Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte

Hoofdstuk 3 De Republiek in Europa

E-mail Afdrukken PDF

De Republiek

drs.J.W.Swaen historicus www.blikopdewereld.nl

3.1 De oorlog duurt voort.
Uit het gebied in het noorden dat in 1588 niet door Parma veroverd was, ontstond de zelfstandige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Veroveringen van Parma

De grens tussen het noorden en het zuiden werd lang bepaald door de onvoorspelbaarheid van de strijd. De Spaanse veldheer Parma veroverde Maastricht in 1579 en aan het begin van de jaren tachtig volgde stad na stad in Vlaanderen en Brabant. Aan het begin van 1590 kwam er pas een einde aan deze rij van Spaanse successen, maar dat de Republiek zich nog eens zou uitstrekken tot het gebied ten zuiden van de grote rivieren, was in 1590 nog allerminst zeker.
De oorlog werd vanaf 1580 vrijwel geheel uitgevochten buiten het gewest Holland dat veilig achter de Hollandse Waterlinie lag.

oude hollandse waterlinie in de 17e en 18e eeuw

Oude Hollandse Waterlinie in de 17e en 18e eeuw
Het is dan ook niet vreemd dat de Gouden Eeuw, de eeuw van de economische bloei, alleen in dat gebied plaatsvond. Het noorden, het oosten en het zuiden waren nog lang oorlogstoneel. Oorlogsvoering was in de 17e eeuw een nauwelijks georganiseerd bedrijf en zelfs de bevoorading was slecht geregeld. In de praktijk betekende dit dat de soldaten 'van het land leefden'. Doorgaans betekende een voorbijtrekeknd leger een plaag van moord en dodoslag, verkrachting en roof. Legers bestonden in de 17e eeuw uit huurlingen en vooral als deze lange tijd geen soldij kregen was discipline ver te zoeken.
Het feit dat de Republiek stand hield was voor een belangrijk deel te danken aan twee van de machtigste mannen van de Republiek: Stadhouder Maurits van Nassau en Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt. De Raaspensionaris was de voorzitter van de Gewestelijke Staten van Holland en in die functie was hij de machtigste man van dat gewest.
De ondergang van de Armada in 1588, de vele oorlogen die Filips moest voeren tegen de Turken of diens dubbele bankroet, zijn de Republiek zeker een steun in de rug geweest, maar alleen daarmee kan niet worden verklaard waarom de Republiek in de komende 'tien jaren' (1588-1598 warin Maurits vele successen boekte) kon uitgroeien tot de belangrijkste militaire, politieke en economische grootmacht van Europa.

Maurtis veroveringen

Prins MauritsIn Maurits van Nassau vond de Republiek een militaire opperbevelhebber die in staat was in de oorlog in de aanval te gaan. In 1585 was Maurits, de achttienjarige zoon van Willem van Oranje, benoemd tot stadhouder. Enkele maanden later werd Oldenbarnevelt benoemd tot raadspensionaris van Holland. Oldenbarnevelt begreep heel goed dat de Opstand tegen Spanje zonder de steun van de regenten in de Hollanse steden geen kans van slagen zou hebben.
Maurits was voorzichtig maar in 1588 liet hij voor het eerst zien wat hij waard was toen hij de Spaanse belegering van Bergen op Zoom wist te doorbreken. Een van de meest spectaculaire veroveringen was de innane van Breda. Hij maakte daarbij gebruik van het turfschip om soldaten binnen te smokkelen.
Onder Maurits werd het leger geheel gereorganiseerd. Maurits schafte de gebruikelijke grote eenheden af en besteede veel aandacht aan het exerceren om het snel en het gelijktijdig bewegen van een hele eenheid soldaten goed te oefenen. Als een leger vlot kon manouvreren, kon het ook flexibel en snel worden ingezet. De infanteristen werden in brede formaties van tien rijen opgesteld. Tijdens de opmars naar de vijand moesten deze formaties ten koste van alles gesloten blijven. De grondig geoefende contramars zorgde ervoor dat er onafgebroken kon worden gevuurd.
Brief Willem Lodewijk aan Maurits
Door de manschappen eindeloos te laten exerceren, konden zij alle handelingen van het bewegen in gesloten formaties eindeloos uitvoeren. Dit had als bijkomend voordeel dat de soldaten zo het menselijk instinct om te vluchten onder vijandelijk vuur leerde te bedwingen. Het begrip 'beweeglijkheid' ziet hij op drie niveaus. Op het hoogste niveau vindt hij snelle strategische verplaatsingen van zijn gehele troepenmacht belangrijk. Een niveau lager gebruikt Maurits het begrip 'beweeglijkheid' om aan te geven dat verschillende eenheden op het slagveld snel manoeuvres moeten kunnen uitvoeren. Het laagste niveau is 'beweeglijkheid' binnen de eenheid die moet zorgdragen voor het optimaliseren van de aanwezige vuurkracht.
De belegering in de ogen van Maurits

De cavalerie omsingelt een vesting zo snel mogelijk (berennen) om te voorkomen dat voorraden en versterkingen binnen de wallen komen. Daarna slaat de belegeraar kampen op buiten het bereik van de kanonnen van de verdedigers. De kampen worden onderling verbonden met een aarden wal met schansen, de contravallatie. Nu kan het geschut in stelling worden gebracht. Als het artillerievuur bressen in de verdedigingswerken heeft geschoten, kan de bestorming beginnen. De verdediging naar de buitenzijde is net zo belangrijk. Voor dit doel wordt een tweede ring van veldversterkingen aangelegd, oftewel decircumvallatie.

 

Maurits besteedde ook veel energie aan de perfectionering en standaardisering van de artillerie. Voortaan werden maar vier kalibers kanonnen gemaakt. In een gewone veldslag was de rol van de artillerie beperkt. Dit had vooral logistieke oorzaken. Bij de belegering van een stad toonde de artillerie haar grootste nut. Het aantal stukken geschut dat gebruikt werd steeg dan in de loop van de tijd snel. Het afvuren van één schot duurde tien minuten.
3.2 Bestand en interne twisten
Er waren twee tegenstellingen in de geschiedenis van Europa in de zestiende en zeventiende eeuw. De eerste waren de godsdienstige tegenstelling was die tussen protstanten en katholieken. De andere tegenstelling had te maken met het machtsevenwicht in Europa en de verstoring daarvan. Het machtsevenwicht bestond uit coalities van partijen die, afhankelijk van de politieke situatie, van samenstelling konden wisselen. De periode van de centralisatiepolitiek in de diverse landen, kende grote spanningen en de wissleing van allerlei coailities ging snel.
Hoe kort een coalitie kon zijn, bleek in 1596, toen Engeland, Frankrijk en de Republiek een 'Drievoudig Verbond' sloten tegen Spanje. Onofficieel erkenden ze daarbij de Republiek. Twee jaar later al ontbond de koning van Frankrijk, Hendrik IV eenzijdig het Drievoudig Verbond. Hij tekende in 1598 een vredesverdrag met Filips II.
Wel of geen bestand?
In september 1598 overleed Filips II en zijn dochter Isabella volgde hem op. Isabella erfde eigenlijk alleen de zuidelijke Nederlanden, want in de noordelijke Nederlanden had hij niets meer te vertellen. In de Nederlanden bestond bij een grote groep mensen het verlangen naar vrede en rust. Vooral voor het gewest Holland betekende de oorlog een zware financiële last. Het betaalde 58% van de belastingen. Ook veel Amsterdamse kooplieden waren voor vrede omdat ze dan in staat waren op het Ibericsch schiereiland een zuiverder soort zout konden kopen, onmisbaar bij de conservering van het volksvoedsel, de haring. In het diepste geheim begonnen Spanjaarden en Nederlanders besprekeingen. Vrede werd het niet maar de onderhandelaars kwamen wel een Twaalfjarig Bestand overeen, dat begon in 1609 en eindigde in 1621.
De bestandsbesprekeingen legde ook een diepe tegenstelling bloot tussen Raadspensionaris Oldenbarnevelt en een grote groep kooplieden-regenten, die een bestand zagen als middel om de Republiek financieel gezien te redden. Maar tegenover hen stond prins Maurtis en zijn aanhangers die niets wilden weten van een schijnbare vrede en geloofden dat de oorlog tot het einde moest woren uitgevochten. In talrijkepamfletten, namen voor- en tegenstanders stelling tegen elkaar (pamflettenoorlog).
Oldenbarnevelt kreeg grotendeels gelijk. De Republiek kon zich tijdens het Twaalfjarig Bestand herstellen en werd niet meer als een tijdelijk verschijnsel gezien. Engeland en Frankrijk erkenden de Republiek en wisselden ambassadeurs uit. Door het verdrag had ook Spanje de Republiek feitelijk erkend. Maar de menigsverschillen tussen Maurits en Oldenbarnevelt leiden tot een verwijdering tussen hen.
Rekkelijken en  preciezen
GomarusHet probleem lag in eerste instantie vooral bij Maurits, die de motieven van de raadspensionaris niet langer vertrouwde. De door wantrouwen vergiftigde relatie tussen Oldenbarnevelt en Maurits zou tijdens het Twaalfjarig Bestand uitgroeien tot een machtsstrijd, die de Republiek op de rand van een Burgeroorlog zou brengen. Zonder gemeenschappelijke vijand vlogen zij elkaar in de haren.
In Leiden speelde in 1604 een heftig conflict tussen twee hoogleraren van de universiteit. De ruzie was ontstaan over een godsdienstig probleem: het ging om de vraag of het lot van de mens al bij de geboorte door God zou zijn vastgelegd. Voor de mensen van de zeventiende eeuw was het een vraag van het grootste belang.

_____________________________________________________

extra VWO

 

Gomarus was aanhanger van de idee dat alles is voorbeschikt, ook wie tot zaligheid wordt geroepen en wie niet. De gedachte dat iets te verdienen viel, deed volgens Gomarus afbreuk aan Gods volmacht. Zijn voorzienigheid zou nimmer beïnvloed kunnen worden door zoiets als een vrije wil.
Armenius stelde daar tegenover dat de genade een aanbod is aan alle mensen. De gelovige heeft de vrije keuze daarnaar te leven of niet. Armenius had de overtuiging dat de mens wel een eigen verantwoordelijkheid had, maar geen volledige wilsvrijheid, want die was bij de zondeval verloren gegaan. De gedachte van een vrije wil en de idee van de menselijke verdiensten deden volgens de gomaristen afbreuk aan Gods alwetendheid. De complexe strijd om de zogenaamde predestinatieleer (voorbestemmingsleer) komt samengevat op het volgende neer: volgens Armenius was de uitverkiezing van de mens een uitvloeisel van zijn geloof in God, terwijl Gomarus stelde dat het geloof voortkomt uit de uitverkiezing.

___________________________________________________________

Er volgde een fel debat. De aanhangers van Armenius werden 'rekkelijken' genoemd of Armenianen en de aanhangers van Gomarus 'preciezen' of gomaristen. Het debat werd geleid door predikanten. De godsdienstige spanning liet ook de politiek niet onberoerd en dwong besturuders tot een keuze. Oldenbarnevelt was diepgelovig en in zijn hart geloofde hij de strenge leer van Gomarus. Als staatsman echter wilde hij een einde maken aan de onrust en vond hij dat de overheid het recht had haar wil op te leggen. Maurits koos de kant van de preciezen, die zich verzetten tegen overheidsbemoeienis in zaken van het geloof.  In 1610 overhandigden de arminianen (na het overlijden van Armenius nu geleid door Johan Uytenbogaert) aan de Staten van Holland een verweerschrift of Remonstrantie. De gomaristen boden de Staten daarop een contraremonstrantie aan. De Staten droeg beide partijen op de geschillen bij te leggen, maar voor een schikking tussen de geleerden was het te laat. Volgens de contraremonstranten (de gomaristen) had de staat niet het recht zich met de geloofsleer te bemoeien.
 Het was gebruikelijk dat bij een hoogoplopende discussie de Nationale Synode (kerkvergadering) bijeen werd geroepen, maar de arminianen hielden dat nu tegen omdat de gomaristen in de synode meestal in de meerderheid waren. Op voorstel van Oldenbarnevelt namen de Staten van Holland daarom in 1617 een Scherpe Resolutie aan, waarin Holland zich tegen de Nationale Synode verklaarde en de steden machtigde  'waardgelders' in dienst te nemen. Dat waren huurlingen die opstandige contraremonstranten in bedwang moesten houden.

Maurits zag zijn positie als legeraanvoerder aangetast en koos voor de aanval. Op 23 juli 1617 besloot Maurits om openlijk de contraremonstranse diensten in de Kloosterkerk te gaan bijwonen en verving in talloze steden regenten door zijn eigen aanhangers. In juli 1618 ontsloeg Maurits in Utrecht de waardgelders, waarmee hij Oldenbarnevelt in het nauw dreef. De Nationale Synode werd toen alsnog gehouden in Dordrecht. In mei 1619 eindigde de Synode van Dordrecht met een overwinning van de radicale contraremonstranten.

 

terechtstelling Oldenbarnevelt

Een krachtmeting

Tegen de achtergrond van de godsdienststrijd speelde echter een belangrijker kwestie. Oldenbarnevelt was vooral de verdediger van de gewestelijke privileges, en dan met name de privileges van Holland. Belangrijker was dat hij in zijn buitenlandse beleid bleef vertrouwen op Frankrijk als bondgenoot.

 

Maurits zag na 1610 niets meer in een bondgenootschap met Frankrijk. De Republiek stond in de toekomst nog een finale afrekening met Spanje te wachten en dan was Engeland een logischer bondgenoot dan Frankrijk. De verdachtmaking dat Oldenbarnevelt landverraad pleegde hing in de lucht en het gif van de onware beschuldiging werd door de talloze vijanden van de raadspensionaris wel verspreid. Dat leidde op 28 augustus 1617 ertoe dat de Staten-Generaal tot de conclusie kwam dat het beleid van Oldenbarnevelt afbraak aan de eenheid van het land had gemaakt. Prins Maurits kreeg de opdracht alles te doen om de rust te herstellen. Hij liet Oldenbarnevelt met enkele vertrouwelingen arresteren.

 

 In 1618 begon het proces, en de aanklacht luidde landverraad. De rechters oordeelden in het voorjaar van 1619 dat Oldenbarnevelt zowel de godsdienstige als de staatkundige verhoudingen in het land had vertoord. Hard bewijs was echter niet boven tafel gekomen. De rechters gingen uit van 'vermoedens van landverraad'. Op 13 mei 1619 werd de 71 jarige Oldenbarnevelt op het Binennhof in Den Haag terechtgesteld.

Frederik Hendrik

In 1625 overleed prins Maurits. Hij werd opgevolgd door zijn zestien jaar jongere halfbroer Frederik Hendrik. Onder Frederik verzoenden de partijen zich zo goed en kwaad als dat ging. Verjaagde predikanten keerden terug naar de Republiek. Zo bleek op langere termijn dat de godsdienstvrijheid tijdens het Bestand een schijnoverwinning had opgeleverd voor de gomaristen. De Republiek was in de kern geen land van radicalen. De Pragmatische bestuurders hielden hun bedenkingen ten aanzien van orthodoxe dominees die andersdenkenden de wet wilden voorschrijven.

Meer nog dan Maurits heeft Frederik Hendrik geprobeerd het stadhouderschap extra status te geven, zodat het enigszins kon concurreren met de vorstenhuizen in het buitenland. Den Haag werd een echte hofstad, wat nog werd versterkt door het huwelijk van zijn oudste zoon met de Engelse princes Mary Stuart I.

Frederik Hendrik verkreeg de naam stedenbedwinger als bijnaam. Onder zijn stadhouderschap werden Gelderland en Overrijsel vrijgemaakt van Spaanse troepen. Nijmegen viel in 1629, in 1632 Venlo, Roermond en Maastricht.

capitulatieverdrag 1632

Frederik Hendrik en het capitulatieverdrag van Maastricht 1632
Breda volgde in 1637, Sas van Gent in 1644, Hulst in 1645. Deze zuidelijke gebieden, die pas laat veroverd werden, hoorden voor een belangrijk deel tot de zogenaamde Generaliteitslanden.

Zij werden als bezet gebied bestuurd door de Staten-Generaal in den Haag. Staats-Brabant zou pas later in de achttiende eeuw tot de Nederlandse provincies worden gerekend en fungeerde in feite als een militaire bufferzone. Voor de inwoners van Brabant was de Republiek bijna gelijk aan het buitenland. Aan de grens moesten handelaren zelfs een invoerheffing betalen voor hun producten.
3.3 Het Europese machtsevenwicht
In 1618 was in de Duitse gebieden van het Habsburgse Rijk een oorlog uitgebroken die de geschiedenis zou ingaan als de Dertigjarige Oorlog (1618-1648).

dertigjarige oorlog 2

De aanleiding was een conflict in Bohemen, een gebied in het tegenwoordige Tsjechië, waar de fel katholieke Habsburgse keizer Ferdinand, ook koning van Bohemen driegde te worden. De protestanten stelden hun eigen kandidaat. Maar tijdens onderhandelingen werden drie katholieken uit het raam van de Praagse burcht gegooid.

keizerlijke afgezanten worden uit het ram van de burcht in Praag gegooid

Dit werd bekend als de 'Prager Fenstersturz'. Dat was de aanleidng tot een allesvernietigende oorlog in heel Duitsland. De oorzaken van de Dertigjarige Oorlog waren in wezen niet anders dan die van de Nederlandse Opstand. Duitse vorsten verdedigden het particularisme, zoals in de Nederlanden de gewesten en steden dat al deden. Ook de Habsburgse grootschalige centralisatieplannen en hun strijd tegen het protestantisme waren ook overeenkomsten. 
Maurtits was er van overtuigd dat de Boheemse opstand het begin van een grote godsdienstoorlog zou zijn waarbij de protestantse staten betrokken zouden raken. De Republiek steunde de opstandelingen met een maandelijkse zendig van 100.000 gulden en leverde soldaten, terwijl Engeland zich afzijdig hield. Maurits had gehoopt dat hij de Oostenrijkse Hanbsburgers tot een oorlog kon verleiden, waarbij de Spaanse Habsburgers gedwongen zouden worden om te hulp te schieten. Deze verwachting van Maurits was niet helemaal uitgekomen. Er kwam wel hulp voor de Duitse protestanten van Franse zijde. Verrassend van het katholieke Frankrijk, maar Lodewijk XIII, die in 1610 de overleden Hendrik IV was opgevolgd, had samen met zijn eerste minister Kardinaal Richelieu, besloten dat steun aan de protestanten de beste manier was om de belangen van de Habsburgers te schaden.
In de Republiek werd de Franse steun toegejuigt. Frederik Hendrik sloot met Lodewijk in 1635 een Verdelingsverdrag waarbij men afsprak dat na een Spaanse nederlaag de Zuidelijke Nederlanden onder de landen zou worden verdeeld. Maar de vraag bleef bestaan of de Republiek daar wel beter van werd als Frankrijks macht zou toenemen.
In 1648 maakte de Westfaalse vrede een einde aan de gruwelen van de Dertigjarige Oorlog. In feite ging het hier om een zevental afzonderlijke verdragen, waarvan één bekend is gebleven als de Vrede van Münster, die de Nederlandse Opstand tegen Spanje afsloot.

republiek 1648

De Republiek in 1648
De Habsburgers waren de grote verliezers:
a) ze moesten de onafhankelijkheid van de Republiek formeel erkennen;
b) ze verloren grotendeels hun zeggenschap over de Duitse keurvorsten;
c) de centralisatieplannen waren in de Duitse gebieden waren op niets uitgelopen waardoor Duitsland tot ver in de negentiende eeuw het uiterlijk had van een lappendeken.
Naast de Repubiek was ook Frankrijk de grote winnaar. Het werd de machtigste staat op het continent en bleef dat tot in de negentiende eeuw. Lodewijk XIV verwierf in 1648 Elzas-Lotharingen.
Op godsdienstig gebied betekende de Westfaalse vrede een breuk met het verleden. De talloze gevoerde godsdienstoorlogen brachten het inzicht bij dat geen van de beide religies de overwinning had behaald en de godsdienstige eenheid voorgoed voorbij was. Op internationaal gebied koos men voor een beleid van 'leven en laten leven'. De diepere betekenis van de Westfaalse vrede ligt vooral in de acceptatie van de Europese heersers van dit machtsevenwicht.
3.4 Een dynamische economie
De economie van de Republiek had betrekkelijk weinig last van de politiek-religieuze strubbelingen in Europa. Sterker nog: vaak werd er van geprofiteerd. Na betaling van een speciale belasting mochten Nederlanders handel drijven met de Spanjaarden. De treurige gevolgen voor de Duitse textielindustrie van de strijd tijdens de Dertigjarige Oorlog zorgden voor een bloei van de Leidse en Haarlemse textielindustrie. Bovendien leverde de Republiek voedsel voor de tienduizenden soldaten die daar vochten en niet  'van het land' konden leven. Ook verdiende men aan het leveren van kanonnen.
Rond 1600 kreeg Amsterdam verschillende instellingen die de internationale handel zouden stroomlijnen.
1) de wisselbank: deze maakte het mogelijk om geld om te wisselen tegen andere valuta.
2) wisselbrieven: hierin werd vastgelegd wat een klant aan schuld op een bepaalde plaats en moment diende te voldoen.
3) oprichting Koopmansbeurs: hier kon men voor vrijwel  alle zaken terecht zoals het charteren van scheepsruimte, het verzekeren van scheepslading, kredietverlening, huren van opslagruimte.
4) beëdigde  beursmakelaars: beschikten over informatie betreffende de handel en financiële dienstverlening en stelden prijslijsten (prijscouranten) vast.
Amsterdam werd zo een knooppunt van informatie over goederen en prijzen waardoor ondernemers die dicht bij het internationale zenuwcentrum van de internationale handel zaten, profiteerden.
Europese expansie
De Opstand viel samen met de tijd van de Europse expansie. De wereld werd door ontdekkingsreizigers en veroveraars opengelegd voor de handel in allerlei producten. Spanje en Portugal speelden een hoofdrol, maar de Republiek zou ook een hoofdrol gaan spelen. In 1595 was de Eerste Scheepvaart onder leiding van Houtman en de Keyser naar de Indonesiche archipel. Tegen de zin van Spanje en Portugal die er een claim op legden. Maar de Republiek vocht met behulp van Hugo de Groot's 'Mare Liberum' die claim aan. De Eerste Scheepvaart werd een mislukking maar in 1598 vertrok een tweede vloot naar Azië. Deze was wel zeer succesvol. De kooplieden die de eerste tochten naar Azië organiseerden, werkten samen in voorcompagnieën, om de risico's te spreiden. Dat leidde ondering tot confliccten en het was Oldenbarnevelt die opriep tot het oprichten van één gezamelijke publiek private compagnie. De Verenigde Oost Indische Compagnie kwam zo in 1602 tot stand. Het was de eerste naamloze vennootschap. De VOC verkreeg een handelsmonopolie (stond natuurlijk haaks op de principes van De Groot) maar mocht ook soevereine rechten uitoefenen, waardoor men namens de Staten Generaal mocht optreden.
De Engelsen hadden al in 1600 de East India Company opgericht en de Fransen deden dat met de Compagnie d´Orient in 1642, waardoor er een felle concurrentie ontstond. Maar ze stonden allen aan de wieg van het Europees handelskapitalisme.
Bijna twintig jaar na de oprichting van de VOC volgde in 1921 (door het Twaalfjarig Bestand kon dat niet eerder) de oprichting van de West Indische Compagnie voor de handel op Afrika en Amerika. Zo kwam de driehoekhandel tot stand. Vanuit Europa werden  wapens, drank en werktuigen naar Afrika vervoerd. Vanuit Afrika werden slaven naar Amerika vervoerd en vervolgens van Amerika werden mais, tabak, suiker en zout naar Europa vervoerd. Nederland nam van de slavenhandel 5 a 6% voor zijn rekening. De winstmarge bedroeg op de slavenhandel 2 a 3 % omdat de aanloopkosten hoog waren, de aankoop lang duurde en de herstelperiode van zieke slaven veel tijd nam.
In het begin richtte de WIC zich op de kaapvaart. Het was een goedkope manier van oorlogvoeren voor de Staten-Generaal en werd daarom ook wel ´commissievaart´ of ´varen met Staatse bestelling´ genoemd.

Kaapvaart WIC

Commissiebrief voor kapitein Hubrecht Corneliss. Wils van het WIC kaperschip Prins Robbrecht, gedateerd 12 augustus 1653 (ZA, Archief Stad Veere)
Het beroemdste voorbeeld is de overmeestering van de Spaanse zilvervloot in 1628 door Piet Hein. De WIC is echter door de grote concurrentie nooit in staat geweest een volledig handelsmonopolie af te dwingen. Een derde van de winst kwam uit handel en tweederde uit oorlogshandelingen. De vrede van Munster betekende dat men allleen nog maar mocht handeldrijven.

Zie voor Hoofdstuk 4 Na de Opstand Hoofdstuk 4 Na de Opstand

 

Wie is online

We hebben 57 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.