Strafrecht Voorarrest niet gebruiken om arrestant te breken
Opinie Maandag 28-06-2010 NRC | Hans Crombag
De behandeling die Lucia de Berk onderging tijdens haar voorarrest kan niet anders dan isolatiefolter worden genoemd, betoogt Hans Crombag.
Toen op 14 april jl. het Arnhemse gerechtshof Lucia de Berk vrijsprak van zeven moorden en drie pogingen daartoe, waarvoor zij in 2004 door het Haagse gerechtshof was veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, eindigde voor haar een nachtmerrie die negen jaren eerder begon met haar arrestatie. In de daaropvolgende jaren hebben vijf rechterlijke colleges zich over haar zaak gebogen en hun bevindingen vastgelegd in lijvige documenten. Die heb ik allemaal gelezen. Ook het rapport van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) en het document waarin advocaat-generaal Knigge zijn oordeel geeft over de vraag of de zaak van Lucia de Berk voor herziening in aanmerking zou moeten komen, heb ik gelezen. Ook het boek van hoogleraar Derksen, waarin hij de bewijsvoering in deze zaak met grote precisie analyseert en te licht bevindt, heb ik gelezen. En ten slotte ook het boek van de arts Metta de Noo, waarin zij verslag doet van haar jarenlange inspanningen om justitie ervan te overtuigen dat de zaak van Lucia heropend zou moeten worden, inspanningen waarvoor mevrouw De Noo in haar persoonlijke leven een hoge prijs heeft moeten betalen.
Toen ik dat allemaal gelezen had, dacht ik dat ik er alles van wist, al kon ik niet claimen ook ieder aspect helemaal begrepen te hebben. Maar toen bleek er toch nog één boek te zijn dat ik nog niet had gelezen: het boek waarin Lucia de Berk zelf verslag doet van haar ervaringen gedurende de jaren dat zij, als verdachte nog, aan de goede zorgen van het Openbaar Ministerie was toevertrouwd en verbleef in de penitentiaire inrichting voor vrouwen in Breda. Over die periode gaat haar boek. De jaren tussen haar veroordeling in 2004 door het Haagse hof en haar vrijspraak in 2010 bracht zij door in de gevangenis in Nieuwersluis. Daar gaat haar boek niet over.
Dat de jaren in voorlopige hechtenis geen pretje geweest moesten zijn, kon ik mij zonder veel moeite voorstellen. Maar omdat zij in dat stadium nog enkel een verdachte was, zou je een redelijk mild regime verwachten. Trouwens, ook voor veroordeelde daders verwachten wij dat zij tijdens hun verblijf in de gevangenis op menswaardige wijze behandeld worden en dat aan het verblijf aldaar geen strafverzwarende elementen worden toegevoegd. In alledaagsere woorden uitgedrukt: wij verwachten dat tijdens voorlopige hechtenis niet alvast wat van de straf wordt uitgedeeld die men verwacht dat de rechter te zijner tijd zal opleggen. En ook dat een door de rechter opgelegde gevangenisstraf enkel verlies van vrijheid inhoudt en dat daar niets aan wordt toegevoegd dan wat het verlies van vrijheid onvermijdelijk maakt.
Wie verwacht dat Lucia de Berk overeenkomstig deze redelijk fatsoenlijke overwegingen behandeld werd in Breda, wordt door haar boek hardhandig uit de droom geholpen. Dat begon ermee dat zij de eerste twee weken van haar voorlopige hechtenis moest doorbrengen in een isolatiecel, waar in de hoek op de stenen vloer een matras zonder kussen ligt met daarop een soort laken en een soort deken. Het is er steenkoud en vochtig. Het licht blijft dag en nacht branden en met een camera wordt zij permanent geobserveerd, ook als zij haar behoeften in een toiletpot zonder bril moet doen. De eerste week van haar verblijf daar geen boek, tijdschrift of krant; geen radio, tv of post; zelfs geen potlood en papier. Maar godbetert wel een bijbel.
Het verblijf in die Bredase isolatiecel kan naar mijn oordeel niet anders dan isolatiefolter genoemd worden. Waar was dat regime voor nodig? Als Lucia na die twee weken naar een wat menswaardiger plek in de inrichting wordt overgeplaatst, blijven nog de voortdurende pesterijtjes in de vorm van geboden en verboden, waarvan niet duidelijk is waarom die moeten worden nageleefd om andere reden dan om de inwoners klein en machteloos te houden. Lucia beschrijft ze in haar boek uitvoerig en ook de straf die men krijgt als ze niet naar de letter worden opgevolgd. Men zal mij tegenwerpen dat Lucia over dit onderwerp niet als de meest geloofwaardige bron kan gelden. Maar een leugenachtige of zelfs maar rancuneuze indruk maakt haar beschrijving niet. Zij laat niet na om ook haar zeldzame positieve ervaringen te melden. Bovendien zal zij zich bij het schrijven gerealiseerd hebben dat er daar in Breda en elders bij justitie te veel mensen zijn die haar op leugens zouden kunnen betrappen.
En dan zijn er de talloze verhoren waaraan Lucia telkens weer wordt onderworpen, terwijl zij haar ondervragers toch van meet af aan laat weten zich, op advies van haar raadsman, op haar wettelijk gegarandeerd zwijgrecht te beroepen. Haar bewonderenswaardige standvastigheid daarbij weerhoudt haar kwelgeesten er niet van om telkens opnieuw te proberen om haar zwijgen te doorbreken. Delen van die verhoren staan in het boek en Lucia's alsmaar herhaalde beroep op haar zwijgrecht maakt die passages tot stuitende lectuur.
Toen Lucia onlangs eindelijk werd vrijgesproken, was de hoogste baas van het Openbaar Ministerie, procureur-generaal Brouwer, er snel bij om Lucia de welgemeende verontschuldiging van het Openbaar Ministerie aan te bieden, eraan toevoegend dat ze spoedig maar eens goed moesten praten over een passende schadevergoeding. Een prijzenswaardige démarche van de procureur-generaal, maar waar was hij toen Lucia in de Bredase gevangenis langdurig werd getreiterd? Zou daar ook niet eens over gepraat moeten worden met de verantwoordelijke zaaksofficier? En hoe is dat gegaan met Ina Post, over wier zaak het Bossche gerechtshof zich op dit moment buigt. Het is niet ongebruikelijk dat verdachten nodeloos lang in voorarrest worden gehouden en dat zij dan onder grote druk worden gezet om te bekennen. Zolang zij dat niet gedaan hebben, worden zij nogal eens langdurig 'in beperking' gehouden, dat wil zeggen lange tijd met niemand dan hun advocaat contact mogen hebben. De zaak van Lucia de Berk geeft, dunkt mij, aanleiding tot indringend praten over de intimiderende wijze waarop het Openbaar Ministerie pleegt om te gaan met verdachten.
Hans Crombag is emeritus hoogleraar van de universiteiten Antwerpen, Leiden en Maastricht








