drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl

Het keizerrijk 1871-1918
1) 'We willen niemand in de schaduw stellen, maar we willen ook een plaats onder de zon', is een uitspraak die past in het kader van:
a. de Vlootwet
b. de opkomst van de Duitse industrie
c. de socialistenwet
d. de strijd van Bismarck tegen de katholieke
2) Adolf Stocker was:
a. hofpredikant
b. antisemiet
c. noch a noch b
d. a en b zijn wa
3) Het verzet tegen het keizerrijk was het sterkst bij
a. socialisten
b. liberalen
c. conservatieven
d. industriële4) I. Veel burgers hielden zich afzijdig van de politiek
II. Het parlement had weinig invloed
III. In handel en industrie waren vooruitzichten op een carrière groter dan in de politie
a. III was een gevolg van I
b. I was een gevolg van II
c. II was een gevolg van III
d. I was een gevolg van I
5) Met 'vaterlandslose Gesellen' werden bedoeld
a. de katholieken
b. de liberalen
c. a en b zijn beide juist
d. noch a noch b is juist
6) De Rijkskanselier kon tussen 1870 en 1918 naar huis gestuurd worden door
a. de Rijksdag
b. de Bondsraad
c. de keizer
d. het volk
7) Duitsland had tussen 1870 en 1918
a. een parlementair systeem
b. een half-parlementair systeem
c. een dictatoriaal systeem
d. een systeem met veel oppositie
8) I. De Socialistenwetten waren een initiatief van Bismarck
II. De Socialistenwetten waren bedoeld om de socialisten te vriend te houden
III. De Socialistenwetten waren bedoeld om de socialisten te bestrijden
a. I en II zijn waar
b. I en III zijn waar
c. II en III zijn waar
d. alleen III is waar
9) I. Bismarck had meegewerkt bij het tot stand komen van een grondwet
II. Bismarck was een tegenstander van een parlementaire democratie
III. Bismarck had voor de eenwording de liberalen nodig
a. III is een gevolg van I
b. III is een gevolg van II
c. I is een gevolg van III
d. II is een gevolg van III
10) Voor velen in het keizerrijk waren maatgevend de opvattingen van
a. katholieken
b. de adel
c. de voorname burgers
d. kunstenaars
11) I. Gehoorzaamheid
II. Opkomen voor jezelf
III. Opofferingsgezindheid
IV. Plichtsbesef
In het Duitse keizerrijk stonden hoog aangeschreven:
a. I, II en III
b. I, II en IV
c. I, II en IV
d. I, III en IV
12) De politieke leiding (van een regering in strikte zin was geen sprake) werd uitgeoefend door <1> geholpen door staatssecretarissen.
Wat moet worden ingevuld bij <1> ?
a. de keizer
b. de Rijksdag
c. de rijkskanselier
d. de ministers
13) In het Duitse keizerrijk werd het nationalisme versterkt door:
a. de slechte concurrentiepositie van de industrie
b. de goede resultaten van de industrie
c. de dalende werkgelegenheid
d. de stijgende prijzen
14) De industrie ontwikkelde zich in Duitsland
a. eerder dan in Frankrijk
b. eerder dan in Engeland
c. pas na 1914
d. vooral na 1871
15) Als we de volgende stellingen bekijken:
I. Het leger bezat een groot prestige
II. De Duitse eenheid kwam tot stand na een aantal oorlogen dan geldt:
a. I werd versterkt door II
b. II was een gevolg van I
c. I en II hebben niets met elkaar te maken
d. I was een verschijnsel dat na 1870 opkwam
16) De ministers van het keizerrijk na 1871 konden op het matje worden geroepen om zich voor hun regeringsdaden te verantwoorden door:
a. de keizer
b. het parlement
c. de rijkskanselier
d. hun eigen partij
17) Het nieuwe verenigde Duitsland van 1871 was een staat
a. met een parlement
b. met een grondwet
c. noch a noch b
d. a en b zijn beide waar
18) Standsbewustzijn vond men vooral
a. bij de adel
b. bij de middenstand
c. noch a noch b is waar
d. a en b zijn beide waar
19) 'Het waren kleine zelfstandigen en ze voelden zich bedreigd door de industrie en de grote bedrijven.' Met deze groep wordt bedoeld
a. de Junkers
b. de hoge burgerij
c. de oude middenstand
d. de nieuwe middenstand
20) Bismarck verdween van het toneel in
a. 1870
b. 1890
c. 1900
d. 1918
21) Rechtsliberalen en linksliberalen kwamen in hun standpunt overeen wat betreft
a. verzet tegen socialisten
b. verzet tegen Bismarck
c. de liberale principes
d. verzet tegen het feit dat het parlement zo weinig invloed had
22) Het waren de lagere ambtenaren en ze werden slecht betaald, maar ze waren bang voor de arbeidersklasse.' Met deze groep wordt bedoeld
a. de Junkers
b. de hoge burgerij
c. de oude middenstand
d. de nieuwe middenstand
23) De boerenstand in Duitsland bestond tussen 1871 en 1914 uit kleine boeren voor
a. 30%
b. 40%
c. 50%
d. 60%
24) 'Ze waren grootgrondbezitters en de hoogste laag van de samenleving. Uit hun kringen kwamen hoge ambtenaren voort'. Met deze groep wordt bedoeld:
a. de Junkers
b. de hoge burgerij
c. de oude middenstand
d. de nieuwe middenstand
25) Rechtsliberalen
a. waren anti-militaristisch
b. waren tegen de keizer
c. hadden vooral aanhang onder de arbeiders
d. hadden hun aanhang vooral onder de hoge burgerij
26) Katholieken en socialisten werden gezien als rijksvijanden omdat ze beide
a. een sociale politiek wilden voeren
b. anti-militaristisch waren
c. internationaal georiënteerd waren
d. anti-nationalistisch waren
27) Hoofd van leger en vloot tussen 1870 en 1914 was
a. de minister van defensie
b. de keizer
c. de Rijksdag
d. de opperbevelhebber van het leger
28) Tussen 1870 en 1918 hadden de socialisten in Duitsland te maken met uitbuiting en politieke onderdrukking. Hierdoor
a. daalde hun aanhang
b. werd hun klassebewustzijn de kop ingedrukt
c. organiseerden ze zich beter
d. daalden hun lonen
29) De conservatieven konden hun machtspositie tussen 1870 en 1918 behouden doordat
a. de socialisten werden onderdrukt
b. de oppositie verdeeld was
c. noch a noch b is waar
d. a en b zijn beide waar
30) Het nieuwe verenigde Duitsland van 1871 was
a. een dictatuur
b. een parlementaire democratie
c. een republiek
d. keizerrijk met een parlement
31) I. Bismarck had meegewerkt bij het tot stand komen van een grondwet
II. Bismarck was een tegenstander van een parlementaire democratie
III. Bismarck had voor de eenwording de liberalen nodig
a. I, II en III zijn waar
b. I is alleen waar
c. II is alleen waar
d. II en III zijn waar
32) I. Veel burgers hielden zich afzijdig van de politiek
II. Het parlement had weinig invloed
III. In handel en industrie waren vooruitzichten op een carrière groter dan in de politie Voor de periode 1870-1914 geldt
a. I is alleen waar
b. II is alleen waar
c. II en III zijn waar
d. I, II en III zijn waar
33) De socialisten werden de grootste fractie in het parlement
a. tussen 1870 en 1880
b. tussen 1880 en 1890
c. pas in de twintigste eeuw
d. helemaal niet
34) De socialisten werden tussen 1870 en 1918 in Duitsland gesteund door
a. de liberalen
b. de katholieken
c. de industriëlen
d. geen enkele groep in de samenleving
35) Grootgrondbezit vond men in Duitsland vooral in
a. het westen
b. het oosten
c. noch a noch b is waar
d. a en b zijn beide waar
36) De arbeidersklasse in Duitsland had een goede relatie met
a. de lage middenstand
b. de hoge middenstand
c. noch a noch b is waar
d. a en b zijn beide waar
37) Bismarck zag als rijksvijanden
a. de katholieken
b. de socialisten
c. a en b zijn beide waar
d. noch a noch b is waar
38) Wie in het keizerrijk eigen initiatief ontplooide had kans op promotie in
a. nagenoeg geen enkele instelling
b. het leger
c. het ambtenarenapparaat
d. de politiek
39) In het keizerrijk werden normen en waarden vooral bepaald door
a. ambtenaren
b. de adel
c. industriëlen
d. kunstenaars
40) Als we op een rij zetten
I. federaal parlement
II. parlement met veel invloed
III. budgetrecht voor het parlement
IV. recht om wetten af te keuren
Dan geldt voor de Rijksdag tussen 1870 en 1914
a. I, II en III
b. I, III en IV
c. I, II en IV
d. II, III en IV
41) Tussen 1870 en 1918 leerden de machthebbers in Duitsland dat <1> gebruikt kon worden om tegenstellingen te verdoezelen en binnenlandse conflicten om te buigen naar op het buitenland gerichte agressie. Wat moet worden ingevuld bij <1> ?
a. socialisme
b. sociale wetgeving
c. nationalisme
d. godsdienst








