CHINA van Confucianisme via Maoisme tot Centralistisch Kapitalisme
drs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl 

1) Inleiding
2) Enkele kenmerken van China vóór de Communistische Revolutie
3) Strijd tussen Nationalisten en Communisten
4) Het denken van Mao over de revolutie
5) De Speciale Economische Zones
6) De Socialistische Markteconomie
7) De Chinese Economische Structuur
8) Migratie
9) Go West’ beleid
10) Verwachte buitenlandse investeringen door het Chinese lidmaatschap van de WTO
11) Nederlands directe buitenlandse investeringen
12) Nederlandse bedrijven die actief zijn in China
13) Mogelijke gevaren van de Revolutionaire Chinese Economische Ontwikkeling
14) Geraadpleegde bronnen
1) Inleiding.
Wie in deze tijden de financiële berichtgeving volgt moet wel er van overtuigd raken dat de grote groei van de wereldeconomie uit het Verre Oosten en met name China zal komen. China wordt algemeen genoemd als het land dat in de 21e eeuw in staat zal zijn de Verenigde Staten naar de kroon te steken als economische wereldmacht. Hoe heeft zich deze ontwikkeling kunnen voordoen en wat zijn zoal de achtergronden van deze waarlijk revolutionaire ontwikkelingen.
Revolutionaire ontwikkelingen niet in de richting van een communistische heilstaat maar naar een kapitalistische samenleving in een ‘socialistische markteconomie’.
Het lijkt een utopie maar China is, nadat de pragmatici de strijd in hun voordeel beslisten, onbetwist een nieuwe koers ingeslagen. Wat zijn de mogelijkheden en gevaren van deze nieuwe ontwikkelingen in een land waar een kwart van de wereldbevolking leeft. Voor een goed begrip van de huidige situatie zullen we eerst de historische achtergronden van China moeten bekijken.
Daarna kijken we naar de praktische resultaten vanaf de instelling van de Speciale
Economische Zones en de ontwikkelingen die zich sindsdien hebben voorgedaan.
2) Enkele kenmerken van China vóór de Communistische revolutie:
- Het superioriteitsgevoel: de Chinezen met hun oeroude cultuur beschouwden vreemde volken slechts als schatplichte ‘barbaren’. China was het ‘Rijk van het Midden’, dat tussen hemel en aarde boven andere volken verheven was.
- Het Confucianisme, deze gedragsleer legde de nadruk op oude regels en voorschriften. Centraal daarbij staan wellevendheid, eerbied voor de bestaande orde en traditie, onderwerping aan gezag en autoriteit. Deze leer werd tot staatsleer verheven door de invoering van een examenstelsel waaraan men als ambtenaar werd getoetst.
- Het analfabetisme van de boerenmassa
- Het familiesysteem, de familie en niet de staat was de eenheid waaraan de Chinees zich gebonden voelde. De Chinese familie kende een gezagsvolgorde en voorvaderregering.
- Het Isolationisme van China speelde vooral een rol onder de Mandsjoe dynastie 1644-1911. Men sloot zich af van de buitenwereld
- Het regionalisme bleef het enorme Chinese rijk bedreigen vooral doordat in de 19e eeuw zwakkere keizers regeerden en het centrale gezag afnam. Daar maakten de militaire gouverneurs dankbaar gebruik van.
- De toename van de westerse invloed in China nam toe nadat de Engelsen de zogenaamde opiumoorlog hadden gewonnen (1839-1842). Bij de vrede moest China Hongkong aan Engeland afstaan. Het was het begin van verdagen tussen China en westerse mogendheden die zogenaamde concessiegebieden verwierven.Tot overmaat van ramp verloor China in de Chinees Japanse
oorlog Korea (1894) en de zogenaamde Bokseropstand (1900).
Na de val van het keizerrijk in 1912 werd de Chinese Republiek uitgeroepen en werd China geteisterd door burgeroorlogen.en hielden de geallieerden bij de Vrede van Versailles (1919) geen rekening met de opvattingen van China. .
3) Strijd tussen nationalisten en communisten:
Tussen de nationalisten van Sun Yat Sen en zijn latere opvolger Tsjang Kai-sjek en de op 1 juli 1921 opgerichte Chinese Communistische Partij (CCP) van Mao Zedong ontstond een langdurige strijd om de macht in China. Deze strijd werd tweemaal onderbroken doordat beide partijen samen ten strijde trokken tegen de Japanners. Mao Zedong ging naar de provincie Kiangsi en vestigde daar het zogenaamde boerenbolsjewisme. Hij maakte zich los van het Russsische revolutiemodel en richtte zich op de plattelandsrevolutie van de boerenmassa. Mao richtte een ‘volksbevrijdingsleger ‘op en paste de guerrilla -tactiek toe. Na het uitroepen van de Chinese Sowjet Republiek in 1931 werd hij door Tsjang en de nationalisten omsingeld. Mao
en de communisten trokken toen via de zogenaamde ‘Lange Mars’ van Kiangsi naar Jenan.
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog laaide de strijd tussen de Nationalisten, gesteund door de VS en de Communisten weer op.
De Burgeroorlog duurde van 1946 tot 1949 en leidde tot een overwinning van de Communisten en de stichting van de Volksrepubliek China op het Chinese Vastenland. De nationalisten weken uit naar Formosa het huidige Taiwan waar men Nationalistisch China stichtte.
4) Het denken van Mao over de revolutie
Hoewel vaak gedacht dat Mao er dezelfde denkbeelden op na hield als Marx en Lenin waren er toch elementen die anders waren. Volgens Marx zijn het eerst de objectieve maatschappelijke omstandigheden die onvermijdelijk de revolutie scheppen (= determinisme). Mao legde daarentegen grote nadruk op de betekenis van het ‘revolutionaire bewustzijn’: de mens kan alles als hij maar de juiste manier van denken heeft. De subjectieve menselijke wil was voor Mao de motor van het revolutieproces (=voluntarisme). Terwijl bij Marx en Lenin pas de heilstaat de nieuwe mens oplevert, streefde het maoïsme eerst naar een nieuwe mens, waardoor pas de heilstaat mogelijk wordt.
Deze ‘nieuwe’ mens ontstaat door systematische indoctrinatie via voortdurende ‘ heropvoeding’ (kritiek en zelfkritiek) en ideologische massacampagnes.
Door het voortdurend beslag leggen op de menselijke geest bezat het maoïsme een nog sterker totalitair karakter dan andere vormen van communisme.
De belangrijkste kenmerken van Mao’s revolutiestrategie waren:
1. de plattelandsrevolutie: de Chinese revolutie moet steunen op de massa en dat zijn de Chinese boeren.
2. de partizanen – of guerrillatactiek: volgens Mao komt de politieke macht uit de loop van het geweer.
3. de omsingelingstheorie: als de rode troepen het platteland beheersen, worden de geïsoleerde steden een gemakkelijke prooi. Deze theorie werd ook toegepast op de wereldrevolutie door het steunen van revoluties in de Derde Wereld.
4. de massalijn: de ware revolutionair luistert naar de massa en staat open voor kritiek en zelfkritiek. Er moet geen kloof ontstaan tussen partij en volk, geen bureaucratie en specialisme. Maar de partij houdt haar leidende rol zodat ook in China sprake is van een dictatuur over het proletariaat in plaats van een dictatuur van het proletariaat.
De kern echter van het Maoïsme is de leer van de permanente revolutie. Dat houdt in dat ook onder het communisme kapitalistische tendensen steeds moeten worden bestreden (bourgeoismentaliteit en elitevorming).Dat leidde ertoe dat er in China twee ideologische massacampagnes werden georganiseerd waar het land veel schade van heeft geleden.De zogenaamde Grote Sprong Voorwaarts van 1958 en de Culturele Revolutie van 1966 hadden als doel het opheffen van de tegenstellingen tussen
- stad en platteland
- industrie en landbouw
- hoofdarbeid – handenarbeid.
Tegenover de dogmatici (zij die vasthouden aan de leer) stonden de pragmatici, zij die ter wille van de modernisering van China bereid waren tot concessies op ideologisch gebied zoals:
- een gecentraliseerde economie
- ontwikkeling hoogwaardige stedelijke industrie
- opleiding specialisten op wetenschappelijk en technische gebied. Er was dus in feite sprake van een machtsstrijd.
De mislukking van de Grote Sprong Voorwaarts leidt tot verzwakking van het communestelsel, bedoeld als doorbreking van de aloude Chinese familiestructuur
( zie de kenmerken van China vóór de Chinese Revolutie), en tot verzwakking van Mao’s positie. De pragmatici kregen meer invloed hetgeen zich uitte in een technocratische koers waarbij de maoïstische ideologie op de achtergrond verdween.
Mao zou door de Culturele revolutie nog eenmaal proberen de machtsstrijd op het ideologische vlak in zijn voordeel te beslissen. Deze Culturele Revolutie, mede vorm gegeven door de Rode Gardisten en het zogenaamde Rode Boekje, die jaren duurde kostte miljoenen mensenlevens en leidde tot een chaos en economische stagnatie. Uiteindelijk grijpt het Chinese leger in.
Na de dood van Mao in 1976 ontstond er opnieuw een ideologische strijd die in het voordeel van de pragmatici werd beslist. De pragmatici ontwikkelden een Nieuwe Economische Koers die bestond uit vier moderniseringen: het ontwikkelen van een moderne landbouw, industrie, defensie, wetenschap en technologie om China te ontwikkelen tot een geïndustrialiseerde macht.
1.De volkscommunes maakten plaats voor privé – landbouw op ‘ contractbasis’ waarbij de staat een deel van de oogst tegen een vastgestelde prijs kocht en de boer over de rest vrij beschikte.
2.In de lichte industrie kwam er ruimte voor particuliere bedrijfjes.
3.Open Deur – politiek met het Westen ( Westers kapitaal en technologie)
4.Het ontwikkelen van Speciale Economische Zones. In deze Zones ontstonden joint ventures met Westerse bedrijven.
5. Een akkoord over teruggaven van Hongkong met Engeland. De economische liberalisering van China leidde echter niet tot een politieke liberalisering omdat de Communistische Partij elke democratisering onderdrukte met als dieptepunt het bloedbad in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede.
5) De Speciale Economische Zones
In de periode 1979-1980 werden door de Chinese autoriteiten vijf Special Economische Zones opgericht, waar buitenlandse bedrijven zich onder voorwaarden met speciale privileges konden vestigen. Na het succes van de SEZ's stelden de Chinese autoriteiten veertien zogenaamde 'open kuststeden' open en uiteindelijk zijn er honderden economische zones ontstaan. Naast de Chinese privé-bedrijven zijn de buitenlandse investeringen voor een aanzienlijk deel verantwoordelijk voor de nieuwe banen in China.Inmiddels hebben 400-500 van de grootste internationale multinationals een vestiging in China.
6) De Socialistische markteconomie
Sinds 1993 streeft China officieel een socialistische markteconomie na. Hieronder verstaan de Chinese autoriteiten een markteconomie die door vraag en aanbod in grote lijnen zelf bepaalt hoe en waar de schaarse middelen als arbeid, kapitaal en grond optimaal zullen worden ingezet. De rol van de Staat beperkt zich tot het bijsturen van ongewenste ontwikkelingen met behulp van macro-economische instrumenten en tot ondersteuning van economisch zwakke bevolkingsgroepen.
Het socialistische element houdt verder in dat de Staat in principe de richting, het tempo en de kernsectoren blijft bepalen van de economische ontwikkeling.
De basis voor het economisch beleid in China wordt nog steeds gevormd door plannen die de centrale overheid regelmatig opstelt.
De belangrijkste hiervan zijn de vijfjarenplannen die sinds 1953 worden uitgebracht.
Het tiende vijfjarenplan (2001-2005) voorziet voor het eerst in een heldere definitie van de rol van de overheid:
'to enforce the law and management and to concentrate efforts on macro regulation and control and creating a sound market environment, and not to directly intervene in enterprises' operational activities'.
Dit westerse concept was onvoorstelbaar in het China van twintig jaar geleden. De opwaardering van de Chinese industrie van arbeidsintensieve productie naar de fabricage van goederen met een hogere toegevoegde waarde komt langzaam op gang. Dit hervormingsproces wordt gecontinueerd.
7) De Chinese economische structuur
De Chinese economie wordt gekenmerkt door een onevenredig groot aandeel van de industrie en een onderontwikkelde dienstensector. De kenmerken van economische planning naar analogie van het Sovjetmodel zijn nog duidelijk terug te vinden. De landbouwsector vervult nog steeds een uiterst belangrijke rol in China. De industriële sector bestaat enerzijds uit duizenden, veelal verlieslijdende, staatsbedrijven die vooral actief zijn in de zware industrie en anderzijds uit de bloeiende lichte industrie. De licht industriële activiteiten worden veelal ondernomen door coöperaties - zoals de ‘townships and village enterprises’ en de urban collectives - die het snel groeiende particuliere midden- en kleinbedrijf vormen, en de in China gevestigde buitenlandse ondernemingen.
Vele staatsindustriële bedrijven staan aan de vooravond van een ingrijpende herstructurering of zijn intussen gesloten of omgevormd tot 'chaebols'. De Zuid-Koreaanse chaebol-structuur dient daarbij als voorbeeld, ondanks de zwaktes van de chaebols zoals die aan het licht kwamen tijdens de Zuidoost-Aziatische economische crisis van 1997/98..Dit levert vele miljoenen werklozen op. De private sector ontwikkelt zich voorspoedig, maar is vooral geconcentreerd in de oostelijke kustprovincies van het land, terwijl de zware industrie is gevestigd in de meer in het binnenland en noordoostelijk gelegen provincies.
8) Migratie
Tegenwoordig leven gemiddeld 37,66 procent van de Chinezen in de stad, meer dan een verdubbeling in vergelijking met 1978. Tussen het platteland en de steden bestaat een grote sociaal-economische ongelijkheid, hetgeen de Volksrepubliek zowel ideologische als praktische problemen oplevert. Dit heeft tot gevolg dat er een voortdurende trek is van de plattelandsbewoners naar met name in de steden aan de kust. De overheid verwacht dat in 2010 in de kuststeden Guangzhou, Shanghai en Beijing de verstedelijking zal zijn toegenomen met 30-45 procent. Ook is er grote ongelijkheid tussen de boeren in de verschillende regio's. De overheid wil met haar 'Go West'-beleid een einde maken aan de sociaal-economische ongelijkheid tussen oost en west.
9) 'Go-West'-beleid
De Chinese overheid heeft grootse plannen met het westen. Met haar 'Go-West'-beleid moet westelijk en centraal China worden ontwikkeld van een onderontwikkelde economie naar een ontwikkelde. In het westen woont 23 procent van de totale bevolking op 5,4 miljoen km2 grond, hetgeen 56 procent is van China's totale landoppervlakte.
10) Verwachte buitenlandse investeringen door het Chinese lidmaatschap van de WTO
China is in 2002 uitgegroeid tot 's werelds grootste ontvanger van directe buitenlandse investeringen. In 2002 werd ter waarde 82,7 miljard US dollar aan contractuele directe buitenlandse investeringen ontvangen. Dit is een stijging van 20 procent in vergelijking met 2001. De gerealiseerde directe buitenlandse investeringen bedroegen in 2002 52,7 miljard US dollar, een stijging van 12 procent. In de eerste zes maanden van 2003 stegen de contractuele directe buitenlandse investeringen - ondanks de SARS -effecten - naar 6,99 miljard US dollar. In dezelfde periode in 2002 bedroeg dit 6,82 miljard US dollar.
De kustprovincies hebben in 2002 (traditioneel) de meeste investeringen weten aan te trekken Met het 'Go West'-beleid wil China hierin een ommekeer brengen door buitenlandse investeerders te enthousiasmeren voor westelijk China, waardoor de grote sociaal-economische achterstand wordt verkleind. Meer dan 180 landen en regio's buiten het vasteland China (Hongkong en Taiwan) hebben in China geïnvesteerd. Hongkong blijft China's grootste investeerder, direct gevolgd door de Maagdeneilanden, Verenigde Staten en Japan. Hierbij zij aangetekend dat in de Chinese cijfers geen rekening wordt gehouden met de omvangrijke bedragen die door Chinese bedrijven eerst in Hongkong, de Maagdeneilanden of de Kaaimaneilanden zijn ondergebracht. Vervolgens worden deze bedragen als buitenlandse investering weer in de Chinese economie ingebracht. Deze route komt veelvuldig voor om te kunnen profiteren van de gunstige (fiscale) voorwaarden die aan buitenlandse investeerders worden geboden. Chinese analisten verwachten dat in 2010 de grens van totaal 1 biljoen US dollar wordt bereikt aan gerealiseerde directe buitenlandse investeringen; westerse economen denken dat de jaarlijkse groei 10 procent zal bedragen. Dat de groei van de directe buitenlandse investeringen jaarlijks blijft toenemen staat buiten kijf. De investeerders worden niet alleen aangetrokken door de lage lonen, de effecten van WTO -afspraken spelen eveneens een rol zoals het gefaseerd toegankelijk worden van gesloten sectoren. Bovendien zal ook een distributievrijheid van goederen ontstaan. De Chinese handels - en investeringswetgeving wordt transparanter en overeenkomstig de WTO in het Engels gepubliceerd. Daarentegen krijgen de investeerders in de toekomst concurrentie te duchten van staatsbedrijven die steeds meer efficiënter opereren. Volgens de WTO-principes verdwijnen de meeste belastingvoordelen voor buitenlandse investeerders en worden zij gelijkgesteld met de lokale ondernemingen. Het aantal hoogopgeleide Chinese studenten neemt snel toe en China verwacht dat vele in buitenland afgestudeerde studenten zullen terugkeren vanwege de carrièreperspectieven.
11) Nederlandse directe buitenlandse investeringen
De Nederlandse directe investeringen in China waren tot het begin van de jaren negentig nog beperkt, maar stegen daarna relatief snel. Bij de interpretatie van onderstaande cijfers moet er echter rekening mee worden gehouden dat de werkelijke jaarlijkse omvang van de investeringen van Nederlandse bedrijven in China naar alle waarschijnlijkheid hoger ligt. Want een deel van de investeringen in China wordt gepleegd door de Hongkongse vestigingen van Nederlandse moederbedrijven, terwijl De Nederlandsche Bank (DNB) de Nederlandse directe investeringen in Hongkong apart van China bijhoudt.
Nederlandse directe investeringen in China in stromen per 30-09-2003 (in miljoen euro):
1997 | 213 |
1998 | 7 |
1999 | 224 |
2000 | 62 |
2001 | 433 |
2002 | 36 |
















