Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Rechtspraak Toch geen levenslange gevangenisstraf Deel 3 Cassatie Hoge Raad Levenslang Juliën Constantia

Deel 3 Cassatie Hoge Raad Levenslang Juliën Constantia

E-mail Afdrukken PDF
70. Het eerste middel faalt.

71. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof een levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd, terwijl in casu - gegeven verzoekers leeftijd en persoonlijkheid en de omstandigheden van het geval - een dergelijke 'onmenselijke' straf in strijd zou zijn met art. 3 EVRM, althans dat het hof deze 'verbazingwekkende' strafoplegging - gezien de genoemde gegevenheden - onvoldoende begrijpelijk zou hebben gemotiveerd.

72. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof de oplegging van de levenslange gevangenisstraf als volgt gemotiveerd:
"12. Op te leggen straf en/of maatregel

H.
Het hof acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

I.1.
Verdachte heeft op 1 december 2006 op een basisschool te Hoogerheide opzettelijk en met voorbedachten rade een jongen van 8 jaar oud die niet bij machte was om zich te verdedigen, op brute wijze van [het] leven beroofd. Dat de moord op een onschuldig en weerloos kind op klaarlichte dag in een basisschool, een plek die boven alles veiligheid moet garanderen, gevoelens van afgrijzen, angst, en onveiligheid teweeg heeft gebracht in de samenleving, behoeft geen betoog. Vooral de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht, acht het hof weerzinwekkend. Met meerdere snijbewegingen is de hals en de nek van het slachtoffer nagenoeg volledig doorgesneden.
Door dit gewelddadig en nietsontziende optreden is aan de ouders, zusjes en overige familieleden van het slachtoffer een immens en onherstelbaar leed aangedaan. Tevens is aan het personeel van de basisschool [A] veel leed toegebracht, in het bijzonder aan de personen die [slachtoffer] levenloos in het klaslokaal hebben aangetroffen. Dat dit een traumatische ervaring oplevert, staat naar het oordeel van het hof buiten kijf.
Vooral het feit dat de vraag van de nabestaanden, alsmede van het personeel van de school, waarom verdachte [slachtoffer] heeft vermoord naar alle waarschijnlijkheid nooit zal worden beantwoord, brengt diep leed met zich mee en kan een zeer belemmerende werking hebben bij de leedverwerking.

I.2.
Verdachte heeft, ondanks herhaaldelijk en uitdrukkelijk aandringen, op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn beweegredenen voor zijn handelwijze op 1 december 2006. Ook heeft hij geen blijk gegeven van mededogen in de richting van het slachtoffer en de nabestaanden. Voorts moet, gelet op de omstandigheid dat volstrekt onduidelijk is waarom verdachte tot deze daad is gekomen, het ervoor worden gehouden dat verdachte in staat is om ook in de toekomst een soortgelijk feit te begaan. De forensisch psychiater Suithoff heeft ook in zijn rapport d.d. 4 december 2006 verwoord dat de kans op herhaling van een soortgelijk feit niet kan worden uitgesloten.
Het hof is derhalve van oordeel dat thans niet kan worden uitgesloten dat verdachte een potentieel gevaar voor de samenleving blijft. Voorkomen moet worden dat verdachte ooit nog de gelegenheid krijgt om een ander of anderen op deze of andere wijze van het leven te beroven.

I.3.
Gelet hierop ziet het hof, zeker tegen de achtergrond van de ernst van het feit en gelet op de algemene veiligheid van personen, geen andere mogelijkheid dan het maken van een keuze uit een tijdelijke gevangenisstraf in combinatie met de TBS-maatregel en dwangverpleging, dan wel een levenslange gevangenisstraf. Met alleen een gevangenisstraf van tijdelijke duur kan naar het oordeel van het hof onder de onder I.2. geschetste omstandigheden niet worden volstaan.

J. Behoort een terbeschikkingstelling met dwangverpleging tot de mogelijkheden?

J.1.
De advocaat-generaal heeft ter zake van moord een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar gevorderd, alsmede de last tot terbeschikkingstelling (verder te noemen TBS-maatregel), met dwangverpleging.

J.2.
De verdachte heeft zich daartegen verzet en heeft zich daarbij beroepen op het bepaalde van artikel 37a, derde lid, juncto artikel 37, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet heeft meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (verder te noemen PBC), zodat er geen advies door de gedragsdeskundigen uitgebracht is kunnen worden aangaande zijn geestesgesteldheid. Voorts merkt hij op dat het rapport van de psycholoog Lander d.d. 21 maart 2004 bij aanvang van de terechtzitting inmiddels ouder is dan een jaar en dat hij geen toestemming geeft aan het hof om van dit rapport gebruik te maken.

J.3.
Het hof overweegt dienaangaande allereerst dat het feit dat een verdachte weigert mee te werken aan een multidisciplinair onderzoek, aan oplegging van een TBS-maatregel niet in de weg staat. Geen wettelijke bepaling schrijft immers voor dat het advies tot stand moet zijn gekomen met medewerking van de verdachte. Artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het tweede en derde lid van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing is. Artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat het advies tot stand moet zijn gekomen op grond van een onderzoek van de verdachte door deskundigen. Een dergelijk onderzoek kan zich ook beperken tot observatie van de verdachte, kennisneming van zijn gedragingen, alsmede bestudering van andere hem betreffende rapportages. Van een advies dat is gedagtekend eerder dan één jaar voor de aanvang van de terechtzitting kan de rechter slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.
Voorts heeft de wetgever in het derde lid van genoemd artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht het bepaalde in het tweede lid buiten toepassing verklaard bij een weigerende observandus. In dat geval maken de gedragsdeskundigen rapport op van de reden van weigering, hetgeen in casu ook is gebeurd.
De rechter doet zich vervolgens zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen, dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de TBS-maatregel kan voorlichten. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van deskundigenrapporten over de persoonlijkheid van de verdachte die langer dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting zijn gedagtekend en uitgebracht en waaraan verdachte wel zijn medewerking heeft verleend. De wettekst noch de wetsgeschiedenis bieden aanknopingspunten voor het standpunt dat het de rechter niet vrij zou staan om in een dergelijk geval acht te slaan op adviezen die eerder zijn uitgebracht.

Gelet op het vorenstaande wordt het verweer, inhoudende dat het hof geen gebruik kan maken van de rapportage van het PBC en geen gebruik mag maken van het rapport van psycholoog Lander uit 2004, verworpen.

J.4.
Naar aanleiding van de vordering van de advocaat-generaal tot oplegging van een TBS-maatregel met dwangverpleging, alsmede naar aanleiding van hetgeen onder I.3. is overwogen, overweegt het hof als volgt.

Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of bij verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het hof betrekt daarbij het volgende.

J.5.
Verdachte is in het kader van deze strafzaak opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum. De psychiater J.H. van Renesse en de psycholoog J.B. Seinen hebben een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Echter, verdachte heeft iedere medewerking aan het onderzoek geweigerd omdat hij, naar eigen zeggen, een ontkennende verdachte is en zichzelf toerekeningsvatbaar acht. Ten gevolge van deze weigering hebben de opstellers van het rapport d.d. 21 juni 2007 geen onderzoek kunnen verrichten naar de geestvermogens van verdachte en zijn derhalve niet in staat geweest om antwoord te geven op de vraag of verdachte ten tijde van het plegen van het feit lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijk stoornis van zijn geestvermogens.

J.6.
Voorts bevindt zich in het dossier een rapportage d.d. 21 maart 2004 van psycholoog W.J.L. Lander, die naar aanleiding van een door verdachte in 2003 gepleegd vermogensdelict een onderzoek heeft ingesteld omtrent de geestvermogens van verdachte. Deze rapportage houdt in dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voor wat betreft een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is er sprake van antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken. Gezien echter de leeftijd van betrokkene en de nog niet uitgerijpte persoonlijkheid is het te voorbarig om te spreken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Om de ontwikkeling van de persoonlijkheid in goede banen te leiden is het zinvol dat betrokkene een behandeling krijgt, aldus de psycholoog.

J.7.
Het hof begrijpt deze laatste volzin aldus dat er aanleiding was om, ter voorkoming van een verdergaande scheefgroei van zijn persoonlijkheid, een behandeling te adviseren.
Uit het verhandelde ter terechtzitting valt echter niet met voldoende zekerheid af te leiden dat deze scheefgroei zich ook daadwerkelijk heeft voortgezet. Immers, de onderzoekers van het PBC hebben de vraag of verdachte ten tijde van het plegen van het feit lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijk stoornis van zijn geestvermogens, niet kunnen beantwoorden.
De daad zelf, "het zonder enig (kenbaar) motief zo beestachtig afslachten van een weerloos kind van 8 jaar", zoals de rechtbank in haar vonnis heeft overwogen, is mogelijk een aanwijzing, maar kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer tot de conclusie leiden dat (ruim twee en een half jaar na de hiervoor onder J.6. genoemde rapportage) bij verdachte tijdens het begaan van het feit een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond.

J.8.
Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het hof niet is gebleken dat verdachte destijds lijdende was aan een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, komt het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, niet tot die conclusie, zodat het opleggen van een TBS-maatregel niet tot de mogelijkheden behoort.

K. De op te leggen straf

Gelet op het vorenstaande volstaat naar het oordeel van het hof dan ook geen andere sanctie dan een levenslange gevangenisstraf. Het hof heeft in hetgeen naar voren is gekomen omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte noch in zijn opstelling tijdens het strafproces aanknopingspunten gevonden voor een andere beslissing."

73. In het middel onderscheid ik hoofdzakelijk twee klachten. Ten eerste zou de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in casu een 'onmenselijke bestraffing' zijn en om die reden een schending van art. 3 EVRM opleveren. Ten tweede zou de in casu oplegde straf 'verbazing wekken' en in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd zijn.

74. Laat ik met de eerste klacht beginnen. Volgens de steller van het middel moet de in deze zaak aan verzoeker opgelegde straf - gegeven verzoekers leeftijd en persoonlijkheid en de omstandigheden van het geval - als onmenselijk en mitsdien als strijdig met art. 3 EVRM betiteld worden.

75. Vooraf veroorloof ik mij de volgende opmerkingen. In mijn conclusie voor HR 9 maart 1999, NJ 1999, 435 besprak ik de consequenties van het arrest van het EHRM van 18 juli 1994, NJ 1995, 234 (Wynne v. UK) m.nt. Kn. Ik schreef toen:
"Voor de implicaties van bovenstaande uitspraak voor de situatie waarin tot levenslang veroordeelden zich in ons land bevinden, is van belang dat onze wetgever niet alleen de in de bovenstaande overwegingen neergelegde door het Europese Hof geëxpliciteerde belangen van veroordeelden volledig erkent, maar daaraan ook al uitdrukkelijk is tegemoetgekomen. Onze wetgeving heeft in art. 2 aanhef en onder b van de Gratiewet een grond voor gratie geformuleerd die dient te worden bezien in samenhang met art. 558 e.v. Sv, waaronder de zogeheten "volgprocedure langgestraften" ressorteert (in de regel veroordeelden tot een gevangenisstraf van zes jaar of langer). De ratio hiervan is volgens de wetgever dat zich een situatie kan ontwikkelen waarin met de verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend, op grond waarvan een verkorting van de straf door middel van gratie verantwoord wordt geacht. Gratie dient in de ogen van de wetgever, behalve als een "daad van gerechtigheid", bovendien ook als een "daad van barmhartigheid" te worden beschouwd, terwijl "de betrokkenheid op het individuele geval" voorts kenmerkend is voor het gratie-instituut.

Op grond van die "volgprocedure langgestraften" worden deze na één derde van hun straftijd aan een (nader) klinisch-psychologisch onderzoek onderworpen om te bezien of met een verdere tenuitvoerlegging in redelijkheid nog enig doel wordt gediend. Wanneer dat onderzoek negatief luidt kan hierin aanleiding worden gevonden ambtshalve gratie te verlenen. Ook veroordeelden tot levenslange gevangenisstraf komen voor die procedure in aanmerking. Bovengenoemd onderzoek kan er dan in resulteren dat die gevangenisstraf wordt omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf - het zogeheten "op jaren stellen" - waarna de gedetineerde voor vervroegde invrijheidsstelling in aanmerking komt.

Voorts wil ik erop wijzen dat veroordeelden, naast het in aanmerking kunnen komen voor evenbedoelde vorm van ambtshalve gratiëring, ook uit eigen beweging om toepassing van de in art. 2 Gratiewet neergelegde gratiegronden kunnen verzoeken. Dit kan met vrucht plaatsvinden wanneer sprake is van een novum, dus een wijziging van de omstandigheden van de veroordeelde ten opzichte van die ten tijde van de strafoplegging, zoals - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - een ernstige ziekte die zich later bij de veroordeelde heeft ontwikkeld. Hierbij is mede van belang dat uit art. 3, vierde lid, Gratiewet en art. 559d Sv kan worden opgemaakt dat verzoeken om gratie - ook na daaraan voorafgegane afwijzingen - steeds opnieuw kunnen worden ingediend, waarbij in elk geval die gratieverzoeken die op dezelfde grond maar buiten de termijn van een jaar zijn ingediend opnieuw aan de rechter die de straf heeft opgelegd om advies moeten worden voorgelegd. Een tot levenslang veroordeelde beschikt dus ook levenslang over het recht om gratieverzoeken in te dienen.

Tot slot heeft de veroordeelde, indien deze de mening is toegedaan dat de executie van de (levenslange) gevangenisstraf - op welke grond dan ook - niet langer als rechtmatig kan worden beoordeeld, te allen tijde de mogelijkheid de burgerlijke rechter (via een kort geding tegen de Staat) te adiëren.

76. Inmiddels is de benadering door het ministerie van Justitie drastisch, om niet te zeggen: dramatisch veranderd. De "Volgprocedure langgestraften"(20) is niet alleen ingetrokken,(21) de toenmalige minister van Justitie heeft op Kamervragen gesteld dat levenslang in beginsel levenslang duurt (hoewel een mogelijkheid van gratie bestaat mits het recidiverisico tot een voor de samenleving aanvaardbaar niveau is teruggebracht),(22) terwijl de huidige staatssecretaris van Justitie dat standpunt "levenslang is in beginsel levenslang" op 6 mei 2008 heeft herhaald.(23) Ik verwijs naar de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor meer details omtrent deze ontwikkeling (conclusie van 30 september 2008, LJN BF3741; nr 8-8.10). Ik volsta hier met op te merken dat Nederland, dat zich traditioneel onder Europese landen in de voorhoede van een humane strafrechtspleging bevond in ieder geval op dit punt een averechtse ontwikkeling laat zien, waar immers andere landen serieus werk maken van rationalisering en humanisering van de levenslange gevangenisstraf,(24) tot uiting komend in een verplichte herbeoordeling van levenslange gevangenisstraffen.(25),(26) Zelfs elders in ons eigen Koninkrijk,(27) in de Nederlandse Antillen en in Aruba, is men tot het inzicht gekomen dat de executie van een levenslange gevangenisstraf zodanig zou dienen te worden ingericht dat na twintig executiejaren de verdere tenuitvoerlegging van levenslange gevangenisstraf verplicht wordt heroverwogen met het oog op mogelijke vrijlating.(28)

77. Van belang is om in dit verband acht te slaan op de drie belangrijkste te onderscheiden functies van de levenslange gevangenisstraf: de vergelding van begaan onrecht, de beveiliging van de maatschappij (speciale preventie) en de demonstratie van de norm (generale preventie). Indien het toegebrachte leed van een zodanige omvang is dat een mensenleven te kort is om daarvoor te boeten leent levenslange gevangenisstraf zich feitelijk niet voor verkorting: de schuld kan dan niet worden gedelgd. Ik merk hierbij op dat het Joegoslavië-tribunaal aan meervoudige moordenaars wel (zeer) lange straffen oplegt, ook meer dan het bij ons geldende maximum van de tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar, maar slechts éénmaal levenslang heeft opgelegd.(29) Daaruit komt naar voren dat de schuld voor het doden van zoveel mensen kennelijk wel (ooit) kan worden gedelgd en bij hoge uitzondering niet.
Ik merk op dat het hof niet heeft overwogen dat wie aan een achtjarige het leven ontneemt, en daarmee diens hele verdere leven, een spiegelende straf verdient inhoudende dat hem gedurende zijn eigen verdere leven ieder levensgenot wordt ontzegd. Dat zou dicht tegen het oud-testamentische(30) talio-principe van het "oog om oog, tand om tand" aan liggen, dat ook in de Koran(31) is te vinden.

78. Anders ligt het met levenslange gevangenisstraf die wordt opgelegd ter beveiliging. Indien het gevaar dat van de verdachte uitgaat geweken is of redelijkerwijs onder controle kan worden gehouden, leent die omstandigheid zich voor beëindiging, al dan niet onder voorwaarden, van de levenslange gevangenisstraf.(32) Kwakman beklemtoont dat - ervan uitgaande dat in ons strafrecht de evenredige vergelding voorop staat - eventuele (andere) straffuncties - zoals bijvoorbeeld de beveiliging van de maatschappij - "als zodanig nooit de doorslag mogen geven wat betreft de zwaarte van de straf (en dus de lengte van een gevangenisstraf)." De bovengrens van de evenredige vergelding lijkt te worden overschreden, aldus Kwakman, nu "ook als er geen sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid ... de beveiliging van de samenleving steeds vaker als zelfstandige reden [wordt] opgevoerd (dus ongeacht het vereiste van een evenredige vergelding) om een verdachte een levenslange gevangenisstraf op te leggen."(33) Hier duikt het moeilijke probleem van "meer straf dan (te vergelden) schuld" weer op. Dit laat ik hier verder rusten.(34)

79. Wat betreft de levenslange gevangenisstraf als demonstratie van de gelding van de norm, als uiting ervan dat de hoogste waarden in het leven van de mens ook de hoogste bescherming genieten vergt het opleggen van levenslange gevangenisstraf niet ook de levenslange tenuitvoerlegging.
De levenslange gevangenisstraf dient derhalve genuanceerd te worden beoordeeld, waarbij meteen moet worden opgemerkt dat motivering van een levenslange gevangenisstraf in de regel een vermenging te zien zal geven van vergeldende, normdemonstratie- en beveiligingsnoties. Voor de levenslange executie van een levenslange gevangenisstraf dient steeds een 'causal link' met het oorspronkelijke vonnis aanwezig te zijn, op straffe van schending van art. 5, eerste lid aanhef en onder a, EVRM. Tot zover enige voorafgaande opmerkingen.

80. Ter onderbouwing van het in het middel ingenomen standpunt wordt met name verwezen naar de boven al genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Knigge. In die zaak(35) beantwoordt hij onder meer de vraag of de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in Nederland - gezien de wijze waarop die straf wordt tenuitvoergelegd - in strijd is met de artt. 3 en 5 EVRM, als volgt:
"9.5 () Dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd kan komen met het EVRM, wil () niet zeggen dat de oplegging daarvan in strijd is met dat verdrag. Ik zal dat toelichten.

9.6 Indien als juist wordt aangenomen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf kan strijden met art. 5 lid 1 aanhef en onder a EVRM omdat de vereiste causal link ontbreekt, geldt dat die strijd zich pas voordoet vanaf het moment waarop die causal link wegvalt. Dat kan eerst na verloop van lange tijd het geval zijn. Tot die tijd levert de tenuitvoerlegging van de straf dus geen strijd op met art. 5 lid 1 EVRM. Dat betekent dat ook de oplegging van de straf niet in strijd met dat artikellid kan zijn. Het feit dat in de (verre) toekomst een schending van het verdrag dreigt, maakt niet dat het verdrag reeds nu wordt geschonden.

9.7 Een vergelijkbare opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot een eventuele schending van art. 5 lid 4 EVRM. Van het ontbreken van een adequate toetsingsprocedure kan de levenslanggestrafte pas het slachtoffer zijn vanaf het moment waarop zijn straf redelijkerwijs voor een review in aanmerking komt. Gelet op de door de Raad van Europa aanbevolen termijn van 8 - 14 jaar (), valt niet te verwachten dat het Europese Hof een schending van art. 5 lid 4 EVRM zal aannemen als nog geen acht jaar van de straf is uitgezeten. Dat schending van art. 5 lid 4 dreigt, betekent weer niet dat die schending zich al bij de oplegging van de straf realiseert.

9.8 Daar komt nog het volgende bij. Zolang er nog een causal link met de veroordeling is, is het meest voor de hand liggende gevolg van schending van art. 5 lid 4 EVRM niet dat de veroordeelde in vrijheid wordt gesteld. Het EVRM dwingt daartoe in elk geval niet.(36) Art. 5 lid 5 EVRM geeft een recht op schadevergoeding. Daarnaast geldt dat waar mogelijk rechtsherstel moet worden geboden: aan de verdragsschending moet een eind worden gemaakt. Dat kan door alsnog te voorzien in een - op gezette tijden te herhalen - herbeoordeling van de straf. Een andere mogelijkheid is dat de levenslange straf door middel van gratie wordt omgezet in een tijdelijke straf van aanzienlijke duur. Het paardenmiddel van de onmiddellijke invrijheidsstelling komt pas als allerlaatste optie in beeld. Een en ander vormt een extra reden waarom art. 5 lid 4 EVRM zich niet tegen de oplegging van de levenslange gevangenisstraf verzet. De (voortzetting van de) detentie zelf is als regel niet in strijd met dit artikellid.

9.9 Vergelijkbare opmerkingen kunnen met betrekking tot een eventuele schending van art. 3 EVRM worden gemaakt. Zoals wij zagen is het enkele feit dat de veroordeelde op het moment van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf geen hoop op vrijlating kan koesteren, vermoedelijk onvoldoende om van een onmenselijke en vernederende behandeling te kunnen spreken. De duur van de detentie lijkt een factor van belang (). Daar komt bij dat onmiddellijke invrijheidstelling weer niet de meest voor de hand liggende mogelijkheid is om aan de verdragsschending een einde te maken. Aan de verplichting tot rechtsherstel wordt voldaan als de veroordeelde alsnog een perspectief op vrijlating wordt geboden.

9.10 In dit verband wijs ik op de zaak Sawoniuk v. UK (EHRM 29 mei 2001, appl. no. 63716/00). In deze zaak werd er onder meer over geklaagd dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd was met art. 3 EVRM vanwege de gevorderde leeftijd van klager, zijn slechte gezondheid en het ontbreken van een perspectief op vrijlating. Het Hof verklaarde de klacht niet-ontvankelijk, waarbij het onder meer overwoog:

'Furthermore, there is no indication in the present case that the term of life imprisonment imposed has removed from the applicant any prospect of release. The Court notes that the Lord Chief Justice has recommended a tariff of five years. While the Home Secretary has not reached his decision on a tariff, any unreasonable decision on his part would be amenable to judicial review in the courts, where, again, the applicant would now be able to rely on the provisions of the Convention.'

9.11 Het Europese Hof achtte dus van belang dat de veroordeelde tegen een eventuele onredelijke tenuitvoerlegging van de straf kon opkomen in gerechtelijke procedures waarbij hij zich (zoals ook in Engeland sinds de inwerkingtreding van de Human Rights Act 1998 het geval is) op het EVRM kan beroepen. Het bestaan van een toereikende remedy op nationaal niveau maakt dus dat de oplegging van de levenslange straf niet snel in strijd met het verdrag zal zijn.(37)

9.12 In Nederland kan de veroordeelde die meent dat de tenuitvoerlegging van zijn straf strijdt met de artt. 3 en 5 EVRM, zijn zaak aan de burgerlijke rechter voorleggen. Daarbij kan hij zich op het EVRM beroepen, maar uiteraard ook op het nationale recht zoals dat in het licht van de verdragen en de internationale "standards to be achieved" moet worden uitgelegd. Dat maakt het mijns inziens - in elk geval vooralsnog(38) - verantwoord om de strijd met het EVRM die bij de tenuitvoerlegging dreigt, niet op het bord van de strafrechter te leggen, maar op dat van de civiele rechter. Ik merk daarbij op dat de civiele rechter in een betere positie verkeert om de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging te beoordelen dan de strafopleggende rechter. De civiele rechter kan immers de omstandigheden die zich na de strafoplegging hebben voorgedaan (waaronder de duur van de ondergane detentie) in zijn oordeel betrekken. Bovendien pleit ook het beginsel van hoor en wederhoor voor een civiele procedure. Daarin is de Staat immers partij, hetgeen in een strafprocedure niet het geval is."

81. Volgens Knigge leidt een en ander tot de volgende voorzichtige eindconclusie:
"10.7 () dat een tenuitvoerleggingsbeleid dat gebaseerd is op de idee dat de levenslanggestrafte in de gevangenis dient te sterven, op gespannen voet staat met de artikelen 3 en 5 EVRM. Meer kan daarover in zijn algemeenheid niet worden gezegd. Of de tenuitvoerlegging in een concreet geval in strijd is met het verdrag, hangt namelijk af van de bijzonderheden van het geval. Zoals reeds werd opgemerkt speelt de tijd die de veroordeelde reeds heeft vastgezeten, een belangrijke rol als het om schending van art. 3 EVRM gaat. Die tijdsfactor speelt eveneens bij art. 5 EVRM. Het is immers pas na verloop van (lange) tijd dat de vraag aan de orde komt of de oorspronkelijke grond voor vrijheidsbeneming nog steeds aanwezig is.

10.8 Het gegeven dat de strijd met het verdrag eerst na verloop van tijd ontstaat, betekent dat er op het moment van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf nog geen strijd is met het verdrag. Daarom is de verdachte met zijn klacht dat het EVRM is geschonden, te vroeg. Die klacht zal hij eventueel later aan de civiele rechter moeten voorleggen, die dan moet oordelen of de voortzetting van de vrijheidsbeneming nog steeds rechtmatig is."

82. Voor zover het middel in de onderhavige zaak klaagt dat reeds de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf onmenselijk en mitsdien in strijd zou zijn met art. 3 EVRM, sluit ik mij aan bij bovenstaande eindconclusie van mijn ambtgenoot, en meen ik eveneens dat ten tijde van een dergelijke strafoplegging van een schending van het verdrag nog geen sprake kan zijn. Dit sluit overigens niet uit, zoals Knigge terecht stelt, dat de volkomen uitzichtloosheid van de straf de latere tenuitvoerlegging onmenselijk kan maken en dat het ontbreken van enig perspectief op vrijlating (in de huidige Nederlandse praktijk) een serieus probleem vormt en onder omstandigheden tot strijd met art. 3 EVRM kan leiden. Onmenselijkheid in de zin van stuitende ongelijkheid qua behandeling zou nog wel gelegen kunnen zijn in de leeftijd van een veroordeelde. Mijn huidige ambtgenoot Vegter heeft in zijn editorial "Levenslang in perspectief: ook vergelding verplicht!"(39) een discussie opgerakeld die werd gevoerd ten tijde van de behandeling van het Wetboek van Strafrecht, zo'n 130 jaar geleden. Tegenstanders van de oplegging van levenslange vrijheidsberoving formuleerden onder andere:
"Ten anderen werkt de straf niet gelijk. Jonge misdadigers worden veel zwaarder gestraft dan oudere."
Vooralsnog echter moet worden uitgegaan van een verdragsconforme strafoplegging en in dat opzicht is de levenslange gevangenisstraf als zodanig ook in casu niet onmenselijk. In zoverre faalt het middel.

83. Dan nu de tweede klacht van het middel. Volgens de steller van het middel wekt de in deze zaak opgelegde levenslange gevangenisstraf - gegeven verzoekers leeftijd en persoonlijkheid en de omstandigheden van het geval - verbazing en is de motivering ervan op zijn minst onvoldoende begrijpelijk.

84. In het kader van de controle in cassatie geldt wat betreft de strafoplegging het volgende uitgangspunt:
"[Z]olang de feitenrechter binnen de door de wet aan de straf en maatregel gestelde grenzen blijft, is de strafoplegging in cassatie nagenoeg onaantastbaar. Met name is de feitenrechter vrij in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte" (Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, p. 263).

85. Daarnaast geldt voor wat betreft de in cassatie te controleren strafmotivering dat de rechter ingevolge art. 359, vijfde lid, Sv in het bijzonder de redenen dient op te geven die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid. Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv moet de rechter bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van die straf of maatregel hebben geleid. Voorts dient de rechter zoveel mogelijk de omstandigheden aan te geven waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. Alleen wanneer de strafoplegging - in het licht van wat is vastgesteld, uit de stukken blijkt of ter zitting is aangevoerd - verbazing wekt en/of onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen (Van Dorst, p. 265-266).

86. Wekt de strafoplegging verbazing? De bewezen verklaarde moord is voorzien en strafbaar gesteld bij art. 289 Sr. Zoals algemeen bekend bedraagt het wettelijk strafmaximum voor moord levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van - sinds 1 februari 2006 - maximaal 30 jaar. Het hof was dan ook niet gehouden verzoeker te waarschuwen voor de mogelijkheid dat het een levenslange gevangenisstraf zou opleggen. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich van deze mogelijkheid niet bewust zou zijn geweest, zoals het middel stelt, maakt de daadwerkelijk opgelegde straf daarom niet reeds verbazingwekkend.

87. Wel is het zo dat zich bij mijn weten in het recente verleden geen gevallen hebben voorgedaan waarin voor één (kale) moord zonder recidive levenslange gevangenisstraf is opgelegd.(40) Hoewel geen wetsbepaling de rechter verbiedt om daarvoor levenslange gevangenisstraf op te leggen overschrijdt de rechter die dat doet wel een - tot dusver onuitgesproken - grens dat de levenslange gevangenisstraf moet worden gereserveerd voor ernstiger gevallen dan één (kale) moord, zoals een moord met terroristisch oogmerk en vergezeld van vijf pogingen tot moord op politieagenten (3) en omstanders (2),(41) of een meervoudige moord,(42) en/of bij recidive.(43) Zelfs in het geval van de ontstellende moord op de politicus Pim Fortuyn was de straf van 18 jaar in overeenstemming met de in rechterskringen geldende opvattingen in dezen. Afwijking van die opvatting vergt naar mijn oordeel een overtuigende uiteenzetting waarom met een tijdelijke gevangenisstraf niet kan worden volstaan. In het arrest ontbreekt een verwijzing naar de consistente straftoemeting in een geval als het onderhavige.

88. De volgende bijzondere feiten en omstandigheden leiden mij tot een positief antwoord op de hiervoor gestelde vraag. De levenslange gevangenisstraf is opgelegd aan een verdachte die:
- ten tijde van het begaan van het delict slechts 22 jaar oud was;
- slechts één keer eerder is veroordeeld ter zake van een vermogensdelict met een (bedreiging met) geweldscomponent;
- niet eerder is veroordeeld ter zake van een levensdelict;
- in casu is veroordeeld ter zake van slechts één levensdelict, namelijk één enkelvoudige moord;
- in eerste aanleg door het OM verminderd toerekeningsvatbaat werd geacht en tegen wie een gevangenisstraf van 20 jaar en tbs werd geëist wegens moord;
- in eerste aanleg is veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf met TBS wegens doodslag, waarbij de verminderde toerekeningsvatbaarheid een mitigerende invloed op de duur van de vrijheidsstraf had;
- in hoger beroep door het OM opnieuw verminderd toerekeningsvatbaar is geacht en tegen wie opnieuw wegens moord 20 jaar gevangenisstraf en tbs werd geëist wegens moord;
- in hoger beroep volledig toerekeningsvatbaar is geacht ter zake van moord;
- in hoger beroep niet nader psychiatrisch/psychologisch is onderzocht.

89. Tegen de achtergrond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, van de zojuist genoemde feiten en omstandigheden en de persoon van verzoeker is de opgelegde straf een verbazingwekkende straf. Dat gevoelen wordt niet weggenomen door 's hofs strafmotivering. De strafmotivering brengt namelijk onvoldoende tot uitdrukking: dat het hof alle genoemde feiten en omstandigheden (welke genoegzaam uit de stukken blijken) in ogenschouw heeft genomen; dat het die omstandigheden heeft gewogen, en die omstandigheden stuk voor stuk en ook in hun totaliteit te licht heeft bevonden voor een lagere dan levenslange straf.(44) De opgelegde straf valt slechts gedeeltelijk uit die motivering te verklaren valt. Daarom verbaast de straf.

90. Is daarnaast de strafmotivering begrijpelijk? Naar mijn mening niet, en wel om de volgende redenen. Allereerst noem ik 's hofs argumentatie die leidt tot zijn oordeel dat het geen andere mogelijkheid ziet dan het maken van een onvermijdelijke keuze uit een tijdelijke gevangenisstraf met TBS of een levenslange gevangenisstraf en dus niet kan worden volstaan met alleen een gevangenisstraf van tijdelijke duur (zie overweging I.3). Voor de duidelijkheid citeer ik nog even deze argumentatie die voorafgaat aan dat oordeel:
"Voorts moet, gelet op de omstandigheid dat volstrekt onduidelijk is waarom verdachte tot deze daad is gekomen, het ervoor worden gehouden dat verdachte in staat is om ook in de toekomst een soortgelijk feit te begaan. De forensisch psychiater Suithoff heeft ook in zijn rapport d.d. 4 december 2006 verwoord dat de kans op herhaling van een soortgelijk feit niet kan worden uitgesloten.
Het hof is dan ook van oordeel dat thans niet kan worden uitgesloten dat verdachte een potentieel gevaar voor de samenleving blijft. Voorkomen moet worden dat verdachte ooit nog de gelegenheid krijgt om een ander of anderen op deze of andere wijze van het leven te beroven" (zie overweging I.2).

91. Het hof verwijst in zijn overweging naar het zich bij de stukken van het geding bevindend rapport van forensisch psychiater J. Suithoff. Deze heeft op verzoek van de officier van Justitie op 4 december 2006, drie dagen na het ten laste gelegde feit, verzoeker in zijn cel bezocht. Hem werd advies gevraagd met betrekking tot gedragskundig onderzoek en een inschatting van de kans op herhaling (met het oog op een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis). Voornoemde gedragskundige heeft op diezelfde dag het volgende advies gerapporteerd:
"Gezien de ontkenning kan het moeilijk zijn om een relatie te leggen tussen de persoon van betr. en het tenlastegelegde. Indien de verdenking tegen hem gehandhaafd blijft en hij volhardt in zijn ontkenning, dan lijkt, gezien de aard van het delict en de onduidelijkheid m.b.t. de aard van een mogelijk aanwezige ziekelijke stoornis, klinische rapportage door het Pieter Baan Centrum geïndiceerd.

De kans op herhaling van het tenlastegelegde in geval van schorsing is gezien de ontkenning van het tenlastegelegde door betr. niet goed te beoordelen, maar valt derhalve ook zeker niet uit te sluiten.

Over de indicatie voor plaatsing van betr. op een afdeling voor bijzondere zorg heb ik u reeds bericht."

92. Dat het hof, gelet op de (enkele) omstandigheid dat volstrekt onduidelijk is waarom verzoeker tot zijn daad is gekomen, het ervoor houdt dat hij in staat is om ook in de toekomst een dergelijk feit te plegen, is reeds niet geheel te begrijpen: want hoe kan men, uitgaande van een onduidelijke omstandigheid, dit recidivegevaar aannemen?

93. Dat het hof op grond van genoemd advies het (stellige) oordeel velt dat thans niet kan worden uitgesloten dat verzoeker een potentieel gevaar voor de samenleving blijft (voor de rest van zijn leven?), is evenmin te begrijpen, nu volgens forensisch psychiater Suithoff het gevaar voor recidive (in geval van schorsing van de voorlopige hechtenis!) juist moeilijk te beoordelen was gezien verzoekers ontkenning en om die reden ook niet viel uit te sluiten.

94. Evenmin begrijpelijk is dat het hof dit voorlopige én voorzichtige advies betreffende het recidivegevaar, dat van dezelfde dag dateert als die waarop verzoeker in zijn cel werd bezocht - gegeven aan de officier van Justitie in het kader van een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis - gebruikt als (doorslaand) argument voor de kans op herhaling die alleen met levenslange verwijdering uit de maatschappij als straf valt te beteugelen.

95. Voorts zit er nog een (meer dan) semantisch probleem in de overwegingen van het hof, waar het overweegt dat thans niet kan worden uitgesloten dat verdachte een potentieel (mijn cursivering, NJ) gevaar voor de samenleving blijft. Of verzoeker werkelijk een gevaar oplevert voor de samenleving - zoals in de zaak die eindigde met Uw arrest van 22 maart 2005, LJN AS5881, waarin de verdachte, na een tbs-behandeling van veertien jaar wegens doodslag op twee vrouwen, levenslang had gekregen wegens twee nieuwe doodslagen en een moord) heeft het hof niet vastgesteld: verzoeker levert niet alleen een potentieel gevaar op, maar het is in de opvatting van het hof zelfs zo dat niet kan worden uitgesloten dat verzoeker een potentieel gevaar oplevert. Er is - met andere woorden - een (1) kans dat verzoeker een (2) potentieel (3) gevaar oplevert. Dat iemand (in casu van 23 jaar) op grond van een dergelijke, vluchtige, niet deugdelijk onderbouwde, drievoudig onzekere, risicotaxatie levenslang (indien wij uitgaan van een gemiddelde levensverwachting van een man: naar verwachting meer dan 50 jaar) moet worden opgesloten - zonder uitzicht ooit nog vrij te komen - is op zijn minst niet begrijpelijk.

96. Vervolgens wijs ik op 's hofs beantwoording van de vraag of in casu de TBS-maatregel tot de mogelijkheden behoort. In eerste aanleg had de rechtbank in haar vonnis d.d. 6 september 2007 geoordeeld dat zij op grond van zoveel aanwijzingen niet anders kon concluderen dan dat bij verzoeker tijdens het begaan van het feit een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond en dat hij dientengevolge verminderd toerekeningsvatbaar moest worden geacht. In tegenstelling tot de officier van Justitie, de rechtbank en de advocaat-generaal komt het hof niet tot die conclusie en acht verzoeker volledig toerekeningsvatbaar. Bij de beantwoording van de vraag of verzoeker ten tijde van het begaan van het feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, betrekt het hof dezelfde deskundigenrapporten waarop de rechtbank destijds haar tegengestelde conclusie baseerde. Op zich is dat goed mogelijk, maar niet goed begrijpelijk is waarom het hof zelf geen nader onderzoek heeft ingesteld of deskundigen ter zitting heeft opgeroepen om te worden gehoord over deze vraag.

97. Hier wreekt zich de omstandigheid dat verzoeker geen effectieve rechtsbijstand heeft genoten. 's Hofs overweging (welke haaks staat op die van de rechtbank) dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet met voldoende zekerheid valt af te leiden dat een verdergaande scheefgroei van verzoekers persoonlijkheid zich ook daadwerkelijk heeft voortgezet (zie overweging J.7) is onbegrijpelijk, omdat er alle aanleiding was om omtrent verzoekers persoonlijkheid meer zekerheid te verkrijgen. Op zijn minst had het hof de gedragsdeskundigen van het PBC of de klinisch psycholoog Lander dan wel de forensisch psychiater Suithoff ter terechtzitting kunnen horen teneinde op dit punt sterke twijfels weg te kunnen nemen; zeker omdat in het milieurapport van het PBC tal van aanknopingspunten zijn te vinden voor de uit de daad naar voren springende scheefgroei van verzoeker.

98. Ook de volgende overweging van het hof is niet goed te begrijpen:
"De daad zelf, 'het zonder enig (kenbaar) motief zo beestachtig afslachten van een weerloos kind van 8 jaar', zoals de rechtbank in haar vonnis heeft overwogen, is mogelijk een aanwijzing, maar kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer tot de conclusie leiden dat (...) bij verdachte tijdens het begaan van het feit een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond." (Zie overweging J.7.)

99. Op zich is het waar dat de aard van de daad zelf slechts een mogelijke aanwijzing kan zijn dat verzoeker destijds lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, maar het hof had ook hierin een aanleiding kunnen vinden om op zijn minst nader onderzoek naar verzoekers geestestoestand in te stellen - hoe moeilijk ook door de weigerachtige houding van verzoeker -, hetgeen het hof heeft nagelaten. Het hof zegt het ook eigenlijk wel zelf: "de daad kan niet zonder meer tot de conclusie van een gebrekkige ontwikkeling leiden." Zonder meer ook niet dat verzoeker wèl geestelijk geheel gezond is, dunkt me. Daarbij stel ik me uitdrukkelijk niet op het standpunt dat bij iedere moordenaar wel een steekje los zal zijn. In dit geval zijn er voldoende aanwijzingen voor een uiterste poging om over de wel aanwezige, bepaald niet onbeduidende, gegevens een forensisch psychologisch/psychiatrisch licht te laten schijnen. 's Hofs verzuim in dezen is des te onbegrijpelijker nu in de redenering van het hof in geval van volledige toerekeningsvatbaarheid geen andere sanctie kon worden opgelegd dan levenslange gevangenisstraf. Indien de rechter zichzelf voor een dergelijk alternatief stelt, dan mag verwacht worden dat de keuze daarvoor in ieder geval beter gemotiveerd wordt dan door de enkele uitsluiting van de mogelijkheid van de TBS-maatregel zonder de mogelijkheid daarvan zelf uitvoeriger te hebben onderzocht, dan werd gedaan. Een zorgvuldige afweging van de beste aanpak van de onderhavige drievoudige problematiek (Waarom deze daad? Waarom deze persoonlijkheid? Waarom deze weigerachtigheid?)(45) vergt een tijdrovend, mogelijk tegendraads onderzoek, althans onderzoek met een mogelijk tegendraadse uitkomst.

100. Ten slotte toont 's hofs conclusie nog aan dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Voor de helderheid herhaal ik nog even deze conclusie:
"Gelet op het vorenstaande volstaat naar het oordeel van het hof dan ook geen andere sanctie dan een levenslange gevangenisstraf. Het hof heeft in hetgeen naar voren is gekomen omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte noch in zijn opstelling tijdens het strafproces aanknopingspunten gevonden voor een andere beslissing." (zie overweging K.)

101. Laat ik beginnen met de laatste volzin. Het hof stelt daarin dat het in verzoekers opstelling tijdens het strafproces geen aanknopingspunten heeft gevonden voor een andere beslissing. Vormden verzoekers weigering om aan het onderzoek van het PBC mee te werken en ook zijn wens om in hoger beroep zijn eigen verdediging te voeren geen aanknopingspunten voor twijfel aan verzoekers geestelijke gezondheid? Maar zelfs indien het ervoor moet worden gehouden dat verzoeker volledig toerekeningsvatbaar was, dan nog is 's hofs oordeel dat ook in dat geval geen andere sanctie dan een levenslange gevangenisstraf kan volstaan onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Waarom kon in casu niet worden volstaan met een straf beneden de oude maximale tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaar, waarmee het hof in de pas had gelopen met consistente straftoemeting; of desnoods - zwaar beargumenteerd - een straf tussen het oude maximum van 20 jaar en het nieuwe maximum van 30 jaar? Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom nu juist dit bijzondere geval de uitzonderlijk zware straf van levenslang onvermijdelijk maakt. Immers, de enkele omstandigheid dat "thans niet kan worden uitgesloten dat verdachte een potentieel gevaar voor de samenleving blijft", brengt op zichzelf niet mee dat het gevaar dat van verzoeker bij verblijf in de vrije samenleving uitgaat na de tenuitvoerlegging van een (zeer) lange tijdelijke gevangenisstraf niet kan zijn geweken, en dat dus een levenslange gevangenisstraf onvermijdelijk is. Niettemin wordt door het hof, zoals we hierboven onder punt 89 hebben gezien, genoemde omstandigheid als (doorslaggevend) argument gebruikt voor de keuze voor levenslang, terwijl dat argument - zoals gezegd - twijfelachtig is.

102. De onvermijdelijkheid van deze keuze voor levenslang is des te meer onbegrijpelijk nu verzoeker ten tijde van het begaan van de enkelvoudige moord - hoe verschrikkelijk ook - slechts 22 jaar oud was en niet eerder veroordeeld was ter zake van een ander levensdelict. Ervan uitgaande dat het opleggen van de levenslange straf slechts in de meest uitzonderlijke gevallen dient te geschieden, heeft het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom dit bijzondere geval - ondanks genoemde omstandigheden - toch zodanig uitzonderlijk is dat het de levenslange opsluiting van verzoeker rechtvaardigt.

103. Het vierde middel slaagt voor zover het klaagt dat de strafoplegging verbazing wekt en onbegrijpelijk gemotiveerd is.

104. Met een terugblik op de middelen en mijn oordeel daarover acht ik alleen het zesde middel ongegrond. Van de gegronde middelen zouden eventueel het eerste, het tweede en het zesde kunnen worden gerepareerd, maar ik zie daarvoor in het licht van de tot cassatie leidende middelen III, IV en V geen aanleiding.

105. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

106. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof om dienaangaande opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 http: //supreme.lp.findlaw.com/constitution/amendment06/10.html#2.
2 Israel & LaFave, Criminal procedure in a nutshell, Constitutional limitations, 4e (1988), p. 358.
3 A.A. Franken, 'De vergeten verdachte', DD 2008, 41 (p. 569-570).
4 Zie hiervoor bijvoorbeeld Taru Spronken, Verdediging (diss. Maastricht), Deventer: Gouda Quint, 2001, p. 442-446.
5 Vgl. de conclusie van mijn collega Knigge inzake HR 22 april 2008, NJ 2008, 387 waarin Uw raad (in de mij uit anderen hoofde bekende strafzaak) anders dan de A-G oordeelde dat het hof in redelijkheid kon aannemen dat de verdachte afstand deed van zijn recht op bijstand van zijn - niet ter terechtzitting verschenen - raadsman. Knigge:
"Uit niets blijkt dat het Hof bij zijn beslissing om de behandeling van de zaak voort te zetten, zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of de [ontkennende] verdachte [voor wie veel op het spel stond; in eerste aanleg tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld; in hoger beroep nog met een jaar verhoogd] in staat was om zijn eigen verdediging te voeren."
6 In casu was van een soortgelijke gebrekkige fotoconfrontatie sprake als in het Gouden voortanden-arrest HR 19 juni 2007, NJ 2008, 179. In de thans voorliggende zaak was de foto van verzoeker - die loenst - de enige foto van het gezicht van een manspersoon die loenst en van wie de getuige tevoren had gezegd dat hij loenste.
7 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 7 februari 2007, zaaknummer 2006.12.01.049, opgemaakt door arts en patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, welk rapport als bijlage 5.1. is gevoegd bij het eindproces-verbaal, dossiernummer 06-016396 (noot 2 in het arrest, NJ).
8 Een schrijven van V. Soerdjbalie-Maikoe d.d. 22 januari 2007, zaaknummer 2006.12.01.049, betreffende beantwoording vragen inzake sectiebevindingen, welk schrijven als bijlage 5.2. is gevoegd bij het eindproces-verbaal, dossiernummer 06-016396 (noot 3 in het arrest, NJ).
9 Een ambtsedig proces-verbaal van politie Midden & West Brabant, Unit Forensisch Technisch Onderzoek, d.d. 1 april 2007, zaaknummer BPS PL2000/06-325544, betreffende sporenonderzoek PD1 tot en met PD10, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], pagina 3-4, welk proces-verbaal als bijlage 2.3. is gevoegd bij het eindproces-verbaal, dossiernummer 06-016396 (noot 17 in het arrest, NJ).
10 Zie noot 27 (in het arrest, NJ), in combinatie met, het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van politie Midden & West Brabant, district Bergen op Zoom, Kapitaal Delict (11) d.d. 5 februari 2007, PL2014/06-325513, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie en [verbalisant 5], hoofdagente van politie, dossierpagina 492-494, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van [betrokkene 2] (noot 31 in het arrest, NJ).
11 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 12 april 2007, zaaknummer 2006.12.01.049, betreffende een vergelijkend werktuigsporenonderzoek, in de wettelijke vorm opgemaakt door ing. I. Keereweer, welk proces-verbaal als bijlage 5.16. is gevoegd bij het eindproces-verbaal, dossiernummer 06-016396 (noot 32 in het arrest, NJ).
12 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 22 mei 2007, zaaknummer 2006.12.01.049, betreffende een microsporenonderzoek aan een snijvlak, opgemaakt door ir. E.J. Vermeij, welk rapport als bijlage is gevoegd bij het eindproces-verbaal, dossiernummer 06-016396 (noot 33 in het arrest, NJ).
13 Waarop deze passage terug slaat heb ik niet kunnen vinden.
14 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van politie Midden & West Brabant, District Bergen op Zoom, Kapitaal Delict (11) d.d. 31 januari 2007, PL2014/06-325504, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie en [verbalisant 6], hoofdagent van politie, dossierpagina 1762 (noot 48 in het arrest, NJ).
15 Foto's 16 tot en met 23 uit de fotomap, betreffende een overzicht klaslokaal (en slachtoffer), van politie Midden & West Brabant, divisie operationele ondersteuning, unit Forensisch Technisch Onderzoek, PL2000/06-325544, opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur van politie, welke fotomap als bijlage 7.1. is gevoegd bij het eindproces-verbaal, dossiernummer 06-016396 (noot 49 in het arrest, NJ).
16 Voorbedachte raad wordt in tenlasteleggingen wel omschreven als: na kalm beraad en rustig overleg. Remmelink oordeelt: men moet hier niet te zwaar aan tillen, HSR, 15e, p. 224. De woordkeus miskent dat voorbedachte raad niet duidt op een bepaalde vorm van innerlijke besluitvorming (kalm, rustig) maar op een tevoren genomen besluit, dat wellicht sterk door emoties kan zijn bepaald. Dit in tegenstelling tot de dodingshandeling die plaats vindt in een opwelling: doodslag. Zie De Hullu, handboek, 3e, p. 242; Machielse, NLR, aant. 6e op Inleiding, Opzet en aant. 1 op art. 289.
Uiterlijke kalmte zegt niets over innerlijke besluitvorming.
17 Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor dat de essentiële inhoud van het begrip "voorbedachte raad" als: (een daad die het gevolg is van) een besluit waarover is nagedacht (zie Demeersseman, Met voorbedachten rade, 1989, p. 25), onder invloed van bewijsproblemen is vermagerd tot: de gelegenheid om tevoren na te denken over de consequenties van een genomen of te nemen besluit. Voorbedachte raad is zodoende in verregaande mate geobjectiveerd. (Overigens hangt Demeersseman een opvatting over de verhouding moord-doodslag aan die door de Hoge Raad steeds is afgewezen, zo nog in HR 15 oktober 1999, NJ 2000, 109, m.nt. JdH.)
18 Gemeenschappelijk hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 31 oktober 2006, nr H-2006/153 (HR 29 januari 2008, BC2327: 81 RO).
19 Cf. Demeersseman, a.w., p. 34-37.
20 Richtlijnen voor de selectie- en detentiebegeleiding van langgestraften, 7 juni 1978, nr 133/368.
21 Art. 35 Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, Stcrt. 12 september 2000, nr 176, p. 9.
22 Aanhangsel Handeling II 2003/2004, nr 1972.
23 Beide bewindslieden zijn afkomstig uit partijen die als gematigd kunnen worden gekenmerkt en zich altijd de zorg voor een humane straftenuitvoerlegging hebben aangetrokken. Ik herinner aan de moedige opstelling van minister Van Agt om in 1972 gratie van de "Drie van Breda" (Duitse oorlogsmisdadigers) te willen overwegen.
24 Zie D. van Zyl Smit, Lange vrijheidsbeneming in binnen- en buitenland, Sancties, Tijdschrift over straffen en maatregelen, 2008, p. 317-327.
25 Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (Recommendation (2003) 23 on the management by prison administrators of life sentence and other long-term prisoners) Penological Information Bulletin 2006, 25-26, p. 8-17.
26 Zie Van Zyl Smit, a.w.
27 Zie voor ons land o.m. de oratie van F.W. Bleichrodt, Een leven lang, Kluwer, 2006, waarin hij pleit voor een tussentijdse rechterlijke toetsing van zowel de levenslange gevangenisstraf (door de rechter die de straf heeft opgelegd) als de plaatsing en het voortgezet verblijf op de longstay-afdeling als afzonderlijk te beslissen kwestie (door de penitentiaire kamer van het gerechtshof te Arnhem).
28 Artikel 1.2.17 van de voorgestelde Ontwerp-Landsverordening Nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba (in de Nederlandse Antillen onder een andere nummering) bepaalt:
"1. De veroordeelde tot levenslange gevangenisstraf wordt nadat de vrijheidsbeneming tenminste twintig jaren heeft geduurd voorwaardelijk in vrijheid gesteld indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient.
2. Het Hof neemt daarbij tenminste in zijn beschouwing de positie van het eventuele slachtoffer of directe nabestaanden en het gevaar dat de veroordeelde alsnog zal recidiveren.
3. In het geval dat het Hof niet tot invrijheidstelling overgaat beoordeelt het de situatie opnieuw na vijf jaren en zonodig telkens na vijf jaren."
29 Appeals Chamber 30 november 2006 en Trial Chamber 5 december 2003 in de zaak van Stanislav Galic.
30 Deuteronomium 19:21.
31 Soera 5:45.
32 Zelf heb ik in 2007 in Aruba levenslang geëist tegen een verdachte die voor de derde keer iemand van het leven had beroofd, vrij kort nadat hij in vrijheid was gesteld na het ondergaan van de straf voor de tweede levensberoving (cassatieberoep verworpen bij HR 30 september 2008, LJN BF0268). Het Arubaanse Wetboek van Strafrecht kent geen tbs voor volwassenen.
33 N.J.M. Kwakman, 'Het rationele van de straf: Levenslang: een offer aan de rede of aan de emotie?', DD 2007, afl. 9/71, pp. 867-868.
34 Zie mijn conclusie voor HR 22 maart 2005, LJN AS5881.
35 In deze zaak heeft Uw Raad tot op heden nog geen uitspraak gedaan.
36 Vgl. EHRM 2 september 1998, NJ 1999, 624 m.nt. Kn (Erkalo tegen Nederland) (noot 27 in de conclusie van A-G Knigge, NJ).
37 Daarin ligt een belangrijk verschil met zaken waarin het gaat om de voorgenomen uitlevering aan een land dat een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vrijlating kent. Zie bijv. de () zaak Nivette v. France, EHRM 3 juli 2001, appl. no. 44190/98 (noot 28 in de conclusie van A-G Knigge, NJ).
38 Als mocht blijken dat een dergelijk beroep op voorhand kansloos moet worden geacht, zodat van een daadwerkelijke remedy geen sprake is, ligt dit mogelijk anders (noot 29 in de conclusie van A-G Knigge, NJ).
39 Sancties 2008, p.313-316.
40 Uit de jurisprudentie van de databank Consistente Straftoemeting blijkt dat van de 340 daarin opgenomen en door mij geraadpleegde moordzaken sinds 2000 er in veertien zaken levenslang werd opgelegd. Van die veertien zaken zijn er twee, waaronder de onderhavige, waarin slechts één moord was gepleegd. In die andere zaak legde het hof evenals de rechtbank én conform de eis van het OM levenslang op. Bij deze zaak was de recidive van veroordeelde een belangrijke factor: deze was reeds eenmaal eerder ter zake van een ander levensdelict (doodslag) veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf met tbs, en pleegde het feit tijdens de tenuitvoerlegging van die tbs (zie hof Arnhem 18 april 2007, LJN BA3178).
41 Op Theo van Gogh door Mohammed B., rechtbank Amsterdam 26 juli 2005, AU0025; ook nog de bedreiging van twee politieagenten en de bedreiging van een kamerlid en de verhindering van haar om een Kamervergadering bij te wonen, beide met terroristisch oogmerk.
42 HR 21 november 2006, AY7757 (moord op vrouw en twee van haar kinderen; hof Den Bosch 12 december 2006, AZ4169 enAZ4170 (moord op drie drugskoeriers); rechtbank Rotterdam 26 juli 2007 (BB0501, BB0526, BB0511) drievoudige cafémoord (e.a.).
43 Zie het geval in noot 38 en de zaak van het hof Leeuwarden die eindigde met HR 22 maart 2005, LJN AS5881, hierna (91) nog te noemen (twee eerdere doodslagen).
44 Het verschil tussen 20 jaar en levenslang is zelfs zo groot dat de wetgever de maximaal op te leggen gevangenisstraf voor moord heeft verhoogd van twintig naar dertig jaar om het gat tussen het tijdelijk maximum en levenslang te dichten (Wet herijking van een aantal strafmaxima van 22 december 2005, Stb. 2006, 11). Door deze aanpassing van de wet kan meer recht worden gedaan aan de ernst van het strafbare feit zonder dat een levenslange gevangenisstraf behoeft te worden opgelegd. Zie Kelk, DD 2004, p. 457-467.
45 Zie op dit punt ook Franken, a.w., p. 572.

 
 

Wie is online

We hebben 125 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.