Adenauers Duitsland Deel 1

De buitenlandse politiek van de Bondsrepubliek Duitsland onder Adenauer
De opvattingen van de West-Duitse bondskanselier Konrad Adenauer over de plaats en de buitenlandse politiek van Duitsland gaan terug tot ver vóór 1940 en zijn na 1945 niet wezenlijk veranderd. Adenauer was uit het Rijnland afkomstig. Van daaruit was zijn blik steeds naar het Westen gericht geweest. Parijs was dichterbij dan Berlijn. Hij koesterde een diep Rijnlands ressentiment jegens de Berlijns-Pruisische overheersing. Uit alles bleek dat zijn belangstelling voor het land ten oosten van de Weser zeer gering was. Primair stond voor hem het Rijnland, dat volgens hem het hart van Duitsland én van Europa was. Zijn levensfilosofie was conservatiefchristelijk en hij had een diepe afkeer van het atheïstische en materialistische communisme. Vanuit deze premissen kwam hij tot de paar grote lijnen die zijn buitenlandse politiek na 1945 hebben gekenmerkt. in de eerste plaats wenste hij een West-Europese integratie met volledige deelneming van Duitsland. Daarnaast, en in nauwe samenhang niet deze integratie, streefde hij naar een verzoening met aartsvijand Frankrijk. Beide doelstellingen achtte hij onontbeerlijk voor een betere toekomst van Duitsland, dat wil zeggen de Bondsrepubliek.
De allereerste taak van Adenauer en zijn regering was zich het recht verwerven zelf een buitenlandse politiek te voeren. Dit recht verwierf de regering in Bonn in beginsel op 6 maart 1951, zij het met aanzienlijke restricties ten gunste van de bezetters. Daarvoor hadden er reeds enkele gebeurtenissen plaatsgevonden die de regering in Bonn met voldoening had begroet en die de stap van 6 maart 1951 mede mogelijk hadden gemaakt. Zij betekenden een doorbraak van een situatie waarin Adenauer weinig concessies van de drie Hoge Commissarissen had losgekregen.
Het Schuman-plan
In mei 1950 lanceerde de Franse minister van buitenlandse zaken, Robert Schuman, zijn plan voor een West-Europese kolen- en staalgemeenschap, met inbegrip van de Bondsrepubliek. Het Schuman-plan opende de mogelijkheid van een grotere West-Duitse economische ontplooiing en van een verbetering van de Frans-West-Duitse betrekkingen binnen deze gemeenschap.
Een tweede gebeurtenis van groot belang voor de Bondsrepubliek was het uitbreken van de oorlog in Korea, in juni 1950. De verheviging van de koude oorlog in Korea deed de westelijke mogendheden meer en meer de betekenis inzien van de West-Duitse staat in het Oost-West-conflict.
Adenauer toonde zich zeer ingenomen met deze kansen voor de Bondsrepubliek Duitsland. Hij was ongetwijfeld een van de krachtigste voorvechters van de westelijke axioma's van de koude oorlog. In zijn ogen was de Sovjet-Unie de enige expansionistische en imperialistische mogendheid in Europa. Adenauer wantrouwde de Sovjet-Unie. Voor hem was slechts één politiek voor zijn regering mogelijk: een volledige samenwerking met het Westen, onder leiding van de Verenigde Staten. Zijn opvattingen kwamen nauw overeen met die van John Foster Dulles, de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken en een van de invloedrijkste Koude-Oorlogpolitici van de jaren vijftig.
Adenauer paste al vroeg de axioma's van de koude oorlog toe op de toekomst van de BRD. Hij wenste een volledige aansluiting bij het westelijke militaire blok. Tegelijkertijd meende hij op deze manier dé oplossing voor het probleem van de doorbreking van de West-Duitse onmacht gevonden te hebben. Naar zijn mening kon een staat, in dit geval de BRD, pas werkelijk meetellen als deze over eigen machtsmiddelen beschikte, en wel in de eerste plaats militaire! Hij begreep echter heel goed dat een (West-)Duitse herbewapening in hoge mate impopulair zou zijn, zowel bij de eigen bevolking als bij de buitenwereld. Adenauer tastte bijzonder voorzichtig de mogelijkheden voor een West-Duitse militaire macht af. Voor- op stond voor hem dat een West-Duits leger slechts in hechte samenwerking met het Westen zou kunnen functioneren.
Drie belangrijke onderhandelingen
In het begin van de jaren vijftig liep een drietal belangrijke onderhandelingen. In de eerste plaats de besprekingen over het Schuman-plan. Daarnaast de discussie over een West-Duits een West-Europees leger, en ten derde besprekingen over de beëindiging van het bezettings- statuut, dat vervangen zou moeten worden door een vredesverdrag. Deze drie gespreksrondes hadden als gemeenschappelijke basis, vanuit West-Duits standpunt gezien, dat zij BRD op voet van gelijkheid met de westelijke landen moesten brengen. Een ander element dat alle drie besprekingen gemeen hadden, was het streven naar integratie. Tevens betekendern zij een mogelijk beslissende stap naar verzoening met vroegere vijanden, met name Frankrijk.

Adenauer werkte hard voor het welslagen van deze besprekingen. Resultaten volgden in het belangrijke jaar 1952. De verhouding met bezetters werd op 26 mei met de zogenaamde Bonner-verdragen nader uitgewerkt. De volgende dag kwam het verdrag van Parijs tot stand, dat de stoot moest geven tot een Europese Defensie Gemeenschap (EDG), waarbinnen de BRD zou mogen herbewapenen. Kort daarna, op 10 augustus 1952, trad de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) —het Schuman-plan in werking.
De regering in Bonn was desondanks maar ten dele tevreden. De herbewapening van de BRD was weliswaar geaccepteerd, maar was door toedoen van Frankrijk op de lange baan geschoven. De verhouding met Frankrijk, zo uiterst belangrijk voor een West-Europese samenwerking en integratie, was nog verre van rooskleurig.
Franse tegenwerking
In de eerste plaats speelde het conflict over het Saargebied, dat Frankrijk voorgoed wilde behouden. De Fransen bleken in meer dan één opzicht moeilijke bondgenoten. Zo verwierp het Franse parlement in 1954, min of meer in de geest van de politiek van De Gaulle in de jaren zestig, het verdrag van Parijs en dus de EDG. Adenauer toonde zich hierover zeer ontstemd. De verwerping betekende naar zijn mening een ernstige tegenslag voor de West-Duitse gelijkberechtiging en de West-Europese integratie. De dreigende impasse werd echter snel doorbroken door het optreden van de twee andere bezetters. Op initiatief van Engeland werd West-Duitsland in 1955 lid van de NAVO. Met het lidmaatschap van de NAVO werd de West-Duitse soevereiniteit een feit. Het bezettingsstatuut werd opgeheven en het Hoge Commissariaat, beëindigde zijn werk. Het voornaamste doel van de buitenlandse politiek van Adenauer was nu dus bereikt.
De jaren hierna richtte Adenauer zijn aandacht op de consolidatie en de uitbouw van, het bereikte. De verzoening met Frankrijk tekende zich af na de overeenkomst over het Saargebied in 1956. Zij vond de bekroning in het vriendschapsverdrag van 1962 tussen De Gaulle en Adenauer. Het is ontegenzeglijk de grote verdienste van Konrad Adenauer geweest dat hij (een deel van) Duitsland weer een plaats in de wereld heeft bezorgd. Hij was in vele opzichten de juiste man op het juiste moment.

Eerst na zijn aftreden in 1963 trad de eenzijdigheid van zijn politiek duidelijk aan het licht. Zijn verzoening was slechts naar het Westen gericht. De verzoening met Oost-Europa heeft hij niet bereikt, veeleer moeilijker gemaakt. Adenauer heeft zeer bewust gekozen voor een volledige aansluiting bij het Westen. Deze absolute prioriteit heeft de verhouding met Oost-Europa ongunstig beïnvloed.
De Hallstein-doctrine
De regeringen in Bonn onder leiding van Adenauer hebben steeds het principe gehuldigd dat alleen de BRD het recht bezat voor het hele Duitse volk te spreken. De DDR was in hun ogen een onderdrukt, bezet gebied. Slechts' één keer is Bonn hiervan afgeweken, namelijk in 1955, toen Adenauer diplomatieke banden met Moskou aanknoopte. In die tijd ontstond ook de Hallstein-doctrine, de logische consequentie van een politiek die rechtlijnigheid als hét kenmerk droeg. Deze doctrine hield in dat de Bondsrepubliek de diplomatieke betrekkingen zou verbreken met iedere staat die de DDR zou erkennen, en geen diplomatieke banden zou aangaan met staten die de DDR reeds erkend hadden. De doctrine is jarenlang onverbiddelijk toegepast.
Ter verklaring van Adenauers politiek zij echter opgemerkt dat hij in feite slechts algemeen levende opvattingen vertolkte. Zijn buitenlandse politiek mocht zich sinds 1949 in een toenemende steun van het Westduitse kiezersvolk verheugen. De Duitse oppositie tegen zijn politiek, belichaamd in de SPD, boekte weinig succes met haar verzet tegen de herbewapening en de absolute keuze voor. het Westen. De SPD gaf dit in 1958 toe, toen in haar nieuwe partijprogramma de voornaamste punten van de buitenlandse politiek van Adenauer werden opgenomen. Echte problemen doemden voor Adenauer pas op toen in het begin van de jaren zestig in het Westen heel voorzichtig idee over een detente met het Oosten werden geopperd. Toen was Adenauers rol in de Duitse politiek echter al bijna uitgespeeld.
Ondanks alle moeilijkheden waarmee nieuwe staat zich bij haar ontstaan geconfronteerd zag, was de BRD binnen tien jaar onherkenbaar veranderd. Zij was niet alleen rijk welvarend geworden, maar tevens een staat allerwegen erkenning had gevonden. De BRD was nu een volwaardig lid van de NAVO en EEG. De beperkingen in haar soevereiniteit waren grotendeels verdwenen. Voor zover maatregelen die buiten de Bondsrepubliek getroffen zouden worden, nog golden, hoe de BRD er geen angst meer voor te koesteren. De BRD was binnen één generatie een krachtige voorpost geworden van de westelijke wereld. De verhouding met het 'andere Duitsland’ en zijn bondgenoten was in nauwe relatie met de opneming in het westelijke kamp niet verbeterd, maar eerder verslechterd en verhard. Een hereniging was verder weg dan ooit.
Bron: Drs. D. C. van Hees Docent geschiedenis aan de R.-K. Scholengemeenschap 'Overvecht' te Utrecht. Intermediair. 58
'DEUTSCHLAND ÜBER ALLES'
In het begin van de jaren vijftig werd duidelijk dat de Bondsrepubliek in Europa economisch een macht van betekenis ging worden en dientengevolge ook op andere gebieden grotere invloed wilde krijgen. Een groot ijveraar hier- voor was kanselier Konrad Adenauer. Hoe de West-Duitse kanselier onder meer over de buitenlandse politiek van zijn land dacht, blijkt uit een interview dat Robert Kleiman van het bekende Amerikaanse blad 'U.S. News & World Report'' met hem had.
Kleiman: Bent u van mening dat de betrekkingen tussen de Duitse regering en de geallieerden de afgelopen maanden verslechterd zijn?
Adenauer: Men kan niet ontkennen dat de laatste maanden de sfeer minder goed is geworden.
K.: Waaraan wijt u dat?
A.: inbde eerste plaats was er de Saar-kwestie. Bovendien hebben wij enige teleurstellingen te verwerken gekregen niet betrekking tot de ontmanteling van onze industrie Als derde factor kunnen we de toegenomen spanning tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Stalen noemen.
Wij hebben niet de indruk dat de geallieerden erg hun best doen om te voorkomen dat Duits1and (opnieuw) oorlogstoneel wordt. Op mijn in december gedane verzoek aan de geallieerden om onze veiligheid te garanderen is nog steeds geen antwoord gekomen.
In de westelijke geallieerde landen is men meer dan wij Duitsers' geneigd belang te blijven hechten aan het feil dat Duitsland de oorlog is begonnen. (.) Het huidige Duitsland voelt zich echter niet verantwoordelijk voor de oorlog. Duitsland zou daarom graag meer vrijheid krijgen, terwijl de geallieerde landen aarzelen die te geven. Duitsers wensen in het bijzonder meer vrijheid, omdat in de internationale betrekkingen de ontwikkelingen zich zo snel voltrekken. (,..) Als men ons zou toestaan in het buitenland diplomatiek vertegenwoordigd te zijn, dan zouden de Duitsers beter geïnformeerd raken en misschien zou men onze mening over deze ontwikkelingen vragen. (..)
Welke rol zou volgens u een verenigd Europa moeten spelen met betrekking tot de Verenigde Stalen en Rusland?
A.: In de allereerste plaats zou dit Europa een vreedzaam Europa moeten zijn. Hoe het dit precies moet worden, hangt van de toekomstige ontwikkelingen af. Men zou de toekomst moeten kennen om te weten of Europa al dan niet nauwere banden met de Verenigde Staten dient aan te knopen.
Ik kan me voorstellen dat een vereniging van deze beide blokken — Europa en de Verenigde Staten — in Rusland zo'n grote vrees zou verwekken, dat de Sovjet-Unie een plotselinge agressieve actie zou brachten te ondernemen. Aan de andere kant zou het Rusland er juist toe kunnen brengen naar vrede te sterven. Het hangt allemaal van de ontwikkelingen af.
K.: Is Duitsland erin geslaagd een echte democratie te worden?
A.: Als iemand viool gaal spelen, is hij niet meteen een groot artiest. Hij is wel een violist maar nog geen artiest.
K.: Wat moet Duitsland doen om in het democratisch orkest een goed violist te worden?
A.: De westelijke mogendheden moeten daarin voorgaan, in de eerste plaats door het goede voorbeeld te geven en in de tweede plaats, door de leerling een behoorlijke kans te geven ook in de praktijk te spelen. Als de muziekleraar zijn pupil met een liniaal op de ving slaat, zal die pupil nooit goed leren spelen. Beter is het dat de leraar een mooie melodie voorspeelt.
K.: Wat voor melodie zou u graag horen?
A.: Ik zou graag variaties op een thema horen. Daar krijg je mooie muziek door: Voortdurend dezelfde melodie spelen is niet goed.
K.: Hoe denkt u over de melodie van het ‘Deutschland über Alles'?
A.: Wel, dal is een mooi lied. Wij houden ervan. De woorden zijn ook mooi.
K.: Er is kortgeleden nogal een storm over lied opgestoken, is het niet?
A.: Waar is dat gebeurd?
K.: In bepaalde geallieerde kringen, in de VS hier in Duitsland zelf onder leden van de Sociaaldemocratische Partij, vindt u niet?
A.: Het merendeel van de sociaaldemocraten zingt dit lied bijzonder graag. Mogelijk zouden zij er de voorkeur aan hebben gegeven zelf als eersten (weer) dit lied te zingen.
Ik moet zeggen dal ik de opwinding hierover in het buitenland niet begrijp. Het derde couplet
Van het 'Deutschland Über Alles mocht, zoals u weet, in nazi-Duitsland niet worden gezongen. De sleutelwoorden in dat couplet zijn 'eenheid; rechten 'vrijheid: Als het Duitse volk in de toekomst een dam tegen Azië moet vormen, dan moeten de Duitsers zich een natie voelen. Als hun verboden zou worden een dergelijk lied te zingen, zou dat bittere gevoelens wekken. (..)
K : Kunt u akkoord gaan met de door enige Duitse functionarissen afgelegde verklaring dat het noodzakelijk is bepaalde functies door voormalige nazi's te laten bekleden, daar zij de benodigde ervaring bezitten ?
A. Ik heb gehoord dal Italië heelt getracht zijn diplomatieke dienst weer op te houwen zonder daarin vroegere fascisten te laten werken. Maar het bleek dat dit niet kon. Men had gewoon een aantal van deze mensen op grond ral, hun technische bekwaamheden nodig.
K. Gaat dit ook voor Duitsland op?
A. Wij zullen maar een klein percentage van voormalige ‘Parteigenossen’ gebruiken, misschien tien procent. Wij gaan zelf de achtergrond van elk individu na. Wij ga niet louter af op de denazificatieprocessen omdat de denazificatie. in elk van de drie westelijke bezet-
Zones volgens verschillende maatstaven plaatsvond.
K. Wat zijn volgens u de voornaamste doelen waarna het huidige Duitsland streeft?
A. Huizen bouwen en de vrede bewaren.
(Uit 'U S. News & World Report' van 19 mei 1950)
PISTOLEN EN CYAANKALI
Pas toen de Koreaanse oorlog uitbrak, werden de Duitsers gedwongen hun externe problemen aan te pakken. Europeanen en met name Duitsers begonnen zich af te vragen: als Stalin roekeloos bereid is zijn Noord-Koreaanse satelliet over de 38ste breedtegraad te sturen, wat zal hem dan verhinderen zijn Oost-Europese satellieten de Elbe over te zenden?
De reactie van de Bonner politici op deze vraag grensde aan het hysterische en dat rapporteerde ik telegrafisch ook aan Washington, tot grote ergernis van mijn superieuren, die zich nog in Frankfurt bevonden, het hoofdkwartier van het Amerikaanse Militaire Bestuur. 'Washington heeft al moeilijkheden genoeg zonder dat jij ze aan hun kop zeurt met rapporten over Duitse paniek, 'zei Hoge Commissaris John McCloy me woedend over de telefoon. Ik hield me verder rustig, maar de Duitsers niet.
Een dozijn van hen snelde naar mijn kantoor en vroeg een geallieerde vergunning om vuurwapens te dragen waarmee ze de communisten en zo nodig zichzelf konden neerschieten. Er is geen bram cyaankali meer te koop, vertelde een lid van de Bondsdag in alle staten van paniek. 'Mijn collega's' hebben de markt leeg gekocht om zich van het leven te kunnen beroven als de communisten komen.'
Kurt-Georg Kiesinger, de CDU-politicus die tijdens de paniek bij het uitbreken van de Korea - oorlog de westelijke bezettingsautoriteiten van Duitsland voorstelde van Engeland een bolwerk te maken van waaruit de verwachte aanval van de communisten kon worden afgeslagen.
Kurt Kissinger, een knappe, jeugdige en veelbelovend CDU'er, arriveerde ietwat buiten adem om een westelijk verdedigingsplan voor te stellen. Ergens in Frankrijk, of nog liever in Groot-Brittannië zou een militaire redoute moeten worden ingericht waar voorraden en munitie zouden kunnen worden bijeengebracht en waarop de geallieerde legers zich bij een aanval zouden kunnen terugtrekken. In die redoute, zo verzekerde hij mij, zouden alle goede
Duitsers zich verzamelen voor een tegenoffensief
Zelfs de kanselier was niet immuun voor, hysterie. Hij zond een bericht aan het Amerikaanse verbindingsbureau met het dringt verzoek om tweehonderd automatische pistolen waarmee in geval van een communistische opstand het bureau van de kanselier in paleis Schaumburg verdedigd zou kunnen worden. Ik beloofde na te gaan wat we konden doen. De volgende dag deelde ik het hoofd van de wacht van de kanselier mee dat hij zijn tweehonderd pistolen kon krijgen uit een voorraad buitgemaakte wapens die in handen was het Amerikaanse leger. Echter, zo voegde ik aan toe, het leger wilde er $ 14.23 per stuk voor hebben. De lijfwacht keek teleurgesteld. Zoveel geld hebben we niet,' zei hij. 'Kunnen ze het niet voor wat minder doen?' Ik legde uit dat ik geen wapensjacheraar was en dat al mijn prijzen vaststonden. Met tegenzin haalde hij een bankbiljetten te voorschijn en betaalde. Jaren later, toen de crisis al lang was vergeten, vroeg ik een ambtenaar van de kanselarij wat er van de pistolen was geworden. 'Niet kijken in archiefkast achter je,' antwoordde hij een beetje schaapachtig.
(Uit: 'The unquiet Germans', door Charles Thayer — Londen 1958)
Zie verder deel 2:
Wie is online
We hebben 37 gasten online
De Dood als Machtsmiddel

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.