SV deel 3 Havo/VWO Hoofdstuk 4
Samenvatting H4 SV deel 3 Havo/Vwo
Nederland, Verzuild en Verzorgd
Nederland verzuilt
Het ontstaan van de verzuiling
Verschillende groepen voelden zich achtergesteld
1) De Katholieken waren in de tijd van de Republiek als tweederangs burgers behandeld. Vanaf de Franse Tijd was hun godsdienst in de grondwet gelijkgesteld aan de protestantse. Maar in de praktijk was die gelijkheid er volgens de katholieken nog niet.
2) Ook de orthodox protestanten voelden zich achtergesteld. Zij hielden, anders dan een meerderheid onder de protestanten, vast aan de letterlijke tekst van de Bijbel. In de 19e eeuw vonden de meeste protestanten dat de Bijbel moest worden uitgelegd volgens uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. Zij werden vrijzinnigen genoemd.
Achtergestelde groepen gaan zich organiseren om hun doel te bereiken
Orthodoxe protestanten en katholieken wilden bijvoorbeeld het recht krijgen zelf scholen te mogen oprichten met financiële steun van de overheid.
De socialisten wilden algemeen kiesrecht.
Om hun doel te bereiken gingen katholieken, protestanten en socialisten aan het einde van de 19e eeuw allerlei organisaties oprichten: politieke partijen, kranten, schoolverenigingen en vakverenigingen. Daarmee begon de verzuiling.
In 1917 werd het bijzonder onderwijs gelijkgesteld met het openbaar onderwijs. De liberalen en socialisten stemden daarmee in omdat de confessionele partijen in ruil daarvoor wilden instemmen met algemeen kiesrecht. In 1917 voor mannen in 19919 voor vrouwen.
De verzuiling neemt vanaf de jaren '20 in de twintigste eeuw sterk toe
De subsidiëring van het confessionele onderwijs en het kiesrecht maakte geen einde aan de verzuiling. Integendeel, op steeds meer gebieden ging men zich afzonderlijk organiseren. het katholiek of protestants zijn bleek daarbij zwaarder te wegen dan de bevolkingslaag waartoe men behoorde. De meeste mensen in de socialistische zuil behoorden tot de benedenlaag van de bevolking. Het merendeel van de neutrale zuil behoorde tot de midden- en bovenlaag van de bevolking.

Bron: Europa-digital.
De katholieke zuil was meer een afgesloten eenheid dan de andere zuilen. De socialistische zuil was minder afgesloten dan de confessionele zuilen. De protestanten in Nederland waren verdeeld. de kern van de protestantse zuil werd gevormd door de gereformeerden en een deel van de hervormden. De neutrale zuil bestond uit mensen die tegen de verzuiling waren en noodgedwongen een zuil vormden.
Waarom nam de verzuiling sterk toe?
Het succes in de schoolstrijd bracht katholieken ertoe ook op andere gebieden naar gelijkheid te streven door zich af te zonderen.
De socialisten wilden meer bereiken dan het algemeen kiesrecht. Bijvoorbeeld meer gelijkheid op het gebied van inkomens.
De protestanten zonderden zich in eigen organisaties af, omdat ze zich bedreigd voelden door liberalen, socialisten en katholieken.
De zuilen onder elkaar
Sinds 1919 was Nederland een parlementaire democratie, maar de zuilen wantrouwden elkaars democratische gevoelens. Iedereen was bang dat een andere zuil de meerderheid in het parlement zou halen. De heersende zuil zou dan de eigen ideeën aan iedereen gaan voorschrijven.
Katholieken over anderen en anderen over katholieken
De katholieken hadden een afkeer van de protestanten, omdat die zich van de moederkerk(katholieke kerk) hadden afgescheiden en hen eeuwenlang als tweederangs burgers hadden behandeld. De katholieke zuil werd extra gewantrouwd, omdat deze vanuit Rome(de paus) werd geleid.
Protestanten over anderen en anderen over protestanten
Protestanten keurden veel in het katholieke geloof af. Katholieken hadden een gemakkelijk leven omdat de zonden in de biecht immers werden vergeven. Ook de pracht en praal, de processies en carnaval keurde men af. De heiligenverering werd als afgoderij beschouwd. In gemeenten waar de protestantse zuil in de meerderheid was werd de zondagsrust streng gehandhaafd.
Socialisten over anderen en anderen over socialisten
De socialisten hadden een afkeer van overige zuilen. De anderen lieten zich een rad voor de ogen draaien door hun geestelijken en de protestantse en katholieke gegoede burgerij. de overige zuilen zagen de socialisten als een groot gevaar. Deze wilden een einde maken aan het christelijk geloof, de monarchie en de vrijheid van de ondernemers.
Neutralen over anderen en anderen over de neutralen
Door protestanten en katholieken werden de neutralen ook als een gevaar gezien. Zij wilden namelijk politiek en godsdienst van elkaar scheiden. De neutralen beschouwden zich als het 'denkende deel der natie'. Ze verweten de andere zuilen dat ze zelf niet dachten, maar kritiekloos hun leiders volgden. ook keurden ze de 'hokjesgeest' en de onverdraagzaamheid van andere zuilen af. Ze vonden dat de andere zuilen de nationale eenheid bedreigden.
.nl4.2 Deels ontzuiling, maar ook nieuwe verzuiling
Deels ontzuiling vanaf de jaren 60 in de twintigste eeuw
De verzuilde organisaties zagen hun aanhang dalen. Voorbeelden voor die ontzuiling zijn:
De confessionele partijen(vooral de KVP) verloren kiezers. er ontstonden nieuwe partijen zoals D '66 en de PPR.
De drie grote partijen van de katholieke en de protestantse zuil (KVP,ARP en CHU) gingen op in één nieuwe partij: het Christen Democratisch Appèl(CDA).
Het protestantse weekblad De Spiegel en het weekblad Katholieke Illustratie verdwenen. De Volkskrant wilde geen katholieke krant meer zijn.
De oude omroepen kregen concurrentie van nieuwe zoals de TROS en Veronica, die tot geen zuil behoorden. Later kwamen daar nog RTL 4,5, en 7, net 5, SBS 6, BNN en 10 bij.
In het confessionele onderwijs werden ook niet-confessionele als docent toegelaten.
De socialistische en katholieke vakbeweging(NVV en NKV) gingen samen de Federatie Nederlandse Vakbeweging(FNV) vormen.
De katholieke en Protestantse werkgeversorganisaties vormden het Christelijk werkgeversverbond(NCW) en fuseerden later met het Verbond van Nederlandse Ondernemingen(VNO) tot VNO-NCW.
Maar op veel gebieden is er nog steeds verzuiling
Er bestaan nog steeds confessionele, socialistische en liberale partijen.
De verzuilde omroepen bestaan nog steeds. er kam er zelfs een bij. de Evangelische Omroep(EO).
Er kwam een nieuwe zuil op de islamitische.
Het hele onderwijs is nog steeds verzuild en wordt de laatste jaren met islamitische scholen uitgebreid.
Ook de zieken- en bejaardenzorg is nog steeds verzuild

Bron: Europa-digital.
Oorzaken van de gedeeltelijke ontzuiling
Toenadering tussen socialisten en confessionelen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden socialisten en confessionelen elkaar leren waarderen. De socialisten keerden zich na de Tweede Wereldoorlog niet meer tegen de Kerk. De SDAP werd veranderd in PvdA die een 'doorbraakpartij' wilde zijn. In de periode 1946-1958 werkten de socialisten en confessionelen samen in de regering (rooms-rode coalities).
Kerkelijke leiders tegen isolement in eigen kring
De bisschoppen spraken zich in 1954 uit tegen het ' ísolement in eigen kring' (geen contact hebben met mensen van andere zuilen) en de Hervormde Kerk deed dat in 1955. Maar de kerkelijke leiders wilden niet dat ieder nu zijn eigen zuil ging verlaten. Ze riepen alleen maar op tot samenwerking.
Minder invloed van Kerken
Bij de katholieken liep het kerkbezoek in de jaren '70 van de vorige eeuw met de helft terug. Wel bleven de meeste mensen lid van de Kerk. Een groeiend aantal mensen vond dat politiek en godsdienst los van elkaar moesten staan. Veel katholieken waren 'mondig' geworden. Zij verwierpen bijvoorbeeld de strenge seksuele moraal die onder andere het gebruik van voorbehoedmiddelen verbood. Tussen De Paus en de Nederlandse Katholieke kerkprovincie ontstonden problemen en de conservatieven slaagden erin conservatieve bisschoppen in Nederland benoemd te krijgen. Maar de veranderingen bleken niet meer terug te dringen. De meeste katholieken onderscheiden zich in hun leefwijze niet meer met de overige Nederlanders.
4.3 Vanaf de jaren '60 in de twintigste eeuw komt er een einde aan de politieke rust
Geen enkele van de politieke partijen heeft ooit een meerderheid behaald. Er moesten dus altijd twee of meer partijen samenwerken om een kabinet te vormen, dat een meerderheid in het parlement had.
Hoe konden groeperingen die zo van elkaar verschilden, in de politiek toch met elkaar samenwerken?
Dat kwam vooral door twee bijzondere kenmerken van de parlementaire democratie in ons land in de periode 1917-1967:
Trouw aan en respect voor de leiders van de eigen zuil;
Samenwerking tussen de leiders van de zuilen.
Trouw aan en respect voor de leiders van de eigen zuil
In de jaren zestig werd een mentaliteitsverandering zichtbaar in de Nederlandse samenleving. de mondigheid van mensen kwam tot uiting in het feit dat ze hun leiders eisen gingen stellen. Deze moesten verantwoording afleggen voor hun beleid. Men wilde meer inspraak. Ook stemden steeds meer kiezers niet meer automatisch op dezelfde partij. Dit noemt men 'zwevende kiezers'. Vooral de leider van de partij kreeg steeds meer kritiek dat leidde tot het sneller vervangen van politieke leiders.
Ook de houding van de media tegenover de politieke leiders verandert.
De eerbiedige benadering van politici veranderde. Een nieuwe generatie journalisten wilde liever zelf nieuws maken en daarbij benaderde men politieke leiders kritischer
TV wordt het belangrijkst
Door de opkomst van de TV veranderde ook de manier waarop politiek naar de massa kwam. TV journalisten en politici hadden elkaar nodig waarbij de journalisten bepaalden wie er werd uitgenodigd in hun programma en de journalisten bepaalden wat er aan de orde kwam.
Politieke partijen verliezen aanhang, maar belangen- en actiegroepen komen op
Dat kwam door de gedeeltelijke ontzuiling en de kritische benadering. Honderdduizenden mensen demonstreerden bijvoorbeeld tegen de plaatsing van kernraketten.
Belangengroepen
Er zijn verschillen tussen belangengroepen en politieke partijen.
Belangengroepen:
Zijn niet bereid mee te doen aan het besturen van het land;
Komen meestal op voor een bepaald belang.
Er zijn verschillende soorten belangengroepen:
Van mensen die in de samenleving dezelfde plaats hebben. Denk b.v. aan middenstanders of boeren.
Van mensen die van elkaar verschillen, maar samen een bepaald ideaal of belang hebben b.v. milieuverenigingen of patiënten verenigingen.
Internationale ondernemingen.
Actiegroepen
Belangengroepen die voor één keer worden gevormd, worden actiegroepen genoemd. deze willen meestal de uitvoering van één bepaald besluit verhinderen. Denk b.v. aan de aanleg van een snelweg. Wilde acties vinden plaats als groepen zich sterk bedreigd voelen. En als ze geen vertrouwen hebben in de bestaande politieke partijen, vakbonden en belangengroepen.
4.4 Werkgevers, werknemers en de overheid
Harmoniemodel tegenover conflictmodel
Uit eigenbelang stonden werkgevers en werknemers altijd zoveel mogelijk tegenover elkaar. de overheid bemoeide zich er weinig mee. Dus werden de conflicten soms hard uitgevochten. Wel probeerde de overheid door sociale wetgeving conflicten te voorkomen.
De vakbonden waren verdeeld. De protestantse en katholieke vakbonden probeerden de positie van de arbeiders te verbeteren door te onderhandelen. Dit werd later het harmoniemodel genoemd. De socialistische vakbonden voerden 'klassenstrijd' tegen de werkgevers door te staken. Dit werd later het conflictmodel genoemd. Na de Tweede Wereldoorlog ging de overheid zich veel meer met werkgevers en werknemers bemoeien. De overheid koos voor het harmoniemodel. In 1950 werd de Sociaal-Economische Raad (SER) opgericht. Hierin zitten 15 Kroonleden, 15 werkgeversleden en 15 werknemersleden. In de SER besprak men allerlei sociale vraagstukken en probeerde men overeenstemming te bereiken.
De grootste werkgeversorganisatie is het VNO/NCW, een fusie van het verbond van Nederlandse Ondernemingen en het Christelijk Werkgeversverbond. De grootste vakbond is het FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging) en het Christelijk Nationaal vakverbond (CNV).
Akkoord van Wassenaar leidt tot Poldermodel
Rond 1980 kwamen de vakbonden in problemen. Het ging economisch slecht met Nederland. De leiders van de vakbonden besloten toen alleen door onderhandelingen zoveel mogelijk te bereiken. In 1982 sloten de organisaties van werkgevers en werknemers het Akkoord van Wassenaar. De vakbonden aanvaarden loonmatiging in ruil voor arbeidsduurverkorting en het invoeren van deeltijdbanen. Dat akkoord leidde tot nieuwe betrekkingen tussen werkgevers en werknemers en werd het Poldermodel genoemd. Men ging nu vaak overleggen om de lonen en de prijzen in de hand te houden. Dit verbeterde de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie.
4.5 Uitbreiding en inperking van de verzorgingsstaat
Verzorgingsstaat komt tot stand
Vooral in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw werd de verzorgingsstaat opgebouwd. In een verzorgingsstaat rekent de overheid het tot haar taak de veiligheid, de welvaart en het welzijn van al haar burgers te garanderen. In de jaren ' 50 en' 60 werden een aantal sociale wetten aangenomen. Voorbeelden zijn de AOW(Algemene Ouderdoms Wet) en de AKW(Algemene Kinderbijslag Wet). Aan de opbouw van de verzorgingsstaat deden alle grote politieke partijen mee. De voorstanders van de verzorgingsstaat wilde nooit meer een situatie zoals in de dertiger jaren van de twintigste eeuw.
De Verzorgingsstaat komt in de problemen in de jaren '80
Oorzaken daarvoor waren:
De verzorgingsstaat werd steeds duurder door de toename van het aantal werklozen en arbeidsongeschikten. Meer dan een kwart van de beroepsbevolking zat thuis zonder werk.
Men had bij het ontwerpen van de wetten geen rekening gehouden met misbruik zowel door bedrijven, privé personen en de overheid zelf.
Er waren honderdduizenden werkelozen maar ook honderdduizenden vacatures.
Het aantal ouderen(AOW) nam toe maar het aantal jongeren nam af.
De economie ging in de jaren ' 80 achteruit. Veel mensen werden ontslagen en kregen een uitkering.
Kosten waren daardoor opgelopen tot 35,7% van het nationale inkomen.
Politieke partijen waren het oneens hoe men een en ander moest oplossen.
Maar men moest toch maatregelen nemen. De bereidheid om maatregelen te nemen tegen oneigenlijk gebruik van sociale voorzieningen nam toe en leidde tot verlaging van de WAO-uitkeringen en aanpassing van het begrip 'passende arbeid'.
4.6 De komst van migranten
Al eeuwenlang kwamen er migranten naar Nederland. daarvoor hadden ze verschillende redenen. De kleine groepen werden meestal snel in de Nederlandse samenleving opgenomen en ze behoorden tot de Europese cultuur. Daar zou na de Tweede Wereldoorlog verandering in komen.
Migranten in Nederland vóór 1945
Eind 17e eeuw kwamen ongeveer 50.000 protestanten uit Frankrijk naar de Republiek(Nederland). Zij werden Hugenoten genoemd. Zij waren gevlucht omdat protestanten in het katholieke Frankrijk werden vervolg. Zij waren welkom omdat ze als kooplieden en ambachtslui de welvaart bevorderden. In de 17e en 18e eeuw vluchtten ongeveer 25.000 joden wegens de Jodenvervolging naar de Republiek. Zij kwamen uit Portugal een Oost-Europa. Van de 17e tot in de 19e eeuw kwamen ieder jaar Duitse landarbeiders 's zomers in Nederland werken om geld te verdienen. In de 19e eeuw en begin 20ste eeuw emigreerden miljoenen arme Italianen. Naar Nederland kwamen Italiaanse schoorsteenvegers en ijsverkopers. In dezelfde tijd kwamen er ongeveer 2000 Chinezen. Eerst als zeelieden. later gingen ze pinda 's verkopen, daarna openden ze restaurants.
Migranten uit Indonesië
Indische Nederlanders
In Nederlands-Indië(Indonesië) leefden veel Indische Nederlanders, nakomelingen van Nederlandse vaders en Indonesische moeders. Toen Indonesië onafhankelijk werd(1949), kwamen de meeste Indo's naar Nederland. het waren er ongeveer 180.000. de Indo's hadden het in het begin moeilijk in Nederland. Maar zij pastern zich snel aan.
Belangrijke oorzaken daarvan waren:
Zij wilden niet terug naar Indonesië;
Nederland was voor hen(naast Indonesië) een moederland. Ze spraken de Nederlandse taal goed en hadden een goede schoolopleiding gehad. En ze wilden zo snel mogelijk in de Nederlandse samenleving worden opgenomen.
Molukkers

In 1951 werden ongeveer 12.500 Molukkers door de Nederlandse overheid naar Nederland overgebracht. Het waren voormalige KNIL militairen die in dienst van Nederland tegen de Republiek Indonesië hadden gevochten. Ze werden gehuisvest in ' woonoorden' (barakkenkampen) en later in woonwijken. Veel Molukkers wilden hun eigen cultuur behouden, want ze wilden terug naar de Molukken. Ze verwachten hulp van de Nederlandse regering maar die kon hen daarbij niet helpen.
Molukse jongeren gingen in de jaren ' 70 geweld gebruiken om de Nederlandse regering tot hulp te dwingen. Bij hun acties( onder andere twee treinkapingen) kwamen acht gijzelaars en zes treinkapers om het leven. De regering ging niet op hun eisen in. de meeste Molukkers hebben intussen de onbereikbaarheid van dat ideaal ingezien.
Migranten uit Hongarije
Na de Hongaarse opstand in 1956 vluchtten enkele duizenden Hongaren naar Nederland. Zij wilden niet meer leven onder het communisme en waren bang voor vervolging. De Hongaren leerden snel Nederlands en vonden snel een baan.
Migranten uit Marokko en Turkije
In de jaren '50 en '60 breidde de industrie in West-Europa zich enorm uit. Voor het vuile, ongeschoolde, laagbetaalde werk werden arbeiders geworven in landen met grote werkloosheid. Vooral in Turkije en Marokko werden ze geworven. Zo kwamen in de tweede helft van de jaren ' 60 tienduizenden arbeiders uit Turkije en Marokko naar Nederland. ze waren moslim en spraken Turks of Arabisch. Ze zouden slechts tijdelijk in Nederland komen werken. Daarom werden ze 'gastarbeiders' genoemd. Maar de meesten gingen niet terug. Ze lieten ook hun gezinnen naar Nederland komen.
Het aantal Turken en Marokkanen nam nog toe door gezinsvorming. In 2000 woonden 301.000 mensen van Turkse afkomst en 256.000 mensen van Marokkaanse afkomst in Nederland. De meesten voelden zich veel meer verbonden met hun eigen cultuur dan met de Nederlandse.

Anders dan de Indonesische en Surinaamse migranten hadden de meeste Marokkaanse en Turkse migranten weinig of geen onderwijs gehad. Ook anders was dat zij bijna allen afkomstig waren van het platteland.
Migranten uit Suriname en de Antillen
Ruim eenderde van alle Surinamers woont nu in Nederland:ongeveer 300.000. De meesten kwamen vlak vóór of na de onafhankelijkheid van Suriname(1975) naar Nederland uit vrees voor tegenstellingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname. Maar Nederland was ook aantrekkelijk vanwege het veel hogere welvaartspeil.
Er was en is goed onderwijs in Suriname waardoor Surinaamse migranten in Nederland in een vertrouwde omgeving kwamen. Ze vonden werk op alle niveau 's. De Hindoestaanse Surinamers brachten naast de islam ook een andere godsdienst mee: het hindoeïsme.
Het hoge welvaartspeil was ook voor veel Antillianen een reden om naar Nederland te komen. Velen uit die groep hadden alleen lager onderwijs gehad en dat werd niet in het Nederlands gegeven, maar in het Papiaments. Daardoor is hun integratie vel moeilijker dan voor de Surinaamse migranten. Ruim een kwart van de Antillianen(ongeveer 102.000) woont in Nederland. de meest zijn afkomstig van Curacao.
Asielzoekers uit Afrika, Azië en het Midden Oosten
Sinds eind jaren '80 zijn ruim 350.000 asielzoekers naar Nederland gekomen. De meesten kregen echter geen verblijfsvergunning, omdat ze niet wegens vervolging in hun eigen land, maar om economische redenen naar Nederland zijn gekomen. veel afgewezen asielzoekers leven verder illegaal in Nederland.
4.7 Rechtspraak in Nederland
Rechtsregels en rechtsbronnen
Regels zorgen ervoor dat we zonder al te veel problemen met elkaar kunnen samenleven. Sommige regels worden zo belangrijk gevonden, dat de overheid deze schriftelijk heeft vastgelegd. de overheid kan optreden, als deze regels worden overtreden. Dit soort regels wordt rechtsregels genoemd.
Rechtsregels zijn op verschillende plaatsen te vinden. we noemen deze vindplaatsen rechtsbronnen. de rechtsbronnen zijn: wetten, verordeningen, uitspraken van rechters(jurisprudentie), verdragen en gewoonten.
Wetten
Wetten zijn geschreven regelingen van de overheid. de rechtsregels waar we het meest mee te maken hebben, zijn samengebracht in wetboeken. Voorbeelden daarvan zijn het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Strafrecht.
Verordeningen
In veel wetten krijgen Provinciale Staten en gemeenteraden de opdracht om bepaalde zaken in regels verder uit te werken. deze regels worden verordeningen genoemd.
Uitspraken van rechters
Het is onmogelijk om voor elke situatie een pasklare regel op te stellen. de rechters moeten daarom in de wetgeving vastgelegde regels uitleggen. Wetten kunnen ook verouderen. rechters moeten dan een uitleg geven aan zulke wetten. Uitspraken van rechters worden verzameld, gepubliceerd en bij de volgende rechtszaken gebruikt(jurisprudentie genoemd.
Verdragen
Een verdrag is een overeenkomst tussen landen. in een verdrag leggen landen bepaalde rechten en plichten vast. Zo'n verdrag is bijvoorbeeld de Europese Conventie van de Rechten van de Mens uit 1950. Soms staan er rechten en plichten in die alleen voor de overheid gelden. Soms gelden rechten en plichten ook voor de burgers. dat betekent dat iemand in een proces voor de rechter een beroep kan doen op zo'n verdragsregel.
Gewoonten
Toen het recht nog niet voor het hele and in wetten was geregeld, waren gewoonten in de rechtspraak heel belangrijk. Sommige van deze gewoonten bestaan nu nog. de rechter houdt met zulke gewoonten rekening als hij recht moet spreken.
Soorten processen.
In een burgerlijk of civiel proces kunnen twee(of meer)burgers tegenover elkaar komen te staan. Ook de overheid kan tegenover een burger komen te staan in een burgerlijk proces. Dat gebeurt wanneer de overheid als ' burger ' optreedt.
In een strafproces staat iemand die ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd, tegenover de overheid.
In een administratief proces kan een burger proberen een voor hem nadelig besluit van de overheid ongedaan te maken.
Verschillende rechtsgangen
In de burgerlijke rechtspraak en de strafrechtspraak spelen vier rechtbanken een rol: kantongerechten, arrondissementsrechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad. In Nederland wordt in maximaal drie fasen recht gesproken. Wanneer iemand(kan ook het OM zijn) het niet eens is met de uitspraak van een rechter die zijn zaak het eerste heeft behandeld, kan hij zijn probleem voorleggen aan de hogere rechter. Dit wordt ' in hoger beroep gaan' genoemd. Daarna kan men zijn probleem eventueel nog voorleggen aan aan het hoogste rechtscollege, de Hoge Raad. Dit wordt 'beroep in cassatie stellen' genoemd.
De Hoge Raad kan uitspraken van lagere rechters vernietigen(ongedaan maken) als zij in strijd zijn met de wet. De lagere rechter moet dan opnieuw de zaak onderzoeken en een uitspraak doen.
Administratieve rechtspraak en administratief beroep
Administratieve rechtspraak gaat over geschillen tussen burgers en het overheidsbestuur. Met het woord ' administratie ' wordt in de rechtspraak 'bestuur ' bedoeld. Daarom spreekt men ook wel van ' bestuursrechtspraak ' in plaats van administratieve rechtspraak.
Administratief beroep houdt in dat iemand tegen een besluit van een lagere overheid protesteert bij een hogere overheid.
Geschillencommissies
Je hoeft niet in alle gevallen naar een rechter te stappen om te proberen je gelijk te krijgen. Er zijn op sommige gebieden geschillencommissies bijvoorbeeld in consumentenkwesties. Deze commissies geven dan een bindende beslissing.
WOB (Wet Openbaarheid van Bestuur)
In de WOB wordt de toegang van burgers tot informatie bij bestuursorganen geregeld. Wie denkt dat bepaalde informatie door de overheid wordt achtergehouden of wie gewoon meer wil weten dan hij kan vinden in publicaties of op websites, kan een WOB verzoek indienen bij een bestuursorgaan.
Nationale Ombudsman
Als je langs gewone weg heen oplossing voor een conflict met een overheid kunt vinden, kun je een klacht indienen bij de Nationale Ombudsman. hij moet onderzoeken of het overheidsorgaan waarover een klacht bij hem is ingediend, zich behoorlijk heeft gedragen. Hij kan geen maatregelen nemen of straffen opleggen. De Ombudsman wordt voor een periode van zes jaar benoemd door de Tweede Kamer.
Wie is online
We hebben 75 gasten online
De Dood als Machtsmiddel

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.