Ontwikkeling

  • Vergroot letter grootte
  • Standaard letter grootte
  • Verklein letter grootte
Home Geschiedenis Methode Sprekend Verleden SV deel 1 Havo/VWO Hoofdstuk 6

SV deel 1 Havo/VWO Hoofdstuk 6

E-mail Print PDF

Samenvatting H6 SV

 spijkerschrift

  De Middeleeuwen

Drs.J.W.Swaen docent geschiedenis en staatsinrichting www.blikopdewereld.nl

De Middeleeuwen inleiding

 Na het uiteenvallen van het West Romeinse Rijk ( 496 na Christus) volgt er een periode van ongeveer 1000 jaar, die we in Europa de Middeleeuwen noemen. Geleerden uit de 15e eeuw hebben deze naam bedacht omdat ze grote bewondering hadden voorde Griekse en Romeinse cultuur. Ze vonden hun eigen tijd. Hun eigen tijd vonden ze ook belangrijk maar de tijd daartussen stelde weinig voor.

Vanaf de 19e eeuw gingen de mensen anders denken over de Middeleeuwen.

Het woord Middeleeuwen bleef wel bestaan, maar het klonk niet meer negatief.

Het tijdvak van de Middeleeuwen laat men meestal van 500 tot 1500 duren. Volgens sommigen eindigde de Middeleeuwen in de 13e eeuw, volgens anderen pas in de 16e eeuw.

De Middeleeuwen worden verdeeld in de Vroege en Late Middeleeuwen. De overgang valt in de 11e eeuw.

6.1 De Germanen

Germaanse volken nemen het gezag van de Romeinen over.

Veel volkeren vielen het Romeinse Rijk binnen en het lukte de Romeinen niet meer iedere keer de invallers te verslaan. Waar in Europa eens het West Romeinse Rijk lag, ontstond een lappendeken van Germaanse staten.

wce 476

De Germaanse volken hadden ieder hun eigen staat. Maar ze hadden veel gemeenschappelijk.

  • De talen leken op elkaar.

  • Ze leefden vooral van landbouw en leefden in dorpen.

  • Er was een gelaagde samenleving. Bovenaan stonden de vrije mannen, vrijgelatenen vormden de middelste laag en slaven de onderste laag. (Vrouwen en kinderen waren volledig ondergeschikt aan hun man/vader).

  • Elke volk was verdeeld in verschillende stammen. In iedere stam had de vergadering van vrije mannen de meeste macht. In oorlogstijd echter werd er een aanvoerder gekozen. Sommige slaagden er dan in vredestijd in koning te worden.

De Franken werden het belangrijkste Germaanse volk. Het huidige Frankrijk is naar hen genoemd.

wce 770

 

      Karel de Grote 742 - 814

karel d e grote

Karel de Grote ( 742-814) werd de belangrijkste koning van de Franken. Vooral op het gebied van onderwijs en wetenschap werd hij bekend. Hij liet geestelijken overal in kloosters en kerken scholen oprichten voor kinderen van edelen en andere veelbelovende kinderen.

Aan het hof nodigde hij geleerden uit die Griekse en Romeinse handschriften bestudeerden.

Ook liet hij het schrift verbeteren. Naast de Hoofdletters voerde hij de kleine letters in.

Ook voerde Karel de Grote veel oorlogen om zijn land te vergroten en om het Christendom te verspreiden.

palts karel de grote

 legenda

 

 

 

Zo ontstond er voor het eerst na de Romeinen een groot Europees Rijk. In 800 werd Karel de Grote door de Paus in Rome tot keizer gekroond.

kroning karel de grote

 

Paus Leo de III kroont Karel de Grote tot Keizer (Aegidius van Roya, Compendium historiae universalis)

Na de dood van Karel de Grote viel zijn rijk uiteen.

 Dit had verschillende oorzaken:

1)  de gewoonte van de Germanen om het rijk te verdelen onder alle zonen van de vorst;

2)  de oorlogen die de opvolgers van Karel de Grote onder elkaar voerden;

3)  de aanvallen van volken zoals de Noormannen vanuit het Noorden en de moslims vanuit het zuiden.

wce 890

 6.2 De samenleving in de Vroege Middeleeuwen

In de vroege middeleeuwen bleven sommige steden wel bestaan zoals bisschopssteden. Die bisschoppen bestuurden van daaruit hun bisdom. Dat trok mensen aan.

De meeste mensen leefden op een domein

Bijna iedereen leefde in de Vroege Middeleeuwen op een domein op het platteland. Een domein was een dorp met omgeving en alles wat daarbij hoorde aan land en goederen. Het werd bestuurd door een edelman, een bisschop of een klooster. Het middelpunt van een domein was een kasteel of een klooster.

Iedere grootgrondbezitter had minstens één domein. De rijken onder hen hadden er vele. De edelman, bisschop of abt woonde zelf op één domein en liet de andere besturen door rentmeesters.

Vrije boeren en horigen

Ruim 90% van de bevolking werkte op een domein als boer, landarbeider, ambachtsman of personeel van de heer.

boeren aan het werk

 

De armen, dat waren de boeren en de horigen en de lijfeigenen. De meeste boeren waren horigen. Hun boerderij en hun land behoorde aan de edelman. Voor hem moesten zij werken. Een deel van de oogst was voor de boeren zelf. Maar het meeste moeten ze afstaan aan hun heer of aan het klooster.

Er waren grote verschillen in leefomstandigheden.

  • Vrije boeren: Zij bezaten hun eigen grond en hadden meestal weinig personeel. Deze groep was klein.

  • Horigen: De meeste mensen waren horigen(onvrije mensen). Sommige hadden geen enkele bezit. Zij werkten elke dag voor hun heer. Andere hadden land gepacht van hun heer en moesten diensten voor hen verrichten.

  • Onder de horigen die land hadden gepacht waren er grote verschillen:

          a) Sommigen hadden meer land gepacht dan anderen.

          b) Sommigen hoefden minder diensten voor hun heer te verrichten  dan

               anderen.    

          c) Sommigen hoefden minder van hun oogst af te staan dan anderen.

  • Sommige horigen waren nakomelingen van vrije boeren die hun vrijheid hadden opgeheven in ruil voor de bescherming door een adellijke heer. De meeste horigen waren nakomelingen van Romeinse slaven die van hun eigenaar een stuk grond hadden gepacht.

De edelen

De edelen waren wel eigenaars van de grond, maar ze werkten daar zelf niet op. Zij leefden van de arbeid van de boeren.

Edelen vervulden andere taken:

  • ze bestuurden hun domeinen;

  • spraken recht over hun onderdanen;

  • voerden oorlog.

Edelen werden verdeeld in Hoge en Lage adel

De lage adel

De meeste edelen behoorden tot de lage adel. Zij beheerden maar één of enkele domeinen en woonden op een klein kasteel. Dat kasteel was eigenlijk meer een gewone boerderij die ommuurd was en torens had. Ook had de lage adel evenveel voedsel als de horigen maar ze verdienden meer.

De hoge adel

In heel Europa waren maar enkele honderden hoge edelen. Zij beheerden honderden domeinen en woonden in grote burchten.

Het leenstelsel

Het in leen geven van gebieden in ruil voor hulp wordt leenstelsel genoemd. De hoge edelen hadden hun domeinen in leen van de koning. Zo'n groot gebied was moeilijk te beschermen. Daarom riepen de hoge edelen de hulp in van lage edelen. Ze kregen één of enkele domeinen van de hoge edelen in leen.

De koning en de edelen die één of meer domeinen in leen gaven, worden leenheer genoemd. De edelen die één of meer domeinen leenden, worden leenman genoemd. De hoge edelen waren dus tegelijkertijd leen man en leenheer.

De meeste koningen hadden weinig macht

Koningen hadden in de Vroege Middeleeuwen meestal weinig macht. de meeste van hun domeinen hadden zij in leen gegeven aan hoge edelen. Meestal deden de hoge edelen alsof hun leen eigen bezit was. Zij luisterden alleen naar de koning als zij er zin in hadden.

De Geestelijken

Een derde belangrijke groep in de middeleeuwse samenleving was de geestelijkheid. Er zijn twee soorten geestelijken: seculiere en reguliere.

Seculiere geestelijken

Seculiere geestelijken zijn de Paus, de bisschoppen en de priesters. Zij leven niet in afzondering zoals de reguliere geestelijken maar onder de mensen. Alleen mannen kunnen seculiere geestelijke worden.

De taak van de middeleeuwse dorpspriester was toezicht te houden op het leven van de inwoners van een parochie. Een parochie, is een groep gelovigen. De dorpspriester was van eenvoudige afkomst en had weinig of geen opleiding gehad. Boven de dorpspriesters stonden de bisschoppen. Het was hun taak toezicht te houden op de parochies in hun bisdom (kerkelijke provincie).

De bisschoppen waren meestal van adellijke afkomst. Veel bisschoppen waren ook leenmannen van de koning.

Leider van de bisschoppen en van de Kerk was de Paus. Hij had grote macht:

  • Hij stond aan het hoofd van alle geestelijken;
  • hij mocht regels vaststellen waaraan alle christenen zich hadden te houden;
  • hij mocht alle bisschoppen bijeen roepen voor een concilie (kerkelijke vergadering).

Reguliere geestelijken

Reguliere geestelijken zijn monniken en nonnen. Zij leven in afzondering in kloosters. Aan het hoofd van een klooster staat een abt of abdis.

Reguliere geestelijken leggen 3 geloften af:

  • de gelofte van zuiverheid (dat ze niet zullen trouwen en geen seks hebben);
  • de gelofte van gehoorzaamheid ( dat ze altijd de leiding zullen gehoorzamen);
  • de gelofte van armoede (dat ze het bezit zoveel mogelijk gemeenschappelijk hebben).

Alle reguliere geestelijken zijn lid van een kloosterorde. Dat is een organisatie van een groep monniken en nonnen die in verschillende kloosters leven volgens dezelfde regels. De oudste orde is die van Benedictus. Daarnaast kennen we de Dominicanen en de Franciscanen

Tot de taken van  monniken en nonnen behoren:

  • het verbreiden van het christelijk geloof;
  • het bouwen van kerken en kloosters;
  • het verzorgen van zieken;
  • het geven van voedsel aan hen die honger lijden;
  • het schrijven van boeken;
  • het ontginnen van land en het droogleggen van moerassen;
  • verbeteren van gewassen;
  • het fokken van dieren;
  • het aanleggen van dijken;
  • het onderdak geven aan pelgrims ( zijn gelovigen die ver reizen om een van de heilige plaatsen te bezoeken) en andere reizigers.

Grote invloed van de Kerk en de Geestelijken op de samenleving

Hoe kwam het dat de invloed van de geestelijken in de Middeleeuwen zeer groot was?

1) Iedereen was in de Middeleeuwen lid van dezelfde Kerk. De geestelijken konden dardoor iedereen beïnvloeden.

2) Tot in de Late Middeleeuwen konden bijna alleen geestelijken lezen en schrijven. Daardoor hadden  ze ook bij het bestuur van een land invloed. Ze moesten dan  wetten en verdragen opschrijven. Maar Hoge Geestelijken bestuurden vaak ook een groot deel van het land.

3) In de Middeleeuwen geloofden de mensen dat het leven op aarde een voorbereiding  was op het eeuwige leven na de dood.

4) Door het heffen van belastingen ( b.v. een tiende van de inkomsten of aflaatbetalingen) was de Kerk heel rijk geworden. Rijker dan alle koningen bij elkaar.

5) Geleerden hielden zich vooral bezig met wat voor de godsdienst belangrijk was.

6) De Paus kon iedereen in de Kerkelijke Ban doen. Als je in de Ban werd gedaan, was je geen lid meer van de Kerk en mocht je geen sacramenten meer ontvangen en kwam je na je dood in de hel.

benedictus xvi

 De huidige Paus Benedictus XVI

Mogelijkheden om van de ene bevolkingslaag in de andere te komen

In de Vroege Middeleeuwen lag het  meestal al bij je geboorte al vast of je de rest van je leven tot de boeren of tot de edelen zou behoren. Edelen kwamen zelden of nooit in een lagere bevolkingsgroep terecht.

In sommige gebieden erfde de oudste zoon het hele bezit van zijn vader. jongere zonen traden dan vaak toe tot de geestelijkheid. Zij kregen de hoogste functies in de Kerk, zoals die van bisschop of abt.

In de Late Middeleeuwen kwamen de steden op. Daardoor kregen de mensen een nieuwe kans om in een andere bevolkingslaag terecht te komen.

6.3 De opkomst van de Middeleeuwse Stad

De opkomst van de steden is de belangrijkste verandering in de Late Middeleeuwen. Dat had veel te maken met de herleving van de handel.

Waardoor handel in de Vroege Middeleeuwen bijna verdwijnt

De handel in West Europa was sinds de 5e eeuw bijna verdwenen. De reden daarvoor was dat de Romeinse wegen vervielen en het steeds moeilijker werd om te reizen. Men werd vaak het slachtoffer van struikrovers. Ook waren er weinig bruggen om rivieren over te steken. Kooplieden moesten ook voor het gebruik van bruggen, doorwaadbare plaatsen of waterwegen tol betalen aan de eigenaar ervan.

Een ander probleem was dat, in tegenstelling tot de Romeinse tijd, men nu niet overal met dezelfde munt kon betalen.

Waardoor de handel herleeft in de Late Middeleeuwen

De handel herleefde in de 11e en 12e eeuw:

  • In de stad gingen de kooplieden samenwerken in gilden. Een gilde diende de belangen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden.
  • Kooplieden gingen samenwerken met kooplieden in andere steden. Het eerst in Italië.
  • In de tweede helft van de 13e eeuw gingen Noord Europese steden samenwerken in de Hanze. Hanze kooplieden maakten afspraken om dezelfde munten, maten en gewichten te gebruiken. In ons land deden dat bijvoorbeeld Groningen, Bolsward, Stavoren, Deventer, Zwolle, Kampen, Harderwijk, Arnhem en Zutphen.
  • De kooplieden kregen de steun van de koningen. De koningen hielpen de kooplieden tegen rovers en piraten en zorgden voor verbetering van wegen en bruggen. De koningen zorgden ook voor het opheffen van tollen en voorden een muntstelsel in voor hun rijk.

Oude steden groeien, nieuwe ontstaan

Nieuwe steden ontstonden op voor handel goed gelegen plaatsen. Door de handel groeiden oude steden en ontstonden er nieuwe.

De steden boden aan veel mensen werk en vrijheid en een boeiender leven. Er was bijvoorbeeld een regel, dat een horige die een jaar en een dag in een stad had geleefd, niet langer door zijn heer kon worden opgeëist. 'Stadslucht maakt vrij' was een uitspraak in de Middeleeuwen.

Stedelingen krijgen stadsrechten

Stedelingen hadden net zoals de boeren allerlei plichten tegenover de heer van een domein. Vooral handelaars konden deze verplichtingen niet goed combineren met hun beroep. De stadsbewoners gingen daarom hun koning om meer vrijheid vragen. Zij vroegen om stadsrechten.

Die stadsrechten hielden in:

  • het betalen van belastingen als enige verplichting tegenover de heer in hun omgeving en tegenover de vorst;
  • het zelf mogen regelen van bestuur en rechtspraak.

De koningen konden nu samen met de steden de macht van hun leenmannen beperken. Hoe beter het met de steden ging, des te meer belasting konden de koningen van de steden vragen.

De Gelaagdheid in de stedelijke samenleving

In de steden ontstonden verschillende bevolkingslagen:

1) De bovenste laag van de bevolking werd gevormd door de meesters van de gilden.

2) Onder deze laag stond het hogere personeel van de gildenmeesters. Zij verdienden een loon.

3) De knechten vormden de derde laag. Zij verdienden een laag loon net genoeg om in leven te blijven.

4) Het armst was de groep bedelaars en zwervers. (In Nijmegen hoorde  30% van de bevolking in 1550 tot deze groep).

De steden werden bestuurd door stadsraden, afkomstig uit het koopliedengilde. De rest van de bevolking had daar geen invloed op.

Ambachtslieden en arbeiders kwamen in opstand

In de steden woonden veel meer ambachtslieden dan kooplieden. Deze ambachtslieden verdienden met hun werk een goed inkomen. Toch mocht men niet meedoen aan het stadsbestuur. Daarom kwam men daartegen in opstand.

De arbeiders profiteerden niet van het toenemen van de welvaart. Toen in de 14e eeuw de welvaart niet meer toenam werd een groot aantal werkloos. Door de ontstane nood kwam men in opstand.

Ketterijen krijgen veel aanhang onder ontevreden arbeiders

De mensen in de Middeleeuwen uitten hun ergernis en woede vaak in de vorm van ketterijen. Ketterijen zijn meningen over het geloof die de leiders van de Kerk hebben verboden.

Ketters ( aanhangers van ketterijen) werden vaak geleid door geestelijken die vonden dat ze de wereld moesten veranderen, omdat God dat wilde.

6.4 De opkomst van Nationale Staten

In de Late Middeleeuwen ontstond een aantal staten met grenzen die lijken op grenzen van nu. In sommige van die staten ontstond onder een groot deel van de bevolking een gevoel van saamhorigheid. Zulke staten worden nationale staten of naties genoemd. Nationalisme:  Het gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die een staat vormt of wil vormen.

Waardoor Nationale Staten ontstaan

Er zijn vier omstandigheden te noemen;

1) De mensen gingen meer merken van het bestuur van een staat omdat koningen hun macht gingen vergroten met behulp van de steden. Door belastingheffingen betaalden zij ambtenaren en een leger.

2) De mensen gingen de zelfde taal spreken. Om met elkaar te kunnen handelen moest je elkaar kunnen verstaan. ook de koning en ambtenaren gingen dezelfde taal spreken.

3) Mensen merkten dat zij gemeenschappelijke belangen hadden en daardoor sterker stonden om de macht van de koning te beperken.

4) De mensen kregen gemeenschappelijke ervaringen bijvoorbeeld door samen oorlog te voeren. Dat leidde tot een nationaal gevoel.

5) De mensen hadden een gemeenschappelijke godsdienst: het katholieke christendom.

Maar niet lang nadat eind 15e eeuw nationale staten begonnen te ontstaan, raakten christenen in West - Europa verdeeld. Zij vielen in de 16e eeuw uiteen in Katholieken en Protestanten. In veel landen kwamen ze tegenover elkaar te staan. Dat was ongunstig voor de vorming van nationale staten.

Engeland en Frankrijk als voorbeelden

frankrijk 1124

Frankrijk in 1154 voor een groot gedeelte in Engels bezit want de Engelse koning was leenman van de Franse koning.

De Engelse koningen probeerden net als andere koningen hun macht te vergroten. Dus ook de belastinginning. Naar bevolkingsgroepen in Engeland wilden daarover meebeslissen. Ze gingen samenwerken, eerst de edelen en geestelijken, later rijke burgers. Er kwam een Parlement met vertegenwoordigers van die groepen. Alleen met toestemming van het Parlement mocht de koning voortaan belasting heffen.

In 1066 was Engeland door Frankrijk veroverd en Frans werd de taal van de bovenlaag van de Engelse bevolking. Dat veranderde tijdens de Honderdjarige oorlog van 1328 tot 1428.

wcu 1346

 

De Engelse koning was leenman over een groot deel van Frankrijk waardoor de Franse koning weinig te zeggen had. Maar dat zou veranderen doordat Jeanne d'Arc het klaarspeelde om de Franse soldaten enthousiast naar overwinningen te voeren.                

Jeanne d'Arc werd uiteindelijk door de Engelsen gevangen genomen en veroordeeld tot de brandstapel. Maar in 1453 gaven de Engelsen al hun Franse bezit terug behalve de stad Calais. In Frankrijk was zo wel een nationaal gevoel ontstaan.

honderdjarige oorlog

 

Kaart van de laatste fase (1422-1453) van de Honderdjarige Oorlog

wce 1483

 

6.5 Ketterijen, Rechtspraak, Onderwijs, Literatuur, Bouwwerken en Beeldende Kunst

Nieuwe kloosterorden en de Inquisitie bestrijden ketterijen

De ketterijen werden bloedig  onderdrukt. Daarbij speelde twee kloosterorden een grote rol: De Dominicanen en de Franciscanen. Door hun voorbeeldige levenswandel van eenvoud en nederigheid en door hun preken probeerden zij de mensen van ketterij af te houden.

De Dominicanen kregen in de 13e eeuw een aandeel in de zogenaamde rechtbanken van Inquisitie die als doel hadden de opsporing en berechting van ketters. Zo werden duidenden ketters tot de brandstapel veroordeeld.

Het Recht

In de Middeleeuwen kwamen er belangrijke veranderingen in de Rechtspraak:

  • In het Romeinse rijk gold overal hetzelfde recht. De Germaanse volken brachten ieder hun eigen recht mee.
  • Elke leenheer ontwikkelde daarbij zijn eigen rechtsgewoonten.
  • In de Romeinse wet was iedereen gelijk voor de wet. In alle Germaanse staten ging men er van uit dat alle mensen voor de wet ongelijk waren. Dus werd er ook verschillend gestraft, afhankelijk van de laag waartoe je behoorde.
  • In het Romeinse rijk was één soort rechtbanken. In de Middeleeuwen kwamen er twee soorten: naast de gewone rechtbanken (van de leenheer) ontstonden kerkelijke rechtbanken waar de geestelijken onder vielen. Ook gelovigen konden met deze kerkelijke rechtbanken te maken krijgen(godsoordeel, ketterij of in de ban doen).
  • In de Late Middeleeuwen kreeg men meer aandacht voor de rechtspraak uit de tijd van de Romeinen. Het godsoordeel werd afgeschaft. Belangrijke bewijsmiddelen werden de bekentenis en de getuigenverklaring. Bekende de verdacht dan was de zaak duidelijk. Dat leidde tot de toepassing van martelingen waardoor mensen bijvoorbeeld door de pijnbank gingen bekennen wat niet waar was.

Het Onderwijs

In de Vroege Middeleeuwen konden bijna allen geestelijken lezen en schrijven. De tijd van Karel de Grote was een uitzondering.

In de Late Middeleeuwen kwam er langzaam een verandering en werd het onderwijs in de steden uitgebreid vooral omdat men ambtenaren nodig had. Ook de handel vroeg erom.

Heiligenlevens, het ridderepos, de lyriek en stedelijke literatuur

In de Vroege Middeleeuwen werden veel verhalen niet opgeschreven maar doorverteld. Latijn was de enige geschreven taal en bleef tot de 13e eeuw de belangrijkste taal. Daarnaast waren er natuurlijk Volkstalen.

Er zijn veel boeken en verhalen uit de Middeleeuwen bewaard gebleven:

  • Geestelijken schreven en vertelden in heiligenlevens over heiligen en wonderen.
  • In kringen van edelen was het epos erg populair. Het ging over ridders, koningen en hun dappere daden. Door voordrachtkunstenaars werden deze verhalen in de Vroege Middeleeuwen doorverteld. In de Late Middeleeuwen schreef men deze verhalen op. Voorbeelden zijn het 'Roelantslied' en ''Van den vos Reynaerde.
  • In de Late Middeleeuwen ontstond onder een deel van de adel een soort literatuur: de lyriek ( korte gedichten over verdriet en vreugde, vaak over de liefde.)
  • In de Late Middeleeuwen kregen de burgers in de steden ook belangstelling voor literatuur. Bijvoorbeeld: korte spotdichten, novelles(korte verhalen), fabels en leerdichten waarin kritiek werd geleverd op de samenleving.

Bouwwerken en beeldende kunsten

Natuurlijk kunnen we dan niet om de kerkgebouwen heen. er werd onderscheid gemaakt  tussen de Romaanse en Gotische Bouwstijl.

            Romaanse stijl                                                                     Gotische stijl

olv kerk gotische stijl 
                                    

Kenmerken Romaanse stijl: 

  • ronde bogen                                    
  • kleine ramen
  • dikke muren en zuilen

Kenmerken Gotische stijl:

  • spitse bogen
  • hoge en smalle ramen met glas in lood
  • weinig muren en slanke zuilen

maastricht small

Dat een middeleeuwse stad veel kerken had blijkt wel uit deze afbeelding van Maastricht waarop duidelijk de vele kerktorens zijn te zien.

Door de opkomst van de steden veranderde in de Late Middeleeuwen ook veel in de bouwkunst en de beeldende kunst. Naast de geestelijken gingen nu ook rijke burgers opdrachten geven aan bouwmeesters en kunstenaars.

6.6 De Islam en de Arabische wereld

Vooral in de Late Middeleeuwen ontstonden gewelddadige en vreedzame contacten tussen de Arabische wereld en Europa.

De Islam

De islam is op dit moment de tweede godsdienst in de wereld. De aanhangers van de islam worden  moslims genoemd. 'Moslims' betekent 'zij die zich onderworpen hebben aan God'.

De islam is ontstaan op het Arabisch schiereiland. In Mekka werd Mohammed geboren rond 570. Hij werd koopman en kreeg interesse in godsdiensten die slechts één God kenden: het jodendom en christendom. Via een engel van Allah (het Arabische woord voor God) kreeg Mohammed opdracht om het bestaan en de wil van Allah aan de mensen te vertellen. Mohammed wordt daarom profeet (boodschapper) genoemd. De koran is het heilige boek van de Islam.

Alle overgeleverde handelingen en uitspraken van Mohammed staan opgeschreven in de soenna. Uit de koran en de soenna hebben moslimgeleerden in later eeuwen de sharia (islamitische wetten) afgeleid.

Elke moslim moet vijf hoofdplichten uitvoeren:

1) uitspreken van de geloofsbelijdenis;

2) vijf maal per dag, op vaste tijden, bidden;

3) vasten tijdens de Ramadan;

4) geven van aalmoezen;

5) minstens een maal in het leven een bedevaart maken naar Mekka.

Arabieren stichtten groot rijk in het Midden - Oosten en Noord - Afrika

De aanhang van Mohammed nam snel toe. Het gehele schiereiland werd al voor zijn dood (632) door zijn volgelingen veroverd.

christendom mohammed

 

De moslims veroverden in de eeuw na de dood van Mohammed grote delen van het Midden - Oosten en Noord - Afrika. Aan het hoofd van het Arabische rijk stond een kalief (opvolger van de profeet Mohammed).

Met de naam Arabieren werd eerst alleen de bewoners van het Arabische schiereiland bedoeld. Later werd iedereen die moslim was en Arabisch sprak Arabier genoemd. De Arabieren staken ook over naar Europa via Gibraltar en trokken het Frankische rijk binnen. In 732 werden ze in Poitiers verslagen. In de 9e eeuw bezetten ze ook Sicilië en een deel van Italië om er echter in de 11e eeuw weer uit te worden verdreven.

Christenen en Joden mochten hun godsdienst behouden, in de veroverde gebieden, maar moesten wel extra belasting betalen.

Het Arabische rijk valt uiteen en wordt aangevallen

In de 8e eeuw kregen de Arabieren onderling ruzie en hun rijk viel in vier delen uiteen. In de 11e eeuw werd een groot deel van het door de Arabieren veroverde Midden-Oosten veroverd door de Seldsjoeken, een islamitisch volk uit Azië. Pogingen van de Seldsjoeken om ook Europa binnen te vallen mislukten.

Ook in Spanje verloren de Arabieren grondgebied in de 11e eeuw.(Toledo in 1085).

reconquista

6.7 Betrekkingen tussen moslims en christenen

De kruistochten

In 1095 riep Paus Urbanus de II in Clermont (Frankrijk) op tot het houden van en kruistocht om het 'heilige land Palestina' te veroveren op de moslims. Tussen 1096 en 1270 werden er zeven kruistochten gehouden waarvan alleen de eerste eigenlijk een succes was. In 1099 viel Jeruzalem en werd er een kruisvaarderstaat opgericht welke maar een kleine 100 jaar zou bestaan.

Motieven van de kruistochten

Misschien de vraag van de Oost -  Romeinse  keizer tot militaire steun steun aan de Paus tegen de moslims?

Waarom namen zoveel mensen deel?

  • uit godsdienstig enthousiasme om Palestina te veroveren op de 'ongelovigen';
  • edelen zagen de mogelijkheid roem, rijkdommen en land te verwerven;
  • het avontuur;
  • vergeving van zonden en kwijtschelding van schulden en straffen van misdadigers was door de Paus beloofd.

Verschillen tussen de islamitische wereld en Europa in de Middeleeuwen

1) Betere medische zorg. In de Arabische wereld was de ziekenzorg beter geregeld. Er waren ziekenhuizen en chirurgen en men kende er apothekers. In Europa gebruikte men nog de waterpomp in Arabische landen kende men al de waterleiding.

2) Beter onderwijs. Jongens gingen al op 7 jarige leftijd naar school bij de moskee. Hoger onderwijs was er in de Arabische wereld alleen voor de bovenlaag van de bevolking. Men kende in de steden al boekhandels en bibliotheken.

3) Vrouwen leefden een meer afgesloten leven. Dat gold echter niet voor de onderste lagen van de bevolking. Die moesten ook werk buitenshuis doen. In de praktijk bestuurden vooral de mannen het rijk en regelden de mannen handel en bedrijf.

4) Wetenschap van de oude Grieken verder ontwikkeld. De Arabieren hadden die kennis goed bewaard in de bibliotheken en verder uitgebreid waardoor ze veel meer wisten over sterrenkunde, wiskunde, geneeskunde en aardrijkskunde.

afrika geloofsuitingen

 

Gewelddadige contacten tussen Arabieren en Europeanen

Men had elkaar veel bestreden o.a. in Spanje en Italië. De Kruistochten waren er ook een voorbeeld van.

Vreedzame contacten tussen Arabieren en Europeanen

De Europeanen dachten dan hun cultuur boven die van de moslims stond maar dat bleek niet waar te zijn. Er bleek veel te leren en te halen.

Sommige contacten waren er al voor de Kruistochten:

1) Contacten door pelgrims, sinds de  3e eeuw naar het land waar Christus had geleefd.

2) Wetenschappelijke contacten.

  • Door het werk van Arabische kaartenmakers en sterrenkundigen kwam men in Europa er achter dat de aarde rond was.
  • Op het gebied van de wiskunde werden de Arabische cijfers en het tientallige stelsel overgenomen. Maar het zou nog eeuwen duren voordat iedereen in Europa er gebruik van maakte.

3) Handelscontacten. Kooplieden uit Venetië en Genua onderhielden sinds de 10e eeuw goede betrekkingen met het Oost-Romeinse Rijk. Tevens profiteerden ze van de Kruistochten. Op de terugweg namen ze allerlei luxe artikelen mee. Dat waren bijvoorbeeld damast, specerijen, zuidvruchten en nu heel gewone producten als rijst en rietsuiker. Deze producten waren enkel maar te betalen voor de rijke mensen.

4) Politieke contacten. Verschillende Europse vorsten onderhielden vreedzame betrekkingen met islamitische vorsten zoals Karel de Grote met kalief Haroen Al - Rasjid. De Duitse keizer Frederik II sloot vriendschap met een Arabische vorst, de sultan van Egypte.