Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Rechtspraak Toch geen levenslange gevangenisstraf Deel 1 Cassatie Hoge Raad Levenslang Juliën Constantia

Deel 1 Cassatie Hoge Raad Levenslang Juliën Constantia

E-mail Afdrukken PDF

 

 

 

LJN: BI2315, Hoge Raad , 08/01313
Print uitspraak
Datum uitspraak:
17-11-2009
Datum publicatie:
17-11-2009
Rechtsgebied:
Straf
Soort procedure:
Cassatie
Inhoudsindicatie:
Afstand van rechtsbijstand. O.g.v. art. 6.3.c EVRM en art. 28.1 Sv is de verdachte bevoegd zich te laten bijstaan door een raadsman. In een aantal gevallen is toevoeging van een raadsman verplicht maar of een verdachte zichzelf ttz. wil verdedigen is zijn vrije keuze. Voor enkele gevallen heeft de wetgever dat stelsel doorbroken en is geen plaats voor afstand van het recht op rechtsbijstand (bijv. art. 503.1 Sv en art. 509a jo 509.3 Sv) waarmee is beoogd om verdachten die niet in staat moeten worden geacht hun positie in het strafproces te bepalen, te verzekeren van een effectieve verdediging. Dat betekent niet dat in de overige gevallen de zorg voor een dergelijke, door art. 6 EVRM vereiste verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dat geldt i.h.b. indien een verdachte t.a.v. wie de wetgever heeft voorzien in ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan. In een zodanig geval zal de rechter zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat daarvan sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte. Dat geldt m.n. waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen omdat hij, anders dan met de regeling van de ambtshalve toevoeging is beoogd, geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman heeft. In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk dienen te voorzien. Gelet op de juridische merites van de zaak i.c. en hetgeen er voor verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ttz. een wezenlijk belang was gemoeid. Het Hof heeft dat belang klaarblijkelijk onderkend en verdachte meermalen in de gelegenheid gesteld om zich alsnog met de ttz. aanwezige toegevoegde raadsman te verstaan, maar het Hof had eerst en vooral onder ogen te zien of sprake was van een desbewuste afstand van het recht op rechtsbijstand. Het Hof was i.c. gehouden een indringende toets aan te leggen en verdachte in overweging te geven al dan niet in overleg met de aanwezige raadsman en zo nodig na onderbreking of schorsing van de behandeling, zich te beraden omtrent de gevolgen van de door hem ingenomen proceshouding, opdat hij zijn standpunt op enig moment zou kunnen herzien. Het Hof heeft echter geen overweging gewijd aan de door verdachte gedane "afstand" van rechtsbijstand en uit het pv. ttz. volgt dat het Hof de keuze van verdachte zonder meer heeft aanvaard en het aan hem heeft gelaten of hij zich in de loop van het proces met de aanwezige raadsman wilde verstaan. Niet blijkt dat het Hof de motieven van verdachte voor die keuze heeft onderzocht, ofschoon uit de door verdachte opgegeven reden aanwijzingen vallen te putten dat hij de draagwijdte van die keuze niet ten volle overzag. Voorts blijkt niet dat het Hof op enig moment verdachte het belang van rechtsbijstand en de consequenties van de door hem ingenomen proceshouding heeft voorgehouden. I.c. is daarom sprake van een motiveringsgebrek.
 
Uitspraak
17 november 2009
Strafkamer
Nr. 08/01313

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 februari 2008, nummer 20/003420-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Amsterdam, locatie Het Schouw" te Amsterdam.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof om opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Waar het in deze zaak om gaat

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 1 december 2006 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes, in de hals en de nek van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2. De verdachte wordt vervolgd voor moord dan wel doodslag op een achtjarig kind. Het feit is gepleegd in het klaslokaal van de basisschool van het slachtoffer. De verdachte die ten tijde van het feit 22 jaren was, heeft het feit ontkend. In eerste aanleg is tegen de verdachte wegens moord 20 jaren gevangenisstraf en terbeschikkingstelling (hierna TBS) met dwangverpleging geëist. De Rechtbank achtte de voor moord vereiste voorbedachte raad niet bewezen en legde ter zake van doodslag een gevangenisstraf op van 12 jaren en TBS met dwangverpleging. Zowel het Openbaar Ministerie als de verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De behandeling in hoger beroep vond plaats op 12 februari 2008. De Advocaat-Generaal eiste wegens moord dezelfde straf als die welke in eerste aanleg was gevorderd. Het Hof legde ter zake van moord een levenslange gevangenisstraf op.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt dat bij de berechting in hoger beroep art. 6 EVRM is geschonden. Het bevat onder meer de klacht dat het Hof niet zonder nader onderzoek had mogen aannemen dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, althans dat het Hof zijn oordeel dat van een zodanige afstand kan worden gesproken, nader had dienen te motiveren.

3.2. De procesgang is voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest.
(i) In eerste aanleg werd de verdachte door een raadsman bijgestaan.
In hoger beroep heeft de voorzitter van het Hof op de voet van art. 41, eerste lid onder b, Sv aan de verdachte mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda, toegevoegd.
Bij brief van 8 januari 2008 heeft de verdachte het Hof te kennen gegeven dat hij de verdediging zelf wenste te voeren. Die brief houdt tevens een verzoek in tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging omdat het de wens van de verdachte om zichzelf te verdedigen niet zou hebben gerespecteerd.
Bij brief van 10 januari 2008 heeft de voorzitter van het Hof de verdachte meegedeeld dat de toevoeging meebracht dat "mr. Drenth u zal kunnen adviseren en verdedigen". Die brief vervolgt dan met: "In hoeverre u daar op enig moment gebruik van wilt maken is uiteraard geheel aan u voorbehouden. Ik heb mr. Drenth dan ook verzocht om u op de terechtzitting van
12 februari bij te staan en dus in ieder geval voor raadpleging door u beschikbaar te zijn".
Bij faxbericht van 7 januari 2008 heeft mr. Drenth de voorzitter van het Hof bericht dat overleg met de verdachte erin had geresulteerd dat deze zelf zijn verdediging wenste te voeren en noch door mr. Drenth, noch door een andere raadsman wenste te worden bijgestaan. Die brief vervolgt dan met: "Hij [de verdachte] heeft mij dit nogmaals uitdrukkelijk bevestigd: Hij wenst geen advocaat en geen bijstand. (...) Voorts kan ik u melden dat de inhoud van het gesprek met [de verdachte] zodanig van aard was dat ik mij als zijn toegevoegde raadsman terugtrek."
Bij faxbericht van 11 januari 2008 heeft mr. Drenth zijn bericht van 7 januari 2008 nogmaals onder de aandacht van de voorzitter gebracht.
Vervolgens is door de voorzitter van het Hof op 15 januari 2008 mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, als raadsman toegevoegd.
Bij brief van 24 januari 2008 heeft de verdachte de voorzitter van het Hof meegedeeld - kort gezegd - dat hij gebruik wilde maken van het recht om zichzelf te verdedigen, dat dat recht door de toevoeging van opvolgende raadslieden tot tweemaal toe door de voorzitter is "genegeerd" en dat hij daarvan "aantekening zal moeten laten maken bij het Europees Hof wegens schending van mensenrechten".

(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
"De voorzitter deelt vervolgens het volgende mede.
De verdachte heeft het hof schriftelijk laten weten dat hij geen gebruik wil maken van de diensten van een raadsman, dat hij geen juridische bijstand wenst en dat hij zijn eigen verdediging wenst te voeren. Het hof zal deze stellingname respecteren, doch het hof heeft tevens de verplichting om in een zaak als de onderhavige ambtshalve aan een verdachte een raadsman toe te wijzen. Het hof heeft zulks ook gedaan en om die reden is mr. Van Dijk in de zittingszaal aanwezig en hij staat de hele dag ter beschikking van verdachte. De voorzitter benadrukt dat, indien de verdachte ervoor kiest om geen gebruik te maken van de diensten van mr. Van Dijk dat goed is, maar als verdachte zich bedenkt hij dat meteen kenbaar kan maken. De voorzitter benadrukt dat het hof de verdachte daartoe alle ruimte wenst te bieden.

De verdachte deelt desgevraagd mede deze mededeling van de voorzitter te begrijpen.

Voorts stelt de voorzitter de verdachte de vraag of hij bezwaren heeft tegen de aanwezigheid van een tekenaar in de zittingszaal.

De verdachte antwoordt hierop dat hij daar geen bezwaar tegen heeft.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld en voegt daar het navolgende aan toe.
Ik heb bezwaar tegen de bewezenverklaring van de eerste rechter. Ik heb het feit niet gepleegd en ontken iedere betrokkenheid daarbij. Tevens heb ik bezwaar tegen de door de eerste rechter opgelegde maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede dat het hoger beroep zijdens het openbaar ministerie is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat slechts doodslag bewezen kan worden. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat er sprake is van moord, hetgeen tevens invloed heeft op de strafoplegging.

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat uit het dossier blijkt dat verdachte eerst in Hoogerheide heeft gewoond, dat hij op enig moment gedetineerd is geraakt, daarna in Den Haag is gaan wonen en uiteindelijk weer bij zijn moeder en stiefvader mocht gaan wonen.

De verdachte verklaart dat dat correct is.

De voorzitter houdt de verdachte vervolgens voor dat in de woning van zijn moeder en stiefvader op enig moment een huiszoeking heeft plaatsgevonden en dat toen een vuurwapen is aangetroffen.

De verdachte verklaart hierop - zakelijk weergegeven - als volgt.
Dat is niet correct. Het was geen echt vuurwapen maar een replica.

De voorzitter deelt mede dat het aangetroffen voorwerp een alarmpistool was dat voldeed aan de eisen van de Wet wapens en munitie.

De voorzitter houdt verdachte voor dat hij daarna niet meer bij zijn moeder en stiefvader mocht blijven wonen.

De verdachte antwoordt daarop dat dat juist is, maar dat er een voorgeschiedenis aan verbonden is.

Vervolgens houdt de voorzitter de verdachte voor dat hij blijkens het dossier op 30 november 2006 weer bij zijn moeder en stiefvader op de stoep stond en dat hij niet terug naar Den Haag wilde.

De verdachte verklaart daarop als volgt.
Dat is niet juist. Daarover heb ik een verklaring afgelegd. Nadat ik ben aangehouden wegens het plegen van een strafbaar feit, ben ik naar Den Haag verhuisd. Via het begeleid kamerbewoningstraject ben ik in de procedure terechtgekomen voor het zelfstandig kamerbewoningstraject. Tijdens die zelfstandige kamerbewoning kwam ik in contact met personen die niet pluis waren.
Zij woonden ook in die woning en vormden een bedreiging voor mijn persoonlijke levensomstandigheden. Het was daar niet veilig voor me.
Op 30 november 2006 ben ik naar Hoogerheide gegaan omdat die personen mij en mijn familie hadden bedreigd.

De voorzitter merkt op dat verdachte in zijn eerste verklaring bij de politie spreekt over zogenaamde Middellandse zee types, zoals Marokkanen of Algerijnen, en dat hij in een latere verklaring spreekt over personen van Tsjetsjeense afkomst.

De verdachte antwoordt daarop als volgt.
Het betreft een wisselend groepsverband. De indruk werd gewekt dat ze met andere personen zouden komen. De Middellandse zee types hebben mij bedreigd. Zij zaten achter de hele constructie. Beide verklaringen van mij zijn juist. Ik heb aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging, maar die aangifte is niet in het dossier opgenomen.
Het is juist dat mijn moeder mij op 30 november 2006 's middags weer op de trein heeft gezet.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat hij tegen zijn moeder zou hebben gezegd dat er iets in de lucht hing.

De verdachte verklaart als volgt.
Ik bedoelde daar niets mee. Die opmerking is niet relevant voor deze zaak. Er kan zoveel in de lucht hangen. Er hingen wolken in de lucht.
Ik heb een heel pleidooi.

De voorzitter deelt de verdachte mede dat hij zijn pleidooi mag voeren nadat de advocaat-generaal haar requisitoir heeft gehouden en stelt de verdachte vervolgens de vraag of hij op 30 november 2006 nog op het station heeft rondgehangen.

De verdachte verklaart hierop het volgende.
Ik zie de relevantie van die vraag niet. Ik weet het ook niet meer. Het is 13 maanden geleden. Het is juist dat ik mijn moeder die nacht weer heb gebeld. Ik was niet boos of gefrustreerd omdat ik naar Den Haag terug moest. Ik belde om te vragen of het goed met haar ging. Op dat moment had ik het gevoel dat ik moest controleren of alles goed was. Ik ontken iedere betrokkenheid bij het gepleegde feit, dus ik begrijp niet welke richting u op wil met deze vragen.

De voorzitter deelt mede dat hij de verdachte vragen wenst te stellen met betrekking tot de inhoud van het dossier.

De verdachte verklaart vervolgens als volgt.
Ik belde die nacht naar mijn moeder om te vragen of het goed met haar ging. Eén maand eerder heb ik haar ook in de nachtelijke uren gebeld. Er was geen specifieke aanleiding voor, ik maakte me alleen ongerust. Dat is de reden waarom ik haar heb gebeld. Ik was bedreigd door die personen met wie ik in Den Haag woonde. Dat heb ik ook eerder al tegen mijn moeder verteld. Op 30 november 2006 heb ik tegen mijn moeder gezegd dat er over me werd gesproken. Ik refereerde toen aan die personen waarover ik haar eerder had verteld dat ik door hen werd bedreigd. Mijn moeder wist over wie ik het had.
Ik heb in de nacht van 30 november 2006 niet tegen mijn moeder gezegd dat er wat in de lucht hing, dat is niet juist. Ik wilde alleen controleren of alles in orde was.
Het is juist dat ik tijdens die nacht diverse treinritten heb gemaakt. Ik ben in Amsterdam geweest en in Bergen op Zoom. Om 8.00 uur 's ochtends ben ik weer uit bezorgdheid naar mijn moeder in Hoogerheide gegaan. Ik was in paniek geraakt. De politie had naar aanleiding van mijn aangifte niets gedaan. Het was een moeilijke situatie waar ik in verkeerde.
Ik kan de kleding die ik op de ochtend van 1 december 2006 droeg, niet omschrijven.

De voorzitter toont de verdachte enkele foto's uit de fotomap. De verdachte komt naar voren om de foto's te bekijken.

De verdachte verklaart het volgende.
U toont mij de foto's, genummerd 107 en 108, met daarop de afbeelding van een gewatteerde jas. Die jas droeg ik niet op 1 december 2006. Dat is ook niet mijn jas.
U toont mij de foto's genummerd 111 en 112, met daarop de afbeelding van een boxershort.
Die boxershort had ik niet aan op 1 december 2006.
U toont mij een foto, genummerd 116, met daarop de afbeelding van een paar schoenen. Die schoenen had ik niet aan op 1 december 2006.
U toont mij de foto's, genummerd 124 en 125 met daarop een afbeelding van een poloshirt.
Dat shirt is niet van mij en ik had dat shirt niet aan op 1 december 2006.
U toont mij een foto, genummerd 128 met daarop een afbeelding van een horloge, merk Pulsar. Dat horloge is niet van mij en ik had dat niet om op 1 december 2006.
U toont mij een foto van een leren jack, genummerd 142. Ik denk niet dat ik dat jack aan had op 1 december 2006.
U toont mij een foto van een regenbroek, genummerd 143. Die broek droeg ik tijdens mijn aanhouding. Als uit het dossier blijkt dat ik bij mijn aanhouding ook dat leren jack droeg, dan is dat zo.
U toont mij een foto, genummerd 144, met daarop een afbeelding van een pet. Bij mijn aanhouding had ik die pet op. Dat geldt ook voor de schoenen die zijn afgebeeld op de door u aan mij getoonde foto, genummerd 145.
U toont mij de foto's genummerd 105 en 106 met daarop een afbeelding van een trainingsbroek. Ik heb die broek niet aangehad.
U toont mij de foto, genummerd 95, met daarop een afbeelding van een spijkerbroek. Die broek ken ik niet. Ik heb die broek niet aangehad en de broek is ook niet van mij.
U toont mij de foto, genummerd 96, met daarop een afbeelding van een trui. Die trui ken ik niet.
U toont mij de foto, genummerd 99, met daarop een afbeelding van een paar schoenen. Die schoenen heb ik niet aangehad.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat blijkens het dossier de politie hem tijdens een van de verhoren dezelfde foto's heeft laten zien en dat hij toen ten aanzien van een aantal kledingstukken heeft verklaard dat die wel van hem waren.

De verdachte verklaart als volgt.
Het kan kloppen dat ik dat toen gezegd heb. Feit is dat ik niet al die kleding in mijn bezit had. Wat ik bij mijn aanhouding aan had, heb ik gedragen en had ik in mijn bezit. Wat niet in mijn bezit is aangetroffen is niet van mij. Ik ga geen verantwoordelijkheid nemen voor iets wat niet van mij is.
U, voorzitter, houdt mij voor dat mijn moeder naar haar werk is gegaan, dat mijn broertje naar school is gegaan en dat ik in de woning te Hoogerheide ben achtergebleven. Dat is correct. Ik zou eerst gaan douchen en daarna zou ik weer naar huis gaan. Ik heb een aantal keer telefonisch contact gehad met mijn moeder en mijn stiefvader.

De voorzitter merkt op dat uit het technisch onderzoek van de politie blijkt op welke tijdstippen er telefonisch contact heeft plaatsgevonden.

De verdachte verklaart hierop als volgt.
U houdt mij voor dat ik onder meer om 10.29 uur met mijn stiefvader zou hebben gesproken. Dat is niet juist. Ik heb in de ochtend van 1 december 2006 een pakje Marlboro gekocht bij een benzinestation te Hoogerheide, dat is juist. Op pagina 71 van het dossier bevindt zich een kassabon terzake de verkoop van een pakje Marlboro. Daaruit volgt dat er om 10.07 uur sigaretten zijn verkocht van EUR 3,80. Daarna ben ik teruggegaan naar de woning, dus om 10.29 uur kan ik mogelijk in de woning van mijn moeder en stiefvader zijn geweest.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat uit het dossier blijkt dat hij om 10.47 uur de sigaretten zou hebben gekocht.

De verdachte verklaart hierop het volgende.
Dat is niet juist. Om 10.39 uur en om 10.42 uur is de kassa ook open geweest. Om 10.07 uur zijn er sigaretten verkocht. Ik weet niet hoe het zit met de accijnsheffing, maar volgens mij moet de verkoop van sigaretten geregistreerd worden. Ik weet niet of de kassa open kan zonder dat er geregistreerd wordt dat er sigaretten zijn verkocht. Het is in ieder geval onmogelijk dat ik om 10.47 uur sigaretten zou hebben gekocht.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat door de getuige [getuige 2] op 1 december 2006 in de basisschool [A] te Hoogerheide om 11.15 uur een mannelijk persoon is gesignaleerd, die naar [betrokkene 1] vroeg en die qua signalement op de verdachte lijkt. Bij de fotoconfrontatie is de verdachte door deze getuige aangewezen.

De verdachte antwoordt daarop het volgende.
Ik ben die man niet geweest. Ik verwijs voor wat betreft de waarde van de fotoconfrontatie naar het rapport van Van Koppen. De fotoconfrontatie mag niet tot het bewijs gebezigd worden. Artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs niet kan worden aangenomen op basis van één getuige. [Getuige 2] is de enige getuige die maar iets in mijn richting kan aanwijzen.
[Getuige 1] geeft een signalement op van die persoon. Daaronder vallen meer dan 1 miljard mannen. Haar waarneming is geen objectief betrouwbare waarneming geweest. Ik ben de trap in die school niet op gegaan.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat [getuige 1] een tijdje later waarschijnlijk diezelfde persoon van de trap af ziet komen en hoort dat die man zegt: "Hij was het niet", of iets in die trant.

De verdachte antwoordt dat hij die persoon niet is geweest.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat bedoelde persoon volgens de getuige [getuige 2] loenst en in de richting van de [a-straat] is weggerend.

De verdachte verklaart hierop als volgt.
Het is juist dat mijn moeder en mijn stiefvader aan de [a-straat] te [woonplaats] wonen, maar ik ben die persoon niet geweest. De getuigen hebben iemand zien rennen die kennelijk op mij lijkt.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat er getuigen zijn, woonachtig aan de [a-straat], waaronder de buren van nummer [001], die hebben verklaard dat zij verdachte met een vuilniszak in de richting van de [b-straat] hebben zien lopen.

De verdachte verklaart het volgende.
Ik ben die persoon niet geweest. Ik weet niet waar de [b-straat] ligt. Vanuit het huis van mijn moeder en stiefvader gezien, is dat volgens mij linksaf.

De voorzitter houdt voor dat één getuige verdachte met een vuilniszak het bos in heeft zien gaan en dat de buren hem hebben zien terugkomen in de [a-straat] zonder vuilniszak.

De verdachte verklaart het volgende.
Ik ben niet met een vuilniszak het bos ingelopen. Ik ben niet de persoon geweest die de buurman heeft gezien. Ik heb de in de bossage aangetroffen vuilniszak daar niet neergelegd. Ik ben niet rond 11.30 uur in het huis van mijn moeder en stiefvader geweest.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat later die dag aan de andere kant van de [a-straat] door een getuige een persoon wordt gesignaleerd die qua signalement op de verdachte lijkt en die met zijn handen in een vuilnisbak gaat en daarna zijn handen met zand lijkt te wassen.

De verdachte antwoordt dat hij die persoon niet is geweest.

De voorzitter houdt vervolgens voor dat in bedoelde vuilnisbak later een vuilniszak gevuld met kleding wordt aangetroffen, waarvan de moeder en stiefvader van verdachte hebben verklaard dat het de kleding van verdachte betreft, dan wel van de stiefvader van verdachte.

De verdachte verklaart hierop als volgt.
Ik verwijs naar de verklaring van mijn moeder op pagina 399-404. Daaruit blijkt dat zij die kleding niet herkent als de kleding die ik droeg die morgen. Daar komt bij dat mijn stiefvader mij die ochtend niet heeft gezien. Ik heb de schoenen niet herkend. Ik heb heel veel paar schoenen.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat blijkens het dossier verdachte bij zijn aanhouding smerige handen en een smerig gezicht had, geen ondergoed en sokken droeg en alleen gekleed was in een regenbroek, een jack, schoenen en een petje die van zijn stiefvader waren.

De verdachte verklaart het volgende.
U vraagt mij hoe ik aan die kleding kom. Heeft u het dossier gelezen? Dan weet u wat er is gebeurd. U neemt me niet serieus.

De voorzitter deelt de verdachte mede dat hij door het hof wel degelijk serieus wordt genomen.

De verdachte verklaart vervolgens dat hij geen commentaar meer wenst te geven.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat uit de processen-verbaal van verhoor volgt dat verdachte deze houding ook aan nam tijdens de verhoren, wanneer de verbalisanten hem moeilijke vragen stelden.

De verdachte antwoordt hierop als volgt.
Bij de politie heb ik een verklaring afgelegd over wat er is gebeurd op 1 december 2006. Als het er op aan komt staat de politie ook niet voor je klaar. Voor de moord op het jongetje konden ze niemand anders vinden en dus probeerden ze mij onderuit te halen. Ik ben tot zondebok bestempeld.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat het hof graag uit de mond van verdachte wil vernemen hoe hij aan die kleding kwam, zodat het hof kan beoordelen of zijn verklaring daarover juist is of niet.

De verdachte reageert hierop als volgt.
Ik weet dat ik onschuldig ben. U probeert mijn geloofwaardigheid naar beneden te halen. Ik geef geen commentaar meer.

De voorzitter deelt de verdachte mede dat hem niet om commentaar maar om een reactie wordt gevraagd en stelt hem vervolgens de vraag of hij wel antwoord wil geven op andere vragen.

De verdachte antwoordt hierop ontkennend.

De voorzitter deelt mede dat hij toch nog enkele vragen zal stellen en houdt verdachte voor dat hij blijkens een rapportage van de penitentiaire inrichting Vught tijdens zijn detentie een bedreigende opmerking heeft gemaakt richting het bewakend personeel inhoudende: "Wat ik buiten gedaan heb, dat doe ik met jullie ook".

De verdachte verklaart als volgt.
Dat zou kunnen. Er zijn meerdere opmerkingen gemaakt. Ik bedoelde daar echter niets mee. Het is maar net hoe het personeel mijn opmerkingen opvat. Blijkbaar vond het personeel die opmerking bedreigend. Misschien doelde ik wel op het strafbare feit waarvoor ik eerder heb gezeten. Ik weet het niet meer.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat hij steeds heeft ontkend de overval op de supermarkt te hebben gepleegd, totdat hij in de achtste of negende verklaring een bekennende verklaring daarover heeft afgelegd. De voorzitter stelt de verdachte vervolgens de vraag of het juist is dat hij na zijn veroordeling voor dat feit heeft verklaard dat hij nooit meer een bekennende verklaring zou afleggen.

De verdachte deelt mede dat dat niet juist is en dat zijn leven zo is gelopen.

De voorzitter stelt de verdachte de vraag hoe de personen die hem op 1 december 2006 bedreigd zouden hebben, bij basisschool [A] terecht zijn gekomen.

De verdachte verklaart dat hij dat reeds heeft uitgelegd.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat hij blijkens het dossier (pagina's 963 en 1058) heeft verklaard dat hij die personen heeft verteld dat zijn broertje op de basisschool [B] zat en stelt de verdachte vervolgens de vraag hoe die personen dan op basisschool [A] terecht zijn gekomen.

De verdachte antwoordt daarop als volgt.
Ik heb dat niet zo verklaard. Mijn moeder geeft les op basisschool [B]. U verdraait het hele verhaal. Ik heb alle feiten op schrift gezet. Ik leg geen verklaring meer af.

De voorzitter houdt voor pagina 963 van het dossier.

De verdachte verklaart hierop als volgt.
Ik heb die personen nergens naar toe gestuurd.

De voorzitter stelt de verdachte de vraag waarom hij, toen hij zijn broertje van school haalde, niet tegen de politie heeft verteld dat hij mishandeld en bedreigd was door die personen.

De verdachte verklaart het volgende.
Ik had al eerder aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging en toen heeft de politie er ook niets mee gedaan. Ik stond er alleen voor. Waarom zou ik het vertellen? Wat gaat de politie er aan doen? Er wordt alleen een rapport opgemaakt en daar blijft het bij.

De voorzitter stelt verdachte de vraag waarom hij tegen zijn broertje heeft gezegd, op diens vraag waarom hij zo vies was, dat hij was gaan zwemmen en zich daarna met een vieze handdoek had afgedroogd.

De verdachte verklaart dat zijn broertje er buiten staat en dat hij er niet bij betrokken hoeft te worden.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat hij heeft verklaard dat zijn broertje werd bedreigd en stelt hem de vraag waarom hij dat niet tegen zijn broertje heeft gezegd.

De verdachte antwoordt daarop als volgt.
Ik weet waar u op doelt. Ik wil mijn broertje er niet bij betrekken. Hij staat overal buiten.

De voorzitter deelt mede dat hij geen verdere vragen meer heeft voor de verdachte maar dat hij hem nog wel enkele stukken uit het dossier wil voorhouden.

De voorzitter deelt hierop het volgende mede.
Uit het dossier komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren. Personeel van de basisschool [A] is even na 11.15 uur, nadat was gesignaleerd dat een manspersoon de trap af kwam lopen, boven gaan kijken en trof toen in een klaslokaal op de eerste verdieping het lichaam van [slachtoffer] aan. Uit de gerechtelijke sectie blijkt dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van meerdere snijbewegingen die op de keel, hals en nek waren uitgeoefend. De halsslagaders en halsaders waren allemaal doorgesneden. De bloedingen die hierdoor werden veroorzaakt hebben de dood tot gevolg gehad. Het hof heeft kennis genomen van de fotomap die als bijlage 7.1. in het dossier is opgenomen. Uit één van de foto's blijkt dat [slachtoffer] is aangetroffen in een grote plas bloed. Op de kleding die voorts is aangetroffen in een bossage te Hoogerheide is bloed aangetroffen dat na onderzoek afkomstig bleek te zijn van [slachtoffer]. Tevens is een mes aangetroffen. De krassporen die door dat mes veroorzaakt worden, passen in ieder geval bij de sporen die op het lichaam van [slachtoffer] zijn aangetroffen. Deze sporen waren echter te gering in aantal om met zekerheid te kunnen vaststellen of de eerdergenoemde snijwonden daarmee zijn aangebracht. Tevens is op diverse goederen het DNA van verdachte aangetroffen. Ook is op de kleding die in de vuilnisbak werd gevonden, bloed van [slachtoffer] aangetroffen. In de visie van het openbaar ministerie zou de verdachte zich na de moord hebben omgekleed in de woning van zijn moeder en stiefvader en de bebloede kleding in een vuilniszak hebben gedaan. Deze vuilniszak zou hij vervolgens in een bossage hebben verstopt. Omdat hij daarbij de door hem op dat moment gedragen kleding zou hebben besmet, heeft hij zich opnieuw omgekleed. De besmette kleding zou hij eveneens in een vuilniszak hebben gedaan en vervolgens in een vuilnisbak hebben verborgen. Daarna zou hij kleding van zijn stiefvader hebben aangetrokken. Uit het dossier blijkt voorts dat in de woning van de moeder en stiefvader van verdachte een bloedspoor is aangetroffen met daarin celmateriaal van [slachtoffer]. De handdoeken die in één van de vuilniszakken zijn aangetroffen blijken van de moeder en stiefvader van verdachte te zijn.

De oudste raadsheer stelt de verdachte de vraag hoe het contact met zijn moeder momenteel is.

De verdachte antwoordt daarop als volgt.
We hebben contact. Ik bel haar zo af en toe.
U, oudste raadsheer, houdt mij voor dat uit de verhoren die in Amsterdam hebben plaatsgevonden, zou kunnen blijken dat ik het gevoel had dat ik er alleen voor stond. Het kan zijn dat ik in Amsterdam ben verhoord en dat ik dat heb verklaard, maar die verhoren zijn niet meer dan een momentopname. Ik heb een eigen leven.
Ik woonde zelfstandig in een appartement in Den Haag.
Ik had geen reden om zo'n feit te plegen. We moeten allemaal onze huur betalen en onze rekeningen. Je staat er dus alleen voor. Ik kan mijn verklaring zoals ik die in Amsterdam heb afgelegd niet nader toelichten. Er heeft geen verandering plaatsgevonden voor wat betreft mijn gevoelens ten opzichte van mijn moeder, stiefvader en broertje. U ziet de door u aangehaalde verhoren in de context dat ik het feit zou hebben gepleegd. Ik heb het feit echter niet gepleegd. Ik heb geen reden om mijn gedrag te veranderen. Daar is ook geen sprake van.

De jongste raadsheer houdt de verdachte voor dat in één van de vuilniszakken een horloge is aangetroffen, waarvan de verdachte bij de politie heeft verklaard (pagina 1560 en volgende) dat het zijn horloge was, terwijl hij het die dag niet zou hebben gedragen.

De verdachte verklaart daarop als volgt.
Ik kan me niet herinneren dat ik verklaard zou hebben dat het mijn horloge was. Het is de vraag of je voor iets verantwoordelijk ben, als je dat niet in je bezit hebt. Ik weet niet hoe die personen aan dat horloge zijn gekomen. Er is niet alleen mijn DNA-materiaal aangetroffen maar ook van anderen. Ik verwijs naar de toelichting bij de bemonsteringen. Er zijn vier DNA-profielen aangetroffen, één van het slachtoffer, één van mij, één van een ander en één mengprofiel. Het DNA-materiaal van minimaal één ander persoon is echter onvoldoende voor een vergelijkend onderzoek. De mogelijkheid dat het DNA van iemand anders is dan van verdachte, valt echter niet uit te sluiten.
U, jongste raadsheer, stelt mij de vraag hoe de voorwerpen, welke afkomstig zijn uit de badkamer en de keuken van de woning van mijn moeder en stiefvader, in de vuilniszak terecht zijn gekomen. Ik kan daar geen antwoord op geven. Ik weet dat niet. Er kunnen veel dingen worden gecreëerd.

Verder heeft niemand vragen ten aanzien van de feiten.

De deurwaarder overhandigt aan het hof een zojuist bij de griffie van het hof ingekomen brief van verdachte d.d. 8 februari 2008.

De voorzitter leest de inhoud van deze brief voor en voegt de brief toe aan het dossier.

De verdachte deelt desgevraagd mede dat hij die brief heeft geschreven.

De voorzitter deelt mede dat de advocaat-generaal tijdens het requisitoir op de inhoud van de brief kan ingaan en dat het hof de inhoud van deze brief bij de beraadslaging zal betrekken.

Hierop onderbreekt het hof het onderzoek ter terechtzitting voor een korte pauze.

Na hervatting bespreekt de voorzitter de rapportages die omtrent verdachte zijn opgemaakt en houdt voor de korte inhoud van:
- een rapportage d.d. 4 december 2006 opgemaakt door de forensisch psychiater Suithoff;
- een rapportage d.d. 21 maart 2004 van psycholoog W.J.L. Lander.
- een dubbelrapportage d.d. 21 juni 2007 van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door psychiater J.H. van Renesse en psycholoog J.B. Seinen.

De verdachte verklaart hierop als volgt.
De rapportage van psycholoog Lander mag niet worden gebruikt. Het rapport is ouder dan één jaar en ik geef het hof geen toestemming om van dat rapport gebruik te maken. Ik verwijs daarvoor naar artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De mening van psycholoog Lander is ook niet juist. Deze is niet meer relevant.
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik wellicht een ander standpunt zou hebben ingenomen als ik mij had laten bijstaan door een raadsman. Het is mijn recht om mijn eigen verdediging te voeren. Ik ken de van belang zijnde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht. Ik heb geen rechtenstudie gevolgd. Als ik mij had laten bijstaan door een raadsman dan zou mijn veroordeling reeds hebben vastgestaan en dat is nu niet het geval.
Ik ben in het Pieter Baan Centrum niet door een psychiater onderzocht. Het is juist dat er wel een observatie heeft plaatsgevonden, maar daaruit kun je geen diagnose vaststellen. Ik heb geweigerd om aan een onderzoek mee te werken. Op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht moet het rapport van het Pieter Baan Centrum buiten toepassing blijven.
Ik heb u de reden van mijn weigering niet horen noemen. Het rapport is derhalve niet conform de wettelijke richtlijnen opgemaakt.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat op pagina 3 van het rapport van het Pieter Baan Centrum staat vermeld dat de verdachte niet aan het onderzoek wilde meewerken en wat daar de reden voor was.

De verdachte reageert daarop als volgt.
Op grond van artikel 37, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht mag het hof dat rapport niet gebruiken. De eerdere rapporten van Suithoff en Lander vallen onder het bereik van artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Aan die twee onderzoeken heb ik wel mijn medewerking verleend. Er is echter toen geen stoornis bij mij geconstateerd. Nu bedoelde rapporten ouder zijn dan één jaar na aanvang van de terechtzitting en ik daartoe geen toestemming geef, mag het hof die rapporten niet gebruiken.

De voorzitter houdt voor de korte inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 9 januari 2008.

De verdachte verklaart hierop als volgt.
Voor de zaak onder parketnummer 02-002166-03, de overval op de supermarkt, ben ik veroordeeld en de mij opgelegde gevangenisstraf heb ik reeds uitgezeten. De zaak onder parketnummer 02-018460-02 had betrekking op verduistering en betreft een geschil met mijn werkgever. De zaak onder parketnummer 02-615639-06 met betrekking tot het vuurwapen, is door de officier van justitie geseponeerd.

De voorzitter deelt mede dat het proces-verbaal terzake laatstgenoemde zaak wel in het onderhavige dossier is gevoegd, maar dat deze zaak niet op de tenlastelegging staat vermeld.

De verdachte verklaart vervolgens als volgt.
De zaak onder parketnummer 09-660748-05 betrof een zaak uit Den Haag. Ik zou de inboedel van een ander op straat hebben gezet. Ik heb over de aanleiding daartoe reeds een verklaring afgelegd. Ik ben voor die zaak bij verstek veroordeeld. Ik was niet ter terechtzitting aanwezig en ik had geen raadsman. Ik vind de uitspraak van het hof absurd en heb daartegen beroep in cassatie ingesteld.

De advocaat-generaal en de verdachte delen mede dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte voldoende zijn besproken.

De voorzitter houdt vervolgens voor de korte inhoud van:
- de appelmemorie d.d. 25 september 2007 van de officier van justitie te Breda;
- een schrijven van mr. G. Spong d.d. 16 oktober 2007;
- een viertal brieven afkomstig van mr. R.E. Drenth d.d. 29 oktober 2007, 30 oktober 2007, 3 januari 2008 en 7 januari 2008;
- een tweetal brieven afkomstig van verdachte d.d. 8 januari 2008, binnengekomen bij het hof op 10 januari 2008 en d.d. 24 januari 2008, binnengekomen bij het hof op 29 januari 2008;
- een schrijven van het hof gericht aan de verdachte d.d. 10 januari 2008.

De verdachte merkt op dat hij de appelmemorie niet kent.

De deurwaarder maakt op verzoek van het hof een kopie van de appelmemorie en overhandigt deze aan de verdachte.

Voorts deelt de voorzitter mede dat op 7 februari 2008 bij het hof is binnengekomen een aanvulling schriftelijke slachtofferverklaring, afkomstig van Slachtofferhulp Nederland d.d. 28 januari 2008.

De voorzitter merkt op dat bedoeld is een aanvulling schriftelijke nabestaandenverklaring.

De verdachte deelt desgevraagd mede dat hij van dat stuk kennis heeft genomen.

De voorzitter deelt vervolgens het volgende mede.
De wetgever heeft met het invoeren van het spreekrecht een slachtoffer of een nabestaande het recht gegeven een verklaring af te leggen over de gevolgen dat een gepleegd strafbaar feit voor hem of haar heeft. In de wetsgeschiedenis staat echter uitdrukkelijk aangegeven dat door de voorzitter opmerkingen omtrent bewijs en straf moeten worden belet. Om die reden zal niet de totale aanvulling worden voorgelezen. De oorspronkelijke nabestaandenverklaring is reeds in eerste aanleg voorgelezen.

De voorzitter leest vervolgens de aanvullende verklaring voor, behoudens de gedeelten op pagina 3 vanaf "Uitspraak rechtzaak arrondissementsrechtbank ..." tot en met "... [slachtoffer] niet mee terug." en vanaf "Dat jij zomaar..." tot en met "... blijven stellen."

De advocaat-generaal en de verdachte delen desgevraagd mede dat de inhoud van het dossier voldoende is voorgehouden en de inhoud ervan bekend is.

Hierop onderbreekt het hof het onderzoek ter terechtzitting voor een pauze.

Na hervatting van het onderzoek verklaart de verdachte desgevraagd dat hij kennis heeft genomen van de appelmemorie.

De advocaat-generaal voert het woord overeenkomstig de inhoud van het door deze aan het hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir, dat als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd en voegt daar nog het navolgende aan toe.

Naar aanleiding van de brief van verdachte d.d. 8 februari 2008, strekkende tot niet-ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie, wil ik het volgende opmerken. Ik ben van mening dat deze brief geen argumenten bevat om te kunnen komen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De argumenten zouden mogelijk betekenis kunnen hebben ten aanzien van het te bezigen bewijs dan wel voor de op te leggen straf, doch niet voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het is mij bekend dat het hof kennis heeft genomen van de inhoud van de CD-rom die zich in het dossier bevindt. Ik heb er voor gekozen om deze thans niet ter terechtzitting te tonen.

De voorzitter beaamt dat het hof kennis heeft genomen van de inhoud van bedoelde CD-rom.

De advocaat-generaal vervolgt haar requisitoir als volgt, aangevuld met het navolgende:
In tegenstelling tot de eerste rechter wil ik de resultaten van de gehouden fotoconfrontatie's wel als bewijs aanvoeren.
(pagina 11) Hoewel verdachte thans ontkent de gewatteerde jas te herkennen en te hebben gedragen op 1 december 2006, heeft hij hierover bij de politie wel een bekennende verklaring afgelegd.
(pagina 22) De verdachte heeft thans in hoger beroep deels de door zijn toenmalige raadsman in eerste aanleg gevoerde verweren herhaald.
(pagina 29) De verdachte neemt tevens de regie in handen door te ontkennen en door steeds een ander verhaal te vertellen.
Met betrekking tot mijn argumenten om een levenslange gevangenisstraf te overwegen, wil ik nog opmerken dat de 7500 handtekeningen die zijn verzameld om aan te geven dat in de onderhavige zaak de hoogste straf nog niet hoog genoeg is, voor mij evenmin daarvoor dé reden is.
(pagina 31) Het rapport van psycholoog Lander uit 2004 mag bij een weigerende observandus wel degelijk worden gebruikt.
(pagina 32) Ik verwijs tevens naar de rapportage van Suithoff en van het Pieter Baan Centrum.

De advocaat-generaal vordert dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen wegens moord tot 20 jaar gevangenisstraf en oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Zij legt vervolgens de op schrift gestelde vordering aan het hof over.

De verdachte verklaart desgevraagd de eis van de advocaat-generaal te hebben begrepen.

Hierop onderbreekt het hof het onderzoek ter terechtzitting voor korte tijd.

Na hervatting van het onderzoek wijst de voorzitter de verdachte er nogmaals op dat mr. Van Dijk in de zittingszaal aanwezig is en hem kan bijstaan als verdachte daar alsnog behoefte aan heeft.

De verdachte antwoordt daarop dat hij zijn eigen verdediging wenst te voeren.

De verdachte voert het woord tot verdediging en pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde schriftelijke aantekeningen, welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede dat het beslag reeds geheel is afgewerkt door de officier van justitie en dat de openstaande zaak onder parketnummer 02-615639-06 is geseponeerd.

De advocaat-generaal ziet af van repliek.

De verdachte verklaart desgevraagd dat hij alles naar voren heeft gebracht wat hij wilde zeggen.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De verdachte voert het woord als volgt.
Ik ben erg emotioneel over hetgeen er is gebeurd op 1 december 2006. Maar er moet eerst gekeken worden of iemand het feit wel echt heeft gepleegd. Het is pijnlijk maar als je iets niet hebt gedaan, kun je daar niet voor veroordeeld worden. De zaak moet rationeel bekeken worden. Bovendien kan iemand die verminderd toerekeningsvatbaar is niet met voorbedachte rade iemand om het leven brengen. Op basis van het door de eerste rechter gebezigde bewijsmateriaal kan niet rationeel en feitelijk worden geconcludeerd dat ik het feit heb gepleegd.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 26 februari 2008 te 11.30 uur."

3.3.1. Art. 6, derde lid onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv).

3.3.2. Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. Dat geldt ook indien aan de verdachte een raadsman is toegevoegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat een (toegevoegde) raadsman daadwerkelijk optreedt in het geval de verdachte ervoor kiest zichzelf te verdedigen en dus afstand doet van het recht op rechtsbijstand. De wet kent dus niet de mogelijkheid van rechtsbijstand tegen de wil van de verdachte. In dat verband verdient nog opmerking dat ingevolge Regel 9 van de voor advocaten geldende Gedragsregels 1992 het advocaten niet is toegestaan om handelingen te verrichten tegen de kennelijke wil van hun cliënt.

3.3.3. Voor enkele gevallen heeft de wetgever dat stelsel doorbroken. Zo komen, indien de verdachte de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, alle aan de verdachte toekomende bevoegdheden ook toe aan zijn raadsman (art. 503, eerste lid, Sv). Hetzelfde geldt ten aanzien van de berechting van een verdachte bij wie een zodanige gebrekkige ontwikkeling in of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen (art. 509a in verbinding met art. 509d, derde lid, Sv). In die gevallen is geen plaats voor afstand van het recht op rechtsbijstand.
De raadsman is dan bevoegd en gehouden op te treden, ook al geeft de verdachte te kennen dat hij geen rechtsbijstand wenst of zich niet kan verenigen met de wijze waarop de raadsman aan die bijstand invulling geeft.

3.4. Met die bijzondere regelingen is beoogd om verdachten die niet in staat moeten worden geacht hun positie in het strafproces te bepalen, te verzekeren van een effectieve verdediging. Dat betekent niet dat in de overige gevallen de zorg voor een dergelijke, door art. 6 EVRM vereiste verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dat geldt in het bijzonder indien een verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan. In een zodanig geval zal de rechter zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat daarvan sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte. Dat geldt met name waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen omdat hij, anders dan met de regeling van de ambtshalve toevoeging is beoogd, geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman heeft. In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk dienen te voorzien.

3.5. In deze zaak is sprake van een zeer ernstig levensdelict, dat bedreigd is met de zwaarst mogelijke straf, levenslange gevangenisstraf. De verdachte heeft steeds ontkend het feit te hebben gepleegd en heeft geweigerd mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek. Het Openbaar Ministerie heeft zowel in eerste aanleg als in appel, naast een langdurige gevangenisstraf, TBS met dwangverpleging gevorderd. Die maatregel is in eerste aanleg ook opgelegd. Blijkens het in hoger beroep gehouden requisitoir heeft de Advocaat-Generaal overwogen levenslange gevangenisstraf te eisen, maar daarvan uiteindelijk afgezien. Zowel in eerste aanleg als in appel is aan de orde geweest of sprake was van voorbedachte raad.
Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid. Het Hof heeft dat belang klaarblijkelijk onderkend en de verdachte meermalen in de gelegenheid gesteld om, zo hij dat wenste, zich alsnog met de ter terechtzitting aanwezige toegevoegde raadsman te verstaan. Dat neemt niet weg dat het Hof eerst en vooral onder ogen had te zien of sprake was van een desbewuste afstand van de verdachte van zijn recht op rechtsbijstand. In de bijzondere omstandigheden van het geval was het Hof gehouden in dat opzicht een indringende toets aan te leggen en in dat verband de verdachte in overweging te geven al dan niet in overleg met de aanwezige raadsman en zo nodig na onderbreking of schorsing van de behandeling, zich te beraden omtrent de gevolgen van de door hem ingenomen proceshouding, opdat hij zijn standpunt op enig moment zou kunnen herzien.

3.6. Het Hof heeft geen overweging gewijd aan de door de verdachte gedane "afstand" van rechtsbijstand. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat het Hof de keuze van de verdachte om zichzelf te verdedigen zonder meer heeft aanvaard en het aan hem heeft gelaten of hij zich in de loop van het proces met de aanwezige raadsman wilde verstaan. Niet blijkt dat het Hof de motieven van de verdachte voor die keuze heeft onderzocht, ofschoon uit de door de verdachte in de loop van de terechtzitting opgegeven reden, namelijk dat als hij zich zou hebben laten bijstaan zijn veroordeling reeds had vastgestaan, aanwijzingen vallen te putten dat hij de draagwijdte van die keuze niet ten volle overzag. Voorts blijkt niet dat het Hof bij de aanvang van de terechtzitting dan wel op enig ander in aanmerking komend moment, zoals na het requisitoir, de verdachte het belang van rechtsbijstand in deze zaak en de consequenties van de door hem ingenomen proceshouding heeft voorgehouden in het licht van hetgeen er voor hem op het spel stond, de juridische aspecten van de zaak daaronder begrepen. In de omstandigheden van het geval betekent een en ander dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het middel klaagt daarover terecht.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 november 2009.
Conclusie
Nr. S 08/01313
Mr Jörg
Zitting 21 april 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verzoeker bij arrest van 26 februari 2008 wegens moord op een achtjarig kind veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker hebben mr. B.P. de Boer en wijlen mr. G.P. Hamer, beiden advocaten te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie. Voor het behoud van een overzicht van de verschillende middelen in deze zeer lijvige cassatieschriftuur geef ik eerst een korte aanduiding met paginavermelding van de onderscheiden middelen:
I bewijsoverweging zonder bronvermelding
II gebruik van het resultaat fotoconfrontatie
III afzien van rechtsbijstand
IV de opgelegde levenslange gevangenisstraf
V de voorbedachte raad
VI eigen waarneming van de rechter
VII bewijsmiddel omtrent het mes

3. Ik bespreek de middelen in de volgorde die mij het meest logisch en in overeenstemming met het rechterlijk beslissingsschema voorkomt. Dat leidt dan tot de volgende inhoudsopgave van deze conclusie:
Middel III
Middel II
Middel VII
Middel VI
Middel V
Middel I
Middel IV

4. Voor zover in de geciteerde stukken noten voorkomen worden zij in een kleiner korps weergegeven.

5. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat:
"hij op 1 december 2006 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes, in de hals en de nek van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

6. Het verststrekkend is het derde middel, dat de klacht behelst dat het hof verzoekers recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM onvoldoende heeft gewaarborgd, nu verzoeker geen effectieve rechtsbijstand heeft gehad en het hof er onvoldoende voor heeft gezorgd dat hij die zou krijgen.

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 12 februari 2008 heeft de voorzitter - nadat hij aan verzoeker de cautie had gegeven - het volgende medegedeeld:
"De verdachte heeft het hof schriftelijk laten weten dat hij geen gebruik wil maken van de diensten van een raadsman, dat hij geen juridische bijstand wenst en dat hij zijn eigen verdediging wenst te voeren. Het hof zal deze stellingname respecteren, doch het hof heeft tevens de verplichting om in een zaak als de onderhavige ambtshalve aan een verdachte een raadsman toe te wijzen. Het hof heeft zulks ook gedaan en om die reden is mr. Van Dijk in de zittingszaal aanwezig en staat hij de hele dag ter beschikking van verdachte. De voorzitter benadrukt dat, indien de verdachte ervoor kiest om geen gebruik te maken van de diensten van mr. Van Dijk dat goed is, maar als verdachte zich bedenkt hij dat meteen kenbaar kan maken. De voorzitter benadrukt dat het hof de verdachte daartoe alle ruimte wenst te bieden.

De verdachte deelt desgevraagd mede deze mededeling van de voorzitter te begrijpen."

8. Voor de beoordeling van het middel is de volgende passage in het proces-verbaal van de terechtzitting van belang:
"Na hervatting bespreekt de voorzitter de rapportages die omtrent verdachte zijn opgemaakt en houdt voor de korte inhoud van:
- een rapportage d.d. 4 december 2006 opgemaakt door de forensisch psychiater Suithoff;
- een rapportage d.d. 21 maart 2004 van psycholoog W.J.L. Lander;
- een dubbelrapportage d.d. 21 juni 2007 van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door psychiater J.H. van Renesse en psycholoog J.B. Seinen.

De verdachte verklaart hierop als volgt.
De rapportage van psycholoog Lander mag niet worden gebruikt. Het rapport is ouder dan één jaar en ik geef het hof geen toestemming om van dat rapport gebruik te maken. Ik verwijs daarvoor naar artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De mening van psycholoog Lander is ook niet juist. Deze is niet meer relevant.
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik wellicht een ander standpunt zou hebben ingenomen als ik mij had laten bijstaan door een raadsman. Het is mijn recht om mijn eigen verdediging te voeren. Ik ken de van belang zijnde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht. Ik heb geen rechtenstudie gevolgd. Als ik mij had laten bijstaan door een raadsman dan zou mijn veroordeling reeds hebben vastgestaan en dat is nu niet het geval (mijn cursivering, NJ)."

9. Na het requisitoir van de advocaat-generaal heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting voor korte tijd onderbroken. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt hierna het volgende:
"Na hervatting van het onderzoek wijst de voorzitter de verdachte er nogmaals op dat mr. Van Dijk in de zittingszaal aanwezig is en hem kan bijstaan als verdachte daar alsnog behoefte aan heeft.

De verdachte antwoordt daarop dat hij zijn eigen verdediging wenst te voeren.

De verdachte voert het woord tot verdediging en pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde schriftelijke aantekeningen, welke als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
(...)
De advocaat generaal ziet af van repliek.

De verdachte verklaart desgevraagd dat hij alles naar voren heeft gebracht wat hij wilde zeggen."

10. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt hem daartoe, telkens wanneer hij dit verzoekt, zoveel mogelijk de gelegenheid verschaft om zich met zijn raadsman of met zijn raadslieden in verbinding te stellen. Het uitgangspunt is dat rechtsbijstand niet verplicht is voor een verdachte, in de zin dat hij dit zou moeten "ondergaan". De term 'bevoegd' in het eerste lid van het artikel geeft immers aan dat het om een vrije keuze van de verdachte gaat. Hij is niet verplicht zich te laten bijstaan, kan zijn verdediging ook alleen voeren en kan de rechtsbijstand op ieder moment beëindigen (Spronken in T&C Sv, 7e, aant. 1b bij art. 28). Uit de jurisprudentie blijkt dat ook Uw Raad uitgaat van dit recht van de verdachte om zichzelf, zonder bijstand van een (gekozen of toegevoegde) raadsman, te verdedigen (HR 16 februari 1982, NJ 1982, 426, HR 24 maart 1998, LJN ZD0987 en HR 26 mei 1998, NJ 1998, 677). Het recht om zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een gekozen of toegevoegde raadsman is ten slotte ook uitdrukkelijk neergelegd in art. 6, derde lid, sub c, EVRM.

11. Ofschoon verzoeker ter terechtzitting is verschenen en aldaar (maar ook vooraf) uitdrukkelijk (en herhaaldelijk) kenbaar heeft gemaakt dat hij geen gebruik wilde maken van de diensten van een raadsman, dat hij geen juridische bijstand wenste en dat hij zijn eigen verdediging wenste te voeren, is het niettemin de vraag of het hof in redelijkheid kon aannemen dat verzoeker rechtsgeldig afstand deed van zijn recht op bijstand van een raadsman ter zitting. Hoewel het hof verzoeker de gelegenheid heeft verschaft om zich met een raadsman in verbinding te stellen door ambtshalve aan verzoeker een raadsman toe te voegen - overigens een wettelijke verplichting wanneer hoger beroep is ingesteld tegen een eindvonnis in eerste aanleg en het een zaak betreft waarin de voorlopige hechtenis van de verdachte is bevolen (art. 41, eerste lid, sub b Sv) - die in de zittingszaal aanwezig was en ter beschikking van verzoeker stond, kan men zich nochtans afvragen of het hof zich ook daadwerkelijk en voldoende heeft bekommerd om verzoekers recht op effectieve rechtsbijstand en of het de nodige maatregelen heeft genomen teneinde verzoekers recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM te kunnen waarborgen.

12. Deze vragen rijzen met name wanneer men beseft dat het hier gaat om een van moord verdachte persoon:
- die ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep slechts 23 jaar oud is;
- die een levenslange gevangenisstraf boven het hoofd hangt;
- die ter zitting blijk geeft van gebrekkige juridische kennis en ter terechtzitting onder meer verklaart: "Als ik mij had laten bijstaan door een raadsman dan zou mijn veroordeling reeds hebben vastgestaan en dat is nu niet het geval";
- die kennelijk van mening is dat de enkele ontkenning en het aanbieden van een bizar alternatief scenario het tij voor hem gunstig zouden doen keren;
- die heeft geweigerd mee te werken aan het psychologisch/psychiatrisch onderzoek bij het PBC;
- terwijl in de beschikbare rapportages sterke aanwijzingen zijn te vinden voor een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens,
- welke aanwijzingen reeds in de daad zelve zijn te vinden: het doden van een willekeurig achtjarig kind zonder enige verklaring daarvoor ("een dergelijke daad past niet bij een geestelijk gezond ontwikkeld mens, aldus de rechtbank, vonnis, p. 9).

13. Zoals gezegd is het recht om zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman neergelegd in art. 6, derde lid, sub c, EVRM. Over de zorg voor de verwezenlijking van het recht op effectieve rechtsbijstand heeft het EHRM onder meer de volgende - voor de beoordeling van het middel relevante - uitspraken gedaan:
a. EHRM 1 maart 2006, EHRC 2006, 45 (Sejdovic v. Italië):

"94. While it confers on everyone charged with a criminal offence the right to "defend himself in person or through legal assistance ...", Article 6 § 3 (c) does not specify the manner of exercising this right. It thus leaves to the Contracting States the choice of the means of ensuring that it is secured in their judicial systems, the Court's task being to ascertain whether the method they have chosen is consistent with the requirements of a fair trial (see Quaranta v. Switzerland, 24 May 1991, § 30, Series A no. 205). In this connection, it must be remembered that the Convention is designed to "guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective" and that assigning counsel does not in itself ensure the effectiveness of the assistance he may afford an accused (see Imbrioscia v. Switzerland, 24 November 1993, § 38 [NJ 1994, 459 m.nt. Kn], and Artico v. Italy, 13 May 1980, § 33 [NJ 1980, 586]).
95. Nevertheless, a State cannot be held responsible for every shortcoming on the part of a lawyer appointed for legal aid purposes or by the accused. It follows from the independence of the legal profession from the State that the conduct of the defence is essentially a matter between the defendant and his counsel, whether appointed under a legal aid scheme or privately financed (see Cuscani v. the United Kingdom, 24 September 2002, § 39, [EHRC 2002, 94, m.nt. TSp]). The competent national authorities are required under Article 6 § 3 (c) to intervene only if a failure by legal aid counsel to provide effective representation is manifest or is sufficiently brought to their attention in some other way (see Daud v. Portugal, 21 April 1998, § 38, Reports 1998-II)."

b. EHRM 26 juni 2008, appl. nr. 15435/03 (Shulepov v. Rusland):
"32. (...) The Court has already held that the situation in a case involving a heavy penalty where an appellant was left to present his own defence unassisted before the highest instance of appeal was not in conformity with the requirements of Article 6 (see Maxwell v. the United Kingdom, judgment of 28 October 1994, Series A no. 300-C, § 40).
33. Finally, neither the letter nor the spirit of Article 6 of the Convention prevents a person from waiving of his own free will, either expressly or tacitly, the entitlement to the guarantees of a fair trial (see Talat Tunç v. Turkey, no. 32432/96, § 59, 27 March 2007). Such a waiver, however, must be established unequivocally and must not run counter to any important public interest (see Sejdovic v. Italy (GC), § 86, ECHR 2006, 45).

c. EHRM 15 november 2007, appl. nr. 26986/03 (Galstyan v. Armenië):

"89. (...) The Court further recalls that the right of an accused to participate effectively in a criminal trial includes, in general, not only the right to be present, but also the right to receive legal assistance, if necessary (see Lagerblom v. Sweden, 14 January 2003, § 49 [EHRC 2003, 20].
90. In the present case, the Court notes, however, that the applicant himself did not wish to have a lawyer both during the pre-trial stage and the court proceedings. In this connection, the Court recalls that the waiver of a right guaranteed by the Convention - insofar as it is permissible - must be established in an unequivocal manner and must be attended by minimum safeguards commensurate with its importance (see Colozza v. Italy, 12 February 1985, § 28 [NJ 1986, 685]; Oberschlick v. Austria (no. 1), 23 May 1991, § 51 [NJ, 456, m.nt. EJD]; and Sejdovic v. Italy (GC), § 86, ECHR 2006-45). The Court considers that the requirements established by these principles were fulfilled in the present case in view of the following.
91. The Court notes that all the materials before it indicate that the applicant expressly waived his right to be represented by a lawyer both before and during the court hearing (see paragraphs 14 and 20 above). While the nature of some of the rights safeguarded by the Convention is such as to exclude a waiver of the entitlement to exercise them (see De Wilde, Ooms and Versyp, cited above, p. 36, § 65), the same cannot be said of certain other rights (see Albert and Le Compte, cited above, p. 19, § 35). It is clear from the text of Article 6 § 3 (c) that an accused has the choice of defending himself either "in person or through legal assistance". Thus, it will normally not be contrary to the requirements of this Article if an accused is self-represented in accordance with his own will, unless the interests of justice require otherwise. In the present case, there is no evidence that the applicant's choice to be self-represented was the result of any threats or physical violence. Furthermore, there is no evidence to support the applicant's allegation that he was "tricked" into refusing a lawyer. (...) Finally, noting that the applicant was accused of a minor offence and the maximum possible sentence could not exceed 15 days of detention, the Court does not discern in the present case any interests of justice which would have required a mandatory legal representation.
92. Having concluded that it was the applicant's own choice not to have a lawyer, the Court considers that the authorities cannot be held responsible for the fact that he was not legally represented in the course of the administrative proceedings against him. There has accordingly been no violation of Article 6 §§ 1 and 3(c) of the Convention taken together."

d. EHRM 14 januari 2003, EHRC 2003, 20 (Lagerblom v. Zweden):

"50. A legal requirement that an accused be assisted by counsel in criminal proceedings cannot be deemed incompatible with the Convention (see Croissant v. Germany, 25 September 1992, § 27 [NJ 1993, 525]).
51. In determining whether the interests of justice require that an accused be given free legal assistance, regard must be had to the seriousness of the offence and the severity of the possible penalty as well as the complexity of the case (see Quaranta v. Switzerland, 24 May 1991, § 32-34, [NJ 1992, 525] and the Benham v. the United Kingdom judgment cited above, p. 757, § 60).
(...)
54. It is true that Article 6 § 3 (c) entitles an accused to be defended by counsel "of his own choosing". Nevertheless, and notwithstanding the importance of a relationship of confidence between lawyer and client, this right cannot be considered to be absolute. It is necessarily subject to certain limitations where free legal aid is concerned. When appointing defence counsel the courts must certainly have regard to the accused's wishes but these can be overridden when there are relevant and sufficient grounds for holding that this is necessary in the interests of justice (see Croissant v. Germany, cited above, § 29).

14. Samengevat: Het EHRM herinnert ons eraan bij voorgaande arresten - waarin de kosteloze rechtsbijstand het aangrijpingspunt is - dat het EVRM niet ontworpen is om theoretische of illusoire rechten, maar om praktische en effectieve rechten te garanderen en dat het ambtshalve toevoegen van een raadsman op zichzelf niet de effectiviteit van de rechtsbijstand verzekert die aan de verdachte behoort toe te komen (zie de zaak Sejdovic tegen Italië onder a). Voorts wijst het Mensenrechtenhof ons erop dat de letter noch de geest van art. 6 EVRM de verdachte verhindert vrijwillig - expliciet of impliciet - afstand te doen van bepaalde rechten op een eerlijk proces, maar dat op ondubbelzinnige wijze moet worden vastgesteld of van een recht afstand is gedaan, terwijl dit niet in tegenspraak met enig publiek belang mag zijn. In strijd met de eisen van art. 6 EVRM is daarentegen de situatie waarin de verdediging voor de hoogste feitelijke instantie volledig wordt overgelaten aan de verdachte zelf die verwikkeld is in een zaak waarin een zware straf boven zijn hoofd hangt (zie de zaak Shulepov tegen Rusland onder b). Het Straatsburgse hof attendeert ons erop dat het recht van de verdachte op een effectieve deelname aan het strafproces in het algemeen niet alleen omvat het recht ter terechtzitting aanwezig te zijn, maar ook - indien noodzakelijk - het recht op rechtsbijstand, waarbij het prijsgeven van deze rechten - zoals gezegd - op ondubbelzinnige wijze moet worden vastgesteld én gepaard moet gaan met minimale waarborgen evenredig aan het belang van het prijsgegeven recht (zie de zaak Galstyan tegen Armenië onder c). Daarbij geldt nog de eis dat de verklaring van afstand van recht "be given in full knowlegde of the facts, that is to say on the basis of informed consent (...) and without constraint (...)." (Zie de zaak D.H. en anderen tegen Tsjechië, EHRM 13 november 2007, appl. nr. 57325/00, par. 202, EHRC 2008, 5, met aanhaling van Pfeiffer and Plankl v. Oostenrijk, EHRM 25 februari 1992, § 37-38, NJ 1994, 117, m.nt. EJD.) Tenslotte maakt het Europese hof duidelijk dat het recht op rechtsbijstand naar eigen keuze geen absoluut recht is en dat de wensen van een verdachte het kunnen afleggen tegen de eisen van een behoorlijke rechtspleging (Croissant, Lagerblom).

15. In de zaak Galstyan tegen Armenië (zie onder c) oordeelt het EHRM dat het normaliter niet in strijd zal zijn met de eisen van art. 6 EVRM wanneer een verdachte vrijwillig zijn eigen verdediging op zich wil nemen, tenzij de belangen van een behoorlijke rechtspleging anders eisen. Dit laatste zal bijvoorbeeld zeker het geval zijn wanneer verdachte wordt beschuldigd van een ernstig misdrijf dat wordt bedreigd met een zware maximumstraf. In een dergelijk geval, zoals in de zaak Shulepov tegen Rusland (zie onder b), vereisen de belangen van een behoorlijke rechtspleging - met het oog op een eerlijke behandeling van de zaak - dat verdachte baat vindt bij verplichte én effectieve rechtsbijstand van een raadsman ter zitting, en dan met name voor de hoogste feitelijke instantie. In laatstgenoemde zaak overweegt het EHRM dat de rechtsbijstand van een toegevoegde raadsman in die fase van het strafproces van essentieel belang is voor de verdediging van een verdachte, omdat een rechtsgeleerde raadsman op een effectieve wijze de aandacht van de hoogste feitenrechter kan vestigen op enig substantieel argument ten gunste van verdachte dat de rechterlijke beslissing zou kunnen beïnvloeden.

16. Nog enkele rechtsvergelijkende gegevens:
- de Duitse Strafprozeßordnung somt in § 140 een aantal situaties op waarin medewerking van een verdediger noodzakelijk is; in § 141 e.v. wordt de verplichte toevoeging geregeld. Een geval als het onderhavige zou daaronder vallen;
- de Franse Code de Procedure Pénal bepaalt in art. 274 dat in een strafzaak die door het assizenhof wordt berecht een raadsman wordt toegevoegd als de verdachte niet zelf een raadsman kiest;
- het hooggerechtshof van Canada heeft in Korponay v. Attorney General of Canada, (1982) 1 S.C.R. 41 uitgemaakt dat
"the validity of a waiver is dependent upon it being clear and unequivocal that the person is waiving the procedural safeguard and is doing so with full knowledge of the rights the procedure was enacted to protect and of the effect the waiver will have on those rights in the process;"
- in de Verenigde Staten leidt het Supreme Court uit de garanties van het VIe Amendement - inhoudende onder meer het recht op rechtsbijstand - ook het recht voor een verdachte af om zichzelf te verdedigen, zij het niet een absoluut recht:
"It is a right the defendant must adopt knowingly and intelligently; under some circumstances the trial judge may deny the authority to exercise it, as when the defendant simply lacks the competence to make a knowing or intelligent waiver of counsel or when his self-representation is so disruptive of orderly procedures that the judge may curtail it."(1)

17. Afstand van rechtsbijstand kan niet stilzwijgend geschieden. Maar zelfs als de voorlichting aan de verdachte over zijn rechten volmaakt is, kan nog niet altijd gezegd worden dat afstand "knowingly and intelligently" is gedaan. Daarvoor is van belang dat de rechter de bijzonderheden van het geval in aanmerking neemt, waaronder: de leeftijd van de verdachte, zijn geestelijke toestand, zijn ervaring en de omstandigheden waaronder het aanbod voor rechtsbijstand is gedaan en uitgelegd.(2) De beperking van de keuzevrijheid van een verdachte gaat evenwel niet zover dat hij alle technische kneepjes van een juryproces moet beheersen om rechtsgeldig afstand van rechtsbijstand te kunnen doen (Faretta v. California, 422 U.S. 806 (1975).

18. Twee hoogleraren strafrecht hebben op het punt van daadwerkelijk rechtsbijstand in aanvulling op de "zelfverdediging" van een verdachte een onderling tegengesteld standpunt ingenomen. J.M. Rijntjes schrijft in zijn noot bij HR 22 april 2008, NJ 2008, 387 dat het recht op deugdelijke rechtsbijstand een verdachte niet mag worden opgedrongen. Dat staat ons nationale strafprocesrecht niet toe. Aldus reageert hij op de onderhavige zaak, met de volgende woorden:
"Toen het Bossche hof onlangs, bij de behandeling van de geruchtmakende moord op de school te Hoogerheide, een toegevoegde raadsman als zodanig in de zittingszaal toeliet, ofschoon de verdachte zich zelf wenste te verdedigen, begaf het zich reeds op (maar net niet over!) de grenzen van het toelaatbare: de raadsman mocht alleen spreken, wanneer de verdachte hem daar alsnog om zou verzoeken."
A.A. Franken daarentegen schrijft in een aan de onderhavige zaak gewijd artikel(3) het volgende:
"Het gerechtshof had, mede met het oog op artikel 6 EVRM, het standpunt van de verdachte te respecteren dat hij zichzelf wenste te verdedigen. Uitvoerig zijn de raadsheren in het arrest bovendien ingegaan op de onderdelen uit het betoog van de verdachte die zij als een verweer of als een onderbouwd standpunt hebben aangemerkt. Ongetwijfeld is in dat verband nauwgezet het wettelijk systeem van motiveringsvoorschriften gevolgd. Desalniettemin heb ik het arrest met toenemende verbijstering gelezen. Juist door de uitgebreide bespreking van de stellingen die de verdachte heeft betrokken wordt bijvoorbeeld pijnlijk duidelijk hoe onbeholpen zijn verdediging is geweest. Geen woord is in het eindarrest evenwel gewijd aan de keuze van de verdachte zichzelf te verdedigen en dus geen gebruik te maken van zijn recht op rechtsbijstand. Ook als de rechter aan die keuze niet kan tornen, moet toch in ieder geval worden onderkend dat de verdediging die de verdachte zelf voert en de bijstand die een raadsman in het strafproces verleent, in de Straatsburgse jurisprudentie als complementair worden aangemerkt.(4) Die rechtspraak brengt tot uitdrukking dat een kwaliteitsimpuls mag worden verwacht van de inschakeling van een raadsman: hij wordt geacht met zijn juridische kennis en op het strafproces toegespitste vaardigheden eraan bij te dragen dat de verdachte in de procedure tot zijn recht komt en dat alle argumenten die zijn positie kunnen ondersteunen ook werkelijk worden gehoord. In het eindarrest van het Bossche gerechtshof klinkt echter bepaald niet door dat het ontbreken van rechtsbijstand vanuit dit perspectief als een gemis is ervaren.
Dat is niet alleen ongemakkelijk, omdat de rechtbank en het gerechtshof in deze zaak verschillend hebben geoordeeld over bijvoorbeeld een niet onbelangrijk aspect als voorbedachten rade. Een kundig raadsman had aan het debat daarover een voor de rechterlijke oordeelsvorming zinvolle bijdrage kunnen leveren. Dat in het arrest niets is gezegd over het ontbreken van rechtsbijstand wringt zeker ook tegen de achtergrond van de opgelegde straf. Die roept de vraag op of de verdachte in hoger beroep wel tot zijn recht is gekomen."

19. Bovenstaande principes van het Europese hof toegepast op de onderhavige zaak schept het volgende beeld. Verzoeker heeft laten weten dat hij geen gebruik wil maken van de diensten van een raadsman, dat hij geen juridische bijstand wenst en dat hij zijn eigen verdediging wenst te voeren. Het hof heeft verzoekers stellingname gerespecteerd; de voorzitter heeft zich van zijn wettelijk taak gekweten door ambtshalve een raadsman toe te voegen. Deze toegevoegde raadsman was in de zittingszaal aanwezig en stond de hele dag ter beschikking van verzoeker voor het geval dat verzoeker zich zou bedenken en alsnog gebruik zou willen maken van zijn diensten. In de loop van het proces heeft het hof verzoeker nog tweemaal op de mogelijkheid gewezen dat hij zich kon laten bijstand door de aanwezige raadsman, maar van deze mogelijkheid heeft verzoeker geen gebruik willen maken. Kon het hof in redelijkheid aannemen dat verzoeker rechtsgeldig afstand deed van zijn recht op bijstand van een raadsman? En heeft het hof zich daadwerkelijk voldoende bekommerd om verzoekers recht op effectieve rechtsbijstand en de nodige maatregelen genomen teneinde verzoekers recht op een eerlijk proces te waarborgen?

20. Uit niets blijkt dat het hof bij zijn beslissing om de behandeling van de zaak voort te zetten, zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand deed van zijn recht op rechtsbijstand en of verdachte in staat was om zijn eigen verdediging te voeren. Kon in alle redelijkheid worden aangenomen dat verzoekers verklaring van afstand van dit recht "be given in full knowledge of the facts, that is to say on the basis of informed consent and without constraint"? De opmerking van verzoeker Als ik mij had laten bijstaan door een raadsman dan zou mijn veroordeling reeds hebben vastgestaan en dat is nu niet het geval is eerder de uiting van misinformed consent dan van informed consent. Ten tweede blijkt uit niets dat het hof meer heeft gedaan dan het enkele toevoegen van een raadsman aan verzoeker - waartoe de voorzitter toch al verplicht was - en het wijzen op de mogelijkheid dat hij zich kon laten bijstaan door die raadsman. Vormden deze minimale maatregelen voldoende waarborgen om de effectiviteit van de rechtsbijstand te verzekeren die aan de verzoeker behoorde toe te komen? Ten slotte blijkt noch dat het hof verzoeker de mogelijkheid heeft voorgehouden om de zaak aan te houden, zodat verzoeker zijn keuze om zelf de verdediging te voeren nog met de raadsman zou kunnen overlegggen, noch dat het hof op cruciale momenten (bespreking van moord of doodslag en de op te leggen straf of maatregel) het woord tot verdediging aan de toegevoegde raadsman heeft gegeven, desnoods tegen zijn 'vrije wil' in. Vereisten de belangen van een behoorlijke rechtspleging in casu dan niet dat een rechtsgeleerde raadsman op effectieve wijze de aandacht van het hof kon vestigen op de cruciale strijdpunten in deze zaak, te weten:
a) de vraag of er sprake was van voorbedachte raad, waarop het OM, in zijn appèl tegen het andersluidende vonnis van de rechtbank, aanstuurde;
b) de vraag van de (mate van) toerekeningsvatbaarheid van verzoeker;
c) de vraag van de juiste sanctieoplegging, die zowel het OM als verzoeker door te appelleren tegen een al niet onbeduidend vonnis (twaalf jaar gevangenisstraf en tbs) aan de hogere feitenrechter wilden voorleggen; waarbij
d) het bewijs van voorbedachte raad noodzakelijk is om een straf van twintig jaar gevangenis te kunnen eisen.

21. In aanmerking genomen dat: 1. verzoeker terecht stond voor het zwaarste delict uit het Wetboek van Strafrecht; 2) de verdediging voor de hoogste feitelijke instantie volledig werd overgelaten aan verzoeker zelf (de toegevoegde raadsman 'stond erbij en keek ernaar'), 3. de wijze waarop verzoeker zichzelf heeft verdedigd als knullig moet worden beschouwd; 4. verzoeker oplegging van de zwaarste straf riskeerde (levenslang), 4. het hof te maken had met een ontkennende verdachte tevens weigerende observandus, en 5. onmiskenbaar aanwijzingen bestonden dat de relatief jonge verzoeker (23 jaar) op enigerlei wijze leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (getuige de daad zelf, zijn zelfoverschatting ter zitting en de psychologische/psychiatrische rapportages), kan naar mijn oordeel niet anders worden geconcludeerd dan dat verzoeker (in het geheel) geen baat heeft gevonden bij de 'bijstand' van de door het hof toegewezen raadsman en dat hem in hoger beroep dus geen - in dit geval noodzakelijke - effectieve rechtsbijstand is verleend, terwijl de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit juist in dit zware geval wel vereisten.

22. Ik herhaal dat bij de van moord verdachte verzoeker veel op het spel stond. Hij was immers in eerste aanleg tot twaalf jaar gevangenisstraf (met tbs) veroordeeld (voor doodslag), welke straf door het hof - zo valt achteraf te constateren - werd verhoogd tot, in de ogen van het hof daadwerkelijk uit te zitten, levenslange gevangenisstraf (waarover later meer). Dat brengt mij tot de slotsom dat de onvoldoende gemotiveerde beslissing van het hof om de behandeling van de zaak voort te zetten zonder enige effectieve rechtsbijstand van een raadsman niet begrijpelijk is en dat het hof verzoekers recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM onvoldoende heeft gewaarborgd.(5)

23. Het derde middel slaagt.

24. Het tweede middel klaagt erover dat het hof het resultaat van een fotoconfrontatie wel heeft opgenomen in de aanvulling met de bewijsmiddelen, ondanks het door verzoeker uitdrukkelijk gevoerd verweer daartegen en de door het hof genomen beslissing dat het resultaat van die fotoconfrontatie niet voor het bewijs zou worden gebruikt.

25. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof verzoekers verweer als volgt samengevat en verworpen:
"F. Standpunten verdachte

Op de gronden als in de door hem overgelegde pleitnotitie, heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een groot aantal verweren gevoerd, door hem zelf aangeduid als twijfels.

Het hof zal de verweren hieronder afzonderlijk bespreken.
(...)
F.4.1.
Verdachte stelt voorts dat hij niet de persoon is geweest die in de basisschool is gesignaleerd.
(...)
Voorts kan het signalement dat de getuige [getuige 1] geeft van de betreffende persoon, van toepassing zijn op meer dan 1 miljard mannen. Alleen de getuige [getuige 2] kan verdachte in de school plaatsen. Zij heeft bij de fotoconfrontatie verdachte aangewezen als de persoon die zij in de school is tegengekomen. Echter, op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, is alleen haar verklaring onvoldoende om hem te veroordelen, aldus verdachte.
Voorts heeft de fotoconfrontatie niet op juiste wijze plaatsgevonden. Verdachte verwijst daartoe naar het rapport van prof. dr. Van Koppen d.d. 2 mei 2007, welk rapport in eerste aanleg is opgemaakt.(6)
(...)
F.4.3.
Met betrekking tot de fotoconfrontatie die is gehouden met de getuige [getuige 2] overweegt het hof dat dit verweer verder geen bespreking behoeft nu het hof deze fotoconfrontatie niet voor het bewijs zal bezigen.
Echter, de verklaring van de getuige [getuige 2] kan wel degelijk voor het bewijs worden gebezigd, nu deze steun vindt in andere verklaringen, zoals in de verklaring van de moeder van verdachte dat hij loenst. De in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde bewijsminimumregel geldt slechts voor de bewezenverklaring in zijn geheel. Nu het hof de bewezenverklaring op meer dan één bewijsmiddel baseert, wordt dit verweer verworpen."

26. In de aanvulling bewijsmiddelen heeft het hof - voor zover hier van belang - de volgende bewijsmiddelen opgenomen:
- de als bewijsmiddelen 6 en 7 gebezigde verklaringen van getuige [getuige 2], inhoudende - onder meer - beschrijvingen van verzoeker;
- het als bewijsmiddel 13 gebezigd proces-verbaal van de fotoconfrontatie, waarvan de inhoud in de aanvulling als volgt is weergegeven:
"Overzicht verdachte:
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1984
Fotonummer: PL2060:06:245
Confrontatieset: A

 

Wie is online

We hebben 119 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.