
drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl
4.1 De ware vrijheid
Een tegenstelling die na 1648 scherper werd, was die tussen Holland en de andere gewesten. Onderwerp bezuinigingen op defensie nu de oorlog voorbij was. Holland had ongeveer 89% van de oorlogslasten gedragen. Alleen al de schuldenlast vereiste een rente van 7 miljoen gulden per jaar.
De oproep van de regenten van het gewest Holland werd ingewillgd en het landleger werd teruggebracht van 53.000 tot 30.000 man. Ook de oorlogsvloot werd verkleind. De opvolger van Frederik Hendrik, stadhouder prins Willem II moest niets hebben van de bezuinigingen. Een soeverein koningschap leek hem de beste oplossing voor de onenigheid en hij begon een staatsgrep voor te bereiden. Hij liet de machtigste regenten gevangen zetten in slot Loewestein. Maar de staatsgreep mislukte. Zijn troepen verdwaalden op weg naar Amsterdam. Zelf kreeg Willem II de pokken, in het najaar van 1650, en overleed op 24-jarige leeftijd. De regenten belegden een speciale vergadering van de Staten-Generaal en besloten zonder stadhouder verder te gaan. Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672) was een feit.
De regenten die zich verzetten tegen de koninklijke aspiraties worden staatsgezinden genoemd en hun tegenstanders prinsgezinden, ook wel Oranjegezinden genoemd. De aanhang van de prinsgezinden was vooral te vinden onder de adel, de ambachtslieden en het gewone volk. De regenten richtten zich vooral op Frankrijk, de prinsgezinden op Engeland. Logisch dat de prinsgezinden een sterk landleger bepleitten en de staatsgezinden een sterke vloot. De prins - en staatsgezinden waren geen partijen, maar facties, groeperingen met een wisselende aanhang.
In het nu ontstane Stadhouderloze Tijdperk was de belangrijkste fuctie in de Republiek die van Raadspensionaris. Johan de Witt vervulde die functie. De periode zonder stadhouder wordt door de Staatsgezinden aangeduid als 'Ware Vrijheid'. Geen vrijheid in de moderne betekenis, maar de 'vrijheid' van ieder gewest om zichzelf te mogen besturen. De staatsgezinden meenden dat de stadhouder van plan was geweest dit privelige op te heffen en een tirannie te vestigen. En zeker het machtige Holland was daar tegen.
Johan de Witt werd in feite regeringsleider, hoewel hij formeel altijd dienaar bleef van de Gewestelijke Staten van Holland. Het particularisme bleek in de praktijk niet tot onbestuurbaarheid te leiden en er ontstond een bestuurssysteem dat tot ver in de achttiende eeuw bleef bestaan. Een belangrijke voorwaarde daarvoor was het opleidingsniveau van de elite. De regentenklasse stuurde haar kinderen na een opleiding door een huisleraar eerst naar een Latijnse school en daarna naar de unisversiteit, waar de meesten rechten studeerden.
De Republiek was geen democratie, want het bestuurssysteem was een gesloten bolwerk. De regenten kozen nieuwe bestuurders uit hun midden. Corruptie en nepotisme - vriendsjespolitiek - waren vanzelfsprekend. Het is echter goed mogelijk dat naar de criteria van de zeventiende eeuw de meeste regenten eerbare mannen waren.
4.2 Engeland en Frankrijk langszij
Zowel in Engeland als Frankrijk leidde de centralisatiepolitiek tot een conflict met de adel en de eigen parlementen. Een parlement was in de zeventiende eeuw een standenvergadering waarin alleen de bovenlaag van de samenleving zitting had. In beide landen onstonden burgeroorlogen die pas rond het midden van de zeventiende eeuw werden beslist.

Met de dood van Elizabeth I in 1603 kwam er een einde aan de Tudordynastie. Karel I volgde haar op. Hij was de tweede vorst van het Huis Stuart.
Onder zijn koningschap kwam Engeland opnieuw in een burgeroorlog terecht. De strijd ging meer over politieke dan religieuze kwesties. Karel I wilde de macht centraliseren en kwam daarbij in conflict met het parlement, geleid door een herenboer uit East Anglia, Oliver Cromwell. De republiek hield zich niet geheel afzijdig. Stadhouder Frederik Hendrik financierde de schoonvader van zijn zoon Willem II met grote geldsommen. Dat voorkwam niet dat de burgeroorlog slecht afliep voor Karel I. In 1647 werd hij gearresteerd en vastgezet in Reading. In een showproces werd Karel ter dood veroordeeld. Op 30 januari 1649 werd hij in Londen terechtgesteld en onthoofd.
De dood van Karel I zorgde niet voor herstel van de invloed van het parlement. In werkelijkheid was het leger de winnaar van de burgeroorlog en dat schoof Olivier Cromwell naar voren als Lord Protector (landvoogd).
Toen het parlement probeerde om de macht van Cromwell te beperken, greep de Lord Protector in en ontbond het parlement. Daarmee was Engeland een dictatuur geworden en werd door de rest van Europa verafschuwd als een schurkenstaat. Na de dood van Cromwell keerde de zoon van Karel I terug vanuit zijn ballingschap in de Republiek. In 1660 werd Karel II koning (1660-1685). Dit herstel van het koningschap wordt Restauratie genoemd. Cromwell lichaam werd opgegraven en symbolisch geexecuteerd.
Het Engelse parlement kreeg tijdens de Restauratie zijn oude rechten terug. Regelmatig kwam het in aanvaring met Karel II over zijn enorme uitgaven. Niet alleen twee oorlogen met de Republiek kostten veel geld, maar ook zijn persoonlijke uitgaven leidden tot grote zorgen over de financiën van Engeland. In de laatste fase van zijn koningschap besloot Karel II om het parlement te ontbinden.
Burgeroorlog in Frankrijk
Er waren in de eerste helft van de zeventiende eeuw grote binnenlandse problemen. Daarbij kwam ook nog een opstand die bekend is geworden als De Fronde. Tot de opstandelingen behoorden zowel parlementarièrs als edelen die zich verzetten tegen het steeds sterker wordende absolute koningschap in Frankrijk. De opstand werd door kardinaal Mazarin, die uit naam van de kindkoning Lodewijk XIV Frankrijk bestuurde, hard neergeslagen. Na de dood van Mazarin, nam Lodewijk XIV het bestuur over. De Fronde bleef een traumatische herinnering voor de jonge koning. De koning was zo bang voor een nieuwe opstand, dat hij de edelen dwong aan het hof te komen wonen.
Concurrenten
In de tweede helft van de zeventiende eeuw, pas nadat een einde was gekomen aan een periode van bloedvergieten en vernietiging, konden de koningen van Engeland en Frankrijk zich richten op andere zaken dan oorlogvoeren. De Republiek had in de zeventiende eeuw een economische, politieke en militaire voorsprong kunnen nemen omdat Engeland en Frankrijk met interne crisis te maken hadden. Beide landen bevonden zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw in een fase waarin religieuze spaneningen en opkomend absolutisme een explosief mengsel vormden.
De Republiek werd nu na 1650 van een offensieve in een defensieve positie gedrukt. Economische bloei stond nu voor Frankrijk en Engeland voorop. Een middel om dat te bereiken was het mercantilisme. Dit was een politiek die de macht van de staat probeerde te vergroten met economsche middelen. De Fransen beperkten de invoer van buitenlandse producten met hoge tariefmuren, waardoor Hollandse producten op de Franse markt peperduur werden. In Engeland werd in 1651 de Actie van Navigatie van kracht. Voortaan mochten producten uit alle Europese landen alleen ingevoerd worden op Engelse schepen. Dit moest wel tot conflicten leidden. De Republiek koos noodgedwongen in het buitenlands beleid voor het principe van verdeel en heers. Raadspensionaris de Witt probeerde vooral te voorkomen dat er een Frans-Engels bondgenootschap tegen de Republiek werd gesloten.
4.3 Het Rampjaar
De verdeel en heerspolitiek van Johan de Witt leidde in1668 tot een bondgenootschap met Karel II van Engeland. Maar deze voerde in het diepste geheim al besprekingen met Frankrijk. De Fransen en Engelsen kregen, nadat ze elkaar al bijstand hadden beloofd, ook nog steun van twee Duitse staatjes: Keulen en het bisdom Munster.
In april 1672 begon een nieuwe Europese oorlog die ten doel had de Republiek te vernietigen. De Engelsen zouden proberen de Hollanders op zee te verslaan, de Fransen zouden proberen vanaf Lobith door te stoten naar Holland, terwijl Keulen en Munster de oostelijke en noordelijke gewesten moesten zien te veroveren. De redeloosheid van het volk bleek in de zomer van het rampjaar. Men zoch naar een zondebok en die vond men in de persoon van de Raadspensionaris Johan de Witt. Men verweet hem dat dankzij hem het land geen legerleider had en men verlangde naar ´een sterke man´, die het land zou redden van alle bedreigingen. Men doelde op de zoon van de laatste stadhouder, Willem III.
De Raadspensionaris werd gevangen genomen in de Haagse gevangenpoort en ook zijn broer, die burgemeester van Dordrecht was, die men vals beschuldigde Willem III te hebben willen vermoorden. Op 20 augustus drong een woedende menigte de Gevangenpoort binnen. De beide broers werden naar buiten gesleept en door het volk gelyncht.
Willem III werd benoemd tot stadhouder, waardoor een einde was gekomen aan het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. Nooit werd bewezen dat Willem III de hand heeft gehad in de moord, maar hij beloonde wel de daders. De gebroeders de Witt waren het slachtoffer van opgefokte haatgevoelens onder een brede volkslaag. Zij die het geweld hadden kunnen keren lieten dat bewust na.
Waardoor overleefde de Republiek toch het Rampjaar?.. Ook al was dat op het nippertje:
1) Wichiel de Ruyter wist op zee de Engels-Franse vloot in bedwang te houden.
2) De bevelhebbers van Keulen en Munster slaagden er niet in de stad Groningen te veroveren en maakten zoveel ruzie over de schuldvraag, dat verdere samenwerking onmogelijk werd.
3) Ook de onwaarschijnlijke Engels-Franse coalitie functioneerde niet optimaal.
4) Ten slotte verloor de Franse opmars na de verovering van Utrecht snelheid. Zeeland en Holland staken de dijken door en werden beschermd door de Waterlinie.

Na anderhalf jaar trokken de Fransen zich terug, zonder iets bereikt te hebben. Handel en nijverheid had door de oorlogshandelingen zwaar te verduren en zouden pas in de jaren 1680 herstellen van de opgelopen schade.
Hugenoten
Willem III ontwikkelde zich tot een krachtig stadhouder en zette zijn kaarten op Engeland. Om de band met de Engelsen te versterken, trouwde hij in 1677 met de Engelse prinses Mary Stuart II. Willem III werd met zijn coalitiepolitiek een handje geholpen door Lodewijk IVX zelf.
a) De Zonnekoning verhoogde na het Rampjaar nogmaals de importheffingen, waarmee hij de Hollandse handel rechtstreeks trof.
b) Bovendien besloot hij in 1685 om het Edict van Nantes in te trekken.
Tienduizenden sloegen op de vlucht en velen kozen Holland als eindbestemming. In Haarlem gaven zij de lakennijverheid een belangrijke impuls. In Amsterdam kozen veel Hugenoten voor een bestaan in de boekenbranche. Lodewijk XIV reageerde zo omdat voor hem de katholieke godsdienst het cement was dat de Franse staat bijeenhield. Godsdienstige verdeeldheid zou de sociale en politieke eenheid ondermijnen. Hij regeerde volgens het oude credo: één geloof, één wet, één koning.
Willem en Mary
Na de dood van Karel II in 1685, volgde zijn 3 jaar jongere broer Jacobus II hem op. De nieuwe koning was niet alleen rooms-katholiek, maar ook een fanatiek aanhanger van het absoluuut koningschap. Genoeg redenen voor de Engelse Kerk en het parlement in Engeland om in verzet te komen. Het verzet kreeg een stormachtig karakter toen Jacobus van zijn tweede vrouw een langverwachte mannelijke nakomeling kreeg. De angst voor een katholieke koning en een katholieke dynastie nam toe. Men zetet nu een samenzwering op gang die bekend werd onder de naam Glorius Revolution. In een geheime brief werd aan Willem en Mary het aanbod gedaan de Engelse kroon over te nemen van Jacobus om daarmee het Engelse protestantisme te redden van de 'paapse dreiging'. Aan het hoofd van een leger van 20.000 soldaten trok Willem Londen binnen.

Willem III stadhouder van de Republiek werd koning van Engeland. Met de troonsbestijging van Willem en Mary werd de Bill of Rights van kracht, een wet die Engeland voorgoed veranderde in een parlementaire monarchie.
Totaal andere verwachtingen hadden de Hollandse kooplieden van de stadhouder-koning. Zij hoopten dat hij de Acte van Navigatie zou intrekken. Maar Willem stond slechts aan het hoofd van een Personele Unie, een verbond van twee staten met hetzelfde staatshoofd, die echter wat binnen- en buitenlands bestuur betrof zelfstandig bleven. Zijn dubbelfunctie hield in dat hij continu moest laveren tussen Engelse en Hollandse belangen. De Acte van Navigatie bleef onverkort van kracht. Pas in de negentiende eeuw zou de Engelse regering de gehate scheepvaartwet eindleijk intrekken.
4.4 Stagnatie
Voor Lodewijk XIV betekende de Glorius Revolution een ernstige aantasting van het Europese Machtsevenwicht. Onmiddelijk na de kroning van William en Mary verklaarde Lodewijk de oorlog aan de Republiek en Engeland. Aan het eind evan deze Negenjarige Oorlog(1688-1697) was geen van de strijdende partijen de grote winnaar. Voor de Republiek was de oorlog economisch een aderlating. Maar Lodewijk IVX kon de droom van een door Frankrijk overheerst Europa wel vergeten.
Vier jaar na het beeindigen van de Negenjarige Oorlog brak de Spaanse Successieoorlog uit (1701-1714). Aanleding was de dood van de Spaanse koning en de kwestie wie hem moest opvolgen. De Engelsen, Nederlanders en Habsburgers waren bang dat Lodewijk IVX een van zijn kleinzonen op de Spaanse troon zou zetten. De Republiek bracht met 120.000 soldaten het grootste leger van haar geschiedenis op de been. Willem III maakte deze oorlog nauwelijks mee, omdat hij in 1702 stierf, na de val van zijn paard. De prins liet geen kinderen na. Daarom volgde op zijn dood het Tweede Stadhouderloze Tijdperk.
Na afloop van de oorlog werd de Republiek tot de winnaars gerekend, maar het was wel een pyrrusoverwinning. De republiek moest een flinke stap terugdoen op het internationale toneel en moest een neutrale koers aanhouden. Feitelijk erkende de Republiek hiermee dat zij in de Europese machtspolitiek één van de kleinere spelers was geworden.
De prijs van oorlog
Langzaam was voor het gewest Holland, dat 58% van de belastingen opbracht, de rek er financieel uit. De schulden waren zo hoog opgelopen, dat in 1715 meer dan de helft van de inkomsten van Holland rechtstreeks naar de schuldeisers vloeide. Toenemende concurrentie en de daar mee samenhangende oorlogen zorgden er op lange termijn voor dat de Republiek te maken kreeg met stagnatie op economisch gebied. Maar ook sociaal en bestuurlijk ging het minder goed. Pas na 1780 kwam het land in een algehele crisis terecht die het niet te boven zou komen. Tot die tijd was er sprake van een stagnerenden economie, de economie maakte een stap op de plaats. Het bruto nationaal product bedroeg in 1742 tussen 135 en 142 gulden per hoofd van de bevolking. In Engeland was dit met 120 gulden circa 20% lager. Pas na 1800 zou het Engelse bnp hoger komen te liggen dan het Nederlandse.
Boeren in het westen en noorden van het land kregen na 1670 te maken met afzetprobelemen en Engelse concurrentie doordat
a) de krappe arbeidsmarkt voor relatief hoge lonen zorgde
b) de dijken aan groot onderhout toe waren omdat ze waren aangetast door de paalworm.
Ook in de nijverheid was de stagnatie merkbaar als gevolg van de Actie van Navigatie, dat te merken was aan de teruggang van het aantal houtzaagmolens en in de textielnijverheid. In zijn totaliteit nam de industrialisatie van de Republiek af maar gelijktijdig kwam het accent meer te liggen op de commerciële en financiële dienstverlening. Het ging niet overal slecht de westelijke provincies profiteerden nog altijd van gunstige factoren zoals water, turf en wind. De papierindustrie, de steenbakkeijen langs de rivieren en de suikerraffinage (gesteund door de overheid) en jeneverstokerijen deden het goed. Aan de jenerverstokerijen was een grootschalige bio industrie verbonden. Het afval van de branderijen diende als voedsel voor de varkens.
a) Stagnatie, maar geen verval en
b) Engeland en Frankrijk streefden de Republiek voorbij en
c) De vele oorlogen hadden te veel geld gekost.
Dat waren de problemen waarmee de Republiek in de achttiende eeuw te maken had. De belastingdruk steeg daarbij ook nog, in het laatste kwart van de Gouden Eeuw, per hoofd van de bevolking met een factor 2,5.
Geen wonder dat er belastingrellen ontstonden. Dat kwam ook door het optreden van de belastingpachters. Deze zouden meer geld ophalen dan zij aan de overheid afdroegen. De ontevredenheid bereikte in 1747-1748 een hoogtepunt. Van Amsterdam tot Groningen braken pachtersoproeren uit. De overheid reageerde snel. Alle belastingpacht werd voor een half jaar opgeschort om de ´relschoppers´tot rust te brengen. Tevens werden twee leiders van de oproer op de Dam opgehangen.
De ontevreden burgers hadden hun hoop gevestigd op de pas benoemde nieuwe stadhouder Willem IV. In de Doelen, een zaal van een schutterij kwam men bij elkaar om de toestand te bespreken. Deze ´Doelisten´ stelden een lijst met eisen samen, die een mengeling bevatte van conservatieve en progressieve ideeen. Zij keerden zich tegen de zelfverrijking van de regenten, de gehate bepastingplicht en de immigaranten die zij als een bedreiging van de arbeidsmarkt zagen. Met name Joden werden in pamfletten het mikpunt.
Maar het zou nog dertig jaar duren voordat een nieuw oproer het land in rep en roer zou zetten. In de tussentijd begon langzaam het besef te groeien dat nog van de zijde van de regenten, noch van de stadhouder enige verandering kon worden verwacht. Toch groeide onder een groepje kritische geesten het besef dat de oorzaak van de stagnerende economie misschien wel gezocht moest worden in de particularistische bestuursstructuur.










