Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Onderwijs Peellandcollege Constructivisme; ofwel hoe leert een mens

Constructivisme; ofwel hoe leert een mens

E-mail Afdrukken PDF

Constructivisme; ofwel hoe leert een mens

Rob van der Haar

drs.J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl

Onderwijs is onze broodwinning. Toch hebben we het zelden over de vraag: “hoe leert een leerling?” Dat is m.i. niet terecht. Als we het onderwijs effectief willen inrichten en willen weten of ‘actief en zelfstandig’ slechts leuzen zijn of zinvolle begrippen dan zullen we de achtergronden van het leren moeten bespreken. Ook als je ICT efficiënt wilt inzetten, dus op de juiste plaatsen in het leerproces gebruiken, komen we bij deze vragen terecht. Omdat we binnen het onderwijs allemaal in een bepaalde -en dus onderling verschillende- periode onze didactische kennis hebben opgedaan, zijn de verschillen in kennis en vaardigheden op dit vlak levensgroot aanwezig. We schetsen daarom kort de ontwikkelingen op leerpsychologisch vlak in de vorige eeuw. Op die manier komen we vanzelf bij het constructivisme. Constructivisme als huidige stand van inzicht omtrent leren.

Leertheorie; historisch gezien

We beginnen bij de behavioristische leertheorie, de gedragsbenadering. Bekende termen die bij deze theorie passen zijn klassiek conditioneren, bijvoorbeeld het Pavlov reflex, trial and error (gissen en missen) en shaping, (modelleren: complex leren bereiken door kleine stapjes aan te leren met straffen en belonen). Straffen en belonen zijn belangrijk bij het gedragsleren. Deze aanpak kan met name bij het afleren van storend gedrag in de klas een rol spelen. Uit meerdere onderzoeken blijkt wat we uit de praktijk al weten, nl dat belonen van positief gedrag uiteindelijk meer oplevert dan het afstraffen van negatief gedrag. Na het behaviorisme ontstond de cognitieve leerpsychologie. Dit model is voor een groot deel gebaseerd op ideeën uit de Gestalt-psychologie. Het uitgangspunt is dat mensen proberen alle informatie die ze opdoen te ordenen tot zgn. “gute gestalten”, een zinvol geheel waarbinnen de waarneming past.

Een belangrijk verschil in de gestalt-benadering in vergelijking tot de gedragsbenadering is het idee dat het leren niet berust op toeval (gissen en missen), maar op het inzicht krijgen in het probleem. Gebruikte termen hierbij zijn onder andere transfer (inzicht kunnen toepassen in nieuwe situaties) en probleemsituatie (de leersituatie moet afhankelijk van de creativiteit van de leerling zo zijn ingericht dat de leer-stap te nemen is). In de jaren zestig van de twintigste eeuw komt het onderzoek naar hoe er geleerd word in een stroomversnelling. Gestalt-psychologen eisten hierbij meer aandacht voor het denken, cognitie, als medium voor het leren. Zo ontstond de volgende stroming: de cognitieve leerpsychologie. Met de opkomst van de computer ontstond ook het beeld van de mens als een informatie verwerkende eenheid.

Zelf leren

De mens is een informatie verwerkend systeem met ratio en creativiteit. Hij verzamelt informatie, selecteert, ordent en vat samen en dat alles op zo’n manier dat het binnen zijn cognitieve structuur past. Aan de docent de taak te zorgen dat het aangebodene te bevatten is binnen de cognitieve structuur van de leerling en te zorgen dat bovendien die structuur voortdurend wat wordt opgerekt.

Eén van de belangrijkste ideeën is dat de lerende actief en ontdekkend bezig is. Met andere woorden de leerling moet zelf kennis construeren en niet uitsluitend door anderen geconstrueerde kennis opnemen. Begrippen, regels, principes en oplossingsmethoden die door de leerling zelf zijn bedacht worden beter onthouden. De kennis sluit beter aan bij de eigen kennisstructuur en de mogelijkheid tot toepassing in andere situaties, de transferwaarde, is groter. Bovendien zal de extrinsieke motivatie overgaan in intrinsieke motivatie.

Dit betekent niet dat er geen rol is voor de docent op het gebied van aanbieden van de lesstof in voor leerlingen behapbare porties. Wel is het belangrijk te voorkomen dat de leerling te passief kan worden. Dat kan bereikt worden door verwijzingen naar of te vergelijken met andere leerstof, te laten samenvatten, en door leerlingen met begrippen te confronteren die niet overeenkomen met het dagelijks gevoel (wat is sneller op de grond een ijzeren kogel (60 gram) of een evengrote houten kogel (10 gram) als je ze van dezelfde hoogte laat vallen.). Om betekenisvol leren plaats te laten vinden moet aan drie voorwaarden worden voldaan: de stof moet geschikt en goed zijn, de leerling moet er aan toe zijn (cognitieve structuur goed) en de leerling moet bereid zijn de stof op te nemen.

Bekwaamheden

Leerlingen hebben en ontwikkelen verschillende bekwaamheden, capabilities. Cagné brengt hierin een onderverdeling aan. Hij onderscheidt de volgende hoofdcategorieën: parate kennis (declaratieve kennis), intellectuele vaardigheden (procedurele kennis), cognitieve strategieën (metacognitieve kennis), houdingen (attituden), motorische vaardigheden. Hij maakte daarbij duidelijk dat parate kennis nodig is om intellectuele vaardigheden te ontwikkelen. Zo moet je een aantal diersoorten kennen (parate kennis) voordat je de dieren kunt onderscheiden in vleeseters, planteneters en alleseters. Daarna kun je het hebben over enkelvoudige regels (bijvoorbeeld: herbivoren eten alleen plantaardig voedsel) en meervoudige regels (bijvoorbeeld: iedere diersoort heeft zijn eigen voedingsgewoonten). Ken je voldoende regels en principes dan kun je “leren problemen op te lossen” (bijvoorbeeld wat gebeurt er in de voedselketen als de muizen plotseling uitsterven).

Daarbij merkt Cagné nog op dat er twee belangrijke soorten factoren zijn die de kwaliteit van het leerproces beïnvloeden, te weten factoren die aan de leerling gekoppeld zijn zoals zijn beginniveau, opmerkzaamheid en persoonlijkheidsstructuur (wel of niet last van faalangst etc.) en omstandigheden die in de omgeving zitten. Bij dat laatste denken we dan aan de inrichting van het klaslokaal, hulpmiddelen, sfeer in de groep, etc.

Volgend of sturend

De Russische ontwikkelingspsycholoog Vygotski (1896-1934) ging er van uit dat nieuwe kennis en kunde in de buurt zal moeten liggen van reeds bestaande kennis en kunde om opgenomen te kunnen worden. Volgens hem zal onderwijs altijd ontwikkelend moeten zijn. Dat wil zeggen dat de te leren vaardigheden net wat verder moeten liggen dan de al beheerste vaardigheden, anders is er geen sprake van mentale ontwikkeling. Hij noemde dit de ‘zone van naaste ontwikkeling’. Hiermee zette hij zich af tegen het zgn. volgend onderwijs, waarbij werd gewacht tot het kind zelf toe was aan een nieuwe ontwikkeling. (zei schoolmeester Bint uit de gelijknamige roman van Bordewijk ook al niet: “dat je je als meester niet moest verlagen tot het niveau van het kind, maar dat het kind zich juist moest verheffen tot het niveau van de meester”.)

Tot zover de historische beschrijving; we gaan nu kijken naar het constructivisme.

De constructivistische theorie

De huidige maatschappij vraagt andere vaardigheden van zijn burgers. Omdat de digitale technieken snellere wijzigingen mogelijk maken, veranderen kennis en procedures in het bedrijfsleven en andere delen van de maatschappij sneller dan ooit. Termen als ‘een leven lang leren’ komen we dan ook overal tegen. Omdat leren daardoor minder gekoppeld is aan school maar door de hele maatschappij heen plaatsvindt, is het belangrijk dat ‘leerlingen’ een grotere rol vervullen in het begeleiden van hun eigen leerproces. Dit vereist metacognitie, op school zeggen we dan dat we leerlingen leren te leren. Daarbij spelen bij verschillende leerlingen verschillende dingen een rol. Denk bijvoorbeeld aan het stadium in de ontwikkeling van dat leren leren, de manier van kennis vergaren (leerstijl) en persoonlijkheidskenmerken. De kerntaak van de school wordt dan ook om het individuele leerproces te ondersteunen. Daarbij is het volgende van belang:

lesgeven moet -uiteindelijk- een dermate ruim geheel worden dat elke leerling daarin actie en interactie ondervindt die hem een grote mate van vrijheid en verantwoordelijkheid biedt.

Er staat ‘uiteindelijk’ tussengevoegd omdat we natuurlijk niet kunnen verwachten dat leerlingen in alle leeftijden en afdelingen die vrijheid en verantwoordelijkheid aankunnen. We zullen als school de leerlingen deze vaardigheden en houdingen moeten leren. We komen daarbij weer op de bekwaamheden van Cagné terug. Bepaalde basiskennis, vaardigheden en houdingen moeten bekend zijn voordat je op metacognitief gebied aan de slag kunt. Het lijkt daarbij logisch om in de basisvorming die basisvaardigheden aan te leren. Bij de inrichting van die basisvorming moet je als school dus goed vooruit kijken naar het vervolgonderwijs binnen de eigen school en daarna. Een belangrijke vraag is daarbij of en hoe we kunnen inspelen op de verschillen van de individuele leerling. Omdat de leerling een groter aandeel heeft in het opbouwen van zijn kennis en vaardigheden wordt de huidige benadering de constructivistische theorie genoemd.

De leerling binnen de constructivistische theorie

Vanzelfsprekend is het niet zo dat met de komst van de constructivistische leertheorie alle voorgaande theorieën vervallen zijn. Op een soortgelijke wijze als de natuurkunde van Newton nog bruikbaar is bij het beschrijven van vele verschijnselen, ondanks het gegeven dat Einstein heeft aangetoond dat Newton zijn wetten niet kloppen op het moment dat we kijken naar voorwerpen met een zeer grote snelheid. Om de leerling zelf een rol te laten spelen bij zijn kennisopbouw, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Hij moet willen leren (houding/motivatie), hij moet doelen kunnen stellen en hij zal moeten weten hoe de kennis te vergaren (leren leren). Het eerste punt, willen leren, is gekoppeld aan zicht hebben op de zin van de opleiding en de leerstof.

Doelen kunnen stellen is een vaardigheid op zich. Doelen moeten concrete vaardigheden weergeven. Bijvoorbeeld: ‘de docent in het voortgezet onderwijs kan vijf verschillende leerstijlen beschrijven’. Voorwaarde is dat de doelen haalbaar zijn. Zowel te laag als te hoog gestelde doelen tasten de motivatie aan. Leren leren bevat een heel scala aan variabelen. Dat betreft zowel persoonlijkheidskenmerken (leerstijl, nauwgezetheid, zelfsturing, thuisomstandigheden, gezondheid) als basisvaardigheden (kunnen scheiden van zinvolle informatie en pulp, kunnen plannen etc.). Zo zal de leerling een eigen leerstijl hebben. We bespreken daarom een aantal beschrijvingen van leerstijlen.

Leerstijlen

Binnen de taak om ‘stof op te nemen’ zijn er individuele verschillen tussen leerlingen. Hieronder volgt een overzicht van verschillende beschrijvingen en indelingen:

De leerstijlen van Kolb:

Divergente leerstijl: de lerende bekijkt elke vraag vanuit een aantal gezichtspunten. Het resultaat is het produkt van zowel zien als denken. (De beschouwer)

1)      Assimilerende leerstijl: zien, overdenken en zoeken naar een beschrijvend model. (De denker)

2)      Convergente denkstijl: abstracte denker, vlot een antwoord. (De beslisser)

3)      Uitvoerende leerstijl: doen en op basis van dat handelen de bevindingen bijstellen. (De doener)

Kolb gaat er in zijn ervaringsleren van uit dat een lerende vier stadia moet doorlopen om zinvol te leren. Afhankelijk van het hierboven genoemde type leerling zou je dan in de corresponderende fase moeten beginnen voor een optimaal leerresultaat. Verwerken van concrete ervaringen, een model hieruit afleiden (abstraheren), actief  experimenteren  en beschouwend terugkijken zijn hierbij de stadia.

Leerconcepties of mentale leermodellen naar Vermunt (1992 en 1997)

1    De opnameleerconceptie; bijvoorbeeld het opbouwen van een woordenschat bij het starten van het onderwijs in een vreemde taal.

2    De constructieleerconceptie; je krijgt inzicht door verbanden met bestaande kennis te leggen. Je weet dat de stroomsterkte in een draad evenredig is met de aangelegde spanning tussen de uiteinden en krijgt door dat je grootte van de warmte-lek door een muur (warmtestroom) ook kunt opvatten als het resultaat van het temperatuurverschil voor en achter de muur.

3     De toepassingleerconceptie; de nadruk ligt op toepassen van het geleerde. Bij het gebruik van onregelmatige werkwoorden komt het aan op het kunnen gebruiken, niet op het kunnen opnoemen van de regels.

4     De stimuleringsconceptie; externe motivatie is belangrijk.

5     De samenwerkingsleerconceptie; samenwerking tussen leerlingen is erg belangrijk. Leerlingen steunen elkaar.

Leerstijlen (Vermunt; PMVO ‘verschil moet er zijn’)

1  Ongerichte leerstijl;  de leerling heeft behoefte aan een duidelijke leeropdracht.

2   Reproduktie gerichte leerstijl; van kleine porties naar groter werk

3    Betekenisgerichte leerstijl; ruime opdrachten zijn hier geschikt

4     Toepassingsgerichte leerstijl; doe-opdrachten

Leerstijlen in relatie tot computerprogramma’s

1) Veld-afhankelijke of onafhankelijke leerling; is de leerling afhankelijk van de precies aangegeven leerweg en de ondersteuning of gaat hij zijn eigen gang? De veld-afhankelijke leerling heeft een meer gestructureerd computerprogramma nodig.

2) De Holistische of analytische aanpak; analisten hebben moeite met simulatie-achtige programma’s en holisten hebben moeite met strak geleide programma’s.

3) Diepgang of oppervlakkige leerstijl. Bij geleide programma’s komt elke leerling tot dezelfde diepgang, in een open omgeving komen de verschillen naar boven.

4) Verbale of grafische leerstijl. De verbale types hebben meer aan programma’s met teksten en de andere leerlingen overzien de stof sneller met plaatjes.

Kennis binnen de constructivistische theorie

Tot zover de verschillen die bij leerlingen voor kunnen komen. We gaan nu achtereenvolgens kijken naar basiskennis, metakennis, motivatie en ondersteuning.

Voorkennis (Eng: Prior knowledge) speelt een belangrijke rol bij het leren. De leerling moet zowel in algemene zin als binnen het onderwerp de nodige voorkennis hebben om efficiënt kennis te kunnen verzamelen. Die basiskennis bevat algemene vaardigheden (een werkwoord kunnen vervoegen bij de talen), maar ook binnen het te bestuderen vakgebied (hoe zet je in het duits een zin van de tegenwoordige- in de verleden tijd). We noemden dat al eerder de cognitieve structuur. Deze basiskennis bevat zowel declaratieve- als procedurele kennis.

Metacognitieve kennis (Eng: Metacognition) is op een overeenkomstige wijze te verdelen als declaratieve en procedurele kennis. Enerzijds is er de kennis van je eigen cognitieve functioneren (hoe neem ik verschillende vormen van informatie het best op?) anderzijds kun je de leerprocessen bijstellen en dan heb je het over de manier waarop en ben je bezig met procedures. Leerlingen met onvoldoende kennis over hun eigen leren, hebben moeite om de juiste leerstrategie te vinden, terwijl studenten die goed op de hoogte zijn van de mogelijkheden van de leeromgeving hier maximaal van profiteren. Onderzoek uit de jaren ’90 toont aan dat je niet kunt spreken van dé goede manier om leerstof aan te bieden, waarbij opname van de stof is gegarandeerd. De persoon die de informatie opneemt speelt altijd een wezenlijke rol.

Om niet te verdwalen in de hypertekst, b.v. zou een goede studiewijzer zowel inhoudelijke informatie moeten bevatten als informatie over de te gebruiken media. Uit meerdere onderzoeken is gebleken dat ‘de betere leerling’ uit efficiëntie overwegingen vaak de strakke instructie methode kiest, terwijl dezelfde leerling meer zou leren uit een meer open omgeving. Bij zelf gereguleerd leren is het nodig dat de leerling op een adequate manier: a) zich oriënteert op doelen en leeractiviteiten, b) een planning maakt van leeractiviteiten in relatie tot de doelen, c) doelen kiest in relatie tot zijn mogelijkheden, d) de doelen inpast in zijn cognitieve structuur en de zin van de doelen duidelijk maakt, e) zijn motivatie hoog houdt, f) zijn voorkennis en vaardigheden laat aansluiten bij de nieuwe stof en g) het juiste gedrag aan de dag legt (beginnen, niet laten afleiden, etc.) Het expliciet definiëren van doelen is van belang omdat je op die manier het proces leidt.

Motivatie is de mate waarin een leerling bereid is energie te stoppen in een leertaak. De leerling moet tot meer bereid zijn  dan oppervlakkig door de informatie te ‘zappen’. Als je de motivatie van leerlingen wilt ondersteunen moet je niet mooie muziekjes en plaatjes toevoegen, maar zorgen dat de nieuwe kennis op een uitdagend niveau ligt voor de leerling. In tegenstelling tot het aanleren van basiskennis gaat het hier niet om een rechtevenredig verband. Te veel of niet genoeg uitdaging kan de motivatie sterk doen afnemen. Om de opname van vakspecifieke kennis te bevorderen hoef je slechts toegang te verzorgen tot de bewuste informatie. Als je het aanleren van algemene vaardigheden wilt ondersteunen moet je de leerling leren om informatie te verwerken en de reflectie over zijn handelen te vergroten. Om metacognitie te ondersteunen moet je de leeractiviteiten in samenhang met de doelen in de schijnwerpers zetten.

In het algemeen kun je als onderwijsgevende de ondersteuning afbouwen naarmate de lerende zelf een grotere verantwoordelijkheid gaat dragen. De ondersteuning in elk van de gebieden (basiskennis algemeen/vakgericht, metacognitieve kennis en motivatie) kan zowel impliciet als expliciet gebracht worden.

Groepsleren

Leerlingen kunnen leren van het feit dat ze elkaar zaken moeten uitleggen. Door het uitleggen maken ze facetten van de leerstof, ook voor zichzelf, expliciet en worden ze gedwongen om heel precies te zeggen wat ze bedoelen. Om effect te hebben van groepswerk is het goed om te bedenken dat de manier waarop je de taken samenstelt, de grootte van de groep en de samenstelling van de groep van belang zijn. De grootste productiviteit ligt vaak in groepjes van twee. De minder bekwame leerling leert het meest van een groep met gemengde samenstelling, terwijl de betere leerlingen het meeste leert met groepsgenoten op eigen niveau.

Constructivisme versus objectivisme

Er wordt in het onderwijs veel gewerkt vanuit het objectivistisch perspectief. De docent bepaalt vanuit de vakinhoudelijke voorsprong welke inhouden achtereenvolgens worden doorlopen en welke beelden de leerling daar dan bij heeft. Dat idee valt bij het constructivisme niet volledig weg  -zeker niet wanneer het gaat om basiskennis- maar de docent moet zich wel realiseren dat het begrip dat de leerling heeft opgedaan mede bepaald wordt door de leerling zelf.

Kort samengevat

De leer van het constructivisme laat zien dat het voor het leren belangrijk is dat:

1.   De leraar inziet dat nieuwe kennis wordt ingepast in het bestaande denken van de leerling en dus niet voor elke leerling gelijk is.

2.   Kennis van het leerproces –metacognitie- zeer belangrijk is.

3.   Leren gebeurt in het hoofd van de leerling, het verlangt dus activiteit van de leerling. De nadruk gaat van onderwijzen naar leren.

Ik ben ervan overtuigd dat begrip van het constructivisme een rol speelt bij alle werkvormen waarvan we gebruik maken in het onderwijs en niet is voorbehouden aan groepswerk of thematisch onderwijs. Welke werkvorm idealiter wordt gebruikt hangt af van de te leren vaardigheid.

Informatie over het Constructivistisme op het internet

Hier volgen enkele interessante sites:

Engelstalig

1.   http://www.sedl.org/pubs/tec24/welcome.html Website with good constructivism primer, classroom tips and links

2.   http://129.7.160.115/inst5931/Constructivism_Links#CDP constructivism
in classrooms

3.   http://www.pen.k12.va.us/Pav/Va_Assoc_Sci/construct3.html

4.   http://www.exploratorium.edu/IFI/resources/research/constructivism.html
Uitleg

5.   http://www.irc.gmu.edu

6.   http://www.prel.org/programs/Ms/standards.97/f6c2b.htm

7.   http://www.stemnet.nf.ca/~elmurphy/emurphy/home.html Uitgebreide site met o.a. Uitleg over constructivisme en bronnen.

8.   http://www.exploratorium.edu/IFI/recources/research/constructivisme.html

9.   http://www.ic.polyu.edu.hk/posh97/student/learn/learning_theories.html

10. http://curriculum.calstatela.edu/faculty/psparks/theorists/501learn.htm

11. http://hale.pepperdine.edu/~rsaldric/construct.html Website with resources for constructivist instruction

12. http://carbon.cudenver.edu/~mryder/itc_data/constructivism.html University of Colorado constructivism page


 

Nederlandstalig

13.  http://www.tsmconsultants.nl/CGO/TGO.htm

14.  http://www.goliath.nl/waarden/studie/hoeken/2artikelen/constructivisme/index.html

15.  http://www.socsci.kun.nl/ped/owk/projecten/paopabo2/teksten/cons 9710.htm verslag literatuurstudie KUN

16.  http://www.ouh.nl/open/mva/onderwijskunde/basistekstdeel6.htm
Uitleg over constructivisme

Divers

17.  http://www.efa.nl/opleidingen/pabo/links/ICT/ict_in_het_onderwijs.htm Op deze pagina staan links naar sites die over ICT in het onderwijs gaan en links naar portalsites.

Beter dan vissen te krijgen die je op kunt eten, is het om te leren vissen. Zoek in een zoekmachine (b.v. www.altavista.nl) bij geavanceerd zoeken bijvoorbeeld op constructivisme & leren   De engelstalige variant (www.altavista.com) brengt je bij engelstalige sites.  

19-11-05 drs. J.W.Swaen www.blikopdewereld.nl
 

Wie is online

We hebben 24 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.