
drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl
2.1 Opstand om het oude te behouden
In veel steden werden verkondigers van het calvinistische geloof vervolgd maar ontstond er ook weerstand tegen de kettervervolgingen. Opvallend was de houding van de katholieke middengroepen van stilzwijgende goedkeuring tot actieve medewerking aan sabbotage van de kettervervolgingen. Vooral voor de Opstand was een scherpe tweedeling tussen katholiek en protestant vaak ondoenlijk. Maar het verzet tegen Filips II, die zijn vader in 1555 was opgevolgd, nam snel toe. Landvoogdes Margaretha van Parma liet Filips weten dat er verzet was. Maar deze eistte echter van de landvoogdes en de hoge adel dat zij de protestantse ketterij onvoorwaardelijk diende te bestrijden.
Het aantal slachtoffers werd echter overdreven. Dit wordt wel de ´zwarte legende´genoemd. Maar uit recente berekeningen blijkt dat in de periode 1555 tot 1566 ongeveer 1.300 mensen op de brandstapel terecht kwamen. Dat neemt niet weg dat door de onbuigzaamheden hun gruwelijk lot diepe indruk maakte, niet alleen onder de bevolking maar ook onder de lage en hoge adel. Dat leidde tot een toesprak van Willem van Oranje, op 31 december 1564, waarin hij de koning verzocht de individuele gewetensvrijheid van zijn onderdanen te respecteren. Dit verzoek om twee godsdiensten naast elkaar te respecteren was uniek.
In oktober 1565 schreef Filips enekel brieven aan de landvoogdes Margaretha van Parma, die bekend zijn gebleven als dde ´brieven van Segovia´. Hierin drukte hij uit dat van tolerantie geen sprake kon zijn omdat zijn zorg uitging naar de bloei van de katholieke godsdienst. Deze brieven zorgden voor een verdere verwijdering tussen Filips II en zijn stadhouder Willem van Oranje.
Het is echter goed te realiseren dat het begrip ´tolerantie´ in de zestiende eeuw een andere inhoud had, dan in onze tijd. Wij verstaan eronder: respect voor ieder individu, ongeacht huidskleur, sociale afkomst en politieke of godsdienstige overtuiging. In de zestiende eeuw had het begrip `tolerantie`een negatieve klank vergelijkbaar met ons woord `gedogen`. Het duiden van iets waar men op zichzelf ongelukkig mee was. Met waardering had het weinig te maken.
Het Smeekschrift en de Beeldenstorm

Smeekschrift der Edelen met het antwoord van Margaretha van Parma
Filips II, zo wilde een gerucht, zou met militiare middelen zijn mening kracht bij willen zetten. Een groep protestantse en katholieke edelen besloot toen tot de oprichting van het Verbond der Edelen.

Onder invloed van Willem van Oranje besloot men in eerste instantie alleen met vreedzame middelen aandacht voor hun standpunt te vragen. Het verbond der Edelen besloot daarom in 1566 een Smeekschrift aan Margaretha van Parma aan te bieden, waarin men vroeg om verzachting van de kettervervolgingen. Margaretha van Parma kwam door het Smeekschrift in een moeilijke positie terecht. Ze beperkte zich tot vage beloften die felle calvinisten zagen als een afschaffing van de vervolgingen. Protestanten keerden terug uit het buitenland en stadsbesturen stonden hagepreken (preken in het open veld door calvinistische dominees) toe. Op 10 augustus 1566 barste de bom in het Vlaamse stadje Steenvoorde. De Beeldenstorm trok van daaruit door de Nederlanden.

Het lukte Margaretha van Parma uiteindelijk om de Beeldenstorm met de hulp van de stadhouders neer te slaan. Zij eistte echter wel een nieuwe eed van trouw van de stadhouders. Willem van Oranje weigerde deze eed afte leggen en vertrok naar Dillenburg in Duitsland om daar de reactie van Filips II af te wachten.
Hij had al eerder gekozen voor de harde lijn en na kennisneming van Margaretha's reactie besloot hij een nieuwe landvoogd naar de Nederlanden te sturen, om orde op zaken te stellen: Alva. Deze arriveerde op 26 augustus 1567 in Brussel.

Om de schuldigen van de beeldenstrom te straffen, richtte Alva een speciale rechbank in, de 'Raad van Beroerten'. In de Volksmond 'Bloedraad' genoemd. De Raad van bereorten was een politieke rechtbank die meer in dienst stond van het beleid van onderdrukking, dat de koning voorstond, dan dat hij de gangbare regels uitvoerde. In totaal zijn 1.100 doodsvonnissen uitgesproken. Tot de belangrijkste slachtoffers behoorden de stadhouders Egmont en Horne. Zij werden aangeklaagd wegens hoogverraad, maar het was duidelijk dat zij werden gestraft omdat zij niet snel en niet hard genoeg waren opgetreden tegen de beeldenstorm. Op 5 juni 1568 werden ze op de Grote markt in Brussel onthoofd. Hun rompen bleven gekist op het schavot staan, terwijl hun hoofden enkele uren op ijzeren pennen werden tentoongesteld.

De katholieke overheid maakte geen verschil tussen de verschillende protestantse groeperingen. De lutheranen in Antwerpen probeerden echter het stadsbestuur over te halen de calvinisten de stad uit te jagen. Dit leidde tot een langdurig conflict tussen de lutheranen en calvinisten. De lutheranen hadden nu twee tegenstanders: de calvinisten en de katholieken.
Het karakter van de strijd
Als onderdeel van de centralisatiepolitiek wilde Alva een nieuwe belasting op roerende goederen invoeren: de Tiende Penning. Dat riep een storm van verontwaardiging op. De bewoners van de Nederlanden waren bang dat de nieuwe indirecte belasting de handel kapot zou maken. De belasting zou centraal worden geheven: opnieuw wilde men de privileges afschaffen. Uiteindelijk besloot Alva de Tiende Penning niet in te voeren en nam voorlopig genoegen met een afkoopsom van twee miljoen gulden. De maatregen van Alva leidden uiteindelijk tot het ontstaan in 1568 van de Nederlandse Opstand. Vanuit Duitsland viel Willem van Oranje met een huurleger de Nederlanden binnen maar dat liep uiteindelijk niet goed af. De inname van den Briel door de Watergeuzen in 1572 zou echter gevolgd worden door de verovering door de opstandelingen van steden als Gorcum, Vlissingen en Enkhuizen, van waaruit de steden in Holland en Zeeland ingenomen werden.
In reactie vonden er door de Spanjaarden langdurige belegeringen plaats van Haarlem, Alkmaar en Leiden. Haarlem werd ingenomen waarbij de burgerbevolking werd gespaard maar 1.700 soldaten werden onthoofd. Bij het beleg van Alkmaar maakten de Hollanders gebruik van het water. Zij staken de dijken door waardoor de Spanjarden zich moesten terugtrekken.

Leiden had al in juni 1572 de kant van Oranje gekozen. Alva begon in de winter van 1573 met een omsingeling van de stad met als doel de burgers uit te hongeren. Er heerste honger in Leiden en de stad vervuilde. Er brak een pestepidemie uit, die aan zesduizend Leidenaren het leven kostte. Na bijna een jaar bracht het water uiteindelijk ook voor Leiden redding. Men stak de dijken door en in oktober 1574 slaagden de Geuzen erin de Spanjaarden te verjagen. De Spanjaarden behaalden in Zeeland wel enkele belangrijke overwinningen. Maar door het tweede bankroet van Filips II kwam er een einde aan alle illusies van de Spanjaarden, de strijd in hun voordeel te kunnen beslissen.

Spaanse Furie: brandstichting stadhuis van Antwerpen
In 1575 ging Filips opnieuw failliet en deze keer bleek hij zelfs niet in staat zin troepen te betalen. Als gevolg daarvan gingen Spaanse soldaten in Vlaanderen over tot muiterij. Vooral Antwerpen had te lijden onder deze 'Spaanse Furie' waarbij een golf van geweld Antwerpen trof. Vrouwen werden verkracht, woningen in brand gestoken en vele burgers werden omgebracht. Aan het einde van de vierdaagse orgie van geweld telde Antwerpen achtduizend doden, terwijl vijfhonderd woonhuizen in de as waren gelegd.
Gent, Atrecht en Utrecht
In 1576 sloten afgevaardigden van de Staten-Generaal in Gent, de Pacificatie van Gent, met afgevaardigden van Holland en Zeeland. Ze bellofden er alles aan te doen om de Spaans troepen van hun grondgebied te verjagen. Filips II bleef voor iederen de wettige vorst.
Het ideaal van 'godsdienstvrede' van Willem van Oranje bleek in de praktijk niet stand te houden. De godsdienstige tegenstellingen tussen de verschillende gewesten waren te groot. De katholieken beseften dat zij weinig goeds hadden te verwachten van het calvinisme. Verschillende zuidelijke gewesten braken met de Pacificatie van Gent en sloten op 6 januari 1579 een nieuw verdrag met Filips II de Unie van Atrecht (Arras in Frankrijk).

In reactie daarop sloten op 23 januari 1579 de noordelijke gewesten Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland de Unie van Utrecht. Zij besloten de strijd tegen Spanje voort te zetten. De gewesten mochten zelf beslissen hoe ze de godsdienstkwestie wensten te regelen. Er kwam dus geen individuele godsdienstvrijheid. Wel zou niemand vanwege zijn religieuze overtuiging vervolgd mogen worden.
Wat vond Willem van Oranje van de gesloten Unie? Hij steunde het verdrag van Utrecht met tegenzin omdat zijn ideaal van godsdienstvrijheid geen werkelijkheid was geworden.
Eern Republiek tegen wil en dank
In het jaar van de Unie van Utrecht besloot Filips II Oranje vogelvrij te verklaren. In een fel verweerschrift, de Apologie, beantwoorde Willem van Oranje de koninklijke ban, waarin hij Filips een bedrieger en hypocriet noemde, die vergeten was voor het welzijn van zijn volk te zorgen.

Dat niet lang na het verschijnen van de „Apologie" door de Staten-Generaal besloten werd het oppergezag van Filips niet langer te erkennen, kon niemand verbazen. Eindelijk was het dan zover! In de Akte van Verlatinge, die in 1581 werd bekendgemaakt, wordt verklaard dat een vorst de plicht heeft zijn volk tegen onderdrukking en geweld te verdedigen en het als een vader lief te hebben en te steunen. Deze Acte van Verlatinge zou tweehonderd jaar later als model dienen voor de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776.
De Noordelijke Nederlanden moesten nu op zoek naar en nieuwe soeverrein. Als eerste werd de hertog van Anjou, een broer van de Franse koning aangezocht. Maar deze bleek onbekwaam en zijn bewind duurde maar tot 1583. Het gewest Holland wilde Willem van Oranje als soeverrein, maar Willem werd in 1584 te Delft vermoord. Opnieuw werd gezocht naar naar een buitenlandse vorst: Koningin Elizabeth I van Engeland. Maar deze weigerde maar stelde wel haar vertrouweling voor, de graaf van Leicester. Toen echter bleek dat zij Leicester in het geheim de opdracht had gegeven vredesbesprekingen te beginnen met de Spaanse opperbevelhebber, viel Leicester als soeverrein af en verliet in december 1587 de Nederlanden.
Tegen wil en dank werd toen besloten te kiezen voor een republikeinse staatsvorm. De eerste stap werd genomen door de ´Deductie van Francken´. Francken betoogde in een geschrift, in opdracht van de Staten van Holland, dat de soeverreiniteit van oudsher bij de Staten lag, maar dat die ooit aan Filips II was opgedragen. Die soevereiniteit was nu teruggegeven aan de Staten Generaal. Zo gaf Francken een juridische onderbouwing van het ontstaan van een nieuwe staat in Europa: De Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. Deze staat ontstond in 1588 als een statenbond, een staat met en grote zelfstandigheid voor de afzonderlijke gewesten. Men werkte alleen samen op het gebied van defensie en buitenlandse zaken.
2.2 De kwestie van het geloof








