drs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl 

De Vijfde Republiek
Het hedendaagse Frankrijk: een welvarende, goed geleide technocratie
H. Tooren vliet
publicist
Als gevolg van de aanvaarding van de nieuwe grondwet op 28 september 1958, was de zeggenschap van het parlement sterk beknot en waren de bevoegdheden van de president aanzienlijk vergroot. Derhalve kon generaal De Gaulle als president beschikken over veel meer macht dan zijn voorgangers. Dat kwam zijn activiteiten ten goede. Toch ging zijn pad niet steeds over rozen. Vele malen zou ook hij stuiten op verzet en oppositie.
Aan doortastendheid ontbrak het hem allerminst. Voor de meeste problemen had hij zijn specifieke oplossing al pasklaar, en waar dat niet het geval mocht zijn werd er prompt een gemaakt. Bovendien ontpopte premier Debré zich als een voortreffelijk uitvoerder.
De forse devaluatie van de Franse franc, op 27 december 1958, werd een jaar later gevolgd door een volledige geldsanering. Op l januari 1960 was de invoering van de nieuwe, nu harde franc een feit.
In 1959 werd de sinds 1946 bestaande Franse Unie opgeheven en vervangen door de „Franse Gemeenschap op basis van vrijwilligheid". Vrijwel tegelijkertijd verleende Parijs aan Algerije het recht op zelfbeschikking. Desondanks zou de oorlog toch nog enkele jaren voortduren.
Beëindiging van de Frans-Algerijnse Oorlog
De terugroeping van generaal Massu, de gevierde parachutistencommandant, naar Frankrijk waar hij vervolgens zou worden weggepromoveerd als gouverneur van Metz, was een van de oorzaken van het uitbreken van de Barricadenopstand van januari 1960. Deze mislukte echter geheel. Veel gevaarlijker daarentegen was de militaire rebellie van 21 april 1961.
Deze opstand werd aangevoerd door de generaals Salan en Jouhaud, terwijl tevens de generaals Challe en Zeiler een rol van belang vervulden. De talrijke parachutisteneenheden vormden de ruggegraat van de opstand. Het gros van de andere troepen, vooral die waarvan de hoofdmoot bestond uit Franse dienstplichtigen, bleef gezagsgetrouw; hun commandanten namen een afwachtende houding aan en vermeden aanvankelijk het ondernemen van tegenacties zoveel mogelijk.
Vanzelfsprekend zagen de Franse kolonisten de opstand als het laatste redmiddel voor het behoud van een Algerije als integraal deel van het moederland. Voor de militante leden van de voor Parijs zo gevaarlijke OAS (Organisation de l'Armée Secrète) betekende dat openlijke verzet slechts koren op de molen. Maar ook deze opstand zou uiteindelijk vastlopen, het raderwerk van de evolutie kon niet meer worden stopgezet.
En plotsklaps was er voor de Franse kolonisten nog maar één mogelijkheid: de weg terug. . . Vele topmilitairen werden berecht, ook Salan, de meest gedecoreerde officier van de Franse landmacht. De straffen waren verre van mals, al werden ook sommige vonnissen verzacht. Later zou blijken dat het merendeel van de opgelegde straffen slechts gedeeltelijk werd ondergaan.

Voor alles wilde De Gaulle een einde aan de oorlog maken. Hij maakte zich overigens weinig zorgen, overtuigd als hij was dat het onafhankelijke Algerije ondanks het bezit van olie en aardgas toch in de toekomst genoodzaakt zou zijn terug te grijpen op de Franse technische know-how.
Zowel in Frankrijk en Algerije als op neutraal terrein hadden al vele besprekingen en onderhandelingen plaatsgevonden die echter geen concrete resultaten opleverden. Op de Conferentie van Evian werden deze wel geboekt. In dit befaamde vakantieoord werd op 18 maart 1962 een veelomvattend Frans-Algerijns akkoord getekend.
Op l juli kwam aan de in vele opzichten zo afschuwelijke oorlog een einde. Op 3 juli werd de Algerijnse onafhankelijkheid door Parijs erkend. Alleeen Mers-el-Kébir zou voorlopig nog in Franse handen blijven; pas in 1968 zou ook deze oorlogshaven worden overgedragen.
Op 15 augustus 1962 sloot Algerije zich aan bij de Arabische Liga. Op 26 september benoemden de leden van de Algerijnse Nationale Vergadering Ahmed Ben-Bella tot premier. De Verenigde Naties lieten het land als lid toe op 4 oktober. Een volksreferendum op 8 september 1963 verschafte de nieuwe Algerijnse grondwet de vereiste meerderheid en een week later werd Ben-Bella tot president van de republiek gekozen.
Het vertrek van de meeste Fransen liet echter wel een leegte achter, die zich vooral in het bestuursapparaat openbaarde. Verder barstte de tot nu toe sluimerende strijd om de macht in alle hevigheid los. Op 19 juni 1965 deed kolonel Boumedienne een geslaagde greep naar de macht. Ben-Bella werd onder zware bewaking geïnterneerd; pas na de dood van Boumedienne verbeterden zijn levensomstandigheden en op 31 oktober 1980 werd hij in vrijheid gesteld.
Spoedig zou blijken, dat de op 14 februari 1963 in Rabat gestichte politieke unie van Marokko, Tunesië en Algerije veel te lichtzinnig was opgezet en derhalve geen enkele levensvatbaarheid bezat.
Oud systeem in nieuwe vorm
Intussen hadden vele andere Franse koloniën in Afrika omstreeks 1960 hun onafhankelijkheid weten te verwerven. Tot deze groep behoorden onder meer Dahomey, de Franse Kongo (Brazzaville), de Ivoorkust, Gabon, Kameroen, Mauretanië, Mali, Senegal, Togo, Tsjaad en Madagascar.
Parijs stelde veel in het werk om te bereiken, dat de verkregen onafhankelijkheid niet tevens het slaken van alle banden zou veroorzaken. Over het algemeen werd het Franse aanbod inzake technische, geldelijke en militaire adviezen en/of hulpverlening naar waarde geschat.
Het aantal afwijzingen, zoals bij voorbeeld door Frans-Guinea, bleef tot een minimum beperkt. De opvallende stijging van het aantal in het vroegere moederland studerende Afrikanen sprak boekdelen. Wel pasten de Fransen een zekere selectie toe, maar de uitverkorenen werden geheel in de watten gelegd. Niet alleen konden zij zich de nodige kennis verwerven, maar bovendien stelde een royaal zakgeld de studenten in staat zich het aangename Franse leefpatroon eigen te maken. Zo kweekte Parijs een nieuwe generatie van pro-Franse Afrikaanse regenten.
De jaren '70 bewezen, dat het gemoderniseerde systeem de daarvan verwachte resultaten ruimschoots had opgeleverd.
Frans-Duitse verzoening én vriendschap
Behalve het einde van de oorlog met Algerije bracht 1962 nog meer. Door middel van een referendum met positieve uitslag werd bepaald, dat de president van de Franse republiek direct door het volk zou worden gekozen. Het geheel, waarop het staatsbestel van de Vijfde Republiek berustte, was eindelijk afgerond. Het sein voor de oprichting van de Force de frappe stond al geruime tijd op groen. Georges Pompidou was de nieuwe premier. Aan de zowel door Parijs als Bonn gewenste normalisering en verbetering van de wederzijdse betrekkingen werd naarstig gewerkt.
Bijna zou men kunnen denken dat ook in de Bondsrepubliek talrijke Gaullisten rondliepen en van deze groep was zonder meer de bondskanselier Konrad Adenauer de grote promotor. Over en weer werden staatsbezoeken afgelegd; vooral het bezoek van De Gaulle aan de Bondsrepubliek wekte veel geestdrift op en was een enorm succes.

Op 22 januari 1963 werd in Parijs het Frans-Duitse Samenwerkingsverdrag gesloten. Deze overeenkomst maakte een samenwerking in algemene zin mogelijk; beide partners hadden de militaire sector niet over het hoofd gezien. De Bondskanselier, die zich voor het bereiken van dit resultaat enorm had ingezet, zag in het verdrag de bekroning van de onder zijn leiding gevoerde buitenlandse politiek. Vrijwel onmiddellijk werd met de uitwisseling van leerkrachten bij het militaire onderwijs een begin gemaakt.
Nadat in 1966 de banden van Frankrijk met de NAVO losser waren geworden, bleef wel het uit drie pantserdivisies bestaande Franse Tweede Legerkorps — als resultaat van een bilaterale overeenkomst tussen Bonn en Parijs - in de Bondsrepubliek gelegerd.
Force de frappe
Vanzelfsprekend was het in de eerste plaats De Gaulle geweest, die een dergelijke afweerkracht voor Frankrijk absoluut noodzakelijk achtte. De technische en praktische uitvoering van het project was in handen gelegd van generaal Charles Ailleret. Deze wierp zich met de leden van zijn uitgelezen staf met veel elan op de realisering van de toch zo hoog gegrepen plannen. Het nieuwe krijgsmachtonderdeel naderde zijn voltooiing in de loop van 1967. Zestig gevechtstoestellen van het toen zo voortreffelijke type Mirage IV, die moeiteloos de A-bom konden vervoeren, maakten deel ervan uit. De met zorg uitgezochte en goed getrainde piloten waren paraat.











