drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl

Nazi-Duitsland 1933-1945
1) Op een gegeven moment moest Hitler een keus maken tussen
I. de SA
II. het leger
III. de president .
IV. de kerken
Wat is het goede antwoord?
a. I en II
b. I en III
c. II en III
d. II en I
2) Na 1935 is het verzet in Duitsland tegen het naziregime
a. vooral passief verzet
b. vooral militair
c. vooral actief verzet
d. duidelijk toegenomen
3) Verzet tegen het nazibewind vond men vooral bij
a. socialisten
b. communisten
c. beide zijn waar
d. geen van beiden zijn waar
4) Er waren eind 1933 nog verschillende groepen die voor Hitler een bedreiging konden vormen. Hiertoe behoort
a. de communistische partij
b. het leger
c. de president
d. de kerk
5) Het bracht Hitler in pijnlijke verlegenheid, want er zijn talrijke aanwijzingen dat hij bij zijn strijdtroepen de verwachting had doen post vatten na de dood van Hindenburg de door hen beoogde 'tweede revolutie' te zullen bewerkstelligen. Voor dit dilemma zag Hitler maar één oplossing. Welke dilemma wordt hier bedoeld?
a. met of zonder parlement?
b. president of keizer?
c. leger of SA?
d. legaal of illegaal?
6) In 1944 werd een aanslag op Hitler gepleegd. Deze aanslag had tot doel
a. herstel van democratie
b. een conservatief bestuur
c. een communistische staat
d. de invloed van de militairen te beeindigen
7) Het economisch systeem in Duitsland na 1933 werd gekenmerkt door
a. grote inflatie
b. grote uitvoer
c. autarkie
d. grote werkloosheid
8) Het nazi-regime was
a. autoritair
b. anti-semitisch
c. hiërarchisch
d. anti-parlementair
9) Velen steunden dit regime, maar welk van de vier genoemde punten kreeg het minst bijval? Bij de Neurenberger wetten werd vastgesteld
a. wat oorlogsmisdadigers waren
b. dat de vrede van Versailles niet meer geldig was
c. wie nationaal-socialist was
d. dat Joden gevaarlijk waren voor het Rijk
10) I. In januari 1933 werd een nieuwe regering gevormd met Hitler als rijkskanselier.
II. Er zaten maar enkele nationaal-socialistische ministers in dit kabinet
III. De conservatieven dachten dat ze Hitler wel naar hun hand konden zetten
Wat is waar?
a. alleen I
b. I en II
c. I, II en III
d. I en III
11) De stemming onder de boeren tegenover de nationaal-socialisten
a. was negatief en bleef negatief
b. was negatief en werd positief
c. was positief en werd negatief
d. was positief en bleef positief
12) Het uitschakelen van de SA door Hitler
a. veroorzaakte veel onrust bij de bevolking
b. werd met instemming begroet
c. had een negatief effect op zijn machtspositie
d. verontrustte het leger
13) De Rijksdagbrand had tot gevolg dat
a. de conservatieven uit de regering traden
b. de communisten hard werden aangepakt
c. a en b zijn beide waar
d. noch a noch b is waar
14) I. In 1933 sloot het nazi-regime een verdrag met de Paus waarin het katholieken werd toegestaan hun geloof te belijden.
II. In 1937 veroordeelde de Paus de nazi-leer.
a. II was een gevolg van I.
b. II was gevolg van het feit dat de Paus de katholieken wilde beschermen tegen Hitler.
c. II is niet waar.
d. II was een gevolg van het feit dat de consequenties van het nazi-regime duidelijk werden.
15) I. Getrouwde vrouwen werden ontslagen
II. De dienstplicht werd weer ingevoerd
III. De arbeidsdienst werd ingevoerd
Na 1933 daalde het werkloosheidscijfer voor mannen door
a. I, II en III
b. I en II
c. II en III
d. alleen II
16) De Reichskristallnacht was gericht tegen
a. het nazi-regime
b. de SA
c. de communisten
d. de joden
17) In februari 1933 werd in Duitsland de Rijksdag ontbonden. Dit gebeurde op initiatief van
- Hitler
- de president
- de conservatieven
- de socialisten
18) Voor de machtigingswet van 23 maart 1933 geldt:
I. De nationaal-socialisten konden nu buiten het parlement om regeren
II. 2/3 van de volksvertegenwoording was het hiermee eens alleen de socialisten stemden tegen
III De communisten waren al gearresteerd
Wat is waar?
a. alleen I
b. alleen II
c. alleen III
d. I, II en III
19) De nazi-aanhang was vooral groot bij
a. ouderen
b. jongeren
c. het leger
d. de vakbonden
20) Hitler was met hen overeengekomen dat ze gedurende de maand juli met verlof zouden worden gestuurd, tot de te verwachten dood van Hindenburg. Daarvoor, op 30 juni, wilde hij in een vergadering met de leiding bespreken wat er in de naaste toekomst moest gebeuren. Wat leverde deze bijeenkomst op?
a. uitstel van beslissing
b. een moordpartij
c. een compromis
d. Hitler gaf toe
21) Vanaf 1933 was het terugdringen van de werkloosheid gekoppeld aan de herbewapening. Voorrang werd gegeven aan de produktie van goederen die Duitsland een < 1 > opleverde. Wat moet worden ingevuld bij < 1 > ?
a. tevreden bevolking
b. stabiele regering
c. sterk leger
d. economie met hoge lonen
22) Onder "innere Emigration" verstaan we
a. illegale emigratie
b. verhuizing
c. een verzetshouding
d. aanpassing
23) De machtigingswet van 1933 betekende
a. betere arbeidsvoorwaarden
b. de mogelijkheid het parlement beter in te schakelen
c. een teleurstelling voor Hitler
d. een duidelijke steun voor Hitler
24) Als we op een rij zetten
I. industrialisatie
II. nationalisatie
III. Lebensraum
IV. Blut und Boden
Wat past dan het best bij de periode 1933-1945
a. I, II en III
b. I, II en IV
c. II en III
d. III en IV
25) Autarkie betekent
a. het gebruik van synthetische grondstoffen
b. zelfverzorging
c. opheffen van de bewapening
d. opheffen van de werkloosheid
26) De machtigingswet van 1933 werd afgekeurd door
a. de katholieken
b. de liberalen
c. de conservatieven
d. het goede antwoord is er niet bij








