Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte

Levenslang Cevdet Yilmaz

E-mail Afdrukken PDF
 

Levenslang Cevdet Y

drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl

 

Delft 5 April 1983

Dinsdagavond na Pasen, op 5 april 1983, stapt Cevdet Y, 27 jaar, rond half zeven café 't Koetsiertje in de binnenstad van Delft binnen. Hij is gewapend met een 9 mm pistool. Na een krte woordenwisseling met en van de andere bezoekers trekt de tot Nederlander genaturaliseerde Turk bliksemsnel het automatische pistool uit zijn zak.. Zonder iets te zeggen schiet hij de andere bezoeker midden in het gezicht. Een tweede man die zich er mee bemoeit, wordt ook doodgeschoten. Uiterlijk koel, zich behendig voortbewegend en geheel in executiestijl, richt de schutter het wapen dan met dodelijke precisie op de hoofden van de andere gasten die aan de tafeltjes zijn blijven zitten. Hij lost twaalf schoten. Zes mensen worden gedood, vier raken gewond. de hele operatie duurt nog geen halve minuut. Dan wandelt Y kalm het café uit, steekt zijn hand op tegen een kennis, en verdwijnt. s' Avonds wordt hij gearresteerd.

Bron: Korterink Hendrik Jan: Moord in Nederland; De daders, hun fantasieën en hun willekeurige slachtoffers. ISBN 9055131695

 

Zie ook berichtgeving rond het feit dat Cevdet Yilmaz ondanks veroordeling tot levenslange gevangenisstraf, door behandeling in TBS kliniek wegens een stoornis, in staat is gesteld om door deze behandeling op verlof te kunnen gaan buiten de gevangenis.

Cevdet Yilmaz krijgt verlof, ondanks levenslange gevangenisstraf

Verlof levenslang veroordeelde Cevdet Yilmaz verboden

Weigering onbegeleid verlof van tot levenslang veroordeelde Cevdet Ylmas. niet onredelijk

Geen onbegeleid verlof Cevdet Yilmaz

 

 

Levenslang pers Cevdet Yilmaz

drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl

 

Raadsels blijven rond moordpartij

FRITS ABRAHAMS


De zesvoudige moord van Cevdet Yilmaz in 1983 in het Delftse café 't Koetsiertje is altijd een mysterie geweest. Na de documentaire Ted de Turk die de VARA gisteren uitzond, kunnen we alleen maar concluderen dat het een mysterie is gebleven. Rond motieven en toedracht hangen nog steeds grote raadsels.

Dat alles mag Hans Polak, de maker van de documentaire, uiteraard niet verweten worden. Wél is het jammer dat hij zó'n rommelig werkstuk heeft vervaardigd dat hij die raadsels voor ons, onwetende buitenstaanders, nog eens extra vergroot heeft. Ik heb zijn documentaire tweemaal bekeken, en toch zou ik op basis daarvan met geen mogelijkheid de fatale gebeurtenissen van 5 april 1983 kunnen reconstrueren.

We hoorden uit de mond van Yilmaz en getuigen flarden van het verhaal die volkomen met elkaar in strijd waren. Hoe gebruikelijk dat ook is, het verplicht de maker er des te meer toe ons alle objectieve feiten - die er óók zijn - zo helder mogelijk aan te bieden. Nu ontstond de merkwaardige figuur dat we voor die feiten beter het artikel van Ton van Dijk in het VARA-TV-Magazine konden lezen. Een voorbeeld van een essentiële kwestie. Yilmaz vertelt in Polaks documentaire dat hij een paar dagen voor het drama woorden heeft gehad in 't Koetsiertje met een andere stamgast (Ton Smits, volgens het VARA-blad.) Smits zei zoiets als: ,,Al heb je tien Nederlandse paspoorten, je bent en blijft een kanker-Turk en een uitvreter.'' In Polaks documentaire vertelt Yilmaz dat hij op die noodlottige 5 april fysiek aangevallen werd door iemand, voordat hij tot zijn gruwelijke slachtpartij overging. Wie was die man? Ik heb er in de documentaire vergeefs naar gespeurd, maar dank zij het VARA-blad weet ik nu toch dat het om diezelfde Smits gaat.

Het artikel in het VARA-blad bevat meer informatie waarvan ik me afvraag waarom Polak haar niet in zijn film heeft opgenomen. Waarom heeft hij zo weinig moeite gedaan om de Yilmaz-van-nu te portretteren? We horen dat hij iets voor andere gevangenen doet, maar alleen via het VARA-blad komen we te weten dat Yilmaz zich tot een soort intellectueel heeft ontwikkeld die de Volkskrant en opiniebladen leest, die studeert en hoofdredacteur van de bajeskrant in Norgerhaven is. Kortom, een slimme man.

De nabestaanden van Yilmaz' slachtoffers hebben via de rechter tevergeefs een verbod op de uitzending van de film gevraagd. Uit het VARA-blad hadden ze begrepen dat Yilmaz de kans kreeg zich vrij te pleiten met een beroep op zelfverdediging. De president van de rechtbank liet echter de persvrijheid prevaleren - gelukkig maar. Blijft de vraag: kreeg Yilmaz inderdaad de gelegenheid voor een oratio pro domo? Dat viel wel mee. Yilmaz mocht weliswaar zijn versie van de werkelijkheid geven, ik vind niet dat men Polak partijdigheid mag verwijten. Hij laat ook getuigen met een andere versie aan het woord.

Toch kan ik me de woede van de nabestaanden wel voorstellen, maar dat heeft meer met de houding van Yilmaz te maken dan met de vermeende subjectiviteit van de filmer. Yilmaz doet namelijk niet anders dan anderen de schuld voor zijn moordpartij in de schoenen te schuiven. Hij zegt letterlijk: ,,Het lag niet aan mij. Door die ene fatale aanval van hem... daarna had ik geen controle meer. Het ging zo automatisch... Ik wou deze plek verlaten. Die andere zaken zag ik niet.''

Die 'andere zaken' waren vijf onschuldige burgers die van dichtbij werden neergeknald. Wat mij opviel was dat Yilmaz zich verbaal zeer boetvaardig gedroeg - hij verdiende 'de zwaarste straf' - maar dat hij desondanks wél in beroep en cassatie is gegaan, een gratie-verzoek heeft overwogen en nu aan een tv-documentaire meewerkt waarin geen spoor van excuus tegenover de nabestaanden voorkomt - integendeel zelfs.

In hoeverre hij destijds toerekeningsvatbaar was, is voor buitenstaanders (en misschien ook wel voor psychiaters) een onbeantwoordbare vraag. Hij was het in ieder geval wél toen hij dit tv-interview gaf.

NRC webpagina's 29 augustus 1997

 

 

 
De 30 meest geruchtmakende misdaden van de Lage LandenBron Peter Smolders

28. 'T KOETSIERTJE Dertig seconden was het de hel (1983)

Vaak rust er tijden lang een vloek op een café, een restaurant of een andere openbare gelegenheid binnen de muren waarvan een zwaar misdrijf is gepleegd. Meestal is dat na een jaar weer over. Soms niet; dan sluit een zaak uiteindelijk zijn deuren en wordt ook vergeten. Maar de geschiedenis van het café 't Koetsiertje kent iedereen in Delft nog, zelfs al werd het allang geleden opgeheven. Op een aprilavond in 1983 schoot de 27-jarige Cevdet Y. in deze kroeg zes mensen dood. Vier anderen raakten gewond. De grootste massamoord uit de recente Nederlandse geschiedenis nam niet meer dan een halve minuut in beslag. Cevdet Y. liep daarna rustig weg en zwaaide nog naar een vriend. Hij werd gepakt en veroordeeld, maar gaf nooit een bevredigend antwoord op die ene vraag: waarom had hij het gedaan?

Cevdet Y. was in 1983-1984 voer voor psychologen, maar geen lekker, makkelijk verteerbaar voer. Drie deskundigen bogen zich over hem na zijn eenmalige misdadige uitspatting. Een echt duidelijk oordeel leverde het niet op. Professor F. Beyaert, zeer gerespecteerd, kwam het Haagse Gerechtshof bij de behandeling in hoger beroep in oktober 1984 vertellen dat hij geen enkele reden zag om Y. ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Maar een echte diepgravende analyse had Beyaert niet kunnen maken, omdat Y. hem iedere medewerking had geweigerd. Twee andere deskundigen daarentegen, de psychiater Zeegers en de psycholoog In 't Veld, konden op zijn volledige coöperatie rekenen. Voor dit duo, dat zich op verzoek van zijn advocaat over de verdachte boog, maakte Y. in gevangenis De Sprang graag tijd. Zeegers en In 't Veld meldden het Hof vervolgens dat Cevdet Y. wel degelijk in zekere mate ontoerekeningsvatbaar was. Therapie, die had Y. volgens hen nodig, veel eerder dan gevangenisstraf. Het kwam Y. en zijn advocaat erg goed uit, want de verdachte zag zich liever voor een onzeker aantal jaren naar een kliniek verdwijnen dan levenslang krijgen. Dat zijn daad ernstig genoeg was voor de langst mogelijke straf, was ook Y. - geestelijk gezond of niet - wel duidelijk.

Dinsdagavond 5 april 1983. De dag waarop de 27 -jarige Cevdet Y. die ene daad verricht die hem in de geschiedenisboeken zal brengen - zij het op de zwartste bladzijde. De sfeer in het Delftse café 't Koetsiertje is ontspannen. Alleen Hans de Hoog, de eigenaar, is enigszins nerveus. Onder zijn zeventien gasten bevinden zich namelijk bloemenkoopman Gerard Sneekes, zijn vrouw Tonie en dochter Carmen. Sneekes wil de kroeg wel van De Hoog overnemen, maar eerst samen met zijn gezin eens bekijken wat er zoal binnenkomt. Dat 't Koetsiertje niet direct het clubhuis van de plaatselijke bijbelgroep is. weet ook Sneekes wel. 'De Koets', vlak bij het station en recht tegen. over het politiebureau, is een plek voor jongens van de straat, die meer houden van een goede knokpartij dan van een diepgravende discussie. Delftse agenten - die letterlijk op een steenworp afstand hun basis hebben - zijn dan ook wel wat gewend als het om deze kroeg gaat. Maar het telefoontje dat ze op deze avond om zeventien minuten voor negen krijgen, gaat verder. 'Er wordt geschoten in De Koets,' luidt de melding. Zelfs als ze na dat bericht in hun surveillancewagens stappen om poolshoogte te nemen, kunnen de politiemensen de impact van wat hun te wachten staat nog absoluut niet overzien.

In het café liggen lijken en kruipen verwarde en zwaargewonde mensen rond. Zes van de achttien aanwezigen zijn dood. Gerard Sneekes leeft nog, maar heeft zijn vrouwen zijn 12-jarige dochter naast zich zien sterven. Ook de gasten Wim van Baarle, Jan van Drongelen, Wim Janssen en Ton Smits heeft het avondje stappen het leven gekost. Vier anderen zijn gewond. Iemand moet in de twee minuten tussen het eerste schot en de komst van de politie volledig door het lint zijn gegaan.

Cevdet Y., een man van Turkse oorsprong die net tot Nederlander is genaturaliseerd, heeft zelfs maar dertig seconden nodig gehad. Een halve minuut was 't Koetsiertje de hel toen hij binnenkwam, zijn automatische pistool pakte en schoot op iedereen in zijn buurt. Maar door het lint gegaan? Y. heeft in totaal twaalf kogels afgevuurd. Tien ervan waren raak. De eerste kogel was voor Ton Smits. Hij kreeg hem in het gezicht. Met de elf andere maakte Y. nog negen slachtoffers. Het heeft meer weg van een massa-executie dan van een wildemansactie. Y., zo zal later blijken, is na het dertig seconden-drama kalm naar buiten gelopen en heeft vlak bij de kroeg zelfs nog vriendelijk een kennis gegroet. Een paar dagen later wordt hij opgepakt.

Waarom? Het woord staat geschreven op het voorhoofd van alle rechters die zich over de zaak van Cevdet Y. buigen - en dat zijn er nogal wat, omdat Y, tot aan de Hoge Raad doorprocedeert. Waarom? Het wordt nooit echt duidelijk. Aanvankelijk wijten de kranten de schietpartij aan een ruzie om een vrouw, maar daar komt nooit enig bewijs voor. Later wordt de gangbare opvatting dat Cevdet Y. een dag voor zijn explosie een conflict zou hebben gehad met het eerste slachtoffer, Ton Smits. Die zou tegen Y. hebben gezegd: 'Je bent nu wel Nederlander, maar je blijft toch een Turk.' Op zichzelf al een zin die nog voor velerlei uitleg vatbaar is, maar zelfs áls het de aanleiding was, waarom moesten dan ook die anderen dood?

Natuurlijk, in iedere moordzaak is 'waarom' de eerste vraag als de dader bekend is, maar in de meeste gevallen volgt ook een antwoord. En juist in deze grootste massamoord uit de recente Nederlandse geschiedenis komt dat niet. 'Y. heeft schijnbaar zonder motief zes mensen van hun leven beroofd,' merkt procureur-generaal Meijring dan ook op tijdens het hoger beroep. 'Het echte waarom zal wel nooit beantwoord worden. Hij vormt een ernstige bedreiging voor de samenleving en bovendien bestaat het gevaar dat hij nog meer mensen doodt. Zo iemand moet levenslang uit de maatschappij worden gehouden.'

En juist dat is de grote angst van Cevdet Y.; levenslange gevangenisstraf. Al bij de eerste behandeling, voor de rechtbank, in maart 1984, heeft hij er alles aan gedaan om die sanctie te ontlopen. Vooral daarom had zijn toenmalige advocaat die twee extra deskundigen latenopdraven. Er moest worden aangetoond dat Y. niet bij zinnen was op die vijfde april. Dat zou de kans vergroten dat hij tbs (toen nog tbr,ter beschikkingstelling van de regering, PS) zou krijgen. Er bestaat
geen maximale lengte voor tbs, zodat een behandeling in een kliniek theoretisch echt een leven lang kan duren, maar gemiddeld houden de therapeuten het na ongeveer vier jaar wel voor gezien met een patiënt. En dat is een stuk minder dan levenslang. Die straf betekent in Nederland namelijk twintig jaar cel. Zelfs met een derde deel aftrek, dat heel vaak wordt toegekend, blijft er in het gunstigste geval nog ruim dertien jaar in de gevangenis over.

Voor de rechtbank had de extra expertise niet mogen baten: Cevdet Y. kreeg levenslang. Voor het Gerechtshof gebeurt dat weer, tot grote ergernis van de verdachte en zijn nieuwe advocaat - de oude had Y. na het eerste vonnis terzijde geschoven. Later zal ook de gang naar de Hoge Raad niets uithalen; het hoogste rechtscollege van dit land ziet geen enkele reden om het vonnis te herzien. De massamoord blijft bestraft met de zwaarste straf mogelijk.

In 1993, tien jaar na die rampzalige dag, zoekt Panorama de nabestaanden van een aantal slachtoffers op. De kroeg is inmiddels een snackbar geworden. De familieleden van de mensen die er om het leven kwamen, blijken nog dagelijks bezig met die avond. Hans de Hoog verklaart 'geestelijk en lichamelijk geruïneerd' te zijn door wat er is gebeurd. Maar de 23-jarige Paul van Drongelen, zoon van de doodgeschoten Jan van Drongelen, gaat het verst in zijn commentaar. 'De vraag waarom Y. begon te schieten, laat me koud,' verklaart hij. 'Daar krijg ik mijn vader niet mee terug. Ik hoor liever wanneer hij vrijkomt. Dan ontmoeten we elkaar zeker. Er staat immers nog een rekening open. Ik hoop voor Y. dat hij verstandig is. Hij kan maar het beste een taxi naar Schiphol nemen, de eerste de beste vlucht naar Turkije boeken en zijn gezicht hier nooit meer laten zien.'

 
15-05-05 drs.J.W.Swaen www.blikopdewereld.nl

 

 

Uitspraak rechtbank Den Haag Cevdet Y in kort geding 02-10-2007

drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl

 

Dossier KG 07/905

LJN BB4626

Rechtbank  Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak  02-10-2007

Samenvatting

Eiser die tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld en op grond van artikel 13, eerste lid, Sr is opgenomen in een tbs-inrichting, is niet-ontvankelijk in zijn vorderingen om de Staat te veroordelen zich te onthouden van handelingen die gericht zijn op terugplaatsing van eiser in het gevangeniswezen alsmede te bepalen dat gedaagde zal gehengen en gedogen dat wordt gehandeld alsof eiser over een verlofmachtiging beschikt dan wel gedaagde te bevelen onbegeleid verlof te verlenen.

 

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 2 oktober 2007,
gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/905 van:


[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
procureur mr. L.M. Bruins,
advocaat mr. Ch.L. van den Puttelaar te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden,
zetelende te 's-Gravenhage,
gedaagde,
procureur mr. F.W. Bleichrodt.


0. Verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagde doen dagvaarden tegen de zitting van 18 september 2007. Op verzoek van eiser -en met instemming van gedaagde- heeft de behandeling van de zaak wegens de mogelijkheid van bespreking van psychiatrische rapportages achter gesloten deuren plaatsgevonden. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht. Het vonnis -dat in het openbaar wordt uitgesproken- is bepaald op heden.


1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 18 september 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser is bij arrest van het gerechtshof te Den Haag van 14 oktober 1984 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor het doodschieten van zes mensen in [plaats]. Enkele personen raakten daarbij gewond. Het arrest van het gerechtshof is na verwerping van een daartegen gericht cassatieberoep, sedert 1 juli 1985 onherroepelijk. Eiser heeft sedertdien in diverse penitentiaire inrichtingen verbleven.

1.2. Op 11 maart 1998 heeft eiser een gratieverzoek ingediend, gericht op de omzetting van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf.

1.3. Het gerechtshof te Den Haag heeft op 18 september 1998 op het gratieverzoek geadviseerd dat er geen omstandigheden zijn voor een andere straf of voor oplegging van een maatregel indien die feiten of omstandigheden destijds reeds aan het gerechtshof bekend waren geweest. Het gerechtshof heeft voorts vastgesteld dat de zaak nog steeds maatschappelijke onrust teweegbrengt. Voorts oordeelt het gerechtshof dat uit de stukken ten aanzien van de speciale preventie onvoldoende valt af te leiden dat het recidive gevaar inmiddels is komen te vervallen. Het gerechthof adviseert eiser te laten observeren en te laten rapporteren omtrent het recidivegevaar.

1.4. Op 7 mei 1999 is eiser in het kader van een observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum. Eiser heeft zijn medewerking aan het onderzoek aldaar voortijdig afgebroken. In het Pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum van 12 augustus 1999 wordt gepleit voor het op gang brengen van initiatieven tot een klinische behandeling binnen een tbs-inrichting, ondanks dat eiser daartegen weerstand biedt.

1.5. Het gratieverzoek is op 16 januari 2001 afgewezen.

1.6. Namens eiser is zijn zaak onder de aandacht van de commissie Geestelijk gestoorde gedetineerden (GGG) gebracht. Laatstgenoemde commissie adviseert de Sectordirecteur TBS betreffende de plaatsing van geestelijk gestoorde gedetineerden in tbs-inrichtingen. De Sectordirecteur TBS heeft de bevoegdheid om tot plaatsing in een tbs-inrichting over te gaan.

1.7. De Commissie GGG heeft -mede op grond van het Pro Justitia rapport van 12 augustus 1999- geadviseerd eiser op te laten nemen in een tbs-inrichting.

1.8. Bij brief van 6 december 2000 heeft het ministerie van justitie de Van der Hoevenkliniek verzocht eiser op te nemen. De kliniek heeft hierop afwijzend gereageerd onder andere vanwege het ontbreken van iedere behandelingsmotivatie bij eiser en dus van daadwerkelijke behandeling geen sprake zal kunnen zijn. Voorts werkt het ontbreken van de tbs-titel complicerend.

1.9. Op 3 mei 2001 is overleg gevoerd tussen de Van der Hoevenkliniek, de directies TBS en Gevangeniswezen, alsmede de psychiatrisch adviseur en de advocaat van eiser. Er zijn afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een memo van 9 juli 2001 (hierna: de memo). De Sectordirecteur TBS is akkoord gegaan met de gemaakte afspraken. In de memo is -onder andere- vastgelegd: "(.....) Betrokkene zal worden beschouwd als een patiënt die recht heeft op het behandelingsbeleid dat in de kliniek geldt voor TBS-patiënten. Dat kan op termijn betekenen dat er een verlofbeleid op gang komt. De heer [A] zal deze optie in de lijn toetsen: voorkomen dient te worden dat rond het moment dat vanuit de behandelingsoptiek een verlofbeleid verantwoord wordt geacht, dit beleid wordt afgeremd vanuit bestuurlijke en / of politieke redenen. (.....) Wanneer mocht blijken dat behandeling -om wat voor redenen dan ook- onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn. Datzelfde geldt indien het door de kliniek gevoerde verlofbeleid dat een wezenlijk onderdeel zal gaan vormen van de behandeling (conditio sine qua non), wordt tegengehouden. (.....)"

1.10. Op 20 juli 2001 is eiser meegedeeld dat hij op basis van artikel 13 Wetboek van Strafrecht (Sr) juncto artikel 41 Penitentiaire Maatregel (PM) wordt opgenomen in een tbs-inrichting.

1.11. Eiser is op 31 augustus 2001 in de Van der Hoevenkliniek opgenomen.

1.12. Op 13 september 2002 is voor eiser een machtiging begeleid verlof afgegeven. De Van der Hoevenkliniek heeft op 6 juli 2005 verzocht deze machtiging, conform het nieuwe verlofbeleid, met een jaar te verlengen. Daarop is de Kliniek meegedeeld dat de machtiging vooralsnog gehandhaafd wordt, in afwachting van een onafhankelijk multidisciplinair onderzoek dat was ingezet en dat de uitkomsten van dat onderzoek nog kunnen leiden tot nadere besluitvorming.

1.13. Uit het onafhankelijk multidisciplinair onderzoek, vastgelegd in een rapportage van 5 januari 2006, blijkt dat de onafhankelijke rapporteurs voortzetting van verlofbeleid verantwoord vinden en voorts dat het recidiverisico gering wordt geacht. Ten aanzien van het onderzoek met het oog op een eventuele beslissing tot terugplaatsing naar het gevangeniswezen hebben de rapporteurs desgevraagd aangegeven dat terugplaatsing naar het gevangeniswezen voor eiser krenkend en teleurstellend zal zijn doch dat eventuele angsten en/of depressieve symptomen ook in de gevangenis behandeld kunnen worden. Eiser is detentiegeschikt, aldus de rapportage.

1.14. Op de aanvraag van de Van der Hoevenkliniek tot onbegeleid verlof van eiser, door gedaagde ontvangen op 12 juni 2006, is bij brief van 2 oktober 2006 afwijzend beslist.

1.15. Op 15 juni 2006 is ten aanzien van eiser een telefonische machtiging voor begeleid verlof afgegeven. Op grond van artikel 53, tweede lid van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden (RvT) wordt zo'n machtiging verleend voor de duur van een jaar. De machtiging is niet verlengd. Voor het geval de Van der Hoevenkliniek zich op het standpunt zou stellen dat er wel sprake zou zijn van een machtiging tot begeleid verlof heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna ook: de Staatssecretaris) de kliniek bij brief van 24 augustus 2007 meegedeeld dat die machtiging per direct wordt ingetrokken.

1.16. Eiser heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (RSJ) en verzocht de beslissing te schorsen. Het schorsingsverzoek is bij uitspraak van 6 september 2007 afgewezen.

1.17. Bij nota van 13 februari 2007 is de Minister van Justitie (hierna ook: de Minister) door de Dienst Justitiële Inrichtingen, Sectordirectie TBS, geïnformeerd omtrent het voornemen eiser terug te plaatsen naar het gevangeniswezen:
"Motivering voornemen tot terugplaatsing in het gevangeniswezen
Conform het verloftoetsingskader (.....) is verlofverlening aan justitiabelen met een levenslange detentievorm niet mogelijk, tenzij gratieverlening wordt overwogen. Uit recente informatie van de van der Hoevenkliniek (.....) blijkt dat de behandeling nog de nodige tijd zal vergen en dat (voorwaardelijke) gratieverlening pas op langere termijn tot de mogelijkheden behoort. Verlofverlening aan dhr. [X] is daarom in strijd met het geldende verlofbeleid. Zonder verlofmogelijkheden is er binnen de tbs-setting geen behandelingsperspectief voor betrokkene. Gezien het onafhankelijk advies d.d. 19 december 2005 (.....) is betrokkene detentiegeschikt. Op grond van het voorgaande ben ik voornemens hem terug te plaatsen in het gevangeniswezen."

1.18. In het vernieuwde "toetsingskader verlof ter beschikking gestelden", van april 2005, wordt verlofverlening verboden aan justitiabelen die met een levenslange detentievorm in tbs verblijven. In paragraaf 2.2. "Doelgroep" van het toetsingskader wordt hieromtrent overwogen: "(.....) Afhankelijk van de doelstelling van overplaatsing (tijdelijk ter stabilisatie of langdurig vanuit de aard van de stoornis) kan verlof conform het format worden aangevraagd. Voorwaarde is dat de prognose en de behandeldoelen verlofbeleid toelaten. Bij levenslange detentievormen is verlof daarom niet mogelijk. In gevallen van levenslange detentie is het alleen mogelijk geoorloofd incidenteel afwezig te zijn op basis van humanitaire gronden. (.....)"

1.19. In 2007 is een herzien verlof toetsingskader gepubliceerd.

1.20. Bij brief van (eveneens) 24 augustus 2007 heeft de Staatsecretaris meegedeeld dat volgens de Minister vooralsnog geen sprake is van een situatie waarin gratie wordt overwogen. Voorts is in de brief meegedeeld: "(.....) Bij de plaatsing van de heer [X] vormde de mogelijkheid van gratie een belangrijk element. In het verlofbeleid dat gold tot de inwerkingtreding op 1 juli 2007 van het huidige verloftoetsingskader, bestond de mogelijkheid om in dit soort gevallen resocialisatieverlof te verlenen. Conform het geldende verloftoetsingskader komt de heer [X] als levenslanggestrafte niet meer in aanmerking voor resocialisatieverlof. In dat licht is van belang dat bezien zal moeten worden welke gevolgen een en ander heeft voor de behandeling, die de heer [X] in uw kliniek geniet. Eerder is door u aangegeven dat het niet toestaan van verlof aan de heer [X] tot gevolg heeft dat u de heer [X] niet kunt behandelen op de wijze die u wenselijk acht. Om die reden acht ik het wenselijk dat de heer [X] overeenkomstig het in artikel 13, derde lid, Wetboek van Strafrecht bepaalde onderzocht wordt ten einde de opportuniteit van zijn plaatsing in de Van der Hoevenkliniek te kunnen beoordelen (.....)". De kliniek heeft daarop verwezen naar eerdere adviezen en overwogen dat gratie op dit moment geen optie is die door de kliniek is ingebracht.


2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert na wijziging van eis -zakelijk weergegeven-:
I. primair:
-gedaagde te veroordelen zich te onthouden van handelingen gericht op terugplaatsing van eiser in het gevangeniswezen;
subsidiair:
-gedaagde te veroordelen zich te onthouden van handelingen gericht op terugplaatsing van eiser in het gevangeniswezen behoudens indien naar het oordeel van de Van der Hoevenkliniek terugplaatsing geïndiceerd is op gronden ontleend aan de verloop van de behandeling van eiser;
II. primair:
-te bepalen dat gedaagde zal gehengen en gedogen dat de Van der Hoevenkliniek zal handelen als ware eiser een machtiging tot onbegeleid verlof verleend, tot de datum waarop gedaagde een daartoe strekkende machtiging zal hebben verleend;
subsidiair:
-te bepalen dat gedaagde een machtiging tot onbegeleid verlof dient te verlenen;
III. voor het geval het primair gevorderde onder II niet wordt toegewezen:
- te bepalen dat gedaagde zal gehengen en gedogen dat de Van der Hoevenkliniek zal handelen als ware een machtiging tot begeleid verlof van kracht, zulks tot de datum waarop gedaagde een daartoe strekkende machtiging zal hebben verleend, althans totdat door de Raad voor de Strafrechtstoepassing zal zijn beslist op het door eiser ingestelde beroep.

Daartoe voert eiser het volgende aan.
-De afspraken zoals die zijn vastgelegd in de memo is een driepartijen overeenkomst. Deze overeenkomst verplicht de Van der Hoevenkliniek jegens gedaagde om eiser in de kliniek op te nemen en hem te behandelen op de wijze en met het doel als weergegeven in de memo. Gedaagde is verplicht jegens eiser de condities in het leven te roepen die de door de kliniek voorgestane behandeling mogelijk maken. Tot die condities behoort het verlenen van de voor verlof noodzakelijke machtigingen. Dat de overeenkomst ziet op een bijzondere situatie doet aan de kwalificatie van de overeenkomst als driepartijen overeenkomst niet af. Zo er geen driepartijen overeenkomst is, is er sprake van een overeenkomst tussen gedaagde en de Van der Hoevenkliniek waarin een derdenbeding ten behoeve van eiser is opgenomen.
-Zo er geen sprake is van een contractuele relatie dient te worden vastgesteld dat gedaagde bij eiser gerechtvaardigde en voldoende concrete verwachtingen in het leven heeft geroepen ter zake diens aanspraak op behandeling. Eiser heeft niet hoeven verwachten dat gedaagde op het standpunt als weergegeven in de memo zou terugkomen in een situatie waarin het gedrag van eiser daartoe geen aanleiding zou geven.
-De handelwijze van gedaagde levert wanprestatie op. Eiser vordert nakoming door gedaagde van hetgeen waartoe gedaagde zich heeft verbonden.
-Gedaagde handelt tevens onrechtmatig jegens eiser wegens strijd met de op gedaagde rustende rechtsplicht voortvloeiende uit artikel 37c Sr., nu gedaagde verdere behandeling verhindert. Ook maakt gedaagde inbreuk op de op hem rustende betamelijkheids- en zorgvuldigheidsnormen door enerzijds te handelen in strijd met de bij eiser gewekte verwachtingen, en door anderzijds wanprestatie van de kliniek jegens eiser uit te lokken. Voorts pleegt gedaagde inbreuk op de subjectieve rechten van eiser ontleend aan respectievelijk artikel 3 EVRM (het recht om gevrijwaard te blijven van een onmenselijke of vernederende behandeling), artikel 5 EVRM (het recht om gevrijwaard te blijven van een detentie waaraan het rechtmatig karakter is komen te ontvallen), artikel 8 EVRM (het recht om gevrijwaard te blijven van inmenging in het privéleven, het familie- en gezinsleven).
Met de wetenschap die nu bestaat over eiser is het zeer aannemelijk dat destijds verminderderde toerekeningsvatbaarheid had moeten worden vastgesteld. In dat licht moeten de afspraken worden gezien die zijn vastgelegd in de memo. Eiser is na achttien jaar detentie op 31 augustus 2001 voor een resocialisatiebehandeling in de Van der Hoevenkliniek geplaatst. Nadat de behandeling traag op gang kwam is daarna de behandeling naar tevredenheid verlopen.
-De handelwijze van gedaagde zowel voor als na de totstandkoming van de memo is in strijd met artikel 3 EVRM en de periode na de totstandkoming van de memo levert schending van gewekte verwachtingen op. Terugplaatsing impliceert dat eiser perspectief wordt onthouden waarop hij krachtens artikel 3 EVRM aanspraak maakt.
Tevens is onder de gegeven omstandigheden aan de detentie zoals gedaagde die zich voorstelt het rechtmatig karakter komen te ontvallen, zodat het handelen van gedaagde tevens een inbreuk oplevert van het bepaalde in artikel 5 EVRM.
Eiser is gehuwd en heeft een zoon. Op gedaagde rust in het kader van artikel 8 EVRM de verplichting het uitoefenen van privéleven, familie- en gezinsleven te bevorderen. Dat eiser tot een levenslange vrijheidsstraf is veroordeeld kan hem niet worden tegengeworpen gelet op de afspraken zoals die zijn vastgelegd in de memo, de achtergrond en de totstandkoming van die afspraken alsmede de feitelijke ontwikkeling nadien.
-Mede in het licht van artikel 13 lid 3 Sr. juncto artikel 41 lid 2 PM kan terugplaatsing van eiser naar het gevangeniswezen niet aan de orde zijn. Het verloftoetsingskader kan dan ook nimmer een inbreuk rechtvaardigen op wettelijke en verdragsrechtelijke regels, op overeenkomsten zoals vastgelegd in de memo en op gerechtvaardigde verwachtingen.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat voor zover nodig hierna zal worden besproken.


3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiser legt aan zijn vordering de stelling ten grondslag dat gedaagde (de Minister en/of de Staatssecretaris) jegens hem onrechtmatig handelt door -het voornemen- eiser terug te plaatsen in het gevangeniswezen op grond van het gewijzigde beleid ten aanzien van het toetsingskader verlof, alsmede door hem geen verlofmachtiging te verstrekken. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter -in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding- gegeven.

3.2. Voor de ontvankelijkheid van eiser in dit kort geding is nodig dat er niet een andere, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang voor hem openstaat of heeft opengestaan. In het bijzonder dient te worden onderzocht of eiser zich richt tegen een besluit / voornemen waartegen hij beroep kan instellen bij de RSJ.

3.3. Eiser is bij sedert 1985 onherroepelijk arrest veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het op 11 maart 1998 door eiser ingediende gratieverzoek is op 16 januari 2001 afgewezen.

3.4. Vaststaat dat het verzoek van het ministerie van justitie d.d. 6 december 2000 om eiser op te nemen, aanvankelijk door de Van der Hoevenkliniek is afgewezen. Eiser was niet gemotiveerd voor een behandeling en vanwege het ontbreken van een tbs-titel kon van een concrete behandeling geen sprake zijn, aldus de kliniek. Opname van eiser achtte de kliniek dan ook niet verantwoord. Het overleg dat vervolgens omtrent de plaatsing van eiser heeft plaatsgevonden moet naar voorlopig oordeel dan ook in dat licht worden bezien. Genoemd overleg heeft immers geleid tot een behandelplan, ook wel een beleidsvoornemen, en is vastgelegd in de memo van 9 juli 2001. Eiser is vervolgens op 31 augustus 2001 op grond van artikel 13, eerste lid, Sr. geplaatst in de Van der Hoevenkliniek. Ingevolge die bepaling kan een veroordeelde tot gevangenisstraf wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens worden geplaatst in een tbs-kliniek.

3.5. Het betoog van eiser dat de memo is te kwalificeren als een civielrechtelijke overeenkomst dan wel een derdenbeding wordt niet gevolgd. Partijen zijn in overleg getreden na de aanvankelijke afwijzing van de kliniek, in een poging hem alsnog geplaatst te krijgen. Van belang is daarbij dat aan het aanvankelijke bezwaar van de kliniek tegemoet is gekomen en daartoe een behandeldoelstelling is vastgelegd in meergenoemd memo. De kliniek heeft eiser vervolgens -alsnog- opgenomen.

3.6. De kliniek berichtte op 29 november 2005 dat de behandeling van eiser moeizaam verliep, de ontwikkeling gering was en de prognose niet optimistisch. Klinische structuur, intensief toezicht en intensieve begeleiding werden nog gedurende lange tijd noodzakelijk geacht. Op 4 augustus 2006 rapporteerde de kliniek een positieve wending in de behandeling van eiser; er kon volgens de kliniek een stap gezet naar begeleide en onbegeleide vrijheden. De doelstelling van een klinische behandeling met resocialisatie als einddoel kon volgens de kliniek worden gehandhaafd, zij het dat een en ander nog lange tijd zou vergen. Op 1 juni 2006 heeft de Minister de Van der Hoevenkliniek bericht dat op grond van het gewijzigde toetsingskader verlof de verlofmarges niet konden worden gecontinueerd en dat zou worden voorgesteld eiser terug te plaatsen naar het gevangeniswezen.

3.7. Ter beoordeling ligt allereerst voor de vraag of eiser ontvangen kan worden in zijn vordering gedaagde te veroordelen zich te onthouden van handelingen gericht op terugplaatsing van eiser in het gevangeniswezen alsmede te bepalen dat gedaagde zal gehengen en gedogen dat wordt gehandeld alsof eiser over een verlofmachtiging beschikt dan wel gedaagde te bevelen onbegeleid verlof te verlenen.

3.8. Bovengenoemde vraag wordt ontkennend beantwoord. Daartoe wordt overwogen als volgt. Gedaagde beraadt zich thans omtrent de vraag of eiser moet worden teruggeplaatst in het gevangeniswezen. Zulks vereist een zorgvuldige -interne- besluitvorming. Daarbij is onder andere van belang dat de plaatsing van eiser in de kliniek in 2001 te verantwoorden was in het kader van een mogelijk perspectief op (voorwaardelijke) gratie. Indien perspectief op gratie zou (komen te) ontbreken zou terugplaatsing in het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn is -ook- in de memo / het beleidsvoornemen vastgelegd. De Minister heeft zich dan ook over de vraag gebogen of de situatie zich voordoet waarbij gratie voor eiser wordt overwogen. De Minister heeft daartoe deskundigen verzocht hem omtrent eiser te rapporteren. Een en ander hield naast de ongunstige rapportage in 2005 betreffende de moeizaam verlopen behandeling van eiser gedurende de eerste vier jaar in de kliniek, eveneens verband met het gewijzigde toetsingsbeleid verlof. De Minister is vervolgens tot de conclusie gekomen dat gratie voor eiser -thans- geen reële optie is. Bepalend daarbij is dat er zich geen grond -dan wel een concreet uitzicht dat één van die gronden- voor gratie voordoet als bedoeld in artikel 2 van de Gratiewet. Terugplaatsing van eiser naar het gevangeniswezen wordt dan ook door de Minister ernstig in overweging genomen.

3.9. De Staatssecretaris en de Minister komen in deze een ruime beleidsvrijheid toe in het kader van hun verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van levenslange gevangenisstraf en maatregelen als de daarmee samenhangende bevoegdheid om te onderzoeken of eventueel dient te worden overgegaan tot terugplaatsen van eiser in het gevangeniswezen. Met andere woorden de Staatssecretaris en de Minister komt ruime beleidsvrijheid toe met betrekking tot de vraag of de plaatsing van eiser in de tbs-kliniek dient te worden heroverwogen. Zulks betreft -de voorbereidingen van- de interne beleidsvoering van het ministerie die niet onderworpen kan worden aan een rechterlijke toetsing. Daar komt bij dat voor eiser, indien de Minister daadwerkelijk besluit hem terug te plaatsen in het gevangeniswezen, beroep open staat op grond van artikel 13, vierde lid Sr. De thans namens eiser aangevoerde omstandigheden kunnen ter gelegenheid van dat beroep aan de orde gesteld worden bij de RSJ, een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.

3.10. In het kader van zijn eindverantwoordelijkheid ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen dient ook de machtiging voor verlofverlening te worden gezien. Ook in deze komt de Staatssecretaris en de Minister een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Na aanscherping in 2005 van het verlofbeleid is als uitgangspunt gehanteerd dat geen verlofmachtiging in geval van levenslange detentie wordt verstrekt, tenzij gratieverlening wordt overwogen. Met andere woorden: indien geen concreet uitzicht bestaat op terugkeer in de samenleving kan verlofverlening niet worden gerechtvaardigd (met uitzondering van incidenteel verlof op grond van humanitaire gronden).

3.11. Vaststaat dat de op 15 juni 2006 gegeven machtiging tot begeleid verlof voor de duur van één jaar niet is verlengd. Voorts staat vast dat -voor het geval de machtiging onverhoopt niet zou zijn komen te vervallen- de verlofmachtiging tot begeleid verlof bij brief van 24 augustus 2007 per direct is ingetrokken. Van enige verlofmachtiging is op dit moment dan ook geen sprake. Met betrekking tot de -intrekking van de- machtiging begeleid verlof op grond van artikel 69, eerste lid, onder c van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden staat beroep open. Die procedure staat in de weg aan de ontvankelijkheid van de vorderingen van eiser met betrekking tot de verlofmachtiging in dit kort geding. Het betreft immers een met voldoende waarborgen omklede rechtgang bij de RSJ. Eiser heeft dan ook aan de voorzitter van de RSJ verzocht de beslissing van 24 augustus 2007 te schorsen totdat de beroepscommissie op het door hem ingestelde beroep heeft beslist. Bij uitspraak van 6 september 2007 heeft de voorzitter van de RSJ het verzoek tot schorsing afgewezen.

3.12. Ten overvloede wordt nog overwogen dat hetgeen eiser vordert onder II en III ook overigens als te verstrekkend en te onbepaald zou moeten worden afgewezen. Zoals hiervoor reeds overwogen kan gedaagde met het oog op de ruime beleidsvrijheid in principe niet gedwongen worden een verlofmachtiging te verlenen, dan wel te gehengen en gedogen dat de kliniek handelt als ware zo'n verlofmachtiging aan eiser verleend, al dan niet tot het moment waarop zo'n machtiging wel zal zijn verleend. Daarenboven is er op dit moment geen verzoek van de kliniek tot het verstrekken van een verlofmachtiging, waarop nog niet is beslist. Een -spoedige- positieve beslissing ten aanzien van een verlofmachtiging ligt dan ook reeds daarom niet in de lijn der verwachting. Voor het maken van een uitzondering op genoemd principe is dan ook onvoldoende grond. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde niet veroordeeld zou kunnen worden tot het verlenen van een verlofmachtiging, dan wel te gehengen en gedogen dat de kliniek handelt als ware een verlofmachtiging verstrekt, nu zulks -naar voorlopig wordt geoordeeld- in de nabije toekomst geen reële optie is.

3.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser niet ontvankelijk is in zijn vorderingen.
Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.


4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op ? 1.067,--, waarvan ? 816,-- aan salaris procureur en ? 251,-- aan griffierecht;


verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 2 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.
nk
 

 
 
30-12-08 drs.J.W.Swaen www.blikopdewereld.nl

 

 

Wie is online

We hebben 22 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.