DEN HAAG, 2 DEC. Ze wil de geschiedenis ingaan als de minister die scholen eindelijk vrij liet. De tijd van grote onderwijshervormingen, 'grand designs' zoals ze die zelf noemt, is voorbij.
Minister Maria van der Hoeven (Onderwijs, CDA), loodste deze week zonder veel moeite de begroting van haar departement door de Tweede Kamer. Er was grotendeels lof voor het nieuwe realisme op het ministerie van Onderwijs en bij de minister. Tweede-Kamerlid en partijgenoot Jan de Vries roemde Van der Hoeven als ,,de minister die terecht een punt zette achter de basisvorming en het studiehuis.''
Het beeld dat de minister bij een meerderheid van de Tweede Kamer oproept, is dat van een bewindsvrouw die het onderwijs na jaren van PvdA-dominantie terug geeft aan de scholen. Niet langer zijn kinderen en scholen de dupe van grote idealen als de emancipatie van bevolkingsgroepen.
Van der Hoeven doet ook haar best om het contrast met haar voorgangers zo groot mogelijk te doen overkomen. De onderwijsvernieuwingen uit de jaren negentig basisvorming en Studiehuis worden afgeschaft. Scholen hoeven niet meer te rekenen op vele circulaires van het ministerie.
Op wat licht gemor van de linkse oppositie na, krijgt de minister weinig weerwoord. Geen partij, zelfs de PvdA niet, durft dan ook nog enthousiast te zijn over de grote hervormingen van de jaren negentig. Kritiek op de minister komt al snel over als het verdedigen van de gehate vernieuwingen.
Maar hoe groot is de breuk met het verleden nou echt?
Eind 2003 zei Van der Hoeven dat de basisvorming in de laagste klassen van de middelbare school afgeschaft zou worden. Tien jaar daarvoor, in 1993, voerde toenmalig staatssecretaris Wallage (PvdA) deze vernieuwing in. Het was een sterk verwaterde versie van het sociaal-democratische ideaal van de 'middenschool' uit de jaren zeventig. Toenmalig minister Van Kemenade (PvdA) zag destijds nog voor zich dat leerlingen van alle niveaus samen les zouden krijgen. Dit zou de emancipatie van kinderen met een sociaal-economische achterstand bevorderen.
De middenschool bleek onhaalbaar, maar met het compromis van de basisvorming ging de Tweede Kamer akkoord. Mavo-, havo- en vwo-leerlingen kregen sindsdien in de eerste drie jaar hetzelfde, uitgebreide, pakket (vijftien vakken). In gezamenlijke brugklassen zouden kinderen van verschillende niveaus terechtkomen.
Al snel kwamen de problemen. Voor mavo-scholieren was het programma te zwaar, vwo-scholieren misten diepgang. Het bracht staatssecretaris Adelmund (PvdA) ertoe in 2001 het lesprogramma te differentiëren. Niet langer moest iedere leerling een eenvormig programma volgen, maar moest dat van het niveau van die leerling afhangen. Het was toen dus al afgelopen met de laatste middenschool-elementen in de basisvorming.
Onder scholen was de basisvorming nooit geliefd. Anders was dat met de tweede vernieuwing die onder Wallage bedacht werd: de Tweede Fase in de bovenbouw van havo en vwo. Hij vond dat er te veel kinderen naar het hoger onderwijs gingen. Bovendien waren ze er slecht op voorbereid. Sinds 1998, onder Wallages opvolger Netelenbos, volgden leerlingen daarom een breed pakket van algemeen vormende vakken en een profiel, zoals 'natuur en techniek'.
De meeste scholen, de Tweede Kamer én de organisaties voor vakdocenten zagen veel in de plannen. Er zou minder tijd voor diepgang zijn, maar leerlingen kregen een veel bredere en zwaardere opleiding. Bovendien moesten leerlingen beter voorbereid zijn op de informatiemaatschappij. Zij zouden meer zelfstandig werken en meer werkstukken maken. Leraren zouden 'begeleiders' worden. Deze filosofie heet het Studiehuis.
De stemming sloeg rond de eeuwwisseling om. Het lesprogramma zou te zwaar zijn en leraren zouden weinig bakken van het begeleiden. De Tweede Kamer en staatssecretaris Adelmund vorige maand overleden besloten na een uit de hand gelopen scholierenstaking het programma vanaf 2000 drastisch te verlichten daarmee vergetend dat die verzwaring nou juist hun bedoeling was toen zij de Tweede Fase invoerden.
PvdA'er Adelmund kón het niet zeggen, maar zij was degene die de basisvorming en het Studiehuis afschafte. Van der Hoeven heeft weliswaar snellere verlichtingen aangekondigd, maar tot dusverre borduurt zij voort op het beleid van Adelmund. Opvallend is ook dat haar hervormingsplannen voor de brugklassen sterk lijken op die van het zojuist ten grave gedragen Studiehuis: zelfstandiger werken, de leraar als begeleider, profielen kiezen in plaats van losse vakken.
Volgens Van der Hoeven is het verschil met de jaren negentig dat deze ideeën zijn ontstaan door gesprekken met 'het veld' leraren, scholenorganisaties en ouders. Van een ,,opgelegd pandoer'' is niet langer sprake. Maar juist deze groepen waren aanvankelijk ook enthousiast over het Studiehuis. Bovendien is het Studiehuis evenmin ooit verplicht geweest.
De enige vernieuwing waar Adelmund níét aan kwam, blijft ook onder Van der Hoeven vrijwel onaangeroerd: het vmbo. Sinds 1999 zijn mavo, vbo en het speciaal onderwijs samengegaan. Op die manier zou de mavo minder een light-versie van het havo worden en weer voorbereiden op het beroepsonderwijs. Kinderen met leer- en gedragsproblemen zouden hun stigma kwijtraken door naar een 'gewone' school te gaan.
De Onderwijsinspectie waarschuwt al enkele jaren voor de gevolgen van deze vernieuwing: 15 procent valt uit, de weg naar het havo is voor mavo-leerlingen afgesneden, de aansluiting met het mbo is niet verbeterd en het geweld neemt toe.