drs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl
Persbericht en requisitoir in zaak Lucia de B. 17 maart 2010 - Ressortsparket Arnhem
Vandaag is de zaak tegen Lucia de B. inhoudelijk behandeld door het gerechtshof in Arnhem.
Tijdens deze zitting, die is gebruikt voor het horen van mevrouw De B. en het horen van een getuige-deskundige, heeft de advocaat-generaal zijn requisitoir gehouden en een eis geformuleerd. Daarna is het woord aan de verdediging gegeven voor het houden van het pleidooi.
Op de eis van het OM wordt in dit persbericht ingegaan.
Vandaag is door de advocaat-generaal vrijspraak gevraagd voor de tien levensdelicten die, na de verwijzing van de Hoge Raad op 7 oktober 2008 (LJN BD 4153), aan het oordeel van het gerechtshof in Arnhem zijn onderworpen.
Nadat de behandeling van de zaak op 4 februari 2009 begon met een regiezitting, zijn aanvullende onderzoeken in vier van de tien feiten aan het dossier toegevoegd.
Deze aanvullende onderzoeken, die vooral betrekking hebben op pathologie en toxicologie, zijn besproken op een tweede regiezitting op 9 december 2009.
De uitkomsten van die deskundigenrapporten bevatten conclusies die belangrijk zijn voor de beoordeling van alle aan mevrouw De B. verweten feiten.
Deze aanvullende onderzoeken hebben ondermeer betrekking op de overlijdensgevallen van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3].
Het gerechtshof in Den Haag, dat eerder over deze zaak in hoger beroep oordeelde, kwam tot een bewezenverklaring van tien tenlastegelegde levensdelicten. Hierbij leunde het gerechtshof sterk op uitgangspunten die werden afgeleid uit de zaken van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3]:
- in de zaken van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3] is er concreet bewijs van vergiftiging door het toedienen van medicatie;
- bij de overige sterfgevallen is ook sprake van onnatuurlijk overlijden omdat ze onverwacht en onverklaarbaar zijn en omdat iedere natuurlijke doodsoorzaak kon worden uitgesloten;
- De B. was telkens ter plaatse als het (fatale) incident plaatsvond;
- uit dagboekaantekeningen van De B. kan een algemene drang tot doden worden afgeleid.
De informatie uit de aanvullende onderzoeken die aan het dossier zijn toegevoegd, trekt de medicatievergiftiging van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3] en het tijdstip waarop baby [slachtoffer 1] is komen te overlijden in twijfel.
Eerder werd uitgegaan van de leugenachtigheid van mevrouw De B. omdat zij altijd ontkende de dodelijke medicatie te hebben toegediend. Met de resultaten van dit aanvullende onderzoek, kan van deze leugenachtigheid niet langer worden uitgegaan. Bovendien kan daarom aan de dagboekaantekening geen ‘dodingsdrang’ meer worden ontleend.
De door het gerechtshof Arnhem geraadpleegde deskundigen Meulenbelt, Aderjan en Tytgat komen, samengevat, tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat het overlijden van baby [slachtoffer 1], baby [slachtoffer 3] en baby [slachtoffer 2] aan opzettelijk menselijk handelen kan worden toegeschreven.
Omdat het gerechtshof in Den Haag in zijn bewijsconstructie voor alle tenlastgelegde levensdelicten zeer sterk heeft geleund op de uitgangspunten in de zaken van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3], zijn de bevindingen uit de aanvullende onderzoeken in deze zaken, van betekenis voor alle overige tenlastegelegde levensdelicten.
Meer of ander bewijs voor deze overige tenlastegelegde feiten is niet voorhanden.
Op basis van de thans beschikbare gegevens moet het beeld dat mevrouw de B. de dader is, worden bijgesteld.
Het vinden van de waarheid is binnen de rechtspraak een oprecht nagestreefd doel, dat helaas niet altijd wordt bereikt.
Het OM kan niet met zekerheid de oorzaken aangeven van de, soms fataal afgelopen, incidenten.
Een veroordeling kan pas plaats vinden bij zekerheid over de toedracht en de rol van verdachte daarin. Nu die zekerheid er niet is moet verdachte worden vrijgesproken van de levensdelicten. Het betreft de feiten 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 13 en 16 op de tenlastelegging.
Aan verdachte zijn vijf andere feiten tenlastegelegd (feiten 22 t/m 26) die niet aan een nieuwe beoordeling door het gerechtshof in Arnhem zijn onderworpen.
Het betreft diefstal van medicatie, vervalsing van een Highschooldiploma, het afleggen van een meinedige verklaring voor een aanstelling bij een ziekenhuis, valsheid in geschrift in sollicitatieformulieren voor functies in ziekenhuizen en diefstal van bibliotheekboeken. Deze feiten werden gepleegd in de periode van 1992 tot en met 2001.
Voor deze feiten moet een nieuwe straf worden bepaald. Hierbij wordt rekening gehouden met de jarenlange gevangenisstraf die mevrouw De B. reeds heeft ondergaan voor feiten ten aanzien waarvan haar schuld niet kan worden bewezen. Deze persoonlijke omstandigheden geven aanleiding om De B. voor deze feiten schuldig te verklaren zonder toepassing van straf.
(N.B. Verdachte was door het hof Den Haag reeds vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten 3, 4, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 19, 20, 21 . Deze feiten waren daarom niet in de herzieningsprocedure betrokken
17 maart 2010 - Ressortsparket Arnhem
Vandaag is de zaak tegen Lucia de B. inhoudelijk behandeld door het gerechtshof in Arnhem.
Tijdens deze zitting, die is gebruikt voor het horen van mevrouw De B. en het horen van een getuige-deskundige, heeft de advocaat-generaal zijn requisitoir gehouden en een eis geformuleerd. Daarna is het woord aan de verdediging gegeven voor het houden van het pleidooi.
Op de eis van het OM wordt in dit persbericht ingegaan.
Vandaag is door de advocaat-generaal vrijspraak gevraagd voor de tien levensdelicten die, na de verwijzing van de Hoge Raad op 7 oktober 2008 (LJN BD 4153), aan het oordeel van het gerechtshof in Arnhem zijn onderworpen.
Nadat de behandeling van de zaak op 4 februari 2009 begon met een regiezitting, zijn aanvullende onderzoeken in vier van de tien feiten aan het dossier toegevoegd.
Deze aanvullende onderzoeken, die vooral betrekking hebben op pathologie en toxicologie, zijn besproken op een tweede regiezitting op 9 december 2009.
De uitkomsten van die deskundigenrapporten bevatten conclusies die belangrijk zijn voor de beoordeling van alle aan mevrouw De B. verweten feiten.
Deze aanvullende onderzoeken hebben ondermeer betrekking op de overlijdensgevallen van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3].
Het gerechtshof in Den Haag, dat eerder over deze zaak in hoger beroep oordeelde, kwam tot een bewezenverklaring van tien tenlastegelegde levensdelicten. Hierbij leunde het gerechtshof sterk op uitgangspunten die werden afgeleid uit de zaken van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3]:
- in de zaken van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3] is er concreet bewijs van vergiftiging door het toedienen van medicatie;
- bij de overige sterfgevallen is ook sprake van onnatuurlijk overlijden omdat ze onverwacht en onverklaarbaar zijn en omdat iedere natuurlijke doodsoorzaak kon worden uitgesloten;
- De B. was telkens ter plaatse als het (fatale) incident plaatsvond;
- uit dagboekaantekeningen van De B. kan een algemene drang tot doden worden afgeleid.
De informatie uit de aanvullende onderzoeken die aan het dossier zijn toegevoegd, trekt de medicatievergiftiging van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3] en het tijdstip waarop baby [slachtoffer 1] is komen te overlijden in twijfel.
Eerder werd uitgegaan van de leugenachtigheid van mevrouw De B. omdat zij altijd ontkende de dodelijke medicatie te hebben toegediend. Met de resultaten van dit aanvullende onderzoek, kan van deze leugenachtigheid niet langer worden uitgegaan. Bovendien kan daarom aan de dagboekaantekening geen ‘dodingsdrang’ meer worden ontleend.
De door het gerechtshof Arnhem geraadpleegde deskundigen Meulenbelt, Aderjan en Tytgat komen, samengevat, tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat het overlijden van baby [slachtoffer 1], baby [slachtoffer 3] en baby [slachtoffer 2] aan opzettelijk menselijk handelen kan worden toegeschreven.
Omdat het gerechtshof in Den Haag in zijn bewijsconstructie voor alle tenlastgelegde levensdelicten zeer sterk heeft geleund op de uitgangspunten in de zaken van baby [slachtoffer 1] en baby [slachtoffer 3], zijn de bevindingen uit de aanvullende onderzoeken in deze zaken, van betekenis voor alle overige tenlastegelegde levensdelicten.
Meer of ander bewijs voor deze overige tenlastegelegde feiten is niet voorhanden.
Op basis van de thans beschikbare gegevens moet het beeld dat mevrouw de B. de dader is, worden bijgesteld.
Het vinden van de waarheid is binnen de rechtspraak een oprecht nagestreefd doel, dat helaas niet altijd wordt bereikt.
Het OM kan niet met zekerheid de oorzaken aangeven van de, soms fataal afgelopen, incidenten.
Een veroordeling kan pas plaats vinden bij zekerheid over de toedracht en de rol van verdachte daarin. Nu die zekerheid er niet is moet verdachte worden vrijgesproken van de levensdelicten. Het betreft de feiten 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 13 en 16 op de tenlastelegging.
Aan verdachte zijn vijf andere feiten tenlastegelegd (feiten 22 t/m 26) die niet aan een nieuwe beoordeling door het gerechtshof in Arnhem zijn onderworpen.
Het betreft diefstal van medicatie, vervalsing van een Highschooldiploma, het afleggen van een meinedige verklaring voor een aanstelling bij een ziekenhuis, valsheid in geschrift in sollicitatieformulieren voor functies in ziekenhuizen en diefstal van bibliotheekboeken. Deze feiten werden gepleegd in de periode van 1992 tot en met 2001.
Voor deze feiten moet een nieuwe straf worden bepaald. Hierbij wordt rekening gehouden met de jarenlange gevangenisstraf die mevrouw De B. reeds heeft ondergaan voor feiten ten aanzien waarvan haar schuld niet kan worden bewezen. Deze persoonlijke omstandigheden geven aanleiding om De B. voor deze feiten schuldig te verklaren zonder toepassing van straf.
(N.B. Verdachte was door het hof Den Haag reeds vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten 3, 4, 11, 12, 14, 15, 17, 18, 19, 20, 21 . Deze feiten waren daarom niet in de herzieningsprocedure betrokken








