drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl
Vwo MODULE 5 Nederland en de V.S. vanaf 1870
Hoofdstuk 3 Van oorlogseconomie naar welvaartsstaat
Er komen steeds drie factoren aan de orde: de economische ontwikkelingen, het beleid van de overheid en de effecten op de diverse groepen in de samenleving.
Deelvraag: Welke factoren bepaalden na de Tweede Wereldoorlog de schommelingen in de economie van beide landen?
3.1 Amerika: demobilisatie en Fair Deal
Amerika kwam als verreweg het sterkste land uit de strijd, zowel op militair als op economisch gebied.
De oorlogsindustrieën schakelden zo snel mogelijk over op de productie van consumptiegoederen.
President Truman

kwam met de Fair Deal als voortzetting van de New Deal.
Hij slaagde erin een hoger minimumloon, uitbreiding van de Social Security Act, een woningbouwprogramma en steun aan de boeren door het Congres te krijgen. Hij kon echter zijn ideeën over een uitbreiding van de sociale wetgeving niet verwezenlijken.
Daarvoor waren 2 redenen:
1. Hij kreeg te maken met een Republikeins Congres
2. Het uitbreken van de Koude Oorlog
Na de 2e Wereldoorlog ontstond de Babyboom

waardoor er een grote vraag kwam naar allerlei consumptiegoederen. Tussen 1945 en 1970 groeide de economie met 3.5 % per jaar.
Diegenen die het meest van de nieuwe welvaart profiteerden waren de (blanke) arbeiders en de middenklasse. Ontstaan sub-urbs.
Echter voor 25% van de Amerikanen leefden nog in armoedige omstandigheden waaronder de zwarten oververtegenwoordigd waren.
3.2 Welvaart en onbehagen: de jaren zestig
President Kennedy kwam met zijn New Frontier maar van zijn plannen om de armoede te bestrijden kwam door de oppositie van de Republikeinen en conservatieve Democraten niet veel terecht.
Op 22 november 1963 werd Kennedy tot ontzetting van de wereld in Dallas vermoord. Vice-president Johnson volgde hem op en slaagde erin enkele wetsvoorstellen aangenomen te krijgen.
Het onbehagen over de nieuwe welvaart en de CONSUMPTIECULTUUR werd vooral uitgedragen door jongeren en toen door de Viëtnamoorlog de dienstplicht werd ingevoerd kwam dit onbehagen tot uiting in burgerlijke ongehoorzaamheid. Veel van Johnson’s plannen voor een “ Great Society” konden niet worden uitgevoerd.
![]() | ![]() |
Begin jaren zeventig ging het mis met de wereldeconomie o.a. door:
1. de hoge oliekosten door het ontstaan van de OPEC
2. de Viëtnamoorlog leidde tot grote tekorten op de Amerikaanse begroting
3. Er was stagflatie ontstaan: een sterke inflatie gekoppeld aan een teruggang in de economie
Oplossing voor deze stagflatie was een streng monetair beleid; de geldhoeveelheid moest in de hand worden gehouden.
Onder Reagan ontstond zo “ Reaganomics” dat leidde tot een hoge rente, een hoge koers van de dollar een gekortwiekte overheid en een groot overheidstekort waaraan niets gebeurde. De Amerikanen kochten veel op krediet en in de jaren negentig raakte de economie weer in het slop. Pas onder Clinton lukte het de economie weer gezond te maken.

3.3 Wederopbouw in Nederland
Nederland was leeggeroofd door de Duitsers waardoor de productie in 1948 nog maar 40% was van de productie van 1938 maar in 1950 was de oorlogsschade grotendeels hersteld.
De drie belangrijkste factoren die daaraan hebben bijgedragen zijn:
1. het beleid van de overheid
2. de inzet van de Nederlandse bevolking
3. de Marshallhulp
De overheid besloot na de 2e Wereldoorlog drastische maatregelen te nemen omdat anders een grote werkeloosheid zou ontstaan. Men besloot wel meer uit te geven en van werkgevers en werknemers werd een goede samenwerking verwacht. De lonen werden kustmatig laag gehouden om te kunnen investeren. Om sociale onrust te voorkomen werden de vakbonden bij de besluitvorming betrokken in de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-economische Raad.
Maar zonder de Marshallhulp zou het allemaal veel meer tijd en moeite hebben.
3.4 Welvaart en veranderingen
In de twintig jaar na 1953 zou Nederland ingrijpend veranderen. De koopkracht verviervoudigde in deze periode.
In 1952 vertoonde de betalingsbalans voor het eerst een overschot.
Nederland werd lid van de Europese gemeenschap en door de ontdekking van de gasbel in Slochteren in 1959 profiteerde Nederland nog eens extra.
Er vond een verschuiving plaats van industrie naar dienstensector.
De geleide loonpolitiek bleek niet meer vol te houden en de lonen gingen stijgen vanaf 1965 zelfs explosief.
Men richtte zich vooral op verhoging van de ARBEIDSPRODUCTIVITEIT.
In 1971 werkte 37,3% inde industriële sector en 46% in de dienstensector
Onder de rooms-rode coalities (PvdA en KVP) werd een begin gemaakt met de opbouw van de verzorgingsstaat. Zo ontstond ook in Nederland een moderne consumptiemaatschappij.

bron: geschiedenis van Limburg deel 2
3.5 De jaren zeventig en tachtig: grenzen aan de groei
De economische crisis van de jaren zeventig trof ook Nederland.
Nederland had echter een aantal specifieke problemen:
1. De Nederlandse economie was zeer kwetsbaar door de enorme afhankelijkheid van de export.
2. Door de wijze van financiering van de overheidstekorten was de inflatie hoog
3. De collectieve sector had via hogere premies gezorgd voor hogere loonkosten
De regering echter ging enthousiast door met uitbreiding van het sociale stelsel en werden de inkomens genivelleerd. De werkeloosheid steeg echter van 151.000 in 1973 tot 800.000 in 1982.
Onder de kabinetten Lubbers werd het economisch beleid drastisch gewijzigd en er kwam loonmatiging, bezuinigingen en deregulering. Ook arbeidstijd werd ingekort. Zo ontstond het Nederlandse “poldermodel”.

De arbeidsproductiviteit behoorde tot de hoogste in de wereld en aan het eind van de jaren negentig stond de economie er weer goed voor.
3.6 Amerika en Nederland naast elkaar
Het startpunt van de beide landen was totaal verschillend maar aan het einde van de twintigste eeuw gingen ze steeds meer op elkaar lijken.
Maar schijn bedriegt. Het grootste verschil is de rol van de centrale overheid en het vertrouwen dat de mensen hebben in de centrale overheid. In Amerika kijkt men nog steeds wantrouwend naar de centrale overheid.
Een ander groot verschil is dat de verschillen tussen arm en rijk in Nederland veel kleiner zijn dan in de V.S. en ook dan het sociale vangnet in Nederland veel groter is.










