Samenvatting H3 SV2
Wetenschappelijke Revolutie, Verlichting en Franse Revolutie

drs.J.W.Swaen docent geschiedenis en staatsinrichting www.blikopdewereld.nl
3.1 Kenmerken van de Industriële samenleving
Het begrip industrialisatie
Pas de laatste tweehonderd jaar maakt de mens, op grote schaal, gebruik van machines. Pas in die tijd zijn mensen gebruik gaan maken van gas, olie, elektriciteit en atoomenergie. dat werd pas mogelijk door een groot aantal uitvindingen vanaf het einde van de 18e eeuw.
Aan die uitvindingen is nog steeds geen einde gekomen. De uitvindingen maakten het ontstaan van industrieën mogelijk. Maar daar was meer voor nodig:
- energiebronnen: zoals gas, olie,elektriciteit en atoomenergie.
- grondstoffen: deels uit Europa deels uit de koloniën.
- zeer veel kapitaal: werd in de beginperiode verschaft door rijke kooplieden en banken.
- voldoende arbeidskrachten: vanaf de 18e eeuw groeide de bevolking sneller dan voorheen en door uitvindingen waren er in de landbouw steeds minder arbeidskrachten nodig.
De veranderingen waren zo groot, dat men ook wel spreekt van de Industriële Revolutie. Door de Industriële Revolutie ontstond er een industriële samenleving.
Met een industriële samenleving bedoelen we een samenleving waarin de meeste goederen in fabrieken worden gemaakt en waarin de meeste mensen in steden wonen. Als een agrarische samenleving door het toenemen van het aantal industrieën verandert in een industriële samenleving, wordt deze verandering industrialisatie genoemd.
In Engeland ontstond het eerst een industriële samenleving halverwege de 18e eeuw.
West Europa en de Verenigde Staten volgden ongeveer een eeuw later. Aan het einde van de 19e eeuw begon ook de industrialisatie in Oost Europa en Japan. In de 20e eeuw kwam de industrialisatie in de andere landen van de wereld op gang maar is daar nog steeds niet het belangrijkste middel van bestaan.
3.2 Snelle groei van fabrieken en steden
De nieuwe machines werden in werkplaatsen, fabrieken, geplaatst door rijke ondernemers die ook grondstoffen kochten. De producten die men maakte werden door deze ondernemers verkocht. De eerste fabrieken werden gebouwd bij snel stromende rivieren. Maar toen de stoommachine in gebruik kwam, werden de fabrieken dichtbij ijzer- en steenkoolmijnen gebouwd.
De arbeiders die in deze fabrieken werkten, gingen bij deze fabrieken wonen. Zo ontstonden nieuwe steden of groeiden oude steden flink. In 1750 leefden in Engeland ongeveer 15% van de bevolking in de steden. Honderd jaar later was dat ruim 50%. In andere landen zou men dezelfde ontwikkeling meemaken.
Massaproductie wordt ingevoerd
De groei van de fabrieken werd ook mogelijk door massaproductie, waarbij gebruik werd gemaakt van arbeidsverdeling en de lopende band. Massaproductie is een productiesysteem waarmee grote aantallen van precies hetzelfde product worden gemaakt. Arbeidsverdeling is het maken van producten in verschillende stappen. Een lopende band brengt een product in wording van arbeider naar arbeider, zodat elke arbeider zijn handeling zonder tijdverlies kan verrichten.
Nadelen massaproductie:
- het werk werd veel eentoniger.
- er kwamen meer spanningen want iedereen moest aan een bepaald tempo voldoen.
- veel minder aandacht voor de arbeider als mens.
Voordelen massaproductie:
- er kon sneller en goedkoper worden geproduceerd.
- massaproducten werden nu betaalbaar voor veel mensen.
- kapotte onderdelen van producten konden nu worden vervangen.
Slechte werkomstandigheden van de fabrieksarbeiders
De arbeider maakte maar een klein onderdeel uit van het product en had bijna geen gereedschappen meer in zijn handen. De machine bepaalde ook het tempo van het werk. Daardoor verloor de arbeider voor een groot deel het plezier in het werk. Voor het eenvoudige werk was geen vakbekwaamheid meer nodig. de vraag naar ongeschoolde arbeiders nam enorm toe. Als voordeel voor de fabrikant was ongeschoolde arbeid ook nog veel goedkoper (vrouwen en kinderen kregen nog minder).
Kinderarbeid vonden de meeste mensen normaal. Het werk in de fabrieken was ongezond en ook gevaarlijk en kinderen werden vaak geslagen. Men legde ook veel boetes op bij overtredingen ( die waren opgelegd door de fabrikanten). Door het ongezonde werk braken er vaak ziektes uit en gebeurden veel ongelukken in de bedrijven.
Een ander probleem voor de arbeiders was het risico werkloos te worden. Werden er nieuwe machines ingevoerd dan betekende dit voor veel arbeiders ontslag. En dat was een grote ramp omdat men dan geen inkomsten had. Men kon alleen in leven blijven door particuliere liefdadigheid.
Leven in de steden verbetert vanaf eind 19e eeuw
De woonomstandigheden waren bijzonder slecht. Er was geen toilet, geen waterleiding en men leefde soms met twaalf personen in één kamer. Water haalde men uit pompen, rivieren en beken in de omgeving. Deze werden ook als open riool gebruikt. Ook de onveiligheid in de steden was groot. Aan het einde van de 19e eeuw kwam er verbetering omdat regeringen maatregelen gingen nemen.
De belangrijkste maatregelen waren:
- er kwam straatverlichting, eerst gas later elektriciteit, en openbaar vervoer.
- er kwamen meer uitgaansmogelijkheden.
- er kwam een ondergronds riolenstelsel.
- er werden waterleidingen aangelegd.
- er kwam meer politie.
- het aantal scholen, ziekenhuizen en bibliotheken werd uitgebreid.
- de arbeiders gingen eigen activiteiten organiseren.
3.3 Overgang van Handelskapitalisme naar Industrieel Kapitalisme
Onder kapitalisme verstaan we een economie waarin de grond en de bedrijven eigendom zijn van ondernemers die met hun bedrijf een zo groot mogelijke winst willen maken.
De belangrijkste kenmerken van het kapitalisme zijn:
- de arbeider werkt in opdracht van een werkgever. Deze is daarbij niet aanwezig. Dat wordt scheiding tussen kapitaal en arbeid genoemd.
- de werkgever is een zakenman die het kapitaal heeft om grondstoffen, werktuigen, vervoermiddelen en lonen te kunnen betalen.
- de meeste bedrijven zijn in handen van particulieren.
- de werkgevers proberen zoveel mogelijk winst te maken.
Handelskapitalisme
Onder handelskapitalisme verstaan we de eerste vorm van kapitalisme, waarbij de winst door middel van handel gemaakt werd. De werkgevers waren kooplieden die via huisnijverheid producten lieten maken. Dit handelskapitalisme ontstond in de Late Middeleeuwen (rond 1400).
Industrieel kapitalisme
Onder industrieel kapitalisme verstaan we de latere vorm van kapitalisme, waarbij de winst door middel van de industrie gemaakt wordt. De belangrijkste werkgevers waren de fabriekanten die in fabrieken producten lieten maken. Deze ontwikkeling deed zich voor vanaf het einde van de 18e eeuw.
De meeste bedrijven worden naamloze vennootschappen (NV)
Tot omstreeks 1870 waren de meeste ondernemingen nog in handen van één eigenaar. Dat veranderde door de groei van het aantal NV's . In een NV (Naamloze vennootschap) bezitten mensen gezamenlijk een bedrijf door een of meer aandelen in dat bedrijf te kopen.
De VOC, opgericht in 1602, was daar één van de oudste voorbeelden van.
Een NV kwam aan voldoende geld door aandelen te verkopen aan mensen die hun geld wilden beleggen. Ieder die een aandeel kocht, werd mede-eigenaar van de onderneming. Zo'n onderneming werd niet door een persoon bestuurd, maar door een raad van beheer. De aandeelhouders kregen jaarlijks een deel van de winst.
Grootindustriëlen kregen enorme invloed
Ook na 1870 bleven er grootondernemers aan het hoofd staan van groot industrieën. enkele voorbeelden In Nederland Frits Philips, in Duitsland Alfred Krupp en in de VS John D. Rockefeller en William Randolph Hearst.
De groot - industriëlen kregen grote invloed op de samenleving. vooral ook omdat ze de prijzen van hun producten zelf vast konden stellen. Ze beïnvloeden ook verkiezingen, kochten kranten waardoor die schreven wat de groot - industriëlen wilden.
3.4 Grote veranderingen in de gelaagdheid van de samenleving
Rond 1800 was de bevolking in West Europa in drie lagen verdeeld:
- Een kleine bovenlaag van zeer rijke mensen, de bourgeoisie en de adel.
- Een kleine middenlaag van mensen met enig bezit, de kleine burgerij.
- De onderste laag van arme boeren, landarbeiders en arbeiders in de steden.
Opkomst van de fabrikanten
Zij werden de belangrijkste groep van de bovenlaag.
Minder landarbeiders, meer fabrieksarbeiders
Door de opkomst van de industrie konden de landarbeiders en zij die afkomstig waren van de huisnijverheid naar de industrie.
Sterke uitbreiding van het personeel in de dienstensector
Personeel in de dienstensector nam sterk toe. De mensen in de dienstensector 'maken' niets. Zij verrichten diensten voor andere mensen. Het zijn mensen als doktoren, verpleegsters, leraren, ambtenaren.
Sterke uitbreiding van de middelste laag van de bevolking
Er kwamen steeds meer arbeiders werken in de fabrieken die steeds groter werden. Fabrikanten konden het werk nu niet meer alleen af. Men nam toen mensen in dienst die meer verdienden dan de arbeiders, maar minder dan de rijke bovenlaag. Ook in de dienstensector nam het aantal beter betaalde werknemers toe.
Grotere mogelijkheden om van de ene laag in de andere laag terecht te komen
Tijdens de Industriële revolutie kwamen er veel nieuwe beroepen bij. De indeling van de samenleving in bevolkingslagen werd minder duidelijk. Het ging nu niet meer om afkomst en bezit, maar ook om wat men presteerde. Men begon arbeiders en werknemers naar prestatie te belonen. Veel hardwerkende mensen uit de benedenlaag slaagden erin zich op te werken naar de middenlaag. Omgekeerd kon het nu ook. Men maakte veel meer kans dan vroeger om in een lagere bevolkingsgroep terecht te komen.
3.5 Conflicten tussen kapitaal en arbeid
Werkgevers en arbeiders raken dikwijls met elkaar in conflict
De werkgevers belegden geld in fabrieken. Dat geld wilden zij met zoveel mogelijk winst terugkrijgen. Maar de arbeiders wilden zij een zo laag mogelijk loon betalen en ze kochten grondstoffen zo goedkoop mogelijk in. de producten die ze lieten maken verkochten ze met een zo groot mogelijke winst.
De lonen van de arbeiders gingen wel iets omhoog, maar bleven laag. De arbeiders en de vrouwen uit alle lagen van de bevolking hadden geen kiesrecht waardoor de kloof tussen de benedenlaag en de rest van de bevolking steeds groter werd.
De arbeiders werkten alleen voor hun loon en hadden weinig plezier in hun werk. De meeste arbeiders hadden weinig of geen opleiding gehad. Voor hen was alleen een zo hoog mogelijk loon belangrijk.
De arbeiders hadden dus zowel in de politiek als in het bedrijf waar ze werkten niets te vertellen waardoor werkgevers en arbeiders tegenover elkaar kwamen te staan.
Regeringen brengen verandering aan, maar langzaam en weinig
Regeringen bemoeiden zich weinig met de industrialisatie en de daaruit voortkomende problemen. En als een regering moest kiezen dan steunde men de fabrikanten door bijvoorbeeld een staking te verbieden.
Deze houding van de regering had twee oorzaken:
- De mensen die in de regering zaten kwamen vaak uit dezelfde bovenlaag als de fabrikanten.
- De bovenlaag meende dat de regering de economie moest laten regelen door de fabrikanten. Armoede in de samenleving vond de bovenlaag normaal. Arme mensen moesten door liefdadigheid worden geholpen.
Van verschillende kanten kwam er verzet tegen de nadelige kanten van de industrialisatie:
- Arbeiders richtten vakverenigingen en politieke partijen op.
- Sommige politici deden hun best het lot van de arbeiders te verbeteren.
- Paus Leo XIII schreef in zijn encycliek Rerum Novarum ("Van nieuwe dingen") over de fouten van het industriële kapitalisme.
- Schrijvers als de Engelsman Charles Dickens en de Fransman Emile Zola beschreven de mensonterende omstandigheden in de fabrieken en woningen van de arbeiders.
- Kunstenaars namen het in hu kunstwerken op voor de arbeiders.
De regeringen waren echter langzaam met het nemen van maatregelen. In de meeste West-Europese landen werd pas vanaf 1900 een begin gemaakt met de invoering van sociale wetten. Eerst werden wetten aangenomen die de kinderarbeid beperkten daarna wetten voor de verbetering van de gezondheidszorg, onderwijs voor de jeugd, ziektegeld, betaalde vakantie en uitkeringen in geval van werkeloosheid.
Arbeiders gaan zich organiseren in vakverenigingen en politieke partijen
De eerste sociale wetten losten niet alle problemen op. Arbeiders en anderen besloten daarom zelf voor de belangen van de arbeiders op te komen. Zij richtten vakverenigingen op om zo het lot van de arbeiders te verbeteren. Deze vakverenigingen werden eerst door de regeringen verboden.
Aan het einde van de 19e eeuw werden de wetten tegen de vakverenigingen in enige West-Europese staten ingetrokken en mocht men weer stakingen organiseren. Staken is het weigeren te werken om een bepaalde eis af te dwingen.
In het begin weigerden de werkgevers met de vakverenigingen te onderhandelen maar tenslotte zagen ook de werkgevers in dat ze niet langer om de vakverenigingen heen konden. Voortaan sloot men overeenkomsten voor een bepaalde periode. Zo'n overeenkomst wordt een CAO (collectieve arbeidsovereenkomst) genoemd.
Sommige arbeiders vonden vakverenigingen niet voldoende. Zij wilden ook invloed kunnen uitoefenen op het bestuur van een land en besloten politieke partijen op te richten. Zij streefden naar een nieuwe en rechtvaardige samenleving.
3.6 Een massapers ontstaat
Er waren al vanaf de 17e eeuw kranten maar alleen de bovenlaag kon lezen en verdiende genoeg om ze te kunnen betalen. In de 19e eeuw gingen de kranten ook naast nieuws ook meningen geven over politiek of economie. Deze kranten behoorden tot de opiniepers.
Allerlei uitvindingen maakten de krant goedkoper hoewel veel regeringen door belasting te heffen op papier en advertenties er voor zorgden dat kranten voor de meeste mensen toch te duur waren. Door meer en beter onderwijs en door het afschaffen van de belastingen konden meer mensen een krant lezen.
Naast de opiniepers ontstond een nieuw soort kranten de populaire pers. Met andere woorden nieuws doorgeven werd ook nieuws maken.
3.7 Het socialisme
Wat is socialisme ?
Sommigen vonden dat het kapitalisme vervangen moest worden door het socialisme. Dat was een stroming die vooral gelijkheid belangrijk vond. En die wilde dat alle productiemiddelen in handen van alle mensen kwamen. Met productiemiddelen bedoelde men: alles wat nodig was om te kunnen produceren.
Wat was daar dan voor nodig?
Fabrieken, machines, maar ook grondstoffen als ijzererts of katoen. Om de machines te laten werken was er bovendien steenkool of olie nodig. En om dat alles aan te schaffen was er veel kaptaal(geld) nodig. Los daarvan waren er nog landbouwproducten waarvoor men grond en landbouwwerktuigen nodig had.
Marxisme en de geschiedenis
Het Marxisme is genoemd naar de man die het heeft bedacht: Karl Marx (1818-1883). Marx bestudeerde de geschiedenis van allerlei landen en volken. Hij constateerde dat overal en altijd een bepaalde bevolkingsgroep de productiemiddelen in handen had en dat die groep ook de macht had in de samenleving(economische verhoudingen bepalen de samenleving). De hele geschiedenis door bepaalde het bezit de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen(historisch materialisme).
Marx noemde de groep die de productiemiddelen bezat de heersende klasse en die liet de rest van de bevolking voor zich werken. Die noemde hij de onderdrukte klasse. Vaak was er in de loop van de geschiedenis een strijd tussen deze twee klassen de klassenstrijd.
Het tweede belangrijkste uitgangspunt van Marx was: als de economische verhoudingen veranderen, ontstaat er een klassenstrijd en komt er een nieuwe samenleving.
Daarom omschreef Marx het kapitalisme als het economische systeem waarbij de productiemiddelen in handen zijn van de bourgeoisie en waarbij de arbeiders de onderdrukte klasse(het proletariaat) vormen. Marx boek heet dan ook:'Das Kapital'.
Het marxisme en de toekomst
Marx voorspelde een klassenstrijd tussen de bourgeoisie en het proletariaat.
- Er zullen steeds minder kapitalisten komen(concentratie) die steeds rijker worden(cumulatie).
- De arbeiders zullen het steeds slechter krijgen(verehlendung).
- Dat zal dan uitlopen op een revolutie die de arbeiders zullen winnen.
- De productiemiddelen zullen dan in handen komen van alle mensen(de gemeenschap).
- Er ontstaat een nieuwe samenleving: de communistische.
- Het proletariaat moet in die communistische samenleving eerst een dictatuur vestigen om de tegenstanders her op te voeden.
- Uiteindelijk ontstaat dan een klasseloze samenleving waarin een ieder krijgt wat hij nodig heeft.
'Het Communistisch Manifest'
Marx noemde zijn leer zelf niet marxisme, maar communisme. In 1848 schreef hij samen met zijn vriend Friederich Engels een pamflet met als titel 'Het Communistisch Manifest'.
Daarin schreef hij dat de communistische revolutie tegelijk over de hele wereld zou kunnen gebeuren. Maar dan moesten de arbeiders zich wel internationaal organiseren.
De marxisten vallen uiteen in socialisten en communisten
Alle marxistische partijen in Europa dachten dat het zo zou gaan als Marx voorspeld had. Het liep echter anders.
Het belangrijkste idee dat niet uit kwam was dat het kapitalisme zelf zijn eigen ondergang zou veroorzaken. De arbeiders kregen het langzamerhand iets beter in plaats van slechter. Tegen het einde van de 19e zagen de marxisten twee mogelijkheden:
- De eerste mogelijkheid was gebruik te maken van de democratie door de meerderheid proberen te halen in het parlement. Deze verandering in de leer van Marx wordt revisionisme(herziening) genoemd. Evolutie(langzame verandering) in plaats van revolutie. De aanhangers worden socialisten genoemd. In Nederland heette hun partij Sociaal - Democratische Arbeiders Partij(SDAP in 1894 opgericht). Na de 2e wereldoorlog PvdA.
- De tweede mogelijkheid was een revolutie organiseren. Dat moest natuurlijk in het geheim gebeuren. De marxisten zouden de regering afzetten en het socialisme invoeren. Slechts een kleine minderheid van de marxisten koos voor deze tweede mogelijkheid. In Rusland wist die minderheid, onder leiding van Lenin door een revolutie de macht in handen te krijgen. Zij gingen hun partij communistische partij noemen en de leer van hun partij marxisme-leninisme .

De invloed van het marxisme
De voorspellingen van Marx zijn niet uitgekomen. Toch heeft zijn leer grote invloed gehad:
- Na de tweede wereldoorlog bracht de communistische Sovjet-Unie in oost -Europa communistische regeringen aan de macht. Ook in China, Noord-Korea, Cambodja, Viëtnam, Cuba en enkele Afrikaanse landen kwamen communisten aan de macht.


- In veel Europese landen kregen socialistische partijen en socialistische vakbonden grote invloed. Er werden dan ook veel hervormingen doorgevoerd.
3.8 Het Conservatisme
In 1815 kwamen de overwinnende volken bijeen in Wenen, waar het Wener Congres werd gehouden (1814 - 1815), om over de toekomst van Europa te beslissen. De vorsten besloten de oude toestand van vóór de Franse Revolutie grotendeels te herstellen.

Maar de meeste vorsten werden geen absolute vorsten meer. Zij moesten zich houden aan de constitutie(grondwet) en waren dus constitutionele vorsten.
Veel mensen hadden kritiek op de Franse Revolutie en er ontstond een stroming die wilde voorkomen dat zoiets nog eens zou gebeuren: het conservatisme. Conservatisme is het proberen om veranderingen langzaam en voorzichtig door te voeren. Zodat alles wat van waarde is, bewaard blijft. de aanhangers van deze ideeën werden conservatieven genoemd('conserveren' betekent 'bewaren').
Belangrijke conservatieve ideeën:
- De mensen hebben zowel het goede als het kwade in zich.
- De overheid moet het algemeen belang beschermen.
- Als de benedenlaag in armoede leeft, dan moet de overheid te hulp komen.
- Kiesrecht moet er alleen zijn voor de bovenlaag.
- Het is gewoon dat de mensen ongelijk zijn en dat de inkomens van de mensen verschillen.
- Het is goed dat de samenleving verdeeld is in bevolkingslagen.
- Grote en snelle veranderingen zijn verkeerd.
3.9 Het Liberalisme
Er waren mensen die de ideeën van de Verlichters wel goed vonden. Maar er waren tijdens de Franse Revolutie fouten gemaakt. Maar dat wilde niet zeggen dat de ideeën op zichzelf verkeerd waren: ze waren alleen niet goed uitgevoerd. Ze waren het dus niet eens met de besluiten van het Congres van Wenen. Ze wilden vooral meer macht en vrijheden voor de burgers. Onder hen waren veel rijke burgers.
Het liberalisme werd in de loop van de 19e eeuw de belangrijkste stroming. Liberalisme is het streven naar vrijheid voor het individu op alle gebieden. De overheid moest zich dus zo weinig mogelijk met de burgers bemoeien. De aanhangers worden liberalen genoemd.
Belangrijkste liberale ideeën:
1) De overheid moet maar weinig, beperken tot vier, taken hebben:
- De burgers beschermen tegen buitenlandse vijanden.
- Zorg voor rust en veiligheid in het land.
- Openbare werken uitvoeren.
- Zorgen voor de rechten van de mens
2) Politieke vrijheid voor steeds meer mensen:
- De organisatie van de staat en de rechten van de mens moeten in een grondwet worden vastgelegd.
- Niet een koning maar een parlement moet de macht hebben.
- De burgers moeten dat parlement kunnen kiezen.
3) Grote economische vrijheid:
- Vrijheid van handel, productie en arbeid.
- Afschaffen beperkende regels.
- Verschillen in inkomsten zijn normaal want als iedereen even veel verdient, doen mensen hun best niet meer
4) Volledige vrijheid van godsdienst:
- De staat mag zich niet met de godsdienst bemoeien.
- Een scheiding tussen Kerk en Staat.
5) Ook vrijheid op elk ander gebied:
- Vrijheid van Onderwijs.
- Vrijheid van meningsuiting.
- Onderzoekers moeten kunnen onderzoeken wat zij willen.
- Persoonlijke vrijheid voor iedereen, dus afschaffing van slavernij.
Liberalisme en democratie
Democratie houdt ook in dat alle burgers, door het kiesrecht, invloed hebben op het bestuur van het land. In theorie waren de liberalen het daarmee eens. Maar het werkte in de praktijk niet omdat de liberalen vonden dat alleen mensen die verstand van politiek hadden, kiesrecht moesten krijgen. Het was echter onmogelijk te bepalen wie dan wel verstand had van politiek. Daarom vonden de meeste liberalen dat iemands schoolopleiding de doorslag moest geven of iemand kiesrecht kreeg. Algemeen kiesrecht kwam er echter pas in 1917 voor mannen en 1919 voor vrouwen in ons land.
De invloed van het liberalisme
In de loop van de 19e eeuw slaagden de liberalen erin de staatsvorm volgens hun ideeën te veranderen. In België in 1830 en in Nederland in 1848. In de grondwetten van de tegenwoordige democratische landen kun je veel liberale ideeën terugvinden.
3.10 Feminisme: vrouwen strijden voor gelijke rechten
Ontstaan van het feminisme
Tot rond 1900 hadden de vrouwen op veel gebieden van hun leven weinig in te brengen. de meeste mannen vonden vrouwen weinig intelligent, maar uitstekend geschikt om het huishouden en eenvoudig fabriekswerk te doen.
Vrouwen kregen vooral ongeschoold werk en lagere functies. Voor het huishouden en lagere functies hoefde je weinig te leren dus was de basisschool genoeg. De mannen vreesden dat de gezinnen uit elkaar zouden vallen, als men de vrouwen gelijke rechten zou geven.
Waar haalden mannen het recht vandaan vrouwen geen gelijke kansen te geven?
Dat vroegen steeds meer vrouwen zich af en besloten te gaan strijden voor gelijke rechten. Zo ontstond het feminisme als stroming. De aanhangers zijn feministen. Femina betekent vrouw.
Belangrijkste feministische ideeën:
- Gelijke rechten in het gezin.
- Voor meisjes dezelfde mogelijkheden voor onderwijs als voor jongens.
- Voor vrouwen dezelfde beroepen als voor mannen.
- Voor vrouwen hetzelfde loon als mannen voor hetzelfde werk.
- Kiesrecht ook voor vrouwen.
Had het feminisme succes?
Er kwam een langzame vooruitgang. In de meeste West-Europese landen zijn wetten gekomen die het toestonden dat vrouwen bezit hadden(in Nederland in 1956). Ook werd overal kiesrecht voor vrouwen ingevoerd. Vanaf de jaren '60 in de twintigste eeuw werd het normaal dat vrouwen studeerden. Hoewel veel vrouwen hetzelfde werk doen als mannen worden ze nog vaak niet hetzelfde beloond.
3.11 Het Nationalisme
Wat is nationalisme?
In het begin van de 19e eeuw groeide in Europa het nationalisme sterk, doordat Napoleon veel landen veroverde en overheerste.
Een nationale staat is een staat waarin de mensen zich saamhorig voelen. En zich anders voelen dan in andere staten. Met nationalisme wordt bedoeld het gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen, of willen vormen. Dit gevoel van saamhorigheid kan ontstaan als zo'n volk veel overeenkomsten heeft. Bijvoorbeeld dezelfde taal, godsdienst, dezelfde belangen en ervaringen. Aanhangers zijn nationalisten. Met chauvinisme bedoelen we een overdreven liefde voor het eigen volk. Uit chauvinisme ontstond vaak haat tegen andere volken of etnische groepen met als gevolg oorlogen en moordpartijen.
Belangrijke nationalistische ideeën:
- Het zelfbeschikkingsrecht. Ieder volk moet het recht hebben een eigen staat te kunnen vormen. Het Congres van Wenen had de staten ingedeeld zoals de vorsten het wilden en niet zoals de volken (zie de kaart van Europa 1815 in 3.8).
- De volkssoevereiniteit. De nationalisten vonden ook dat ieder volk het recht had zijn eigen bestuur te kiezen.
- Staatsnationalisme. Hiermee wordt het streven van staten bedoeld om een nationaal gevoel bij de bevolking van hun staat tot stand te brengen. Bijvoorbeeld door één taal verplicht te stellen of een bepaalde kijk op de geschiedenis in het geschiedenisonderwijs.
3.12 Het Imperialisme
Wat is Imperialisme?
De ontdekkingsreizen en hun gevolgen wordt wel eens de eerste fase van de kolonisatie of kolonialisme genoemd. Daarmee wordt bedoeld het streven van Europese landen om in andere werelddelen gebieden te veroveren.
In de tweede helft van de 19e eeuw begon de tweede fase van het West-Europese kolonialisme, meestal imperialisme genoemd. Een imperium is een groot rijk dat is ontstaan door andere volken te onderwerpen.. Met imperialisme wordt bedoeld: het streven van een staat om een groot rijk op te bouwen door al het land van andere volken te veroveren. In korte tijd werden grote delen van Azië en bijna geheel Afrika tot koloniën van Europese staten gemaakt.
Zie bijvoorbeeld Afrika in het begin van de twintigste eeuw.

Belangrijke redenen voor het imperialisme
- Het zoeken naar grondstoffen.
- Het zoeken naar afzetgebieden.
- Het verkrijgen van macht.
- Vooruitgang brengen in de wereld.
Toevallige omstandigheden
Het kwam echter ook wel eens voor dat door toevallige omstandigheden





