drs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl 
1 In 1870 waren de meeste Nederlanders werkzaam in
a. landbouw en industrie
b. dienstensector en landbouw
c. handel en landbouw
d. handel en industrie
2 Waarom ontwikkelde de textielindustrie zich met name in Twente en Brabant?
a. door de ligging van kolenmijnen in de buurt
b. vanwege de goedkope arbeid
c. dit werd beïnvloed uit België waar de industriële revolutie eerder was begonnen.
d. Door de goede exportverbindingen met Duitsland
3 Speciaal voor de Nederlandse vakbeweging was
a. de heftige stakingen
b. de oprichting van confessionele vakbonden
c. de samenwerking met socialistische partijen
d. het afwijzen van cao ’s
4 Na de spoorwegstaking van 1903 kwam(en) er
a. een betere samenwerking tussen de vakbonden
b. noodzakelijke loonsverhogingen bij de spoorwegen
c. de oprichting van de SDAP
d. kleine gerichte acties en onderhandelingen voor een cao.
5 De eerste sociale wetten in Nederland werden gemaakt door regeringen bestaande uit:
a. liberalen
b. socialisten
c. katholieken
d. confessionelen
6 Welke gevolgen had de mislukte revolutiepoging van Troelstra ?
a. de achturige werkdag en de leerplicht
b. leerplicht en het verbod op kinderarbeid
c. de achturige werkdag, een ouderdoms- en invaliditeitswet
d. een ouderdomswet en het verbod op kinderarbeid
7 De Nederlandse massamedia waren vanaf het begin veel minder commercieel dan de Amerikaanse door:
a. de verzuiling
b. het conservatisme
c. de overheidscontrole
d. het socialisme
8 de economische crisis in Nederland in de jaren dertig:
a. kwam door een verkeerd overheidsbeleid
b. was de schuld van de fabrieken die de kosten probeerden te verlagen
c. was een geïmporteerde crisis
d. kwam door de ineenstorting van de Amsterdamse beurs
9 De “sterke man” in de jaren dertig in Nederland was:
a. Ruijs de Beerenbrouck
b. Troelstra
c. Colijn
d. Drees
10 Nederland werd te duur voor het buitenland door:
a. vast te houden aan de gouden standaard
b. de hoge werkloosheidsuitkeringen
c. de loonsverhogingen om de koopkracht op peil te houden
d. de hulp aan de landbouw
11 Het “Plan van de Arbeid” past bij:
a. de ARP
b. de regering
c. de SDAP
d. de RKSP
12 Welke factor droeg niet bij tot het herstel van de Nederlandse economie na WO II ?
a. Bezuinigingen
b. De Marshallhulp
c. De inzet van de Nederlandse bevolking
d. Het overheidsbeleid
13 Door de gespannen arbeidsmarkt in de jaren ’60 kwam er een einde aan:
a. de verhoging van de arbeidsproductiviteit
b. de samenwerking tussen KVP en VVD
c. de geleide loonpolitiek
d. het poldermodel
14 Welk kabinet zorgde voor de eerste grootschalige bezuinigingen?
a. Drees
b. Den Uyl
c. Lubbers
d. Kok
15 Het woord Poldermodel slaat vooral op:
a. overlegeconomie
b. bezuinigingen
c. samenwerking tussen regering en parlement
d. groei van schiphol








