Volledig nieuw onderzoek in zaak-Ina Post
Gepubliceerd: 29 januari 2010 ANP
Den Bosch, 29 jan. Er komt een volledig nieuw onderzoek in de heropende zaak van bejaardenverzorgster Ina Post, die in 1987 werd veroordeeld tot zes jaar celstraf voor de dood van een inwoonster van een verzorgingshuis in Leidschendam. Het gerechtshof in Den Bosch heeft dat vanmiddag besloten.Alle getuigen die door de verdediging en justitie zijn aangedragen, worden op zitting gehoord, besloot het hof. Het gaat om vijf deskundigen, zeven rechercheurs die bij de betwiste bekentenissen van Post waren betrokken en twee officieren van justitie. Het gaat bij de laatstgenoemde om de voormalig hoofdofficier van Amsterdam Leo de Wit en huidig advocaat-generaal in Den Haag Marcel van der Horst.
Het gerechtshof laat verder nader onderzoek doen naar vingerafdrukken op kascheques die bij het slachtoffer werden gestolen. Het rapport van de zogenoemde twijfelcommissie CEAS, die tot heropening van de zaak adviseerde, plus alle bijlagen worden aan het dossier toegevoegd.
Die laatste beslissing van het hof is opmerkelijk omdat verklaringen van bijvoorbeeld betrokken politiemensen bij het CEAS in vertrouwen zijn afgelegd. ,,Het hof is van oordeel dat de waarheidsvinding in het strafproces prevaleert boven de door de CEAS aan de betrokkenen toegezegde vertrouwelijkheid.''
Het bejaarde slachtoffer werd in augustus 1986 gewurgd gevonden in haar woning. Post zegt dat ze haar bekentenissen korte tijd later onder druk heeft afgelegd. Sindsdien ontkent ze haar betrokkenheid.
Hervatting van de zaak staat gepland op 31 mei als de deskundigen worden gehoord.
Regiezitting in herzieningszaak Ina Post
’s-Hertogenbosch 20 januari 2010 - Op vrijdag 22 januari 2010 om 9.30 uur houdt het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een regiezitting in de zaak Ina Post. Het hof zal deze strafzaak uit 1986 in zijn geheel opnieuw onderzoeken. De Hoge Raad wees op 23 juni 2009 een herzieningsverzoek toe, waarna de zaak naar het hof is verwezen. In het kader van de herzieningsprocedure is een forensisch patholoog-anatoom gevraagd een analyse te geven van het tijdstip van overlijden van het slachtoffer. Gelet op zijn bevindingen moet volgens de Hoge Raad ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het overlijden van het slachtoffer aanmerkelijk eerder heeft plaatsgevonden dan destijds* is aangenomen.
Het openbaar ministerie heeft voor de regiezitting deze forensisch patholoog-anatoom van het NFI als deskundige opgeroepen om hem over zijn bevindingen nader te kunnen horen.
Verder zal er tijdens de zitting gelegenheid zijn voor het openbaar ministerie en de verdediging om – mogelijk mede naar aanleiding van de verklaring van de forensisch patholoog-anatoom op deze zitting - onderzoekswensen en verzoeken aan het hof voor te leggen.
Ten slotte wil het hof komen tot praktische afspraken met de verdediging en het openbaar ministerie voor de verdere verloop van de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Pers
In verband met de beperkte ruimte in de zittingszaal wordt alle pers (dus ook schrijvende pers) verzocht zich vooraf aan te melden. De afdeling voorlichting ontvangt aanmeldingen graag uiterlijk donderdag 21 januari a.s. om 12.00 uur.
* Het gerechtshof ’s-Gravenhage veroordeelde op 25 mei 1987 Ina Post voor doodslag en valsheid in geschrifte.
Hof beslist over verzoeken zaak Ina Post
’s-Hertogenbosch, 25 januari 2010 - Vrijdag 29 januari aanstaande om 14.30 uur is er een volgende zitting in de herzieningszaak Ina Post. Het hof maakt dan zijn beslissingen bekend inzake de verzoeken die de advocaat-generaal en de verdediging hebben voorgelegd tijdens de vorige zitting op 22 januari jl.
Regiezitting in herzieningszaak Ina Post
22 januari 2010 - Ressortsparket Den Bosch
Vandaag heeft voor het gerechtshof van Den Bosch de regiezitting plaatsgevonden in de strafzaak tegen Ina Post, de bejaardenverzorgster die in 1987 door het Hof in Den Haag is veroordeeld voor doodslag en valsheid in geschrift. De Hoge Raad heeft in juni 2009 het herzieningverzoek in de strafzaak tegen Ina Post gegrond verklaard en de zaak verwezen naar het Hof in Den Bosch.
Op de zitting van vandaag is de patholoog gehoord, wiens bevindingen over het tijdstip van overlijden van het slachtoffer grondslag zijn geweest voor de herziening van deze zaak. Dit is gebeurd omdat de Hoge Raad als novum had vastgesteld dat er rekening mee diende te worden gehouden dat het slachtoffer op een eerder tijdstip is overleden dan destijds door het Hof in Den Haag in 1987 is aangenomen. De patholoog benadrukte op de zitting dat het tijdstip van overlijden slechts een indicatie is en dat er een grote onzekerheidsmarge bestaat.
Het OM hecht veel waarde aan een zuiver onderzoek door het Hof. Juist voor die zuiverheid heeft het OM aan het Hof de vraag voorgelegd of het rapport van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) deel uitmaakt van het strafdossier. Juridisch gezien is dat volgens het OM niet het geval.
Net als in elke strafzaak gaat het om de waarheidsvinding. Zowel voor de veroordeelde als voor de nabestaanden is de impact van de zaak groot. Daarom wil het OM zich niet beperken tot het novum dat door de Hoge Raad is vastgesteld. Het OM wil ook inzicht krijgen in de wijze waarop de bekennende verklaringen van mevrouw Post tot stand zijn gekomen. Mede daarom heeft het OM het Hof verzocht degenen die destijds betrokken waren bij het horen van mevrouw Post nu als getuige te horen.
Het OM heeft tijdens de zitting benadrukt dat het Hof niet is gebonden aan het aangevoerde novum en dat het Hof na een feitelijk onderzoek geheel zelfstandig een beslissing kan nemen op het aangevoerde novum.
In afwachting van de resultaten van het feitenonderzoek neemt het OM nog geen standpunt in omtrent de uitkomst van de herzieningszaak
Het Hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot vrijdag 29 januari 2010 te 14.30 uur. Het Hof maakt dan de beslissingen kenbaar op de gedane verzoeken tot nader onderzoek.
Voorgeschiedenis
Het strafrechtelijk onderzoek naar de gewelddadige dood van de 89-jarige vrouw uit Leidschendam, is in augustus 1986 gestart. Dit onderzoek leidde tot een veroordeling van mevrouw Post door de rechtbank Den Haag op 9 december 1986 en door het gerechtshof Den Haag op 23 maart 1987. Bejaardenverzorgster mevrouw Post is veroordeeld voor doodslag op het slachtoffer, die een cliënte van haar was, en voor valsheid in geschrift. Mevrouw Post heeft de haar opgelegde straf inmiddels uitgezeten.
Herziening
Een herziening kan bij de Hoge Raad worden aangevraagd als zich nieuwe feiten en omstandigheden (novum) hebben voorgedaan die niet bekend waren ten tijde van de behandeling van de zaak. De Hoge Raad stelde in haar beslissing van 23 juni 2009 als novum vast dat er rekening mee dient te worden gehouden dat het slachtoffer op een eerder tijdstip is overleden dan destijds door het Hof in Den Haag in 1987 is aangenomen. De Hoge Raad verwees de zaak in haar herzieningsbeslissing naar het Hof in Den Bosch.
Bestanden
OPENBAAR MINISTERIE
RESSORTSPARKET ‘s-HERTOGENBOSCH
Voordracht in de zaak van Ina Post regiezitting 22 januari 2010.
Geachte Voorzitter, leden van het Hof,
De raadsman heeft namens Clasina Maria Post een aanvraag tot herziening van een
(in kracht van gewijsde gegaan) arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25
mei 1987, ingediend.
Op 23 juni 2009 heeft de Strafkamer van de Hoge Raad der Nederlanden in haar
arrest, onder punt 6, de beslissing opgenomen dat de aanvraag tot herziening gegrond
is en verwijst de zaak naar uw Hof opdat de zaak op de voet van artikel 467 eerste lid
WSv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te
handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen.
De gegrondverklaring betreft de veroordeling van voornoemde Post voor 2 feiten en
waarvan de kwalificatie luidt:
Feit 1. Doodslag, als bedoeld in artikel 287 WvSr.
Feit 2. Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225
eerste lid WSr als ware echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan
ontstaan, meermalen gepleegd.
Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft mevrouw Post voor beide feiten veroordeeld
en daarvoor 6 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest opgelegd.
Mijnheer de Voorzitter leden van het Hof, wij, advocaten-generaal bij het
Ressortsparket Den Bosch zijn ons bewust van het bijzondere karakter van deze
uitspraak van de Hoge Raad.
Uw Hof moet nu een oordeel geven over een veroordeling ter zake van feiten
gepleegd in augustus 1986. Dit is meer dan 23 jaar geleden.
Onder feit 1 is de doodslag bewezen verklaard op mevrouw Kolstee. Zij is op 22
augustus 1986 in haar woning aan de Duivenvoorde te Leidschendam gewurgd.
Onder feit 2 is bewezenverklaard dat, kort samengevat, 2 kascheques op naam van
mevrouw Kolstee van een valse invulling en handtekening zijn voorzien waarna deze
kascheques bij een postagentschap, gevestigd in de Bijenkorf ter verzilvering zijn
aangeboden.
De gegrondverklaring door de Hoge Raad is gebaseerd op het gegeven dat het tijdstip
van overlijden van het slachtoffer Kolstee mogelijk niet het tijdstip is dat is af te
leiden uit een verklaring van Post die door de Rechtbank en nadien het Gerechtshof in
Den Haag voor het bewijs is gebezigd.
Voordracht zaak Ina Post regiezitting 22 januari 2010
Deze verklaring van Post bevat, kort samengevat en vrij weergegeven, het volgende:
“………….dat zij omstreeks 18.00 uur naar de woning is teruggegaan en daar toen
mevrouw Kolstee, nadat ze betrapt was bij het openen van een kastje, heeft geduwd,
met een stok heeft geslagen en kort daarna mevrouw Kolstee met een
elektriciteitssnoer heeft gewurgd.”
De twijfel omtrent het tijdstip van overlijden van mevrouw Kolstee is ontstaan door
de bevindingen van de patholoog Van de Goot. Zijn bevindingen zijn voor de
Procureur-generaal bij de Hoge Raad, mr. Vellinga de grondslag geweest om in zijn
Conclusie, genomen op de zitting van 21 april 2009, de Hoge Raad te adviseren het
aangevoerde novum gegrond te verklaren. Dit advies is door de Hoge Raad gevolgd.
Hier kan nog worden vermeld dat mr. Vellinga ook de wijze van verwurgen, gelet op de bevindingen
van Van de Goot, als een novum zag maar dit gegeven is door de Hoge Raad onbesproken gelaten.
De beslissing van de Hoge Raad betekent niet dat het arrest van het Gerechtshof te ’s-
Gravenhage door de Hoge Raad is vernietigd. De Hoge Raad acht het novum
voldoende plausibel en heeft het zwaarwegend genoeg gevonden voor verwijzing naar
uw Hof.
Uw Hof is echter niet gebonden aan de beslissing van de Hoge Raad. Eerst na een
feitelijk onderzoek moet uw Hof zelfstandig een beslissing nemen op het aangevoerde
novum. Uw Hof kan daarbij het novum niet gegrond vinden of een ander novum
vaststellen. Zie voor deze gang van zaken een arrest van de Hoge Raad gepubliceerd
onder nummer NJ 1938, 1089.
Deze jurisprudentie is gerelateerd aan artikel 474 WvSv.
De Hoge Raad heeft in haar arrest van 23 juni 2009 tevens aangeven dat de
behandeling bij uw Hof op de voet van artikel 467 lid 1 WSv moet plaatsvinden.
Uit artikel 467 WSv blijkt het bijzonder karakter van de herzieningsprocedure in ons
rechtssysteem. Het Hof wordt, indien U komt tot een geheel of gedeeltelijke
vernietiging en dus opnieuw recht moet doen, in een positie geplaatst, dat U niet
geheel vrij bent in de te nemen beslissingen. Uw Hof mag maar een beperkt aantal
einduitspraken doen.
Te weten, vrijspraak, ovar, nov van het om of veroordeling op grond van een minder zware
strafbepaling.
Strikt genomen zou uw Hof zich kunnen beperken tot een feitenonderzoek rond het
novum dat gegrond is verklaard. Dit zou kunnen betekenen dat uw Hof zich bij het
feitenonderzoek alleen concentreert op de vraag of het slachtoffer op een eerder
tijdstip is komen te overlijden dan het een tijdstip gelegen tussen 18.00 uur en 19.10
uur, dat is gebaseerd op de verklaring van de veroordeelde Post en het moment van
aantreffen van het slachtoffer.
Dit feitenonderzoek zou kunnen bestaan uit het horen van de vandaag aanwezige
patholoog Van de Goot en mogelijk op een nadere zitting een tweede patholoog,
Voordracht zaak Ina Post regiezitting 22 januari 2010
deskundig in het bijzonder op/bij de toepassing van het zogenaamde Henssge
nomogram.
Daarnaast moet op dit punt, naar ons inzicht in ieder geval gehoord worden de
dienstdoende arts, die toentertijd ter plekke is geweest en het overlijden van mevrouw
Kolstee heeft geconstateerd.
In theorie zou uw Hof, naar aanleiding van een relatief beperkt feitenonderzoek, tot de
conclusie kunnen komen dat er geen novum is en kunt u beslissen dat het novum
ongegrond is.
De vraag waar wij als AG’s echter voor worden gesteld is of wij bij uw Hof op zo’n
(beperkt) feitenonderzoek moeten aansturen.
De aankondiging in de briefwisseling, voorafgaand aan deze regiezitting, dat het
openbaar ministerie er prijs op stelt dat de politiemensen die toentertijd met het horen
van mevrouw Post belast waren, en in het verlengde daarvan de officieren van justitie
die betrokken zijn geweest bij haar voorgeleiding en vervolging in eerste aanleg, voor
uw Hof zouden moeten worden opgeroepen om een getuigenis af te leggen, zou niet
passen in een beperkt onderzoek rond het novum dat alleen ziet op de vraag op welk
tijdstip mevrouw Kolstee is overleden.
U begrijpt dat wij dan geen voorstander zijn van een beperkt onderzoek naar de feiten.
De waarheidsvinding staat bij ons centraal.
Wij hechten eraan dat u het feitenonderzoek rond het novum zo inricht dat ook de
destijds betrokken politiemensen en officieren van justitie worden gehoord.
Het horen van deze personen ziet veel meer op het verkrijgen van inzicht over de
wijze waarop de bekennende verklaringen van mevrouw Post tot stand zijn gekomen.
De beeldvorming die thans bestaat bij het publiek, de pers en sommige
wetenschappers, maar bovenal de beeldvorming die te vinden is op een medium wat
in 1986 nog niet eens bestond, te weten internet, is dat mevrouw Post onder grote
druk de bekennende verklaringen heeft afgelegd.
Wij vinden het verder gewenst dat het onderzoek van uw Hof niet alleen betrekking
heeft op het door de Hoge Raad besproken novum van het tijdstip van overlijden,
maar ook over de niet door de Hoge Raad besproken nova, maar wel door mr.
Vellinga benoemd als mogelijke nova. Het betreffen hier dan opmerkingen die zijn
gemaakt, kort samengevat, over de wijze waarop het toenmalige rechercheonderzoek
naar de doodslag op mevrouw Kolstee is uitgevoerd en de wijze waarop de
verwurging van mevrouw Kolstee heeft plaatsgevonden.
In verband met het door uw Hof uit te voeren onderzoek achten wij voor deze zitting
nog de volgende punten van belang:
Voordracht zaak Ina Post regiezitting 22 januari 2010
Het eerste punt
I. Omvang van het dossier.
Zoals al uit de briefwisseling met raadsman blijkt was het voor ons lastig om te
bepalen wat nu wel en niet tot het strafdossier behoort. Er is in deze zaak voor
gekozen om het “kale” strafdossier als uitgangspunt te nemen.
Dit betekent, onder andere, dat stukken betrekking hebbende op eerdere
herzieningsverzoeken buiten het dossier zijn gehouden.
Met de raadsman is afgesproken dat op deze regiezitting nader zal worden gesproken
over het eventueel toevoegen van stukken. Op ons verzoek om een standpunt op dit
punt op voorhand aan ons te doen toekomen is door de raadsman pas op 19 januari
2010 gereageerd. Op een later tijdstip zullen wij, als uw Hof toekomt aan de
behandeling van de verzoeken van de raadsman, ons standpunt weergeven op de
verzoeken van de raadsman. Met vooraf al de kanttekening dat het verzoek van de
raadsman naar ons inzicht nog wel een nadere toelichting zijnerzijds behoeft.
In dit verband, wat betreft de omvang van het dossier, is van belang hier nu al iets te
zeggen over het uitgebrachte CEAS-rapport. CEAS staat voor Commissie Evaluatie
Afgesloten Strafzaken. Deze commissie heeft op 19 maart 2008 haar bevindingen
inzake een evaluatie van de strafzaak tegen mevrouw Post middels een rapport naar
buiten gebracht.
Wij stellen ons hier op het standpunt dat het arrest van de Hoge Raad en de daarin
vervatte conclusie van de Procureur-generaal bij de Hoge Raad mr. Vellinga, als
leidraad moet dienen bij de nieuwe inhoudelijke behandeling van deze zaak bij uw
Hof.
Dit betekent dat het CEAS-rapport op zichzelf geen onderdeel is van het voorliggend
strafdossier.
Gelet op de Conclusie van mr. Vellinga, en het deels volgen daarvan door de Hoge
Raad, zijn wel toegevoegd aan het dossier de stukken die door mr. Vellinga genoemd
worden onder punt 2 van zijn Conclusie.
Deze stukken zijn aan het strafdossier toegevoegd nu de daar opgesomde gegevens
ook
bevatten de briefwisseling tussen mr. Vellinga en de patholoog Van de Goot van
het NFI, wiens bevindingen, ter sprake gebracht in een interview met de CEAS op 26
september 2007 van 10.10 uur tot 12.00 uur en neergelegd in een uitgewerkt verslag
van 22 november 2007, de grondslag zijn geweest voor de verwijzing van de Hoge
Raad naar het Gerechtshof Den Bosch.
Onze keus om het CEAS-rapport niet toe te voegen aan het strafdossier is mede
gebaseerd op het feit dat de Hoge Raad zich over de status van bevindingen van een
CEAS-rapport al in een eerdere herzieningszaak heeft uitgelaten, te weten de
Enschedese ontuchtzaak van 17 maart 2009. (LJN BF 1321)
Deze opvatting vinden wij ook terug in de Conclusie van mr. Vellinga onder punt 47
e.v. Bij de behandeling van het zevende novum gaat mr. Vellinga in op de stelling dat
Voordracht zaak Ina Post regiezitting 22 januari 2010
het rapport van de CEAS op zichzelf een nieuw feit vormt als bedoeld in artikel 457
eerste lid aanhef en onder 2 WSv zijnde dat het CEAS-rapport het standpunt
vertegenwoordigt van het openbaar ministerie.
Terecht merkt mr. Vellinga op dat een opvatting van het openbaar ministerie geen
omstandigheid van feitelijke aard is als bedoeld in voornoemd strafvorderlijk artikel.
Daarnaast is het Wetboek van Strafvordering op het punt van wat wel en niet tot het
dossier behoort duidelijk. Immers in artikel 474 Wetboek van Strafvordering wordt
gesteld dat het onderzoek en de beraadslaging door uw Hof plaats vindt op basis van
alle terechtzittingen die in de desbetreffende strafzaak tot nu toe hebben
plaatsgevonden.
Het gaat daarbij met name om de behandeling in feitelijke aanleg in eerste instantie,
het appel en de behandeling die tot nu toe in herziening, het vijfde verzoek, heeft
plaatsgevonden zowel bij de Hoge Raad en thans bij uw gerechtshof. Hierbij is steeds
het proces-verbaal van de terechtzitting de kenbron voor hetgeen ter zitting heeft
plaatsgevonden. Wij stellen vast dat het CEAS-rapport tot nu toe geen onderdeel is
geweest van een feitenonderzoek als bedoeld in deze bepaling.
Dit geldt ook ten aanzien van de eerder in deze zaak ingediende
herzieningsverzoeken.
Zie T&C aantekening 2b bij artikel 474 Wetboek van strafvordering.
Wij hechten waarde aan de zuiverheid van het onderzoek van uw Hof ter
terechtzitting. De vraag of het CEAS-rapport deel kan uitmaken van het strafdossier
leggen wij voor die zuiverheid ter beantwoording aan uw Hof voor.
Een tweede punt.
II. (Nader) horen Getuigen/deskundigen.
A.De deskundige Van de Goot.
Deze deskundige, door ons opgeroepen, wordt vandaag gehoord ivm het tijdstip van
overlijden van het slachtoffer mevrouw Kolstee. In de rolverdeling tussen de
behandelend AG’s is afgesproken dat collega de Vries zich straks met dit onderdeel
zal belasten. De uitkomst van het horen van de deskundige Van de Goot kan
aanleiding voor ons zijn om uw Hof te vragen ook andere deskundigen te horen dan
wel rapportages te laten uitbrengen ter voorlichting van uw Hof.
B. De diensdoende arts die de dood van mevrouw Kolstee heeft vastgesteld
Gelet op het feit dat de deskundige Van de Goot zelf aangeeft op een bepaald terrein
geen deskundige te zijn, vinden wij het nodig dat uw Hof, tegen een nadere
zittingsdag, de destijds dienstdoende arts hoort als getuige.
Deze arts heeft immers als eerste de dood van mevrouw Kolstee vastgesteld en hij
zou, als ervaringsdeskundige, meer kunnen vertellen over wat hij aantrof toen hij op
de plaats van het delict kwam en in het bijzonder over wat hij toen geconstateerd /
vastgesteld heeft.
Voordracht zaak Ina Post regiezitting 22 januari 2010
C. Getuigen ivm het toenmalig horen van de veroordeelde mevrouw Post.
Zoals hiervoor al aangegeven en toegelicht stellen wij het op prijs dat de verhorende
functionarissen van mevrouw Post ten overstaan van uw Hof worden gehoord.
Een separate lijst met getuigen, die toentertijd belast / betrokken waren bij het horen
van mevrouw Post, zal aan uw Hof worden overlegd op een later tijdstip van deze dag
bij de behandeling van ons verzoek.
Een derde punt.
III.Het horen van de veroordeelde zelf.
En dan als slot van onze toelichting het horen van de veroordeelde zelf.
Een verdachte heeft het recht om te zwijgen. Een verdachte mag leugenachtig
verklaren. De verdachte mag zelfs verstek laten gaan waarbij de zaak buiten haar
aanwezigheid kan/zal worden behandeld. We hebben hier echter met een bijzondere
situatie te maken nu mevrouw Post geen verdachte meer is maar een veroordeelde.
Wij hechten eraan om nu al te vermelden dat wij het op prijs stellen dat mevrouw Post
aanwezig zal zijn op de zittingsdagen met een inhoudelijke behandeling bij uw Hof.
Daar waar het verhoren zijn van deskundigen kunnen wij ons voorstellen dat de
veroordeelde niet aanwezig is. Maar daar waar de getuigen worden gehoord die op
enig moment met haar in een verhoorsituatie hebben gezeten stellen wij dat de
aanwezigheid van mevrouw Post gewenst is. Dit achten wij van belang omdat de
totstandkoming van de door haar afgelegde verklaringen een wezenlijk onderdeel zijn
van dit dossier en wij de mogelijkheid willen hebben mevrouw Post daarop, aan de
hand van de (nieuwe) getuigenissen, nader te bevragen.
Naast het verkrijgen van helderheid omtrent de omstandigheden waaronder de
verklaringen door mevrouw Post zijn afgelegd, is het bovendien van belang dat wij
aan mevrouw Post vragen kunnen stellen omtrent de inhoud van de door haar
afgelegde verklaringen. Dit in relatie tot wat in het dossier is opgenomen of hetgeen
zich nog tijdens de behandeling door uw Hof kan aandienen als vraag.
Tot zover onze toelichting bij de voordracht van de zaak tegen de veroordeelde
mevrouw Post.
Ik dank u voor de aandacht.
‘s-Hertogenbosch, 22 januari 2010,
De advocaten-generaal,
mr. M.J.M de Vries en
mr.ing. J.W.P. Snijders
Voordracht zaak Ina Post regiezitting 22 januari 2010








