drs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl 
burcht van Leiden
Van burcht tot Waterlinie
J. A. van Wiechen majoor vsd van de technische dienst
De Stelling van Amsterdam is naar onze vaste overtuiging zó sterk dat zij bij een hardnekkige en doeltreffende verdediging het zó lang moet en kan uithouden, dat geen vijand een zo langdurig beleg tot het einde toe kan volhouden. jhr. G. A. A. Alting von Geusau, Ikol GS, 1913
Sinds geruime tijd doet zich het feit voor dat steeds meer forten bij de Koninklijke landmacht in onbruik geraken en een andere — niet militaire — bestemming krijgen. Hadden de forten reeds sinds de Tweede Wereldoorlog als verdedigingswerk opgehouden te bestaan, ook als opslagplaats van goederen zijn zij steeds minder geschikt, o.a. vanwege de gebreken die zij gaan vertonen en de hoge kosten die aan herstel daarvan zijn verbonden. Bovendien zijn zij ongeschikt voor het transport van goederen met behulp van mechanische overslagmiddelen.
Als gevolg van een en ander zal in de naaste toekomst de periode, waarbij de forten nog voor militaire doeleinden werden gebezigd, vrijwel zijn afgesloten. Daarom is het wellicht interessant nog eens na te gaan hoe deze fortenreeks tot stand is gekomen, en wat de ervaringen zouden zijn geweest indien zij als verdedigingswerk een rol zouden hebben gespeeld, hetgeen echter in Nederland nimmer het geval is geweest.
Reeds uit vroege tijden dateert het versterken van steden en van kleinere woonoorden, nl. burchten of kastelen, die in hun oorsprong versterkte huizen zijn.
Toen op het einde van de Middeleeuwen het gebruik van buskruit in wapens zijn intrede deed, veranderden met de bewapening geleidelijk ook de vormen en constructies van de versterkingen. Oorspronkelijk, voor de invoering van het buskruit, was de verdediging sterker dan de aanval. In de loop van de 14e en 15e eeuw echter slaagde het vuurgeschut erin de hoge muren en torens gemakkelijk in puin te leggen en spoedig bleken ook de zwaardere en lage rondelen, zoals te Maastricht in 1516 zijn aangelegd („Haet en Nijd" en „De vijf Koppen"), niet tegen het aanhoudende gebeuk van het kanon bestand. (Een rondeel is een halfrond, vooruitspringend en ommuurd, massief aarden werk)).
Tevens bleek vóór die torens of rondelen een onbestreken ruimte over te blijven waarbinnen de aanvaller ongehinderd zijn slag kon slaan; er moest dus iets anders op worden gevonden.
Vooral in de lage landen van Europa ging men voor de verdediging aarde toepassen in wallen van voldoende dikte. Dit materiaal immers hield de geschoten kogels tegen, zonder dat daarmee de opgeworpen wal zijn weerstandsvermogen verloor, hetgeen met de stenen muren wel het geval was. Aldus ging men over tot het opwerpen van gebastionneerde versterkingen: in gebruik kwamen de bastions, voorlopig de voornaamste flankeringsorganen van de aarden stads- of vestingwal.
Het gebastionneerde stelsel
Simon Stevin (1548-1620) — de grondlegger van het oud-Nederlandse vestingstelsel, die op aandrang van Prins Maurits aan de Universiteit te Leiden ten behoeve van jonge genieofficieren hoger onderwijs in de vestingbouwkunde heeft gegeven — heeft in zijn in 1594 verschenen boek Sterctenbouwing die ontwikkeling van het bastion uit de Middeleeuwse toren duidelijk aangegeven, hoewel de aarden bastions al eerder werden toegepast. Zo had
Hendrik III van Nassau reeds in 1532 de wallen van Breda laten uitbreiden met enkele aarden bastions. Sedert het begin van de Tachtigjarige Oorlog werden de gebastionneerde versterkingen die uit aarden wallen bestonden in ons land aangelegd door de medestanders van de Prins van Oranje. Zij ontstonden uit economische nood en gebrek aan tijd, maar zij bewezen militair van grote waarde te zijn.
Een belangrijk voordeel daarbij was, dat het niet nodig was bouwmateriaal van elders aan te voeren omdat bij de aanleg gebruik kon worden gemaakt van ter plaatse beschikbare grondstoffen. Kenmerkend voor de militaire kracht van dit Nederlandse vestingstelsel waren de rondom de versterking gegraven natte grachten, die sterke hindernissen vormden.
De vestingbouwkundigen Henrick Ruse (geb. 1624) en Menno van Coehoorn (1641-1704) — de Nederlandse Vauban — ontwikkelden de gebastionneerde fronten verder. Het principe daarbij was een lange face (de face was de naar de aanvaller gekeerde zijde van een uitspringende hoek van een bastion) en een korte flank (de flank was de zijlijn van een lunet, e.d., die ten opzichte van de andere zijden insprong zodat vandaar bestrijkend vuur kon worden afgegeven op die andere zijden; afb. 2).

Afb. 2 : gebastioneerde stelsel, 2: getenailleerde stelsel, 3: polygonale stelsel a courtine, b flank, c face, d keel, e bastion, f terreplein, g tenaille, h frontwal, i caponnière
Aanval en verdediging
Een aanval op een dergelijke schans verliep als volgt (afb. 3).
Afb. 3 Aanval op een gebastioneerde vesting a bresschieten, b demonteren van deze flank met in de rug en het verlengde van deze flank opgestelde vijandelijke artillerie, c aanval door de infanterie
Met behulp van bresbatterijen werd een bres geschoten in een face van een bastion; de andere batterijen, opgesteld in de rug en het verlengde van de dekkende flank, legden vuur op deze flank en aldus werd, zoals dat heette, zo'n flank gedemonteerd. Dientengevolge was de bezetting van de schans vrijwel niet meer in staat van die flank vuur uit te brengen langs de face van het tegenovergelegen bastion. Daarop volgde de aanval van het voetvolk, dat de gracht naderde door middel van sappen, aangelegd uit de zg. loopgraajkatten?( Een sappe was een loopgraaf die voetje voor voetje naar voren werd aangelegd, waarbij men zich veelal dekte door middel van een grote rolkorf. Een loopgraafkat was een trapsgewijs aangelegde helling naar de bovenrand van de loopgraaf om vandaar naar de vijand te kunnen schieten).

Bastion Waldeck te Maastricht
Wanneer het dan zover was dat het bastion zou worden aangevallen, moest eerst de gracht worden voorzien van een zg. fascinendam (een van bundels rijshout vervaardigde dam) van ongeveer vijf meter breed, waarna de aanvaller oprukte tot de kruin van de bres om daar een borstwering (logement) te maken en daarna verder langs de face op te rukkennaar de keel (d.i. de naar de vesting gekeerde achterzijde van bastion, ravelijn of ander buitenwerk). De verdediger liet zich een dergelijke aanval natuurlijk niet zonder meer welgevallen; hij was in staat zo nu en dan tegenmaatregelen te nemen, hetgeen op verschillende manieren kon geschieden.
1. Door een sluizensysteem te maken waarmee het water in de fortgrachten regelbaar werd. Zodra de vijand overstak, liet men dan het water in de gracht doorstromen zodat hij last ondervond van de stroomversnelling. In de regel noodzaakte hem dat, eerst de sluiswerken te veroveren hetgeen tijdverlies betekende.
2. Door het aanleggen van retranchementen (verschansingen) achter de hoofdwal. Daardoor ontstond dus een soort tweede wal, als gevolg waarvan een in de hoofdwal gemaakte bres voor de vijand minder betekenis had zodat hij moest overgaan tot het in bres leggen van de tweede wal alvorens de aanval te kunnen doorzetten.
3. Door het bouwen van muren aan de voet van de wallen om het bresschieten te bemoeilijken.
4. Door het ondermijnen van traversen nabij de hoofdwal.(een travers was een wal niet schuilgang of schuilplaats) Was de vijand erin doorgedrongen en had hij logementen ingericht, dan liet de verdediger op het juiste moment de traversen in de lucht vliegen.
Grachtovergang in 1629

In 1629 belegerde Frederik Hendrik 's-Hertogenbosch. Hij wilde een grachtovergang uitvoeren om de vesting te kunnen veroveren, en bezigde daartoe een zg. gewone galerij. Deze bestond uit jukken van ribhout, van boven en aan de zijden met planken bekleed. Om de jukken te kunnen stellen moest echter een dam worden gemaakt, met welks voortgang het stellen van de houten gebinten gelijke tred hield. De werkers werden bij deze arbeid aan alle zijden door schanskorven, blinden, e.d., gedekt. Ook de planken bekleding van de galerij werd door grond en aardzakken beschut en, tegen een mogelijk in brand steken of schieten, bekleed met verse koehuiden. In de wanden werden schietgaten en openingen voor licht en lucht uitgespaard. Zodra de gehele galerij over het water was voltooid, trachtte men in de wal een bres te slaan door daarin mijnen te laten springen. Hier en daar kwam het echter voor dat de mijnen wel een goede bres sloegen, doch tevens de galerij met aarde deden verstoppen. De stedendwinger zette desondanks door en slaagde erin, volgens de hier beschreven methode over de gracht te komen.
Aanval op Grave in 1674
Op 11 oktober 1674 gelastte de toentertijd 24-jarige Stadhouder Willem III een groot aantal bestormingen op de vesting Grave die in Franse handen was. In de nacht van 11 oktober had de eerste aanval plaats aan de zijde van Cuyk. Tot tienmaal toe werden de eerste logementen en wapenplaatsen genomen en hernomen, totdat zij eindelijk in handen der Staatsen schenen te zullen blijven. De verdedigers hadden zich evenwel goed voorbereid: opeens sprongen de vooraf gelegde mijnovens. Honderdtwintig man werden op slag buiten gevecht gesteld en de logementen werden door de Fransen met de blanke sabel teruggenomen. Nog vijfmaal werd die nacht de aanval herhaald, maar zonder gevolg. De Staatsen verloren 700 man.
De avond van 16 oktober brak aan. De verdediger plaatste op het glacis ( een ter dekking aangelegde glooiende helling vóór de bedekte weg)verscheidene zakken buskruit, met bij elk daarvan drie granaten die met behulp van een leivuur (lont) in de bedekte weg konden worden ontstoken. Toen de nacht was gevallen, rukten de aanvallers op over het glacis om de bedekte weg te bestormen; maar plotseling lieten de Fransen de granaten en het buskruit springen waarna de in verwarring gebrachte aanvallers door de verdedigers konden worden teruggedreven.
Menno van Coehoorn
Prins Willem III van Oranje benoemde Menno van Coehoorn tot Luitenant-generaal en Ingenieur-generaalder Fortificatiën, een benoeming die op 4 november 1695 door de Staten-Generaal werd bekrachtigd. Deze artillerist en veldheer is de grondlegger geweest van het Nieuw-Nederlandse stelsel. Hij heeft, als Oppervestingbouwmeester, tussen 1695 en 1704 vele vestingen „in beter staet van defensie gebragt" De flanken van de bastions werden nu niet langer loodrecht op de courtine — d.i. de hoofdwal tussen twee belendende bolwerken of bastions — aangelegd maar loodrecht op het verlengde van de facen van de tegenovergelegen bastions, om zo de daarvoor liggende grachten beter te kunnen bestrijken.
Verder werden de in Coehoorns tijd gebouwde vestingen voorzien van een belangrijk nieuwtje, te weten de mijnstelsels, bestaande uit ondergrondse, gemetselde galerijen met voorbereide mijnkamers en afgetakte luistergangen ten behoeve van de mijnoorlogvoering. Een goed voorbeeld van een dergelijk mijnstelsel is bewaard gebleven in de Bossche Fronten in Maastricht.

Opmerkelijk is wel dat deze 17e-eeuwse strijdmethode ook nog steeds gangbaar bleek in de Tweede Wereldoorlog, zoals moge blijken uit het volgende citaat uit Tsjoeikovs Stalingrad:
De Duitsers horen al dagenlang spookachtige geluiden. Het is een zacht geschraap en geknars in de bevroren grond. Het lijn de Russen die onderaardse gangen graven naar de Duitse stellingen; gangen van een meter hoog, tachtig centimeter breed en ruim veertig meter lang. Soldaat Tichon Pratjonow hoort duidelijk de stemmen van de Duitsers. Hij maakt deel uit van een groep pioniers van het 8e Russische Gardebataljon van het 62e Russische Leger onder leiding van generaal Vasili Ivanovitsj Tsjoeikov. Dat speelde zich af in 1942, in Stalingrad, waar het 6e Duitse Leger onder Veldmaarschalk von Paulus zijn uitzichtloze strijd voerde.
Het getenailleerde stelsel
Het gebastionneerde stelsel bleek nadelen te hebben. De bastions vormden namelijk een belemmering voor het vuur dat uit de courtines moest worden afgegeven, en de wallen waren even hoog zodat het zicht opzij van de courtine naar de vijand niet mogelijk was.
De Nederlandse generaal Herman Landsberg (1680- 1746) heeft daarom het denkbeeld van het tenaillestelsel geopperd en te boek gesteld in 1712. Aan dat stelsel lag de tenaille, de stomphoekig naar binnen gebroken wal, ten grondslag (afb. 2). Men ging daarbij uit van de gedachte dat de flanken belangrijk waren om de courtines en de facen te verdedigen door middel van bestrijkend vuur, en bovendien vond men dat de bastions van de schansen te klein waren. Daarin resteerde namelijk te weinig ruimte omdat de wallen en traversen te veel ruimte in beslag namen; daarbij kwam dat het bastion via de keel door een vijand te snel kon worden afgegrendeld. Om die redenen werd het bastion in de oude vorm verlaten en ging men de flanken zo lang mogelijk maken, echter ten hoogste 210 meter. Zodoende werden versterkingen gemaakt die uitsluitend uit flanken bestonden en de courtines en facen kwamen daarmee geheel te vervallen: het tenaillesysteem was geboren.
Toen het in praktijk werd gebracht ontdekte men echter ook aan dit stelsel nadelen. De wallen waren namelijk zodanig gelegen dat uit de gehele vesting weinig vuur in één bepaalde richting kon worden afgegeven. Er ontstonden grote onbestreken ruimten en de flanken, die men nu facen ging noemen, konden niet vrij blijven van vijandelijk enfilerend vuur en zelfs vuur in de rug.
Het polygonale stelsel
In de 19e eeuw werd het getenailleerde stelsel dan ook weer verlaten en ging men over op het polygonale stelsel, bestaande uit afzonderlijke forten waarbij als beginsel gold: versterking van de polygonen of veelhoekszijden. De hoofdwal van elk front van het fort bestond uit een rechte of weinig gebroken lijn en de gracht daarvoor werd door een voor het midden liggend werk, de zg. caponnière, geflankeerd (afb. 2).
Men kon uit deze caponnière vuur uitbrengen met kanonnen die in laag gelegen gekazematteerde gebouwen werden geplaatst. Deze caponnières zijn te vergelijken met de muurtorens of de lagere, kleinere stenen bastions, uitspringend voor de stadsommuring, die eveneens van flankerende kazematten waren voorzien. Vanwege deze caponnières noemde men het polygonale stelsel ook wel het caponnièrestelsel.
De fronten van de forten werden dus versterkt en de uitgesproken bastions verdwenen. Door de eenvoudige vorm werd de aanpassing aan het terrein verbeterd en flankerende werken werden in het terrein aangelegd waar men zulks het beste oordeelde.
Dit polygonale stelsel werd tussen 1776 en 1796 reeds uitvoerig beschreven in elf boeken door de Markies van Montalembert (1714-1799). Deze markies nam van Frederik de Grote (1712-1786) het idee over, rondom een vesting een linie of kring van gedetacheerde forten aan te leggen. Zo zijn bijvoorbeeld de fortengordels ontstaan die men voorheen kende als de Stelling Amsterdam en de Stelling Utrecht waarbij dus de eertijdse aaneengesloten vestingwallen waren achterwege gelaten.
Deze fortengordels zijn in de 19e eeuw tot stand gekomen, aanvankelijk onder leiding van luitenantgeneraal C. R. T. baron Krayenhoff. De VestingHolland was geboren. Een fort van zo'n fortengordel vormde een steunpunt in een linie en was omgeven door diepe grachten, ijzerdraadversperringen en andere hindernissen. In zo'n fortengordel kende men verschillende soorten werken, zoals gedetacheerde (afzonderlijke) forten, sperforten, neven- en tussenbat terijen, tussenposten en dijkposten, die onderling waren verbonden per telegraafkabel en verder via water- en verbindingswegen(#).
Het ontstaan van de Hollandse Waterlinie

Oude Hollandse Waterlinie in de 17e en 18e eeuw
Prins Maurits zou reeds hebben gezegd dat de linie langs de Vecht en Vaartsche Rijn, indien bewald zijnde, met tienduizend man tegen de ganse wereld zou kunnen worden verdedigd (afb. 5). Zijn broer Prins Frederik Hendrik knoopte deze woorden in zijn oren en in 1629 werden dan ook ten noorden en oosten van Utrecht versterkingen aangelegd; gebrek aan geldmiddelen leidde echter ertoe dat zij later weer werden gesloopt. Zo werd reeds in 1629 een versterking opgeworpen op het punt waar in 1821 Fort de Klop is aangelegd. Tevens werden in 1629 de vestingwerken van Muiden versterkt.
# Een sperfon is een fort, aangelegd nabij een kunstwerk (spoorweg, waterweg of acces) om dat kunstwerk te kunnenvernielen; maar het diende ook om die vernieling zolang mogelijk uit te stellen. Een nevenbatterij vormde in feite een verlengstuk van het fort. Bewapening, munitie en bediening werden uit het fort aangevoerd. Een tussenbatterij daarentegen was onafhankelijk van een fort. Neven- en tussenbatterijen werden meestal opgeworpen bij bedreiging van een fort. In inundaties waren het ook wel met zwaar geschut bewapende vaartuigen, waardoor dit geschut mobiel was. Een tussenpost was een klein werk ter bescherming van de tussenbatterijen. In inundaties konden het ook vaartuigen zijn met daarop aanwezige infanterie. Een dijkpost is een sperfort in een inundatie, alleen bestemd voor observatie en tot afsluiting van accessen of een inundatiesluis.
In 1672 werd geheel afgezien van de verdediging van Utrecht en in die tijd werd een geïnundeerde linie ingericht langs de lijn Muiden—Woerdens Verlaat—Bodegraven—Schoonhoven. De gebastionneerde versterking Wierickerschans, gebouwd in 1673, maakte daarvan deel uit.
Men noemde deze lijn de „Hollandse Waterlinie". Het door aarden wallen omgeven Muiderslot was in het noorden de belangrijkste positie op de linkervleugel . De vesting Muiden diende daarbij voor het afsluiten van de uit oostelijke en zuidoostelijke richting naar Amsterdam lopende naderingen. Ten zuiden van de Lek liep de linie van Ameide naar de vestingen Gorinchem en Woudrichem en het Slot Loevestein.










