daartoe niet over te gaan. De gunstige afzetmogelijkheden van de Staatsmijnen stelden hen in staat de produktie in de periode 1931 - 1936 op te voeren met 10,4 %.
Voor de Steenkolenmijnbouw trad er vanaf 1935 een verbetering in. Oorzaak daarvan was de opkomst van de Duitse oorlogsindustrie. Vooral de tweede helft van 1936 bracht verbetering, door de opleving in de Nederlandse industrie, handel en scheepvaart en door het tekort aan steenkool, dat zich vrijwel alom in Europa voordeed. In 1937 produceerden de mijnen 14 miljoen ton steenkolen en in 1938 13,5 miljoen ton.
Toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was de positie van de Nederlandse Steenkolenmijnbouw een geheel andere dan bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De produktie bedroeg in 1914 minder dan 2 miljoen ton, het verbruik ruim 10 miljoen.Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was evenwel de hoeveelheid van de in Nederland geproduceerde vaste brandstoffen ongeveer gelijk aan de hoeveelheid verbruikte vaste brandstoffen.
De Nederlandse Steenkolenmijnbouw toonde bij het begin van de Duitse bezetting het beeld van een krachtig ontwikkelde industrie en de laat tot volle ontplooiing gekomen Steenkolenmijnbouw had tot gunstig gevolg dat men kon spreken van een zeer modern ingericht bedrijf, dat in dit opzicht een voorsprong had op de oudere mijnbouwlanden.
Doordat Nederland, door de bezetting op 10 mei 1940, m.b.t. haar energievoorziening geheel afhankelijk was geworden van de eigen produktie, zou de Nederlandse Steenkolenmijnbouw een nog grotere rol gaan vervullen in de energievoorziening van de Nederlandse Volkshuishouding.
Ook de Duitsers zagen het belang van de Nederlandse Steenkolenmijnbouw in. De Steenkolenmijnbouw werd door de Duisers als 'kriegswichtig' beschouwd, hetgeen volledig paste in het economisch systeem van het Nationaal-Socialisme dat, door uitbreiding van de 'Lebensraum' ervoor diende te zorgen, dat de materiële middelen aanwezig waren, die de 'Volkswirtschaft' in haar streven naar autarkie nodig had. Een autarkie welke noodzakelijk was om met succes een oorlog te kunnen winnen.
Om zo snel mogelijk het economisch leven van Nederland te regelen, volgens richtlijnen die te Berlijn werden vastgesteld ging vanuit Den Haag de 'Hauptabteilung Gewerbliche Wirtschaft' opereren, welke op haar beurt behoorde tot de ‘Rüstungsinspektion Niederlande'. De Rüstungsinspektion nu, diende er voor te zorgen, dat de Duitse Wehrmacht de beschikking kreeg over voldoende wapens en andere hulpmiddelen die men nodig had. Zo werd de Steenkolenmijnbouw al direkt door de bezettingsautoriteiten ingeschakeld ter voorziening in de behoeften van het Groot-Duitse Rijk.
De directies van de mijnen werden geconfronteerd met een voor hen totaal veranderde situatie. Welk beleid dienden zij nu te ontwikkelen? Moesten zij met de bezetter samenwerken of niet? Zo niet, wat betekende dit dan voor hun bedrijven? Zo wel, was dit dan wel toegestaan?
Een antwoord op deze vraag moest gezocht worden in de Aanwijzingen van 1937. Deze Aanwijzingen van 1937 waren juist door de toenmalige Ministerraad opgesteld, met het oog op de mogelijkheid van een vijandelijke inval en bezetting.
Hoever mochten de directies volgens deze Aanwijzingen gaan? In de Aanwijzingen was artikel 52 van het Landoorlogsreglement van 18 oktober 1907 overgenomen, dat bepaalde dat de bevolking van een bezet gebied niet mocht worden gedwongen deel te nemen aan krijgsverrichtingen tegen het Vaderland.
In de Aanwijzingen werd echter de wapenproduktie uitdrukkelijk verboden. Wel geoorloofd waren werkzaamheden van niet specifiek militaire aard en werkzaamheden, welke geacht konden worden in het belang van het maatschappelijk leven van de bevolking te zijn, ook al zou de vijand daarvan mede profiteren voor zijn oorlogsvoering.
Een zekere medewerking was dus toegestaan en deze ging verder dan alleen herstel en handhaving van de openbare orde.De directies dienden dus naar eigen inzicht te bepalen wat in het belang van het maatschappelijk leven van de bevolking was. Natuurlijk was de steenkool van belang voor de Nederlandse bevolking en industrie, maar hield dat dan in dat men ook Duitse orders moest accepteren? Zou men dit niet doen dan zouden Duitse maatregelen niet uitblijven.
Het was en bleef een groot dilemma voor de directies en de Aanwijzingen van 1937 voldeden niet als leidraad in de ontstane situatie.
De directies besloten ten opzichte van de nieuw ontstane situatie gezamenlijk één lijn te volgen en men probeerde dit standpunt dan ook zo lang mogelijk uit te dragen. Tijdens de eerste maanden van de bezetting week men niet af van het standpunt dat de Nederlandse kolen moesten dienen ter voorziening van de Nederlandse behoeften en dat men aan Duitsland enkel die hoeveelheid zou leveren die behoorde tot het normale contingent. Zou men toch meer kolen aan Duitsland leveren, dan diende Duitsland Noord-Nederland van gelijke tonnages te voorzien.
Dit standpunt van de directies bleek in de praktijk snel door hen te worden verlaten. Toen in augustus 1940, van Duitse zijde werd verlangd, dat men per maand 300.000 ton moest gaan leveren, reageerden de directies enkel met de mededeling dat de kolen welke boven het normale contingent geleverd zouden worden, niet in dezelfde soorten konden worden geleverd als het normale maandelijkse contingent. Er werd door de directies niet gewezen op het feit dat de Duitsers er dan voor dienden te zorgen dat Noord-Nederland van dezelfde hoeveelheid moest worden voorzien. De directies voerden de door de Duitsers gevraagde hoeveelheid uit.
De in augustus 1940 van Duitse zijde verlangde exportvergroting tot 300.000 ton per maand zou het begin betekenen van een gevoelige aderlating van de kolenproduktie van Nederland. Uiteindelijk zou men meer dan 15% van de totale produktie tijdens de Duitse bezetting ten behoeve van het Groot-Duitse Rijk exporteren.
De directies hadden zich dienen te verzetten tegen deze export, vooral ook omdat men nu in het geheel niet meer aan de Nederlandse behoefte kon voldoen.Te gemakkelijk hadden de directies toegegeven aan het Duitse verzoek om meer kolen te leveren.
Opgemerkt dient nog te worden dat ook van de voor Nederland beschikbare hoeveelheid nog eens 300.000 ton huisbrandkolen beschikbaar moest worden gesteld aan de Duitse Wehrmacht in Nederland, terwijl de huisbrandkolen toch al met 50% was verminderd vergeleken met de situatie voor de bezettingstijd. Om een goed inzicht te krijgen in de produktie, export en de voor Nederland beschikbare hoeveelheden tijdens de Duitse bezetting zie het navolgende overzicht.
Overzicht van de produktie en export in 1938 en 1939 en een overzicht van de produktie, export en de voor Nederland beschikbare hoeveelheden tijden de Duitse bezetting.
Jaar | Productie in Tonnen | Export | Voor Nederland |
1938 | 13.487.552,000 | 1.244.383,000 | 12.243.169,000 |
1939 | 12.861.462.000 | 1.093.053,300 | 11.768.40,700 |
1940 | 12.145.044,577 | 1.752.247,143 | 10.392.797,434 |
1941 | 13.356.425,166 | 2.444.699,497 | 10.911.725,669 |
1942 | 12.329.691,000 | 1.213.959,170 | 11.115.731,830 |
1943 | 12.497.102,000 | 1.596.289,000 | 10.900.813,000 |
1944 tot sept | 7.338.000.000 | 1.115.000,000 | 6.223.000,000 |
Produktie 1940 tot september 1944 | 57.666.262,743 ton |
Export 1940 tot september 1944 | 8.122.194,810 ton |
Uit het overzicht van de export tijdens de Duitse bezetting blijkt duidelijk dat de export een sterke toename vertoonde, hetgeen een gevoelig verlies betekende voor de Nederlandse energiebehoefte.
Er is al op gewezen dat de Steenkolenmijnbouw werd ondergebracht bij de 'Rüstungsinspektion Niederlande'. Maar de bezettingsautoriteiten namen nog meer maatregelen. Om hun directe invloed op de produktieomvang te vergroten werd op 24 juni 1940 bij de Limburgse mijnondernemingen, welke met Frans en Belgisch kapitaal werkten, een Verwalter(beheerder) aangesteld, de Heer H. Bruch. Pas met ingang van 1 januari 1942 werd Bruch ook Verwalter van de Staatsmijnen en de Dominiale Mijn Mij.
De samenwerking tussen de directies en de heer Bruch kan zeker tot januari 1942 als goed worden omschreven, hetgeen niet in de laatste plaats haar oorzaak vond in de naar tevredenheid van de bezettingsautoriteiten producerende mijnen. Een en ander blijkt duidelijk uit de notulen van de directievergaderingen waar Bruch ook aan deel nam.
Tot het einde van 1941 had de aansporing van de directies dat er in het belang van de kolenvoorziening van Nederland meer geproduceerd moest worden succes, gezien het feit dat men in 1941 tot een totale produktie kwam van 13.356.425,166 ton. Een produktieniveau praktisch gelijk een het vooroorlogse jaar 1938. Deze toename van de produktie leidde er echter niet toe dat het tekort aan steenkool in Nederland teniet werd gedaan. Van de totale produktietoename in 1941 van 1.211.385 ton werd 57,2% voor de export bestemd en kwam dus niet ten goede aan Nederland.
Zoals uit het gegeven overzicht blijkt werd er in 1940 en 1941 het meeste geëxporteerd. In 1940 en 1941 werd meer geëxporteerd dan in de periode 1942 tot september 1944, namelijk 4.196.946,640 ton tegen 3.925.248,170 ton. De oorzaak van deze duidelijk afname van de export vanaf 1942 was niet te wijten aan het feit dat er meer kolen voor Nederland beschikbaar kwam, zie het overzicht, maar was duidelijk te wijten aan het feit dat sinds 1942 er een duidelijke teruggang plaatsvond van de kolenproduktie.
Ten opzicht van 1941 zakte de totale kolenproduktie in 1942 en 1943 respectievelijk met 1.026.734,166 ton en 859.323,166 ton, terwijl de produktie in 1944 nog verder terugliep. Hoewel de produktie in 1941 op vooroorlogsniveau was (1938) en de Duitse autoriteiten tevreden waren, wilden ze echter toch naar een nog hogere produktie toe. Toen evenwel in plaats van een nog hogere produktie de produktie een dalende tendens begon te vertonen stelde de Verwalter Bruch daarvoor de directies verantwoordelijk en op een later tijdstip zelfs de bedrijfsingenieurs.
De geëxporteerde kolen waren bestemd voor een klein aantal afnemers. Een klein gedeelte van deze kolen was bestemd voor de Duitse Wehrmacht in Scandinavië en werd via Rotterdam verscheept. Het grootste gedeelte van de export ging rechtstreeks naar Duitsland. Van de produktie van november 1940 werd 100.000 ton rechtstreeks gezonden naar de Duitse Wehrmacht. Deze bestemming lag 1.200 km vanaf Herzogenrath. 100.000 ton kolen gingen dus in november 1940 richting Duits-Russische grens. We kunnen aannemen dat vanaf september 1940 tot en met december 1941 per maand 100.000 ton kolen werd geëxporteerd ten behoeve van de Duitse Wehrmacht. In 1942 liep de export ten opzicht van 1941 terug met 1.230.740,327 ton.
Uit een directievergadering van juni 1941 blijkt verder dat naast de Duitse Wehrmacht ook de Duitse Reichsbahn tot de afnemers van de geëxporteerde kolen behoorde. Uit andere gegevens blijkt dat de Staatsmijnen Grósscokes leverden aan de Duisburger Kuperhütte.
Een hoge produktie was zeer belangrijk, niet alleen voor de export maar ook ter dekking van de Nederlandse behoefte. De directies hadden al tijdens de mobilisatie maatregelen genomen om de produktie op peil te houden.Ter gedeeltelijke vervanging van de + 3.000 onder de wapenen geroepen mijnwerkers, had men al een aantal arbeidskrachten tijdelijk in dienst genomen. Een groot aantal van hen bleef ook na de terugkeer van de mijnwerkers in dienst van de mijnen. Om de produktie op te voeren ging men over tot een vergaande uitbreiding van het personeel van 32.000 man tot ruim 40.000 man. Naast deze uitbreiding van het personeel voerde men een reeks verlengingen in de arbeidstijden van het personeel door, in ruil voor extra loon en artikelen zoals sigaretten, chocola en jenever. In november 1940 moest men op zaterdag 8 uur in plaats van 6 uur gaan werken.
De directies gingen over tot de instelling van één werkzondag per maand.Op zondag 29 juni 1941 werd er voor het eerst vrijwillig op zondag gewerkt, maar omdat er te weinig werknemers opkwamen mislukte deze poging. In maart 1942 echter, toen de omstandigheden drastisch veranderd waren door de optredende daling van de produktie, besloot men tot de instelling van één verplichte werkzondag per maand gevolgd door een tweede verplichte werkzondag in september 1942.
De directies hadden zich eerst nog wel verzet tegen het verplicht stellen daarvan maar uiteindelijk voerden ze deze verplichtewerkzondagen toch door.Toen in november 1942 de Staatsmijn Maurits door een bombardement tijdelijk kwam stil te liggen werd in de gehele Steenkolenmijnbouw de dagelijkse arbeidsduur van 8 uur verlengd met 3/4 uur tot 8 3/4 uur. Vanaf november 1942 moesten de mijnwerkers in een tijdsbestek van 14 dagen 13 x 8 3/4 uur = 113 3/4 uur werken, daartegenover werkte men vroeger 92 uur.
In het begin van de bezettingstijd oefende de Steenkolenmijnbouw nog een grote aantrekkingskracht uit op de bevolking, hetgeen niet verwonderlijk was. Wie in de mijn werkte kreeg extra levensmiddelen voor zeer zware arbeid en naarmate de oorlog langer duurde en de rantsoenen in het land steeds kleiner werden, werd dat steeds belangrijker. Verder kregen de mijnwerkers extra toewijzingen van artikelèn, die elders nauwelijks meer te krijgen waren. Ook bleef tijdens de bezettingstijd de deputaat kolenregeling van kracht. Gehuwde arbeiders en kostwinners kregen 42 hl kolen per jaar, ongehuwden 12 hl.
De belangrijkste reden waarom zovelen naar de mijnen kwamen was het feit dat men daardoor aan tewerkstelling naar Duitsland kon ontkomen. In de praktijk betekende dit, dat het aantal personen welke werkzaam waren in de Steenkolenmijnbouw sterk steeg, maar dat deze mijnwerkers verstoken waren van enige vakkennis m.b.t. de kolendelving. Zoals blijkt uit het gegeven overzicht van de produktie tijdens de Duitse bezettingstijd, leidde zowel de toename van het personeel als de toename van de totale werktijd niet tot het door de bezettingsautoriteiten verlangde produktieniveau. Een en ander zou vanaf 1942 herhaaldelijk leiden tot confrontaties tussen de directies en de bezettingsautoriteiten c.q. de Verwalter Bruch.
Niet dat de directies en de Verwalter Bruch voor 1942 nooit meningsverschillen hadden, integendeel.. Deze lagen echter toen niet op het vlak van de verlangde of gehaalde produktie, maar hadden meer te maken met personeelsaangelegenheden zoals b.v, het geven van een betaalde vakantie aan Rijksduitsers op verzoek van Bruch, terwijl de directies van de Staatsmijnen en de Dominiale Mijn Mij. het hiermee niet eens waren.
Ook verzetten de directies zich tegen het uitschakelen van hun groothandelaren in Duitsland en de overname van hun belangen door het Rheinisch Westfalisches Kohlensyndikat. De directies protesteerden, maar uiteindelijk leverde dit niets op.
Uit geen enkel gegeven blijkt, echter dat de directies zich verzetten tegen verlenging van de werktijd om zodoende een hogere produktie te verkrijgen. Toen de werktijd op zaterdag werd verlengd van 6 tot 8 uur, betreurde men dit omdat deze werktijd van 6 uur was ingevoerd (twintig jaar geleden) met het oog op de ogelijkheid van zondagsheiliging voor de arbeiders.
De praktijk laat duidelijk zien dat datgene wat de bezettingsautoriteiten vroegen aldus werd uitgevoerd tijdens de eerste fase van de bezettingstijd en dat het geen verschil maakte waar Bruch nu Verwalter van was. Tijdens de directievergaderingen trok Bruch altijd aan het langste eind. De directies maakten zich meer zorgen over de geringe opbrengst per ton van de naar Duitsland geexporteerde kolen, dan over het feit dat deze geëxporteerde kolen aan de kolenvoorziening van Nederland werd onttrokken.
Vanaf 1942, toen Bruch ook Verwalter geworden was van de staatsmijnen en de Dominiale Mijn Mij. trad er een produktie-daling op, ondanks de al beschreven verlenging van de arbeidstijd. De daling in 1942 werd wel gevolgd door een produktiestijging in 1943 met 382.329,830 ton, maar deze stijging kwam echter bijna geheel voor rekening van de tweede werkzondag per maand en het weer in produktie komen van de Maurits. Per werkzondag behaalde men ongeveer 40.000 ton produktie. Vanaf december 1942 trad er ook een daling op van het aantal personeelsleden. Zie daarvoor het hierna volgende overzicht.Overzicht van het personeelsbestand per maand van december 1942 tot en met juni 1944.
Maand | Jaar | Totaalpersoneel | Ondergrondspersoneel | Bovengrondspersoneel |
december | 1942 | 40.685 | 27.336 | 13.349 |
januari | 1943 | 40.674 | 27.391 | 13.283 |
februari | 1943 | 40.775 | 27.476 | 13.299 |
maart | 1943 | 40.653 | 27.415 | 13.238 |
april | 1943 | 40.452 | 27.228 | 13.224 |
mei | 1943 | 40.308 | 27.005 | 13.253 |
juni | 1943 | 40.253 | 27.047 | 13.206 |
juli | 1943 | 40.084 | 27.047 | 13037 |
augustus | 1943 | 40.048 | 40.048 | 13.022 |
september | 1943 | 39.995 | 26.937 | 13.078 |
oktober | 1943 | 39.982 | 26.888 | 13.094 |
november | 1943 | 39.942 | 26.847 | 13.102 |
december | 1943 | 39.914 | 26.873 | 13.041 |
januari | 1944 | 39.596 | 26.857 | 12.739 |
februari | 1944 | 39.506 | 26.772 | 12.734 |
maart | 1944 | 39.330 | 26.585 | 12.745 |
april | 1944 | 39.166 | 26.390 | 12.776 |
mei | 1944 | 39.984 | 26.247 | 12.737 |
juni | 1944 | 39.480 | 25.327 | 13.153 |
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------













