IGF-I Bioactivity in Aging, Health and Disease.
© 2009 M.P. Brugts
ISBN: 978-90-8559-915-9
http://publishing.eur.nl/ir/repub/asset/17722/100106_Brugts%2C%20Michael%20Pascal.pdfIGF-I Bioactivity in Aging,
Health and Disease
IGF-I bioactiviteit in relatie tot veroudering, gezondheid en ziekte
Proefschrift
terter verkrijging van de graad van doctor aan de
Erasmus Universiteit Rotterdam
op gezag van de rector magnificus
Prof.dr. H.G. Schmidt
en volgens besluit van het College voor Promoties
De openbare verdediging zal plaatsvinden op
woensdag 6 januari om 15.30 uur
door
Michael Pascal Brugts
geboren te Rotterdam
SAMENVATTING
Een van de grote uitdagingen in het veld van onderzoek dat zich toespitst op
‘insulin-like growth factors’ (IGFs) is te verklaren hoe de IGF-I bioactiviteit
wordt gereguleerd in vivo. Aan de basis van deze uitdaging ligt het complexenetwerk van het IGF systeem, alsmede de dynamische interacties die het heeft
met andere factoren. Het klassieke IGF systeem bestaat uit twee groeifactoren
(IGF-I en IGF-II), zes IGF bindende eiwitten (IGFBP-1 t/m -6, negen IGFBP
gerelateerde eiwitten (IGFBP-rPs), twee cel receptoren (de IGF-IR en de IGFII
mannose-6-fosfaat receptor (M-6-PR) en verschillende IGFBP specifieke
proteasen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat IGFs omringd worden
door een groot aantal regulatoire eiwitten en factoren. Dit suggereert zowel
stringente, complexe als dynamische regulatie van de acties die door IGFs
worden bewerkstelligd.
Tegenwoordig wordt gebruik gemaakt van immunoassays ter bepaling
van circulerende concentraties van de individuele componenten van het IGF
systeem. Met name IGF-I immunoassays, ter bepaling van de totale IGF-I
spiegels, worden gebruikt in de kliniek met betrekking tot het screenen naar,
het diagnosticeren van, en het evalueren van de behandeling van groeihormoon
(GH) gerelateerde ziekten (bijvoorbeeld acromegalie en groeihormoon
defi ciëntie). Men moet zich echter realiseren dat inherent aan het gebruik van
IGF-I immunoassays concessies moeten worden gedaan ten aanzien van de
structuur van het IGF systeem. IGFBPs worden verwijderd uit het bloedmonster
om volledige toegankelijkheid te garanderen van specifieke antilichamen
voor IGF-I, met als gevolg dat de invloeden van IGFBPs op de IGF-I activiteit
dus worden genegeerd. Ten tweede, ondanks dat de toegepaste technieken
in IGF-I immunoassays zijn geëvolueerd van competitieve bindingsstrategieën
(IGF-I RIA) naar bindingsmethoden berustend op het gebruik van
twee antilichamen (IRMA, CLIA), is het algemene principe – de focus ligt
op de ligand concentratie – onveranderd gebleven. Echter, de circulerende
hormoon spiegels hoeven niet per se de biologische beschikbaarheid van
IGFs te vertegenwoordigen (iets wat ook geldt voor de bepaling van vrij IGFI).
Ten derde, zelfs indien spiegels middels immunoassay technieken zeer
accuraat bepaald zouden worden, geldt alsnog dat het bijzonder moeizaam
is de individuele invloed van IGF-I en/of IGFBPs spiegels (of veranderingen
daarin) op de IGF-I bioactiviteit te defi niëren. Dit laatste is namelijk mede
afhankelijk van de context van deze spiegels / veranderingen ten opzichte
van elkaar, alsmede van andere factoren die van invloed zijn op de IGF-I
bioactiviteit. Resumerend, ondanks het feit dat immunoassays zonder enige
twijfel belangrijke informatie over het IGF systeem aan het licht hebben
gebracht, sluit dit geenszins de mogelijkheid uit dat waardevolle informatie
over het IGF systeem nog steeds niet wordt gedetecteerd.
In 2003 is door Chen et al. een zeer specifi eke en sensitieve bioassay
ontwikkelt ter bepaling van de circulerende IGF-I bioactiviteit in humaan
serum (IGF-I KIRA). Deze assay kwantificeert de IGF-IR fosforylering in
levende cellen na stimulatie met serum als een directe afgeleide van de circulerende
IGF systeem activiteit, gedefinieerd als IGF-I bioactiviteit. Belangrijke
onderscheidende eigenschappen van de IGF-I KIRA in relatie tot IGF-I immmunoassays
zijn dat het als meetbare uitkomst gebruik maakt van een zeer
specifieke biologische respons, en dat het IGF systeem, waardoor deze respons
gegenereerd wordt, geheel intact blijft. Daarom zou de IGF-I KIRA een
meer natuurlijke afspiegeling kunnen geven van de in vivo IGF-I bioactiviteit,aangezien activatie van de IGF-IR de eerste en biologisch meest specifi eke
respons is van alle factoren die direct de IGF-I bioactiviteit beïnvloeden (het
vertegenwoordigt het niveau waarbij alle extracellulaire informatie wordt
geïntegreerd en vertaald naar een intracellulaire response).
In de studies opgenomen in dit proefschrift is gebruikt gemaakt van de IGF-I
KIRA ter bestudering van de IGF-I bioactiviteit in relatie veroudering, gezondheid
en ziekte. Onze algemene doelstelling was te evalueren of bepalingen
van de circulerende IGF-I bioactiviteit de potentie hebben nieuwe inzichten te
verschaffen over de eigenschappen van het circulerende IGF systeem.
In hoofdstuk 2 hebben wij een cross-sectionele studie beschreven waarinnormaalwaarden voor de IGF-I KIRA methode zijn bepaald. De circulerende
IGF-I bioactiviteit is hierbij gemeten in bloed van 426 gezonde bloeddonoren.
Recent heeft Ranke et al. totale IGF-I waarden bepaald in deze populatie,
waarbij gebruik is gemaakt van vijf verschillende IGF-I immunoassays. Onze
bevindingen waren dat de distributie van de circulerende IGF-I bioactiviteit
in de studie populatie dicht in de buurt kwam van een normale Gaussiaanse
curve. Dit staat in contrast tot de distributies gevonden in de populatie voor
totaal IGF-I. De leeftijdsspecifieke normaal waarden vormen een houvast bij
de interpretatie van toekomstige IGF-I bioactiviteit metingen of deze normaal,
verhoogd en/of verlaagd zijn bij individuen met onderliggende pathologische
aandoeningen zoals acromegalie en GH deficiëntie. Bij vrouwen rond de leeftijd
van 55 jaar daalde de circulerende IGF-I bioactiviteit significant. Dit suggereert
dat de IGF-I bioactiviteit ten dele wordt gedreven door oestrogenen/
prostagenen. Wij vonden significante correlaties tussen de IGF-I bioactiviteit
en metingen van totaal IGF-I (P<0,001), echter de r2 varieerde van 0.25 tot0.31. Dit betekent dat 70-75% van de variatie in de IGF-I bioactiviteit niet
kon worden verklaard door spiegels van totaal IGF-I. Ook vonden wij dat de
IGF-I bioactiviteit daalde met de leeftijd, maar dat de ratio tussen de IGF-I
bioactiviteit en totaal IGF-I, uitgedrukt in percentage, steeg met de leeftijd.
In hoofdstuk 3 hebben wij een prospectieve studie beschreven waarin decirculerende IGF-I bioactiviteit naast vrij en totaal IGF-I zijn geanalyseerd in
relatie tot overleving in een populatie van nagenoeg 400 oudere mannen.
Correlaties tussen de spiegels van IGF-I bioactiviteit en die van totaal en vrij
IGF-I waren significant, doch zwak, en de gemiddelde IGF-I bioactiviteit was
2 tot 3 maal hoger dan die van vrij IGF-I. Wij vonden dat alleen de samengestelde
overlevingsmodellen voor de IGF-I bioactiviteit significantie bereikten.
Relatief hoge, in plaats van een lage IGF-I bioactiviteit, was geassocieerd met
een langere overleving. In een sub-analyse hebben wij de populatie gestratifi-
ceerd voor de aan- danwel afwezigheid van hart- en vaatziekte (CVD) en/
of bewijs voor een hoog CVD risico profiel gebaseerd op CRP spiegels (een
maat voor subklinische sytemische infl ammatie). Wij vonden dat een lage
IGF-I bioactiviteit een onafhankelijke risico factor was voor mortaliteit en met
name bij individuen met CVD en/of een hoog inflammatoir risico profiel. Wij
veronderstellen dat deze bevindingen van belang kunnen zijn aangezien zij
directe inzichten geven in de functie van het circulerend IGF syteem in relatie
tot humane overleving.
In hoofdstuk 4 hebben wij onze resultaten beschreven van de circulerendeIGF-I bioactiviteit en totaal IGF-I bepaald in een gerandomiseerde cross-over
studie met 12 gevoede nierpatiënten, gebruik makend van continue ambulante
peritoneale dialyse (CAPD) als nier vervangende therapie. Twee verschillende
dialyse oplossingen zijn gebruikt; verrijkt met alleen glucose (G) dan wel met
glucose en aminozuren (AAG). De IGF-I bioaciviteit en totaal IGF-I werden
voorafgaand en na het dialyse programma (9 uur later) bepaald. We vonden
dat de gemiddelde circulerende totaal IGF-I spiegels zich bevonden in bovenste
helft van de normaal waarden, terwijl de gemiddelde IGF-I bioactiviteit
spiegels zich echter in de onderste helft van de normaalwaarden bevonden.
Wij vonden geen verschillen in circulerende totaal IGF-I spiegels na AAG of
G dialyse wanneer deze werden vergeleken met de waarden voorafgaand
aan dialyse. De IGF-I bioactiviteit steeg in de CAPD patiënten na zowel AAG
als G dialyse, echter dit bereikte alleen significantie in de AAG dialyse groep.
Dit betekent dat zelfs in een gevoede toestand de IGF-I bioactiviteit snel kan
worden aangepast (dit als reflectie van systemische dynamiek), daarbij een
causale relatie met AAG opname hebbende. Wij concludeerden dat bioactief
maar niet totaal IGF-I betrokken is bij de acute responsen op voedingsinterventies
bij CAPD patiënten.
In hoofdstuk 5 hebben wij een case report beschreven van een relatiefgezonde patient met lage totaal IGF-I spiegels die uiteindelijk gebaseerd
bleek op interferentie van de gebruikte IGF-I immunoassay door heterofiele
antilichamen. IGF-I immunoassays zijn afhankelijk van de specifieke interactie
tussen het IGF-I proteïne en het IGF-I antilichaam. Deze interactie kan
theoretisch worden verstoord door in serum aanwezig zijnde heterofiele
antilichamen. Een dergelijke interferentie, een bekend fenomeen in andere
immunoassays, was tot op heden niet beschreven voor IGF-I immunoassays.
Alhier rapporteren wij de eerste ‘case’ in de literatuur. Onze observatie zou
kunnen impliceren dat in sommige gevallen heterofiele antilichamen een valkuil
kunnen vormen bij de interpretatie van totale IGF-I spiegels, met name bij
gebruik in de diagnostiek of behandeling van GH aandoeningen. Wij toonden
aan dat de IGF-I bioactiviteit bij deze patiënt zich bevond in de mid-normale
waarden rekening houdend met leeftijd en geslacht. Gebruik makend van de
‘scantibody’ techniek, met als doel de interferentie door hetrofiele antilichamen
te elimineren, vonden wij dat de totale IGF-I spiegel van deze patiënt
zich bevond in de mid-normale range. Deze studie vormt een aanvulling op
de data die aantonen dat bepalingen van de IGF-I bioactiviteit substantieel
kunnen verschillen van die verkregen met immunoassay technieken.
In hoofdstuk 6 wordt een cross-sectionele studie beschreven, verricht inoudere individuen (N=1036). In deze studie hebben wij ons toegespitst op de
relatie tussen de circulerende IGF-I bioactiviteit, insuline resistentie (HOMAIR)
en het metabool syndroom (MS). De circulerende IGF-I bioactiviteit steeg
progressief, parallel aan de gemiddelde nuchtere glucose en insuline waarden
(en daarmee de HOMA-IR), maar daalde wanneer type 2 DM aanwezig
was. Wij veronderstellen dat de stijging van de IGF-I bioactiviteit parallel aan
de toename in de HOMA-IR ten gevolge van een compensatoir mechanisme
kan zijn; dit ter overwinning van de heersende insuline resistentie middels de
insulineachtige effecten van IGFs op de cellulaire glucose opname en op de
perifere insuline gevoeligheid. Het bestaan van hepatische insuline resistentie
zou de oorzaak kunnen zijn van het verval van de circulerende IGF-I bioactiviteit
bij diabetici. Deze studie ondersteunt het idee dat het IGF systeem
betrokken is in de pathogenese van DM type 2. Een oorzakelijk verband kan
echter niet verkregen worden uit de opzet van deze studie.
Het MS is een toestand die wordt gekarakteriseerd door een kluster van
vijf bewezen cardiovasculaire risico factoren waarbij wordt verondersteld
dat insuline resistentie de zogenaamde hoeksteen vormt van het syndroom.
Wij vonden een parabole relatie tussen de IGF-I bioactiviteit en het aantal
aanwezige componenten van het MS. De gemiddelde IGF-I bioactiviteit steeg
gradueel tot op het niveau van 3 aanwezige MS componenten, maar het daalde
bij aanwezigheid van alle 5 de componenten. Deze data staat in contrast tot
de relatie tussen totaal IGF-I spiegels en het aantal componenten van het
MS die is beschreven door anderen, waarbij een afnemend lineair verband is
gevonden. Wij speculeren dat er een Straling Curve zou kunnen bestaan voor
de circulerende IGF-I bioactiviteit.
In hoofdstuk 7 hebben wij een studie beschreven waarin de associatie tussende genetische variatie ter plaatse van het humane IGF-I locus en circulerende
spiegels van totaal en bioactief IGF-I is geanalyseerd; 18 SNPs werden bestudeerd
welke tevens zijn gebruikt ter samenstelling van 6 haplotype blokken.
Daarnaast hebben we de relatie bestudeerd tussen deze SNPs/haplotypen en
het risico op een hart infarct en/of angina pectoris (MI/AP). Studie participanten
waarbij circulerend totaal (N=430) en bioactief IGF-I (N=1036) werden
bepaald werden at random geselecteerd vanuit respectievelijk de eerste en
derde onderzoeksronde van de Rotterdam studie. Spiegels van circulerend
totaal IGF-I waren significant geassocieerd met individuele SNPs die voornamelijk
gelokaliseerd waren in haplotype blokken (1 en 2) die de genetische
variatie van de promotor regionen van het IGF-I gen omvatten. Haplotypen
in blok 1 en 2 waren ook geassocieerd met spiegels van totaal IGF-I. Deze
haplotypen waren tevens significant geassocieerd met het risico op MI/AP,
echter alleen in mannen.
Individuele SNPs waren significant geassocieerd met spiegels van de IGF-I
bioactiviteit, doch dit werd alleen gevonden in mannen. Deze SNPs waren
gelokaliseerd in haplotype blokken 3 tot en met 6, welke de genetische variatie
omvatten van intron 2 tot en met 5 alsmede van de 3’ untranslated region
(3’UTR). Haplotypen in blokken 3 tot en met 5 bereikten ook signifi cantie in
mannen. We vonden geen significante associaties voor haplotypen in blokken
3 tot en met 6 en het risico op MI/AP. We veronderstellen dat deze studie
nieuwe inzichten geeft in de relatie tussen spiegels van circulerend totaal en
bioactief IGF-I en humane genetica. Verder zouden spiegels van bioactief
IGF-I minder onder invloed van genetische variatie kunnen staan dan spiegels
van circulerend totaal IGF-I.
In het algemeen vinden wij dat met behulp van de IGF-I KIRA methode,
ter bepaling van de IGF-I bioactiviteit, wij in staat zijn geweest om aan te
tonen dat deze techniek informatie over het IGF systeem kan verschaffen die
verschilt van die verkregen met immunoassays. Dit maakt de IGF-I KIRA een
interessante techniek die in de toekomst kan worden toegepast naast (en niet
in plaats van) immunoassays om de functie van het IGF systeem bij gezondheid
en ziekte verder te ontrafelen.








