ONDERZOEK VAN DE DOCTORAAL WERKGROEP M.B.T. „WAS SAMENWERKING MET DEN VIJAND GEOORLOOFD".Poging tot een nadere analyse
INHOUDSOPGAVE
I Inleiding
II Onderzoek van de doctoraal werkgroep m.b.t. "Was samenwerking met den vijand geoorloofd"
a. Staatsapparaat en Secretarissen-Generaal
b. De Nederlandse Unie
c. N.S.B. en S.S.
d. Economische collaboratie
e. Kunst, Kultuur, Onderwijs en Kerk
III Het symposium van de Anne Frank Stichting
IV Evaluatie bevindingen wergroep en symposium
V Conclusie
Notenapparaat
1 INLEIDING
Het afgelopen jaar hebben we ons in de doctoraal werkgroep Vellênga/Minderaa beziggehouden met de vraag of " Samenwerking met de vijand geoorloofd was".
Het eerste gedeelte van het onderzoek bestond uit literatuurstudie en het tweede gedeelte van het onderzoek had meer betrekking op het onderzoeken van relevante bronnen.
Een nadere analyse van de bevindingen met betrekking tot het fascisme en nationaal-socialisme en de uitingsvormen hiervan in Nederland, wil ik hier buiten beschouwing laten.
Waar ik wel nader op in wil gaan is of er bij de onderzoekingen welke het afgelopen jaar zijn gedaan duidelijke vormen van collaboratie zijn gevonden en ook omschreven is wat er dient te worden verstaan onder collaboratie.
De Anne Frank Stichting heeft eind 1979 een symposium georganiseerd onder de titel " Samenwerking met de vijand", een symposium over de vraag waar aanpassing ophoudt en collaboratie begint. Gezien het thema van onze doctoraal werkgroep past dit symposium binnen het door ons gestelde onderzoeksterrein.
Ook aan de hand van dit symposium wil ik nagaan of reen van collaboratie kan spreken en wat er dient te worden verstaan onder collaboratie.
Tenslotte wil ik dan nagaan of er tussen het onderzoek van de doctoraal werkgroep en het symposium raakvlakken zijn aan te geven.
a/ Staatsapparaat en Secretarissen-Generaal.
Uit het eerste onderzoek concludeerde men dat het Wetboek van Strafrecht m.b.t. de beoordeling of samenwerking met de vijand geoorloofd was weinig praktische waarde had.Hetzelfde gold voor het Land Oorlogs Reglement van 18 oktober 1907 (1). De bevelen van de bezetter dienden alleen opgevolgd te worden zolang deze zich zou houden aan de bepalingen van het L.O.R. (2).
Uit de "aanwijzingen" die de regering in 1937 opstelde kan in het algemeen worden geconcludeerd dat de regering een standpunt innam dat een mengeling was van verzet en samenwerking al naar gelang het algemeen belang dat eiste (3).
De onderzoekers concluderen nu dat: Een zekere medewerking was toegestaan en deze ging verder dan alleen herstel en handhaving van de openbare orde. Zij strekte zich ook uit tot al hetgeen de bezetter volgens het L.O.R. van het ambtenarencorps en de bevolking eisen kon.(4).
De afsluitende conclusie van hun eerste onderzoek is dat velen zich tijdens de bezetting de vraag hebben gesteld of het nut van aanblijven voor het Nederlandse volk groter was dan voor de bezetter. De vaagheid van deze omschrijving uit de aanwijzingen zal voor menigeen na de oorlog het voordeel van de twijfel hebben gebracht (5).
In het tweede gedeelte van het onderzoek waarin o.a. nader werd ingegaan op de gedragingen van Dr. Mr. K.J. Frederiks blijft men bij het eerder gestelde dat hem het voordeel van de twijfel moet worden gegeven.Met betrekking tot het functioneren van het college van Secretarissen-Generaal stelt men vast dat de Secretarissen-Generaal op een aantal punten toch wel erg ver zijn gegaan, zo niet te ver. Zo mochten Nederlandse beroeps-officieren dienst nemen in de Waffen S.S.
Met betrekking tot Hirschfeld zou men kunnen stellen dat hij zijn machtspositie niet voldoende uitspeelde.
b/ De Nederlandse Unie.
Uit het eerste onderzoek komt naar voren toe dat de Nederlandse Unie,m.b.t. de politiek van Seys Inquart,om haar een rol te laten spelen in de nazificatie vn Nederland, tot een instrument was uitgegroeid met eigen doelstellingen eerder dan dat het de bezetter steunde.
Duidelijk dient er echter onderscheid te worden gemaakt tussen hetgeen de leiding voorstond en hetgeen de leden voorstond. De leiding zocht aanvankelijk aanpassing aan de bezetter, maar het merendeel van de leden zag het lidmaatschap als een demonstratie tegen de N.S.B. en een duidelijke profilering t.o.v. de aan te nemen houding tegenover de bezetters en diegenen die heulden met de Duitsers.
Bedenkelijk was echter dat de voortschrijdende nazificatiemaatregelen van de Duitsers niet hun weerslag vonden in een protesthouding van de Unie. Men ging vooral te ver met het instemmen met de Winterhulp, de Arbeidsdiensten en het weren van Joden als "werkende leden" (6).
Uit het tweede gedeelte van het onderzoek (7) werd ook weer geconcludeerd dat de Unie koos voor beperkte samenwerking met de Duitsers.Voorts gaat de Unie in haar kritiek op de N.S.B. zeer veel verder dan in hun kritiek op de Duitsers.
Op den duur neemt de kritiek op de Duitsers wel toe, maar de consequentie die ze hadden moeten nemen, nl. opheffing van de Unie, werd steeds verder uitgesteld.
Echter de grootste tegenstanders van de Unie waren overtuigd van de vaderlandslievendheid van de Unie. Hun kritiek bestond uit het feit dat de Unie gepoogd heeft legaal politiek te voeren tijdens de bezetting.
c/ N.S.B. en S.S.
Deze werkten duidelijk samen met de bezetter, dus is er ook sprake van collaboratie. Het Nederlandse volk nam van beide bewegingen dan ook duidelijk afstand.Uit het tweede gedeelte van het onderzoek komt men tot een nadere analyse van het begrip collaboratie, nadat men eerst een aantal bedenkingen verwoordt tegen de bijzondere rechtspleging van na de oorlog.
Men concludeert dat het woord collaboratie een moeilijk te omschrijven begrip is.
Men kan stellen dat alleen dan van collaboratie gesproken kan worden, als er sprake is van een bewuste keuze tot samenwerking met de Duitsers, die,- zoals in 't Veld opmerkt, 'zowel bezetter als vertegenwoordiger van het nationaal-socialisme waren.
Een tweede en veel moeilijker overweging, is die van de motieven tot collaboratie.
Als ene uiterste is de volledige collaboratie d.w.z. een gewilde samenwerking op grond van ideologische affecties, met volledige instemming en acceptatie van de gevolgen die dat heeft voor eigen leven en voor het Nederlandse volk. Tot een dergelijke opstelling kan men overigens ook komen uit economische of opportunistische overwegingen. Waar het om gaat is dat men bewust de Duitse belangen zoekt te behartigen met voorbijgaan aan de Nederlandse.
Het andere uiterste is die, welke de samenwerking enkel en alleen als een middel ziet tot het doel. Dat doel wordt dan gevormd door de bevrijding van het vaderland,het verdedigen van morele en humane tradities of liever het heroveren daarvan.Tussen deze extremen ligt vanzelfsprekend een scala van mogelijkheden.Toch is ook daarin wel enig onderscheid te maken: Het collaboreren met het oog op het redden van mensenlevens is minder afkeuringswaardig (of zelfs lofwaardig) vergeleken met samenwerking omwille van kleine eigen belangen (positie, beroep, eer). Collaboratie om eigen leven veilig te stellen verdient meer begrip dan samenwerken om de orde te handhaven.
Tenslotte concludeert men dat dit een terrein vol voetangels en waarde-oordelen ingegeven door eigen opvatting, milieu en achtergrond is en dat men verder dan tamelijk grof rubriceren dan ook niet kan komen.Met deze conclusie wordt het probleem van beoordeling van oorlogshelden en misdadigers (en alles wat daartussen zit) onoplosbaar, althans als men pretendeert nauwkeurig te zijn.Aldus het laatste verslag van het onderzoek naar de N.S.B. en S.S.
d/ Economische collaboratie.
De groep welke zich bezig hield met Economische collaboratie is van mening dat bijna elke productie een vorm van economische collaboratie is, daar zij direct of indirect de bezetter ten goede kwam. Maar tevens kwam zij de bevolking en mogelijk ook het verzet ten goede. Wat voor de bevolking goed was, kan zelfs nadelig zijn voor het verzet. Hier speelt ook de tegenstelling korte termijn-lange termijn een rol. Een moeilijk dilemma speelt ons dus parten bij de beoordeling van het collaboratievraagstuk. (9).
Veelal was er bij economische collaboratie sprake van een dwangpositie, die via bereidwilligheid in vrijwilligheid kon verkeren.Ook dient er onderscheid gemaakt te wordcn tussen militaire en civiele produktie.
Ten slotte is met het oog op economische collaboratie nog van belang de verhouding tussen eigen belang en algemeen belang (b.v. de rol van Philips).
e/ Kunst, Kultuur en Onderwijs.en Kerk.
Een van de bevindingen van de groep die dit gebied nader onderzocht was dat de kerken belangrijk waren in het verzet tegen de Duitsers omdat van hen een stimulerende werking uitging. Vooral de principieel anti-nationaal-socialistische houding en het duidelijk afkeuren van het gedrag van de bezetters (10).
De Universiteiten en Hogescholen zaten klem, na Duitse maatregelen, tussen studenten en hun belangen en eisen van de Duitsers.
Radio Hilversum werd omgevormd tot een Duits propagandamedium, de meeste mensen blijven echter bij de omroep werken.De kunst is nooit gebruikt kunnen worden als propagandamiddel.
III HET SYMPOSIUM VAN DE ANNE FRANK STICHTING
De vragen die wij stellen en beantwoord willen zien, zijn deze: Waar lag tijdens de oorlog de grens tussen "aanpassen aan de omstandigheden" en collaboratie, welke factoren hebben een rol gespeeld bij het definiëren van die grens, en in hoeverre hebben de normen welke die grens bepalen een rol gespeeld in de naoorlogse periode, zowel wat betreft berechting en zuivering als wat betreft de huidige sociale, economische en politieke praktijk. (11).
Een prealabele en telkens terugkerende vraag is: Wat heeft de bezetter willen bereiken ? Hierin ligt immers de kern van de collaboratie in de Tweede Wereldoorlog (12).
Dr. L. de Jong formuleerde in zijn voordracht "Vèrzet en illegaliteit 1940-1945" de volgende doelstellingen van de nationaal socialistische bezetters
a/ De doelstelling van de gelijkschakeling.
b/ De doelstelling van de exploitatie.
e/ De doelstelling van de deportatie.
d/ De doelstelling van de bestrijding van verzet en illegaliteit.
A.J. van der Leeuw maakt bij zijn inleiding " Aanpassing en collaboratie" enige opmerkingen bij de volgende vragen.
1/ Wat waren de doelstellingen van de bezetter en in hoeverre zijn ze succesvol geweest in het verkrijgen van medewerking van personen en organisaties in Nederland?
2/ Waar lag tijdens de bezetting het breekpunt tussen "aanpassen aan de omstandigheden en collaboratie"?
3/ Waar lag het punt waarop de norm ontstond die na de oorlog gehanteerd werd bij berechting en zuivering?
Volgens van der Leeuw waren de doelstellingen van de bezetter destijds allesbehalve duidelijk. Politiek gesproken had de bezetter geen succes.
Met betrekking tot vraag 2 kan gesteld worden dat aanpassing of zelfs collaboratie in de eerste plaats werd gevraagd of geêist van hen die ambtelijk of zakelijk met de bezetting te maken kregen. Aanvankelijk kreeg deze vrij makkelijk zijn zin. Een breekpunt is moeilijk aan te geven. Soms is er sprake van een langzaam bewustwordingsproces.
De weerstand op grote schaal tegen de tewerkstelling in Duitsland begint in 1942/1943. De oorzaken daarvan noemt van der Leeuw gecompliceerd.
Een algemeen verzet tegen economische collaboratie is eigenlijk nooit ontstaan. Misschien zou men mogen veronderstellen, dat een belangrijk deel van werkgevers en werknemers het -in stilte-er over eens was, dat een zekere mate van economische collaboratie onvermijdelijk of zelfs wenselijk was.
Met betrekking tot het gestelde in vraag 3 is van der Leeuw van mening dat de belangrijkste norm op alle terreinen steeds is geweest, dat vrijwillig de zijde van de vijand kiezen, hopen op zijn overwinning en die opzettelijk trachten te bevorderen, ontoelaatbaar was.
De grootste moeite gaf echter na de oorlog het vinden van een norm voor economische collaboratie. De normen van de talrijke zuiveringscolleges stonden vaak in direct verband met de oorlogsgeschiedenis van de maatschappelijke groep, die zij te behandelen kregen. Wat in zulk een groep acceptabel was geacht, werd tot norm.J. Th. Degenkamp (14) noemt "collaboratie een woord met een zware emotionele lading.
Onder collaboratie verstaat hij het meewerken -en dit omvat ook het nalaten van tegenwerken- aan de maatschappelijke orde ingesteld door een bezetter als tegenwerken mogelijk en geboden zou zijn geweest naar inzicht van diegene die erover oordeelt.Dit oordeel wordt in het algemeen, namens de samenleving, door de rechter geveld. Als de"medewerker in oorlogstijd" zelf rechter is, ontstaan problemen.
In zijn beschrijving over de weinig heldhaftige rol van de gelijkgeschakelde journalistiek komt A.J. van der Leeuw tot de volgende conclusie (15): De geschiedenis van de Nederlandse pers tijdens de bezetting is er meer een van collaboratie dan verzet. Door haar houding had zij bewezen, dat zij zichzelf in de eerste plaats zag als een moeilijk misbare schakel in het maatschappelijk en economisch leven, als een groep ondernemingen zoals andere.
Voor de scherpe maatstaven van de verdediging van het vrije woord en de nationale eer, waarmee zij na de bevrijding -terecht-gemeten werd, had zij meestal geen begrip.
IV EVALUATIE BEVINDINGEN WERKGROEP EN SYMPOSIUM
Naar aanleiding van het onderzoek door de diverse groepen binnen de werkgroep kan niet de conclusie worden getrokken dat er in Nederland duidelijke vormen van collaboratie zijn gevonden behalve natuurlijk N.S.B. en S.S. Met betrekking tot het Staatsapparaat en de Secretarissen-Generaal blijft het bij de conclusie dat men het voordeel van de twijfel dient te geven, terwijl men ook aangeeft dat men bij een aantal zaken "toch wel erg ver ging, zo niet te ver". Tot een duidelijke omschrijving wat onder collaboratie dient te worden verstaan komt men niet.
Ook de groep welke zich bezighield met de Nederlandse Unie kan niet tot een duidelijke uitspraak komen over het 'begrip collaboratie en of men dit de Unie kan verwijten.
Het onderzoek met betrekking tot de N.S.B. en S.S. ging natuurlijk niet meer om de vraag of er sprake was van collaboratie, dat was een duidelijke zaak.Wel heeft deze groep geprobeerd om het begrip collaboratie als zodanig nader te omschrijven en dat is een zeer verdienstelijke zaak. Dit komt natuurlijk ook voort uit hun onderzoeksterrein.
Bij de N.S.B. en S.S. was er ook sprake van een bewuste keuze tot samenwerking met de Duitsers. Het probleem bij andere groepen is juist dat het moeilijk is vast te stellen of er al dan niet van een bewuste keuze gesproken kan worden. Ook hun omschrijving:"Waar het om gaat is dat men bewust de Duitse belangen zoekt te behartigen met voorbijgaan aan de Nederlandse"'is ook een te vrijblijvende omschrijving.
Want wat te verstaan onder "bewust de Duitse belangen behartigen met voorbijgaan aan de Nederlandse;" Blijft staan dat men in ieder geval een nadere omschrijving heeft geprobeerd te geven.
De beoordeling van de economische collaboratie blijft een moeilijk dilemma, maar men is toch van mening dat bijna elke produktie een vorm van economische collaboratie is, daar zij direct of indirect de bezetter ten goede kwam.
Voor diegenen die zich bezighielden met het onderzoeken van economische collaboratie wordt dus onder economische collaboratie verstaan: Het produceren van producten die de bezetter direct of indirect ten goede komen.
De rol van de kerken was anti- nationaal socialistisch dus tegen die maatschappij, zij hebben niet gecolaboreerd. Dus collaboratie wordt hier verstaan als samenwerken om te komen tot een nationaal-socialistische staat.
Het symposium van de Anne Frank Stichting verschilt sterk in de benadering van de onderhavige problematiek. Men stelde daar eerst een duidelijke vraag: Wat heeft de bezetter willen bereiken? Want stelde men:"Hierin ligt immers de kern van de collaboratie in de Tweede Wereldoorlog.'
Vooraf kan men dus stellen dat een ieder die meewerkt aan het bereiken van het door de bezetters gestelde doel collaboreert. Dit criterium wordt dan als toetsingscriterium gebruikt waaraan men het volgende onderzoek toetst.
Als we nu aan de hand van dit criterium het onderzoek van de doctoraal werkgroep bekijken dan kunnen we tot de volgende overwegingen komen:
Het Staats-apparaat en de Secretarissen-Generaal hebben met de bezetters samengewerkt en als zodanig meegewerkt om de Duitse bedoelingen te helpen verwezenlijken.Van der Leeuw stelt wel dat deze bedoelingen alles behalve duidelijk waren en dat ze politiek gesproken geen succes hadden. Dit blijft echter de vraag want wat te denken van:
a/ Inschakeling Nederlandse bedrijfsleven voor de Duitse belangen.
b/ Arbeidsinzet.
c/'Last but not least', de deportatie van meer dan 100.000 Joden.
Iedere maatregel werd toch uiteindelijk doorgevoerd door de bezetter om het gestelde doel 'Een Europa onder nationaal-socialistische Duitse hegemonie 'te bewerkstelligen. Men had dus een grens moeten leggen tot hier en niet verder. Dat deed men niet.
Juist mensen die niet verder met de bezetter wilden meewerken kozen dan ook voor ontslagname. In dit verband komt dit vooral naar voren bij het ontslag van 13 burgemeesters in Limburg in augustus 1941 nadat zij weigerden gevolg te geven aan een verordening mee te werken waarbij de Provinciale Staten en Gemeenteraden opgeheven werden.Zij wensten niet langer aan de 'nieuwe Staat', aan de staat van het nationaal-socialisme mee te werken.(16)
Juist van ambtsdragers mag een duidelijke stellingname tegen de bezetters worden verwacht. Hoe men zichzelf ook heeft verdedigd en welke motieven men ook naar voren bracht, feit blijft dat men een rol vervulde bij het meehelpen verwezenlijken van Duitse doelstellingen. Zij die hiervan afstand namen en ontslag namen treft geen blaam, diegenen echter die op het kussen bleven zitten echter wel.
Als men het criterium dat eenieder die meewerkt aan het bereiken van het door de bezetters gestelde doel gaat toepassen op de Nederlandse Unie dan heeft de Unie een dubieuze rol gespeeld. De leiding van de Unie zocht in verband met de 'veranderde' omstandigheden naar 'nieuwe' wegen. Feit is echter dat deze 'nieuwe' wegen toen steunden op de aanvaarding van een autoritaire maatschappelijke orde die geheel Europa zou omvatten en onder leiding stond van Hitler-Duitsland. Het driemanschap is te laken omdat juist van hen een houding, niet van aanpassen aan de bezetters maar, een duidelijk profileren van de Unie tegen de bezetters, zou moeten worden verwacht.
Dat de N.S.B. en S.S. een rol vervulden bij het bevorderen van de nationaal-socialistische heilstaat heeft ook in het kader niet te worden getwijfeld.Dat elke vorm van productie direct of indirect de bezetter ten goede kwam is maar al te waar. Het doel van de bezettingsautoriteiten was het zo soepel mogelijk inschakelen van het Nederlandse productie-apparaat in hun oorlogsindustrie.
De organisatie die de Duitsers daarvoor opzetten, de organisatie Woltersom, was op tweeërlei wijze belangrijk voor hen. Enerzijds was zij een symbool van de politieke bereidwilligheid om met de bezetters samen te werken: Nederlandse ondernemers gingen in opdracht van Hirschfeld aan het werk om de bestaande organisatiestructuur op economisch terrein af te breken en aan de hand van het Duitse voorbeeld weer op te bouwen. Anderzijds zou de organisatie Woltersom belangrijk zijn bij een opgaan van Nederland in een 'Nieuw Europa' na de Duitse bezetting.(17)
Ook hier is volgens het bovengenoemde criterium duidelijk sprake van collaboratie.Dat na de oorlog ideologische collaboratie ('foute' kranten, toneelspelers die doorspeelden) strenger beoordeeld is dan economische collaboratie heeft volgens David Barnouw (18) twee hoofdoorzaken:
1/ De tweede Wereldoorlog is door bijna iedereen als een ideologische oorlog, het 'goede tegen het 'kwade' gezien.
2/ Nederland leefde in de ban van de wederopbouw en daar waren óók ondernemers voor nodig.Politici met een 'verleden' worden geweerd of gewipt; ondernemers met een verleden ondervinden weinig moeilijkheden.
Belinfante (19) merkt m.b.t. economische collaboratie nog op dat hier vaak van berechting is afgezien omdat er geen beginnen aan was, dit gold eveneens ten aanzien van de vervolging van ambtenaren.
V CONCLUSIE
Er is sprake van een duidelijk verschil in de beoordeling collaboratie Ja of Nee, tussen de doctoraal werkgroep en het Symposium van de Anne Frank Stichting.Dit geldt natuurlijk niet met betrekking tot de N.S.B. en S.S.
De oorzaken daarvan zijn als volgt aan te geven:
Bij de, doctoraal werkgroep bestond geen eenvormig standpunt over hetgeen men diende te verstaan onder collaboratie. Men onderzocht meer wat er plaats gevonden had en keek dan pas of men het gevondene collaboratie zou kunnen noemen. Er was dus eigenlijk sprake van een nogal subjectivistische benadering. Makkelijk te hanteren bij b.v. zaken als vervolging van de Joden, maar moeilijker bij de beoordeling van ambtenaren die bleven waar ze waren.'
Bij het Symposium stelde men eerst een,door mij genoemd, toetsingscriterium vast: Een ieder die meewerkt aan het bereiken van het door de bezetters gestelde doel collaboreert. Het woord collaboratie betekent letterlijk ook 'samenwerking'.
Dat er natuurlijk gradaties in die samenwerking-met zijn, en het vaststellen daarvan, is een zaak die daarna pas aan de orde komt. Feit is echter dat door deze omschrijving van collaboratie het Symposium eerder komt tot een beantwoording van de vraag collaboratie Ja of Nee, dan de werkgroep.
Hieruit volgt wel dat het onderzoek als zodanig nog pas begint want men zal ook tot een meer gedetailleerde onderverdeling van het begrip collaboratie dienen te komen.Van belang bij het beschrijven van het begrip collaboratie is echter ook een nadere bestudering van de veranderde gedachten m.b.t. het begrip collaboratie bij het uitvoeren van de bijzondere rechtspleging na de oorlog, en aan welke criteria dit onderhevig was. Dit vooral ook tegen het gestelde van David Barnouw dat ideologische collaboratie strenger werd beoordeeld dan economische collaboratie.
J.W.Swaen
NOTENAPPARAAT
1. Verslag 5e zitting 22 november 1979: Staatsapparaat en Secretarissen Generaal pag 22.
2. L.O.R. = Land Oorlogs Reglement.
3. Zo werd het gesteld door G.J. Korstenhorst in zijn " Was samenwerking met den vijand geoorloofd?". Den Haag 1945, zie verslag 5e zitting 22 november 1979 pag. 1.
4. Verslag 5e zitting 22 november 1979 pag. 22.
5. Verslag 5e zitting 22 november 1979 pag. 22. e
6. Verslag 6 zitting 29 november 1979 pag. 8.
7. Eindverslag Nederlandse Unie pag. 23.
8. Eindverslag N.S.B. / S.S. pag. 23.
9. Eindverslag economische collaboratie slotconclusie.
10. Verslag 9 zitting 20 december 1979.
11. Documentatiemap Anne Frank Stichting "Samenwerking met de vijand" een symposium over de vraag waar aanpassing ophoudten collaboratie begint. Inleiding pag. 3.
12. Documentatiemap Anne Frank Stichting. Inleiding pag. 4.
13. Documentatiemap Anne Frank Stichting. Aanpassing en collaboratie pag. 11.
14. J.Th. Degenkamp.De onweerstaanbare neer- en opgang van de Hoge .aad der Nederlanden, Dokumentatiemap Anne Frank Stichting pag. 31.
15. Dokumentatiemap Anne Frank stichting pag. 44.
16. A.H. Paape. Donkere jaren. (Episoden uit de geschiedenis van Limburg 1933-1945)pag. 24-29.
17. Dokumentatiemap Anne Frank Stichting pag. 69.18. Dokumentatiemap Anne frank Stichting pag. 13.19. Dokumentatiemap Anne Frank Stichting pag. 15.








