Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Rechtspraak De strafzaak tegen Lucia de Berk Vrijspraak voor Lucia de B. Arrest deel 1

Vrijspraak voor Lucia de B. Arrest deel 1

E-mail Afdrukken PDF
Vrijspraak voor Lucia de B
Arnhem, 14 april 2010 - Het gerechtshof te Arnhem heeft vandaag in herziening Lucia de B. vrijgesproken van de zeven moorden en drie pogingen tot moord, waarvoor zij eerder tot een levenslange gevangenisstraf was veroordeeld.

De Hoge Raad heeft op 7 oktober 2008 de aanvraag tot herziening van de bewezenverklaring van de tien levensdelicten door het gerechtshof te ’s-Gravenhage op 18 juni 2004 en de strafoplegging gegrond verklaard.

Dat oordeel is gebaseerd op de resultaten van een door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, mr. Knigge, bevolen onderzoek door deskundigen naar het overlijden van een baby op 4 september 2001, dat destijds aanleiding heeft gegeven tot het strafrechtelijk onderzoek. Er zou sprake kunnen zijn van een natuurlijk overlijden en op nog een tweetal punten zou twijfel zijn over de bewezenverklaring. Lucia de B. is op 2 april 2008 in afwachting van de herzieningsprocedure in vrijheid gesteld.

In de herzieningsprocedure bij het gerechtshof te Arnhem is door deskundigen nader onderzoek verricht naar het overlijden en de levensbedreigende incidenten ten aanzien van drie patiëntjes.

Volgens het hof kan op basis van de deskundigenberichten niet volgehouden worden dat de baby op 4 september 2001 door een misdrijf om het leven is gekomen. Nog minder is aannemelijk dat het overlijden aan verdachtes opzet te wijten zou zijn.

Omtrent het overlijden van een bejaarde mevrouw op 27 november 1997 overweegt het hof dat volstrekt onvoldoende aanleiding bestaat voor de gedachte, dat dit overlijden niet een natuurlijke oorzaak zou hebben. De enkele vondst van een, voor verschillende uitleg vatbare, dagboekaantekening maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders.

Ten aanzien van de overige overlijdensgevallen en levensbedreigende incidenten is het hof van oordeel dat uit het opsporingsonderzoek geen feiten en omstandigheden zijn gebleken, die grond kunnen geven voor de gedachte aan een onnatuurlijke of zelfs criminele oorzaak.

De herziening had geen betrekking op enkele andere delicten (diefstal, verduistering, meineed, valsheid in geschrift). Het hof heeft bepaald dat hiervoor geen straf wordt opgelegd.

LJ Nummer
BM0876

Bron: Gerechtshof Arnhem
Datum actualiteit: 14 april 2010

LJN: BM0876, Gerechtshof Arnhem , 21-004292-08Print uitspraak
Datum uitspraak:14-04-2010
Datum publicatie:14-04-2010
Rechtsgebied:Straf
Soort procedure:Herziening
Inhoudsindicatie:Herziening in de zaak Lucia de B. Vrijspraak van de levensdelicten.
Uitspraak

Arrest

Gerechtshof Arnhem

Sector strafrecht


Parketnummer:  21-004292-08
Uitspraak d.d.:  14 april 2010
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden, op de voet van artikel 467 van het Wetboek van Strafvordering, bij arrest van 7 oktober 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats], [adres].



1.  Verloop van de procedure

1.1  Procedure voorafgaand aan de herziening

1.1.1  Opsporingsonderzoek
Naar aanleiding van het overlijden van [patiëntje A.S.Z.] op 4 september 2001 in het Juliana Kinderziekenhuis (JKZ) in Den Haag werd een melding van onnatuurlijk overlijden gedaan aan de dienstdoende arts van de GG en GD, die hiervan de officier van justitie in kennis stelde. Het zou de patholoog-anatoom van het JKZ, dr. P.J. Spaander, bij een medische obductie zijn gebleken dat er "vermoedelijk een middel of een stof aan het kind was toegediend, kennelijk om het leven te beëindigen". Het vermoeden bestond, dat mogelijk een verpleegkundige van het JKZ deze (onbekende) stof had toegediend aan het kind. Er zou tevens sprake zijn van "meerdere verdachte overlijdensgevallen" tijdens de diensttijden van die betreffende verpleegkundige. De officier van justitie gaf opdracht een onderzoek in te stellen.(1)
Verdachte werd op 4 september 2001 geschorst als verpleegkundige in het JKZ. Op 13 december 2001 werd zij aangehouden en in verzekering gesteld. Bij de verschillende doorzoekingen die in deze zaak zijn gehouden werden goederen inbeslaggenomen, waaronder door verdachte geschreven dagboeken, tarotkaarten, een uit het Penitentiair Complex Scheveningen (PCS) afkomstig flesje lidocaïnegel en een aantal uit het PCS afkomstige (bibliotheek)boeken.



1.1.2  Rechtbank Den Haag
De zaak heeft in eerste aanleg gediend voor de rechtbank in Den Haag. De twee dagvaardingen en de in eerste aanleg aangebrachte wijzigingen zijn als bijlage aan dit arrest gehecht(2). Aan verdachte werden, naast enkele andere misdrijven, dertien moorden en vijf pogingen tot moord ten laste gelegd. De eerste zitting bij de rechtbank vond plaats op 25 maart 2002. De rechtbank heeft een aantal deskundigen ter zitting gehoord. De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 24 maart 2003(3) ter zake van vier moorden, drie pogingen tot moord en een aantal vermogens- en valsheidsdelicten veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
Verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

1.1.3  Gerechtshof Den Haag
In hoger beroep heeft de zaak gediend voor het gerechtshof in Den Haag. De in hoger beroep in de tenlastelegging aangebrachte wijzigingen zijn als bijlage aan dit arrest gehecht(4). De eerste zitting bij het hof vond plaats op 19 september 2003(5). Het hof heeft 28 zittingsdagen aan de zaak gewijd en een groot aantal deskundigen en getuigen gehoord, van wie sommigen meer dan eens.
Het gerechtshof heeft verdachte bij arrest van 18 juni 2004(6) veroordeeld ter zake van zeven moorden, drie pogingen tot moord en een aantal vermogens- en valsheidsdelicten. Het hof legde naast een levenslange gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling op, met bevel dat verdachte van overheidswege zou worden verpleegd.
Tegen dit arrest heeft verdachte beroep in cassatie ingesteld.

1.1.4  Hoge Raad
Bij arrest van 14 maart 2006(7) heeft de Hoge Raad alle tegen de bewezenverklaring gerichte cassatiemiddelen verworpen. De bestreden uitspraak werd wel vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de strafbaarheid van de verdachte en de sanctieoplegging. De zaak werd op deze punten verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam.

1.1.5  Gerechtshof Amsterdam
Bij arrest van 13 juli 2006(8) heeft het gerechtshof te Amsterdam verdachte strafbaar verklaard en haar een levenslange gevangenisstraf opgelegd.

1.2  De procedure tot herziening

1.2.1  Commissie evaluatie afgesloten strafzaken
Prof. dr. A.A. Derksen, emeritus hoogleraar aan de Faculteit der Filosofie van de Radboud Universiteit Nijmegen, heeft zich op basis van het door hem geschreven boek "Lucia de B. - Reconstructie van een gerechtelijke dwaling" tot de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS) gericht met een voorstel tot het verrichten van onderzoek in de zaak tegen verdachte. De toegangscommissie als bedoeld in artikel 7 van de Instellingsregeling Commissie evaluatie afgesloten strafzaken heeft het voorstel beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat een onderzoek noodzakelijk was.
In zijn op 25 oktober 2007 aan het College van procureurs-generaal uitgebrachte rapport kwam het "driemanschap" dat de zaak heeft onderzocht tot het oordeel, dat met name de conclusies ten aanzien van een mogelijke digoxinevergiftiging van [patiëntje A.S.Z.] zodanig zijn dat "het ernstig vermoeden bestaat" dat - ware deze conclusies ten tijde van het onderzoek bekend geweest - ten aanzien van in elk geval de bewezen verklaarde moord op [patiëntje A.S.Z.] vrijspraak zou zijn gevolgd. Op die grond adviseerde het driemanschap het College een herzieningsaanvraag te entameren. Bij een dergelijke aanvraag zouden ook de resultaten van het onderzoek naar andere mogelijk suspecte overlijdensgevallen en reanimaties, als door het driemanschap aangegeven, kunnen worden betrokken.
Het College van procureurs-generaal heeft op 26 oktober 2007 de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad verzocht te beoordelen of in het CEAS-rapport aanleiding kon worden gezien tot het ambtshalve door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad indienen van een vordering tot herziening als bedoeld in artikel 458, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.

1.2.2  Onderzoek en vordering tot herziening procureur-generaal
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad, mr. G. Knigge, bracht op 31 maart 2008 zijn rapport uit. Zijn oordeel was dat het CEAS-rapport op zich genomen onvoldoende grond bood voor een herzieningsaanvraag.

Hij heeft echter een integrale, multidisciplinaire herbeoordeling -op basis van alle toxicologische, pathologische en klinische bevindingen uit het dossier- doen verrichten van de vraag of [patiëntje A.S.Z.] is overleden tengevolge van een acute digoxinevergiftiging.
Prof. dr. J. Meulenbelt(9) heeft dit onderzoek uitgevoerd. Hij heeft op 28 februari 2008 gerapporteerd. Naast prof. Meulenbelt hebben ook prof. dr. R. Aderjan(10), dr. V. Cirimele(11) en prof. T.P. Rohrig(12) gerapporteerd, meer in het bijzonder over de interpretatie van de gevonden digoxinewaarden. Prof. dr. J.K.P.T. Tytgat(13) heeft een second opinion gegeven over de representativiteit van een onderzocht monster bloederig vocht.

In zijn op 28 februari 2008 uitgebracht rapport concludeerde prof. Meulenbelt dat het overlijden van [patiëntje A.S.Z.] medisch goed verklaard kan worden uit het klinisch beloop. Op grond daarvan kan men spreken van een natuurlijk overlijden. Klinisch waren er geen specifieke aanwijzingen voor een digoxinevergiftiging(14). Er was digoxine in het lichaam aanwezig maar het is niet waarschijnlijk dat digoxine heeft bijgedragen aan haar overlijden. Meer specifiek over de digoxine: op grond van de gevonden digoxineconcentraties kan men niet concluderen dat er eenmalig een hoge dosering is gegeven. Ook kan men niet aangeven op welk tijdstip voor het overlijden de digoxine moet zijn toegediend. De gevonden concentraties passen niet bij digoxineconcentraties die bij een 'steady state' in de organen worden aangetroffen. Dan zou men veel hogere digoxineconcentraties in de organen verwachten. Laat men de resultaten van het gaasjesvocht buiten beschouwing, omdat het niet als bloed mag worden gezien(15), dan zijn de gevonden digoxineconcentraties in de organen van dien aard dat een en ander kan zijn veroorzaakt door toediening van één of enkele (therapeutische) digoxine doseringen. Het is op basis van de gevonden analyseresultaten mogelijk dat de digoxine relatief lang voor het overlijden is gegeven. Alle opties bij elkaar nemend, is het onwaarschijnlijk dat een dosering digoxine enkele minuten voor overlijden is toegediend.
Het is niet waarschijnlijk dat de gevonden digoxineconcentraties in de organen een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden van [patiëntje A.S.Z.]. De gevonden orgaanconcentraties zijn lager dan gevonden bij kinderen die therapeutisch met digoxine werden behandeld en die geen tekenen van een digoxinevergiftiging toonden.

Mr. Knigge concludeerde dat de onderzoeksbevindingen op drie wezenlijke punten haaks staan op de door het gerechtshof te Den Haag gebezigde bewijsconstructie voor de moord op [patiëntje A.S.Z.]:
- de al dan niet natuurlijke doodsoorzaak;
- het tijdstip van de beweerdelijke toediening van digoxine;
- de representativiteit van het onderzochte "bloederig vocht".
Het rapport van mr. Knigge heeft de Staatssecretaris van Justitie aanleiding gegeven om de detentie van verdachte met ingang van 2 april 2008 te onderbreken.

Op 17 juni 2008 diende mr. Knigge zijn vordering tot herziening in (ter zake van alle tien de levensdelicten, vanwege de sterke onderlinge samenhang in de bewijsconstructie). Op 24 juni 2008 beval de Hoge Raad de opschorting van de tenuitvoerlegging(16).

1.2.3  Hoge Raad
Bij arrest van 7 oktober 2008(17) heeft de Hoge Raad de aanvrage tot herziening gegrond verklaard en de zaak verwezen naar het gerechtshof te Arnhem.



1.3  De procedure in herziening

1.3.1  De opdracht aan het gerechtshof te Arnhem
Het dictum van het arrest van de Hoge Raad luidt:
"verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormelde arresten van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juni 2004 en het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juli 2006, voor zover de veroordeelde daarbij is veroordeeld ter zake van het onder 1, 2 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 13 primair en 16 primair tenlastegelegde;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv wat betreft de voormelde feiten opnieuw zal worden behandeld en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor de overige feiten (22 primair, 23 primair, 24, 25 en 26 primair) op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen."
Dit betekent dat het hof de tien bewezenverklaarde levensdelicten opnieuw dient te onderzoeken; de bewezenverklaring van de vermogens- en valsheidsdelicten (verder ook: "de overige feiten") is in stand gebleven.

1.3.2  Te beoordelen feiten
Het "gewijsde" in de opdracht van de Hoge Raad wordt gevormd door de bewezenverklaring van de tien levensdelicten, die het hof Den Haag als volgt heeft geformuleerd: (dat)
1.
zij op 04 september 2001 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiëntje A.S.Z.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiëntje A.S.Z.] een grote hoeveelheid digoxine toegediend, tengevolge van welke handeling voornoemde [patiëntje A.S.Z.] is overleden;
2. primair
zij op 01 september 2001 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiëntje A.E.G.] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiëntje A.E.G.] een of meer stof(fen) heeft toegediend en/of een of meer andere handeling(en) aan het lichaam van die [patiëntje A.E.G.] heeft verricht als gevolg waarvan diens lichamelijke toestand ernstig is verslechterd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5. primair
zij op 25 januari 2001 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiëntje A.D.N.] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiëntje A.D.N.] een grote hoeveelheid chloralhydraat heeft toegediend als gevolg waarvan het bewustzijn van die [patiëntje A.D.N.] is verlaagd en diens lichamelijke toestand ernstig is verslechterd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6. primair
zij op 23 februari 2001 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiëntje A.D.N.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiëntje A.D.N.] een of meer stof(fen) toegediend en/of een of meer andere handeling(en) aan het lichaam van die [patiëntje A.D.N.] verricht, tengevolge van welke handeling(en) voornoemde [patiëntje A.D.N.] is overleden;
7. primair
zij op 25 oktober 2000 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiëntje K.C.F.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiëntje K.C.F.] een of meer stof(fen) toegediend en/of een of meer andere handeling(en) aan het lichaam van die [patiëntje K.C.F.] verricht, tengevolge van welke handeling(en) voornoemde [patiëntje K.C.F.] is overleden;
8. primair
zij op 11 oktober 2000 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiëntje J.E.G.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiëntje J.E.G.] een of meer stof(fen) toegediend en/of een of meer andere handeling(en) aan het lichaam van die [patiëntje J.E.G.] verricht, tengevolge van welke handeling(en) voornoemde [patiëntje J.E.G.] is overleden;
9. primair
zij op 18 september 2000 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiëntje E.I.O.I.] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiëntje E.I.O.I.] een of meer stof(fen) heeft toegediend en/of een of meer (andere) handeling(en) aan het lichaam van die [patiëntje E.I.O.I.] heeft verricht als gevolg waarvan dier lichamelijke toestand ernstig is verslechterd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
10. primair
zij op 27 november 1997 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiënt A.M.H.S.-S.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiënt A.M.H.S.-S.] een of meer stof(fen) toegediend en/of een of meer andere handeling(en) aan het lichaam van die [patiënt A.M.H.S.-S.] verricht, tengevolge van welke handeling(en) voornoemde [patiënt A.M.H.S.-S.] is overleden;
13. primair
zij op of omstreeks 06 november 1997 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiënt H.L.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiënt H.L.] een of meer stof(fen) toegediend en/of een of meer andere handeling(en) aan het lichaam van die [patiënt H.L.] verricht, tengevolge van welke handeling(en) voornoemde [patiënt H.L.] is overleden;
16. primair
zij op 09 mei 1997 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [patiënt M.E.Z.-R.] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [patiënt M.E.Z.-R.] een of meer stof(fen) toegediend en/of een of meer (andere) handeling(en) aan het lichaam van die [patiënt M.E.Z.-R.] verricht, tengevolge waarvan voornoemde [M.E.Z.-R.] is overleden.

Bij vrijspraak van een primair tenlastegelegde variant zullen eventuele subsidiair tenlastegelegde varianten eveneens alsnog beoordeeld moeten worden(18).

1.3.3  Beschikbaar materiaal
Bij zijn oordeelsvorming kan het hof mede gebruik maken van de resultaten van het vele werk, dat de rechtbank en het gerechtshof te Den Haag hebben verzet bij de instructie van de zaak en van de in de procedure tot herziening aangedragen en verzamelde nieuwe onderzoeksgegevens. Het hof beschikt daardoor over alle informatie die eerdere instanties hadden, maar daarenboven over belangrijke nieuwe gegevens en inzichten.

1.3.4  Gerechtshof Arnhem 5 februari 2009
Op 5 februari 2009 heeft een eerste zogenaamde regiezitting plaatsgevonden. Verdachte heeft zich doen vertegenwoordigen door haar raadslieden mr. A.A. Franken en mr. A.P. Visser. Ter zitting zijn een aantal wensen tot nader onderzoek van het hof zelf en een groot aantal wensen tot nader onderzoek van het openbaar ministerie besproken. De verdediging had vooralsnog geen onderzoekswensen.

Bij tussenarrest van 19 februari 2009(19) heeft het hof nader onderzoek gelast naar vier incidenten:
- feit 1 (tenlastegelegde moord op [patiëntje A.S.Z.], 3-4 september 2001)
- feit 2 (tenlastegelegde poging tot moord op [patiëntje A.E.G.], 1 september 2001)
- feit 5 en feit 6 (tenlastegelegde poging tot moord 25 januari 2001 resp. moord 23
februari 2001 op [patiëntje A.D.N.]).
Het hof heeft een aantal onderzoekswensen van het openbaar ministerie afgewezen en de beslissing omtrent de overige verzoeken aangehouden.
Het hof heeft tevens bepaald, dat een (aanvullend) reclasseringsrapport moest worden opgemaakt.

1.3.5  Gerechtshof Arnhem 9 december 2009
Op 9 december 2009 is een tweede regiezitting gehouden. Verdachte heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door haar raadslieden. De resultaten van het nader onderzoek zijn besproken; het hof noch het openbaar ministerie of de verdediging had nadere onderzoekswensen. Het openbaar ministerie heeft zijn onderzoekswensen, waarover het hof nog niet had beslist, niet gehandhaafd.

1.3.6  Gerechtshof Arnhem 17 maart 2010
Op 17 maart 2010 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. Verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadslieden. Ter zitting is de deskundige
prof. dr. J. Meulenbelt gehoord.
De advocaat-generaal mr. J.W. Rijkers heeft geconcludeerd tot vrijspraak voor de levensdelicten en gevorderd dat voor de overige feiten geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
De raadslieden, mr. A.A. Franken en mr. A.P. Visser, zijn in hun pleidooi tot de zelfde conclusies gekomen.

1.3.7  Uitspraak
De sluiting van het onderzoek en de uitspraak van het arrest zijn bepaald op 14 april 2010.



2.  Bevindingen in de procedure in herziening

2.1  Nader onderzoek naar een aantal feiten

2.1.1  De tenlastegelegde moord op [patiëntje A.S.Z.] (feit 1)

2.1.1.1  Representativiteit monster bloederig vocht
In zijn tussenarrest heeft het hof beslist dat nader onderzoek naar de herkomst van de bij de tweede sectie aangetroffen gaasjes niet noodzakelijk was en dat de representativiteit van het onderzochte monster bloederig vocht discutabel blijft.

2.1.1.2  Biopten
Bij de eerste sectie is weefsel en een orgaanmonster veiliggesteld en aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ter beschikking gesteld. Deze biopten waren niet onderzocht. Het hof heeft beslist dat nagegaan moest worden of dit materiaal nog beschikbaar was en of het (nog) bruikbaar was voor onderzoek.

Dr. K.J. Lusthof(20) heeft hierover op 11 mei 2009 gerapporteerd. Zijn conclusie was dat het nog beschikbare materiaal mogelijk nog wel geschikt zou zijn voor het aantonen van digoxine, maar -vanwege een te verwachten aanzienlijke mate van ontleding van digoxine- niet voor een kwantitatieve analyse. Schriftelijk overleg tussen het hof, de advocaat-generaal en de verdediging leidde tot de gezamenlijke conclusie, dat nader onderzoek weinig zinvol leek. Daartoe is dan ook geen opdracht gegeven.

2.1.1.3  "Opgeblazen" trend graphs
Het hof heeft prof. dr. J. Meulenbelt gevraagd in te gaan op de door de advocaat-generaal ter terechtzitting geponeerde stelling, dat uit de "opgeblazen" trend graphs zou blijken, dat het hart als eerste is gaan falen en niet de ademhaling.

In zijn op 20 juli 2009 uitgebrachte deskundigenbericht geeft prof. Meulenbelt gemotiveerd aan dat hij blijft bij zijn oordeel, dat eerst de ademhaling is gestopt en daarna de hartslag.

2.1.1.4  Nadere rapportage door prof. dr. J.K.P.T. Tytgat
In zijn tussenarrest heeft het hof aangegeven kennis te willen nemen van de "wetenschappelijke mening" van prof. Tytgat omtrent de interpretatie van de beschikbare digoxineconcentraties, rekening houdend met de relevante parameters en de beschikbare casuïstiek, waarvan sprake is in de conclusie tot herziening van de advocaat-generaal mr. Knigge(21).

Prof. Tytgat heeft op 20 november 2009 het gevraagde deskundigenbericht uitgebracht. Hij is van oordeel, dat er na het stopzetten van de digoxinebehandeling per 16 juli 2001 nog op minstens één moment digoxine moet zijn toegediend. De vraag of er een bewezen causaal verband bestaat tussen de aangetroffen digoxineconcentraties en het overlijden van [patiëntje A.S.Z.] op 4 september 2001 wordt door prof. Tytgat negatief beantwoord.


2.1.1.5  Nadere rapportage door prof. dr. R. Aderjan
In zijn rapportage aan de advocaat-generaal mr. Knigge heeft prof. Aderjan, die toen niet over alle relevante informatie beschikte, zich voorzichtig getoond bij zijn interpretatie van de gemeten digoxinewaarden(22). Het hof heeft prof. Aderjan verzocht nader te rapporteren en hem daartoe in het bezit gesteld van alle relevante stukken.

Prof. Aderjan heeft op 21 oktober 2009 het gevraagde deskundigenbericht uitgebracht. Hij is van oordeel dat de aangetroffen digoxine niet afkomstig kan zijn van de medicatie tot 16 juli 2001. Zijn eindconclusie is dat niet alleen het klinische verloop, maar ook de samenstelling van de relatief geringe digoxinewaarden (resp. de equivalenten daarvan) in de orgaanweefsels van [patiëntje A.S.Z.] niet duiden op een vergiftiging. De oorzaak voor het feit dat er zich in de weefsels digoxine bevond kan volgens prof. Aderjan zeer uiteenlopend van aard zijn en kan teruggaan tot een aantal dagen voor de desbetreffende gebeurtenis.

2.1.2  De tenlastegelegde poging tot moord op [patiëntje A.E.G.] (feit 2)
In zijn tussenarrest heeft het hof beslist het van belang te achten dat de tot deskundige te benoemen prof. dr. J. Meulenbelt op grond van alle zich in het dossier bevindende gegevens (het medisch dossier en de door verdachte, getuigen en deskundigen afgelegde verklaringen) antwoord geeft op de vragen:
- Kan de slechte toestand, waarin dit kind is aangetroffen, zijn ingetreden zonder enig handelen (van wie dan ook) op die dag bij hem of aan hem?
- Kunt U aangeven wat de primaire oorzaak van deze toestand is geweest: een apneu of een hartstilstand (of enige andere oorzaak)?
- Wat wilt U overigens opmerken, dat naar Uw mening voor de beoordeling van dit feit van belang kan zijn?

In zijn op 20 juli 2009 aan de raadsheer-commissaris uitgebrachte deskundigenbericht komt prof. Meulenbelt tot de conclusie dat de slechte toestand, waarin [patiëntje A.E.G.] is aangetroffen, is ingetreden zonder enig handelen (van wie dan ook) op die dag bij hem of aan hem. Als primaire oorzaak van deze toestand noemt prof. Meulenbelt een ademstilstand. Deze en de daarop gevolgde hartstilstand kunnen volgens prof. Meulenbelt worden verklaard door de multipele gezondheidsproblemen, waaraan [patiëntje A.E.G.] leed.

2.1.3  De tenlastegelegde poging tot moord op [patiëntje A.D.N.] (feit 5)
In zijn tussenarrest heeft het hof overwogen dat het gerechtshof te 's-Gravenhage in zijn bewijsconstructie het rapport van dr. A.G. Vulto, ziekenhuisapotheker/farmacoloog d.d. 3 september 2002 tot uitgangspunt heeft genomen. In zijn arrest(23) antwoordt het gerechtshof te 's-Gravenhage op een aantal verweren van de verdediging, die het hof alle verwerpt. Het hof te 's-Gravenhage bezigt daartoe op verschillende plaatsen toxicologische/farmacologische redeneringen(24). In zijn boek "Lucia de B.; reconstructie van een gerechtelijke dwaling" levert prof. dr. A.A. Derksen onderbouwde kritiek op de redenering van het gerechtshof te 's-Gravenhage en schetst hij een alternatief scenario(25).


Het hof verzoekt de tot deskundige te benoemen prof. dr. J. Meulenbelt op grond van zijn deskundigheid de volgende vragen te beantwoorden:
- Heeft U op- of aanmerkingen bij het rapport van dr. Vulto? Deelt U zijn conclusies? Zo nee, wat zijn Uw conclusies?
- Hoe kan in het licht van het vorenstaande naar Uw oordeel de op 25 januari 2001 om 16.30 uur gemeten trichloorethanol-spiegel het best verklaard worden?
- Wat wilt U overigens opmerken, dat naar Uw mening voor de beoordeling van dit feit van belang kan zijn?

In zijn op 20 juli 2009 aan de raadsheer-commissaris uitgebrachte deskundigenbericht schetst prof. Meulenbelt drie scenario's, volgens welke de toediening van chloralhydraat plaats kan hebben gevonden. Prof. Meulenbelt komt aan de hand van het door hem meest waarschijnlijk geachte scenario tot de conclusie dat de verhoogde trichloorethanolconcentratie op 25 januari 2001 door een misverstand rond het geven van de medicatie kan zijn ontstaan. Eén extra gift van 625 mg chloralhydraat, meest waarschijnlijk toegediend tussen 09.00 en 10.00 uur 's-morgens, kan voor die verhoogde concentratie verantwoordelijk zijn geweest. Volgens de voorschriftenlijst van de behandelend artsen(26) had zo'n extra gift gegeven mogen worden (maar dit was niet wenselijk, volgens prof. Meulenbelt).

2.1.4  De tenlastegelegde moord op [patiëntje A.D.N.] (feit 6)
In zijn tussenarrest heeft het hof overwogen het van belang te achten, dat de tot deskundige te benoemen prof. dr. J. Meulenbelt de door de advocaat-generaal geformuleerde vragen beantwoordt:
- Heeft de combinatie van de aan [patiëntje A.D.N.] toegediende sederende medicatie tot een plotselinge ademstilstand kunnen leiden, aangenomen dat de bloedwaarden ongeveer 45 minuten voor het overlijden normaal waren?
- Is het gegeven dat na overlijden bij [patiëntje A.D.N.] nog lidocaïne is aangetroffen, van belang? (Aannemende dat deze bij de narcose gebruikte stof, gelet op de algemeen geldende halfwaardetijd, al afgebroken had moeten zijn.)
- Wat wilt U overigens opmerken, dat naar Uw mening voor de beoordeling van dit feit van belang kan zijn? (Waaronder begrepen de juistheid van de in de vraagstelling voorkomende aannames.)

In zijn op 20 juli 2009 aan de raadsheer-commissaris uitgebrachte deskundigenbericht komt prof. Meulenbelt tot de conclusie dat het overlijden van [patiëntje A.D.N.] op 23 februari 2001 vermoedelijk tot stand is gekomen door een combinatie van sedativa, die in een te korte tijd aan [patiëntje A.D.N.] zijn toegediend. De sedativa zoals deze zijn verantwoord in de status en afgetekend door de verpleegkundigen, kunnen het overlijden tot gevolg hebben gehad.

 

Wie is online

We hebben 23 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.