Ontwikkeling

  • Vergroot letter grootte
  • Standaard letter grootte
  • Verklein letter grootte
Home Rechtspraak Strafrecht Hoge Raad zaak Ina Post moet over 230609 tekst uitspraak deel 2

Hoge Raad zaak Ina Post moet over 230609 tekst uitspraak deel 2

E-mail Print PDF
Verklaring III d.d. 9 september 1986:
"Ter onderzoek aangeboden: Twee kascheques t.n.v. [betrokkene 13 en 14], rek.nr. [002]. De respectieve chequenummers zijn 4 en 9.
Verzocht werd vast te stellen of er al dan niet een relatie is tussen het schrift op deze cheques en het schrift op de reeds eerder onderzochte cheques t.n.v. [slachtoffer 1] (...) en mogelijk ook met het schrift van verdachte [aanvraagster] (...).
(...)
I. Op grond van een groot aantal overeenkomsten in algemene schriftkenmerken zijn er naar mijn overtuiging zeer sterke aanwijzingen dat de ter onderzoek aangeboden cheques t.n.v. [betrokkene 13 en 14] en de reeds onderzochte cheques t.n.v. [slachtoffer 1] door één en dezelfde persoon zijn ingevuld.
II. In het schrift op beide groepen cheques werd wederom een aantal overeenkomsten in algemene kenmerken geconstateerd, t.a.v. het schrift van [aanvraagster] (...). Op grond van deze overeenkomsten moet zeker niet worden uitgesloten dat zij de producent is van dit schrift."

Verklaring IV d.d. 15 september 1986:
"Ter onderzoek aangeboden: Groene betaalcheques t.n.v. [slachtoffer 1] en girobetaalkaarten t.n.v. [betrokkene 13 en 14].
Mij werd verzocht vast te stellen of er al dan niet een schriftkundige relatie is tussen de handgeschreven invullingen op deze betaalcheques en girobetaalkaarten.
(...)
Op grond van een aantal overeenkomsten in algemene schriftkenmerken en een overeenkomst in een bijzonder schriftkenmerk (het cijfer 2) is er naar mijn overtuiging een duidelijke schriftkundige relatie tussen het schrift op deze beide groepen cheques."

53. Op grond van het voorgaande dient er vanuit te worden gegaan dat het Hof er mee bekend was dat er onderzoek is gedaan naar mogelijke betrokkenheid van aanvraagster bij, in ieder geval, de diefstal van of enige vorm van valsheid in geschrift met betrekking tot de cheques en betaalkaarten van [betrokkene 10]. Ook moet worden aangenomen dat het Hof bekend was met de volgens de schriftkundige bestaande zeer sterke aanwijzingen dat de kascheques ten name van [betrokkene 10] en de cheques van [slachtoffer 1] door één en dezelfde persoon zijn ingevuld en dat er volgens haar een duidelijke schriftkundige relatie bestond tussen het schrift op de betaalcheques van [slachtoffer 1] en dat op de girobetaalkaarten van [betrokkene 10].

54. Tegen deze achtergrond kan het feit dat thans iets meer bekend is geworden omtrent het onderzoek naar eventuele betrokkenheid van aanvraagster bij de zaak [betrokkene 10] - in feite niet veel meer dan dat duidelijk is geworden dat aanvraagster niet bij [betrokkene 10], die evenals [slachtoffer 1] hulp kreeg van [betrokkene 15 en 16], heeft gewerkt - niet het ernstige vermoeden wekken dat het Hof, indien hiermee bekend, tot een vrijspraak zou zijn gekomen. Kennelijk ligt aan dit novum de gedachte ten grondslag dat indien de betrokkenheid van aanvraagster bij de zaak [betrokkene 10] niet kan worden vastgesteld daarmee ook de betrokkenheid van aanvraagster bij de onderhavige zaak op losse schroeven komt te staan. Dat zou pas het geval zijn als met aanzienlijke mate van zekerheid was vastgesteld dat aanvraagster niet bij de zaak [betrokkene 10] betrokken is geweest. Waarmee ik uiteraard niet de suggestie wil wekken dat aanvraagster wèl bij die zaak betrokken zou zijn geweest. Het gaat hier immers om de vraag of genoemde omstandigheid het ernstig vermoeden wekt dat de verdachte ten onrechte voor doodslag op [slachtoffer 1] is veroordeeld, een ernstig vermoeden dat over de band van bedoelde overeenkomst in handschrift zou kunnen worden gewekt als met aanzienlijke mate van zekerheid zou zijn vastgesteld dat zij niet bij de doodslag op [betrokkene 10] betrokken is geweest.

55. Als tweede op de inhoud van het CEAS-rapport gebaseerde novum, als negende in totaal, wordt aangevoerd dat het driemanschap tot ontlastende bevindingen is gekomen naar aanleiding van de schrijfproeven die destijds door aanvraagster zijn afgelegd. Er wordt op gewezen dat uit door of namens de CEAS gehouden interviews met leden van het Recherche Bijstandsteam dat destijds het onderzoek uitvoerde, is gebleken dat alle betrokkenen in dat team dachten dat de schrijfproef een identificatie opleverde en dat aanvraagster de enige was die daaraan voldeed.(39) Ook wordt er op gewezen dat op basis van een verklaring van aanvraagster en een interview met de schriftkundige aannemelijk is dat het handschrift van meerdere personen overeenkomsten in algemene kenmerken vertoonde, aangezien er een tweede schrijfproef onder drie personen, onder wie aanvraagster, zou hebben plaatsgevonden waarvan het resultaat niet in het dossier is terechtgekomen.(40)

56. De verklaring van de schriftkundige (verklaring II van 4 september 1986) houdt als resultaat van de schrijfproeven in dat in het handschrift van aanvraagster een aantal overeenkomsten in algemene kenmerken met het handschrift op twee kascheques ten name van [slachtoffer 1] werd aangetroffen en in het schrift van de overige (zeven(41)) personen geen overeenkomsten als vorenbedoeld werden geconstateerd. De CEAS geeft niet aan dat haar bevinding dat twee schrijfproeven zijn gehouden, er toe leidt dat op deze conclusie teruggekomen zou moeten worden. Kennelijk moet hetgeen de CEAS schrijft over een tweede schrijfproef daarom aldus worden begrepen dat er aanvankelijk, na de eerste schrijfproef, overeenkomsten in algemene kenmerken waren tussen het handschrift op de kascheques en het handschrift van drie personen die aan de eerste schrijfproef deelnamen, doch dat de schriftkundige daar voor wat betreft twee personen op grond van een nadere schrijfproef op is teruggekomen. De uitkomst van de schrijfproeven levert dus geen nieuw feit op.

57. De enkele omstandigheid dat de verbalisanten dachten dat de uitkomst van een schrijfproef een identificatie oplevert, wekt niet het ernstig vermoeden dat het Hof, dit wetende, aanvraagster zou hebben vrijgesproken. Niets wijst erop dat het Hof van deze onjuiste aanname is uitgegaan terwijl het Hof bovendien de uitkomst van de bewuste schrijfproef niet voor het bewijs heeft gebruikt.

58. Tot slot van dit onderdeel van de aanvraag wordt gesteld dat de verdenking ten aanzien van aanvraagster destijds alleen was gebaseerd op haar verdachte gedrag tijdens de eerste schrijfproef terwijl juist de tweede schrijfproef zou hebben gemaakt dat zij niet als enige verdachte kon worden aangemerkt. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet was het resultaat van de schrijfproeven dat alleen het handschrift van aanvraagster overeenkomsten in algemene kenmerken vertoonde met het handschrift op de kascheques van [slachtoffer 1]. Deze stelling mist dus feitelijke grondslag.

59. Een en ander kan dus niet tot herziening leiden.

60. Als derde op de inhoud van het CEAS-rapport gebaseerde en in totaal tiende novum wordt aangedragen dat de loketbeambte die op zaterdagmorgen 23 augustus 1986 dienst had in het postagentschap in De Bijenkorf aanvraagster niet heeft herkend tijdens een foto- en een Oslo-confrontatie en dat twee getuigen die destijds in de rij stonden met de persoon die de cheques van het slachtoffer heeft ingewisseld aanvraagster tijdens fotoconfrontaties evenmin hebben herkend.

61. Ik meen dat de hier aangedragen feiten en omstandigheden ten opzichte van hetgeen reeds in de oorspronkelijke aanvraag en de aanvulling daarop van 3 oktober 2007 werd aangevoerd niets nieuws bevat. Ik volsta daarom met te verwijzen naar wat ik daaromtrent hiervoor onder nr. 25 heb opgemerkt.

62. Als vierde op de inhoud van het CEAS-rapport gebaseerd novum, het elfde in totaal, wordt aangevoerd de bevinding van de CEAS dat op de morgen van zaterdag 23 augustus "mogelijk inderdaad" een wegopbreking als waarover aanvraagster heeft verklaard heeft bestaan. Over die wegopbreking heeft aanvraagster in haar verklaring van 10 september 1986 (p-v 1413/1986, p. 86) het volgende verklaard:
"De volgende morgen, zaterdag 23 augustus 1986, in tegenstelling tot ik eerder verklaarde heb ik [betrokkene 17] met mijn Mini naar zijn werk te Nootdorp gebracht. Ik weet mij nu te herinneren dat te Nootdorp, een weg was afgesloten, naar ik dacht de Dellandstraat, waardoor ik over de Zijdewinde te Nootdorp moest rijden, naar het werk van [betrokkene 17]."

63. Aangenomen dat bedoelde wegopbreking destijds inderdaad heeft bestaan(42) leidt deze omstandigheid niet tot het ernstige vermoeden dat het Hof, indien daarmee bekend, aanvraagster zou hebben vrijgesproken. Zowel aanvraagster als haar toenmalige echtgenoot(43) heeft verklaard dat aanvraagster haar toenmalige echtgenoot op 23 september 1986 's morgens naar diens werk heeft gebracht. In haar eerste bekentenis op 11 september 1986 heeft aanvraagster verklaard dat zij haar man omstreeks 8.30 uur naar zijn werk heeft gebracht, in haar tweede bekentenis van 15 september 1986, dat zij haar man omstreeks 8.30 uur bij zijn werk in Nootdorp heeft afgezet. Het bestaan van bedoelde wegopbreking doet niet aan deze verklaringen twijfelen omdat de wegopbreking zich bevond op de weg tussen het huis van aanvraagster en het werk van haar man. Daarom is het bestaan van bedoelde wegopbreking ook niet van belang voor de vraag of aanvraagster wel op 23 september 1986 rond negen uur in de Bijenkorf heeft kunnen zijn om, zoals zij heeft verklaard, de gestolen kascheques in te wisselen. Daarvoor is bepalend hoe laat zij haar man bij zijn werk in Nootdorp heeft afgezet, volgens haar verklaringen omstreeks 8.30 uur.

64. Het opgevoerde novum kan dus niet tot herziening leiden.

65. Als vijfde op de inhoud van het CEAS-rapport gebaseerde novum, als twaalfde in totaal, wordt aangevoerd dat de verklaring die [betrokkene 9] heeft afgelegd over het tijdstip waarop zij telefonisch vernam dat aanvraagster nog bij haar moeder, [betrokkene 5], in de woning was (rond 18.00 - 18:15 uur, zie hiervoor onder nr. 27) destijds niet in het dossier is gevoegd, hoewel [betrokkene 9] ook destijds al een overeenkomstige verklaring tegenover de politie heeft afgelegd. Hieraan wordt de conclusie verbonden dat het Hof, indien destijds met deze verklaring bekend, aanvraagster zou hebben vrijgesproken.

66. Hiervoor onder nr. 24 is uiteengezet waarom de omstandigheid dat aanvraagster op 22 augustus 1986 rond 18:15 uur nog in de woning van [betrokkene 5] was niet het ernstige vermoeden wekt dat zij het slachtoffer niet omstreeks 18:30 uur kan hebben gedood. Het feit dat de politie destijds geen proces-verbaal zou hebben opgemaakt van de desbetreffende verklaring van [betrokkene 9] en dat die verklaring daardoor niet aan de rechter bekend zou zijn geworden doet daar niet aan af. Die omstandigheid levert dus niet een ernstig vermoeden op als bedoeld in art. 457 lid 1 onder 20 Sv.

67. Als zesde op de inhoud van het CEAS-rapport gebaseerd novum, het dertiende in totaal, wordt aangedragen de omstandigheid dat uit onderzoek zou zijn gebleken dat het tijdstip van overlijden van het slachtoffer waarvan het Hof blijkens de bewijsconstructie is uitgegaan niet kan kloppen. Dit zou volgen uit hetgeen een patholoog-anatoom heeft geconcludeerd op basis van de destijds gemeten lichaamstemperatuur van het slachtoffer omstreeks 23:00 's avonds. Uitgaande van een lichaamstemperatuur van 30 graden Celsius op dat tijdstip zou op grond van het zogenoemde Henssge's nomogram moeten worden aangenomen dat het tijdstip van overlijden aanzienlijk vroeger op de dag gelegen was.

68. Alvorens deze als novum aangevoerde omstandigheid te bespreken merk ik op dat noch uit het arrest van het Hof noch uit de stukken van het geding blijkt van enig onderzoek naar het tijdstip van overlijden aan de hand van de op 22 augustus 23.00 uur gemeten lichaamstemperatuur van het slachtoffer. Het Hof is kennelijk uitgegaan van het tijdstip van overlijden zoals dat besloten ligt in de voor het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster, dus na haar bezoek aan [betrokkene 5], rond 18.30 uur.

69. Voorts meen ik dat het hier gaat om een omstandigheid die kan worden aangemerkt als omstandigheid van feitelijke aard. Ik wijs kortheidshalve naar hetgeen ik hiervoor onder nrs. 11 en 12 heb opgemerkt. Het onderzoek naar het tijdstip van overlijden is erop gericht het tijdstip van overlijden als omstandigheid van feitelijke aard zoveel mogelijk te benaderen; het vormt een op wetenschappelijke inzichten beredeneerde schatting van een omstandigheid van feitelijke aard.

70. Een en ander brengt mee dat het hier gaat om een omstandigheid van feitelijke aard die het Hof ten tijde van de berechting niet bekend was en dus in potentie grond voor herziening kan opleveren.

71. Over dit novum houdt het CEAS-rapport in hoofdstuk XI, Conclusies en aanbevelingen, op p. 101 en 102 het volgende in:
"De belangrijkste consequentie van het onderhavig onderzoek voor de zaak [aanvraagster] hangt samen met de aanname van een mogelijk onjuist tijdstip van overlijden van het slachtoffer. Al op vrijdag 22 augustus 1986 omstreeks 23.00 uur was een gemeten lichaamstemperatuur van het slachtoffer van 30° Celsius bekend. De implicaties van deze wetenschap, waarvan de technisch rechercheur destijds op de hoogte was, zijn niet gecommuniceerd met het RBT of de teamleiding, ofwel het RBT of de teamleiding heeft in geen enkele fase van het onderzoek naar de implicaties van deze wetenschap gevraagd.
Temperatuurmeting voor het vaststellen van het tijdstip van overlijden levert een relatieve tijd op. Het moet dan ook aan een deskundige patholoog-anatoom worden overgelaten uit de metingen conclusies te trekken. Noch uit het dossier noch uit de interviews blijkt dat de patholoog-anatoom op dit punt om een nader onderzoek is gevraagd.
Uit het interview met de technisch rechercheur is gebleken dat de destijds gangbare methode van berekening van het tijdstip van overlijden ruwweg op 1 graad daling van de lichaamstemperatuur per uur kon worden gesteld.
Als de technisch rechercheur rekening had gehouden met deze vuistregel en daarbij was uitgegaan van een lichaamstemperatuur van 37° Celsius dan zou hij op circa 16.00 uur als tijdstip van overlijden uit hebben moeten komen. De temperatuursdaling bij magere mensen bedraagt in de eerste vier uur ca. 1° C per uur, in de volgende twee uur 1,5° per uur in de daaropvolgende tien uur 0,5° per uur en in de daarop volgende zes uur 0,25° per uur. De daling gaat dus steeds langzamer.
De door het driemanschap geraadpleegde forensisch patholoog verklaart met betrekking tot het tijdstip van overlijden, aan de hand van het zogenaamde Hensgge's nomogram (...), dat het slachtoffer, van ongeveer 50 kilogram lichaamsgewicht, met een op 23.00 uur gemeten lichaamstemperatuur van 30° Celsius en een omgevingstemperatuur van 25° Celsius, tussen 10 en 12 uur daarvoor moet zijn overleden. Daarbij heeft de deskundige geen correctiefactoren toegepast zoals de omstandigheid dat het slachtoffer geheel gekleed op het tapijt lag en de omstandigheid dat mogelijk sprake kan zijn geweest van koorts vanwege een dubbelzijdige nierbekkenontsteking. Bij deze berekening is de deskundige dus uitgegaan van de in het nomogram aangenomen standaardomstandigheden.
Omdat de patholoog in iedere concrete casus moet kijken naar mogelijke correctiefactoren kan de omstandigheid, zoals in casu, dat het slachtoffer weliswaar geheel gekleed op het tapijt in de woonkamer lag, maar met een openstaande balkondeur in de slaapkamer, leiden tot een correctiefactor van 0,9. Bij toepassing van deze correctiefactor zou het slachtoffer circa tien uur vóór 23.00 uur (tijdstip van temperatuurmeting) moeten zijn overleden.

In een geval, waarin een slachtoffer bijvoorbeeld zonder kleding op een koude ondergrond ligt met open deuren zal, rekening houdend met een maximale afkoeling, een correctiefactor van 0,7 worden toegepast, zodat het tijdstip van overlijden tussen zes en acht uur voor een temperatuurmeting zal liggen.
Uitgaande van een correctie naar de warme kant (bijvoorbeeld een slachtoffer liggend in een afgesloten kamer met drie tot vier lagen kleding aan), dus bij minimale afkoeling en goede isolatie, zal rekening gehouden worden met een correctiefactor van 1,3 zodat het tijdstip van overlijden tussen twaalf en veertien uur voor een temperatuurmeting zal liggen.

Indien bij deze berekeningen nog rekening wordt gehouden met de omstandigheid, dat mogelijk sprake kan zijn van koorts, zoals in casu vanwege een dubbelzijdige nierbekkenontsteking, dan zou daardoor de postmortale tijd nog langer kunnen worden.

Het hiervoor gerelateerde vindt aansluiting bij de destijds gangbare methode van de technische recherche door uit te gaan van een ruwe schatting van een daling van de lichaamstemperatuur met 1 graad Celsius per uur en de methode van B. Mueller, zoals die werd gedoceerd bij de cursus recherchetechniek aan de rechercheschool te Zutphen.
Uit het voorafgaande blijkt dat er ernstig getwijfeld kan worden aan het aangenomen tijdstip van overlijden. Het is aannemelijk dat als het RBT, respectievelijk de officier van justitie zich rekenschap had gegeven van een ander tijdstip van overlijden het opsporingsonderzoek en ook het procesdossier er wezenlijk anders had uitgezien."

72. Aan de hand van Henssge's nomogram kan op grond van de gemeten rectale temperatuur van een lijk en factoren als omgevingstemperatuur en lichaamsgewicht worden geschat hoeveel tijd verstreken is sinds het overlijden.(44) Als bijlagen bij het CEAS-rapport zijn gevoegd twee nomogrammen waarmee op grond van genoemde factoren de sinds het overlijden verstreken tijd kan worden bepaald. Het ene nomogram geldt voor omgevingstemperaturen hoger dan 23° C, het andere voor omgevingstemperaturen lager dan 23° C.

73. Het rapport van verbalisant [betrokkene 3] van de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst van 3 september 1986 houdt op p. 3, voor zover hier van belang, het volgende in:
"In de kamer lag het lichaam van [slachtoffer 1]. Het lag ruggelings iets uit het midden van de kamer op de vloer. Het slachtoffer was gekleed in een deux-pièce, waaronder een hemd en een b.h. Voorts droeg zij een nylon panty en een onderbroek. De bovenste twee knopen van het jasje bleken los. (...)
Het rechteronderbeen lag gedeeltelijk onder de rand van een deels onder het lichaam gelegen tapijt. De onderrand van de rok van het slachtoffer was aan de voorzijde gedeeltelijk omgeslagen. (...)
Van het slachtoffer werd omstreeks 23.00 uur rectaal de lichaamstemperatuur gemeten. Deze bleek 30° te zijn bij een omgevingstemperatuur van 25°."

Voorts houdt het dossier voor zover hier van belang het volgende in. Op de vloer van de woning van het slachtoffer lag vloerbedekking met daar bovenop tapijten.(45) Getuige De Kramer, die het slachtoffer iets na 19.10 uur heeft aangetroffen, heeft kort na binnenkomst de - in de slaapkamer gelegen(46) - deur naar het balkon opengezet omdat het in de woning zo warm was.(47) Het Rapport van het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium houdt in dat het slachtoffer aan beide zijden een chronische nierbekkenontsteking had. Dat het slachtoffer, zoals in het CEAS-rapport wordt vermeld, ongeveer 50 kilogram woog, heb ik in het dossier niet kunnen vinden. Ik begrijp het CEAS-rapport echter zo dat in ieder geval de geraadpleegde patholoog-anatoom van dit gewicht is uitgegaan. Die veronderstelling blijkt - ik verwijs naar het onder nr. 77 vermelde antwoord op de eerste door mij aan de patholoog-anatoom gestelde vraag - juist.

74. Wanneer wordt aangenomen dat I) via toepassing van het Henssge's nomogram op de daarvoor relevante gegevens betrouwbare informatie wordt verkregen over de tijd die is verstreken tussen het overlijden van het slachtoffer en de opname van de temperatuur, en II) dat de hiervoor vermelde relevante gegevens - lichaams- en omgevingstemperatuur, gewicht - juist zijn, lijkt het niet goed mogelijk dat aanvraagster het slachtoffer pas om het leven heeft gebracht nadat zij "omstreeks 18.00 uur" naar de woning van het slachtoffer was teruggegaan. Dan geldt immers dat zelfs waneer een gelet op de omstandigheden laag voorkomende correctiefactor wordt toegepast het uiterlijke tijdstip van overlijden van het slachtoffer aanzienlijk eerder heeft gelegen. In dat geval zou sprake zijn van het ernstige vermoeden dat de voor het bewijs gebezigde bekentenis van de aanvraagster niet alleen wat betreft het tijdstip waarop zij het slachtoffer zou hebben gedood maar ook voor wat betreft het relaas dat zij het slachtoffer heeft gedood na haar bezoek aan [betrokkene 5], en wel rond het tijdstip waarop de hoorn van de telefoon in de woning van [slachtoffer 1] van de haak is gelegd door een ander dan [slachtoffer 1] die toen immers ten minste al enige tijd dood zou zijn geweest, niet juist is.

75. Voor de vraag of reeds thans voldoende is onderzocht voor het ernstige vermoeden dat het slachtoffer aanzienlijk eerder om het leven moet zijn gekomen dan verenigbaar is met de voor het bewijs gebezigde verklaring van aanvraagster is het volgende van belang.

76. De forensisch patholoog Van de Goot, wiens oordeel in het CEAS-rapport wordt aangehaald ter staving van het ernstig vermoeden dat het slachtoffer veel eerder is overleden dan verenigbaar is met de verklaring van aanvraagster, is uitgebreid door de CEAS gehoord. Het daarvan opgemaakte, door hem ondertekende verslag houdt in:
"Geinterviewde verklaart aan de hand van een z.g. Henssge diagram.

A: De lichaamstemperatuur van mevrouw was dertig graden Celsius en de kamertemperatuur was vijfentwintig graden Celsius. Als je het diagram volgt dan komt je ongecorrigeerd, met een gewicht van vijftig kilo, op een uur of elf nadat ze is overleden uit. Ze heeft twee laagjes kleren aan. Met een correctiefactor van 0,9 zou ze op een uur of 10,11 uur geleden overleden zijn. Dit onder de meest ideale omstandigheden. Maar wat bijvoorbeeld als de balkondeuren open zijn geweest. Als alle variabelen maximaal zijn dan kom je op ongeveer 6 tot 8 uur.

Opmerking interviewer Oldenhof:
Uitgangspunt is het tijdstip van meting 23.00 uur
Als vermoedelijk tijdstip van overlijden kan volgens het Henssge diagram, en in relatie tot de uitleg van dhr. V.d Goot, het volgende tijdstip worden aangehouden:
Situatie 1:
Ongecorrigeerd (bijvoorbeeld kleding, verwarming, ondergrond e.d.) levert dit een aftrek van ca. 11 uur op, waardoor het tijdstip van overlijden op ca. 12 uur komt.
Situatie 2:
Gecorrigeerd met bovenstaande factoren (kleding, ondergrond etc.) levert het een aftrek van ca. 10 uur, waardoor het tijdstip op 13.00 komt.
Situatie 3:
Alle variabelen maximaal (m.a.w. raam open, verwarming aan etc.) toegepast, dan levert dit een aftrek van ca. 6-8 uur op, waardoor het tijdstip van overlijden komt te liggen tussen 15.00 en 17.00 uur.

V: Geconfronteerd met bovenstaande tabel, waarin uw mening is samengevat, hebt [u] dan nog opmerkingen. Is uw reactie juist geciteerd?
A: Ik kan mij vinden in de uitleg die u hebt weergegeven.

V: Tot nu toe is er steeds vanuit gegaan dat ze toen om zes uur net dood was. Maar dat hoeft dus helemaal niet zo te zijn?
A: Dat is gewoon niet waar. Als mevrouw bij zevenendertig graden Celsius begonnen is, heb je gewoon een aantal uren nodig om bij een omgevingstemperatuur van vijfentwintig graden Celsius, zeven graden in temperatuur te dalen.

V: En dan houdt je nog niet eens rekening met de eventuele koorts.
A: Dan houdt je niet eens rekening met het feit dat ze misschien hoger begonnen is. Onder de meest ideale omstandigheden daalt de temperatuur ongeveer met 1,5 graad Celsius per uur. Onder de meest ideale omstandigheden. De mevrouw ligt op een tapijt, dan daalt de temperatuur ook al wat langzamer. Als je op een koude vloer ligt, dan koel je ook sneller af.

V: Het kan dus niet in vier uur?
A: De meest ideale omstandigheden. Ongecorrigeerd, alle variabelen niet meegerekend, kom ik na een uur of 4 op een temperatuur van 36, 35, 34 graden uit.

V: [Had] men deze methode toen al in 1986?
A: Ik weet het niet.

V: Er is gesuggereerd, dat het feit tussen half zeven 's-avonds en kwart over zeven plaatsgevonden heeft. Er wordt om 11 uur gemeten.. En dan moeten we kijken of half zeven reëel is?
A: Als ik het diagram aanhoudt, dan kom ik niet bij een dergelijke temperatuur in de buurt. Ik mag er van uitgaan dat ze correct gemeten is.

V: En je kunt ervan uit gaan, als er niet correct gemeten is, dat je nooit warmer [zult] meten dan [de] temperatuur werkelijk is. Je kunt hooguit kouder meten.
A: Je kunt hooguit kouder meten.

V: Wat zou het meest waarschijnlijke tijdstip zijn van overlijden?
A: Ik zou alleen maar valse zekerheden geven als ik daar een uitspraak over zou doen."

77. Dit relaas gaf mij aanleiding tot een aantal vragen die ik bij brief van 14 januari 2009 aan Van de Goot heb voorgelegd. De eerste zeven daarvan zijn door hem bij brief van 13 maart 2009 onder weergave van de door mij gestelde vragen(48) als volgt beantwoord:
"Vraag 1:
U hanteert als uitgangspunt een lichaamsgewicht van het slachtoffer van 50 kilo. Dit gewicht heb ik in het mij ter beschikking staande dossier niet kunnen terug vinden. Waaraan heeft u dit gewicht ontleend?

Antwoord:
Op pagina 2 van het bijgeleverde evaluatie onderzoek(49) wordt reeds gesteld dat er sprake is van een schatting. In overleg met de betrokken aanwezigen aan tafel werd er vastgesteld dat het lichaamsgewicht van het slachtoffer waarschijnlijk circa 50 kilogram geweest zal zijn. In 1986 tijd werden de lichamen voorafgaande aan een sectie nog niet gewogen. In dit rapport wordt ook nu uitgegaan van en lichaamsgewicht van minimaal 50 kg en maximaal 60 kg.

Vraag 2:
De toelichting bij het Henssge's nomogram, zoals dat als bijlage bij het CEAS-rapport is gevoegd, houdt in dat indien het lichaam één of twee lagen dunne kleding draagt bij 'still air' de correctiefactor 1.10 is. In geval van 'moving air' is de correctiefactor bij één of twee lagen kleding 0,90.
Op welke omstandigheid is de door u in de alinea op pagina 6 onderaan en pagina 7 bovenaan genoemde correctiefactor van 0,9 gebaseerd? Indien u deze hebt gebaseerd op een lichaam met twee laagjes kleding in 'moving air ', waarop is dan de aanname gebaseerd dat sprake was van 'moving air' ? In dit opzicht begrijp ik uw antwoord bij eerste lezing zo dat u het openstaan van de balkondeur - deze lijkt inderdaad open te hebben gestaan - niet in de correctiefactoor van 0,9 heeft betrokken.
Voor uw goed begrip merk ik op dat de balkondeur zich in de slaapkamer bevond en niet in de woonkamer waar het slachtoffer gevonden is, terwijl niet vaststond of en in hoever de deur tussen woonkamer en slaapkamer openstond.
Wat bedoelt u met "de meest ideale omstandigheden" (pagina 7, 2' regel van boven)?

Antwoord:
Mogelijk dat ik wat onduidelijk geweest ben in het omschrijven van de mogelijkheden. Ter verduidelijking heb ik hieronder schematisch een aantal mogelijkheden weergegeven


Ik ga uit van vier situaties, twee theoretische situaties (situatie 1 en 4), die de uiterste grenzen aangeven en twee feitelijke situaties (situaties 2 en 3) die in dit geval aan de orde zijn.

  Isolatie  Lucht   Correctie factor  Gewicht 50 kg na correctie  Gewicht 60 kg na correctie  Pmt 50 *
+/-
ca 3 uur *  Pmt 60 *
+/-
ca 3 uur
S1  Afwezig (naakt)  Bewegend  0.75  37.50  45.00  7.5  9.5
S2  2 lagen kleding  Bewegend  0.90  45.00  54.00  9.5  10.5
S3  2 lagen kleding  Stilstaand  1.10  55.00  66.00  10.5   13.5
S4  4 lagen kleding  Stilstaand  1.30  65.00  78.00  13.5  15.5
* Pmt staat voor Postmortale tijd.


S1: Een situatie waarbij een naakt lichaam van 50 kg in bewegende lucht afkoelt (dit levert de theoretisch kortst mogelijke postmortale periode op)
Situatie 1: circa 7.5 uren (± circa 3 uren) geeft een minimale postmortale periode van circa 4.5 uren.
S1: Een situatie waarbij een naakt lichaam van 60 kg in bewegende lucht afkoelt (dit levert de theoretisch kortst mogelijke overlijdenstijd op)
Situatie 1: circa 7.5 uren (± circa 3 uren) geeft een minimale doodsperiode van circa 6.5 uren.

S4: Een situatie waarbij een dik gekleed (4 lagen kleding) lichaam van 50 kg in stilstaande lucht afkoelt (dit levert de theoretisch langst mogelijke postmortale periode op.
Situatie 4: circa 13.5 uren, (± circa 3 uren) geeft een maximale postmortale periode van circa 16.5 uren
S4: Een situatie waarbij een dik gekleed (4 lagen kleding) lichaam van 60 kg in stilstaande lucht afkoelt (dit levert de theoretisch langst mogelijke postmortale periode op.
Situatie 4: circa 15.5 uren, (± circa 3 uren) geeft een maximale postmortale periode van circa 18.5 uren

Bovenstaande situaties zijn theoretisch en feitelijk hier niet aan de orde. De werkelijke postmortale periode is langer dan in situatie 1 en korter dan in situatie 2 (lees: 4; WHV) uitgaande van afkoeling die begint bij 37 graden Celsius.

S2: Een situatie waarin het slachtoffer met een geschat gewicht van 50 kg werd aangetroffen, met twee lagen kleding in bewegende lucht (waarschijnlijke postmortale periode )
Situatie 3: circa 9.5 uren, (± circa 3 uren) geeft een postmortale periode van circa 6.5 tot 12.5 uren
S2: Een situatie waarin het slachtoffer met een geschat gewicht van 60 kg werd aangetroffen, met twee lagen kleding in bewegende lucht (waarschijnlijke postmortale periode )
Situatie 3: circa 10.5(52) uren, (± circa 3 uren) geeft een postmortale periode van circa 7.5 tot 13.5 uren

S3: Een situatie waarin het slachtoffer met een geschat gewicht van 50 kg werd aangetroffen, met twee lagen kleding in stilstaande lucht (waarschijnlijke postmortale periode )
Situatie 3: circa 10.5(53) uren, ( ± circa 3 uren) geeft een postmortale periode van circa 7.5 tot 13.5 uren
S3: Een situatie waarin het slachtoffer met een geschat gewicht van 60 kg werd aangetroffen, met twee lagen kleding in stilstaande lucht (waarschijnlijke postmortale periode )
Situatie 3: circa 13.5 uren, (± circa 3 uren) geeft een postmortale periode van circa 10.5 tot 16.5 uren

Vraag 3:
Interviewer Oldenhof merkt na de aanhef "Gecorrigeerd met bovenstaande factoren (kleding, ondergrond etc.)" op dat een aftrek van tien uur van toepassing is. De omstandigheden dat het slachtoffer gekleed was en dat zij op tapijt lag wijzen mijn inziens in de richting van een hogere correctiefactor. Indien ik dit juist zie leidt het rekening houden met genoemde omstandigheden tot een eerder gelegen tijdstip van overlijden dan in het geval geen rekening met de genoemde omstandigheden wordt gehouden (omdat een gekleed lichaam dat op tapijt ligt minder snel afkoelt).
Hoe is te verklaren dat het tijdstip van overlijden later in de tijd gelegen zou zijn indien rekening wordt gehouden met genoemde correctiefactoren? Of zijn hier ook andere factoren in aanmerking genomen, zo ja welke? Of moet ik deze door u onderschreven opmerking van Oldenhof zien als een herhaling van hetgeen u volgens het verslag onderaan pagina 6/bovenaan pagina 7 hebt verklaard?

Antwoord:
Inderdaad behelst dit antwoord een herhaling van mijn verklaring.
Bij het bepalen van de postmortale periode aan de hand van temperatuur volgens de methode van Henssge wordt uitgegaan van een aantal variabelen welke een noemenswaardige invloed hebben op de snelheid van afkoelen. Het gaat hier dan om bedekking/kleding vochtigheid en luchtbeweging. Ofschoon het voor de hand ligt dat ook andere variabelen een rol kunnen spelen zoals b.v. de ondergrond worden deze in de uiteindelijke correctiefactor reeds meegewogen. Daarnaast dient benadrukt te worden dat het Henssge nomogram (...) een postmortale tijd inschatting betreft en geen postmortale tijd bepaling.

Vraag 4:
Oldenhof merkt voorts op: "alle variabelen maximaal (m.a.w. raam open, verwarming aan etc.) toegepast, dan levert dit een aftrek van circa 6-8 uur op". Kennelijk doelt Oldenhof in deze door u onderschreven opmerking op de situatie waarin alle relevante omstandigheden de afkoeling van het lichaam versnellen. Hoe past daarin een in werking zijde verwarming? Afgezien van de vraag of een werkende verwarming in de hier door Oldenhof beschreven situatie past (wellicht betreft dit een verschrijving), is het naar uw oordeel op zich juist dat indien alle relevante omstandigheden "maximaal" - wat ik begrijp als een snellere afkoeling van het lichaam veroorzakend - zijn, dit tot niet meer dan een tijdspanne van 6-8 uur tussen het overlijden van het slachtoffer en het meten van haar lichaamstemperatuur leidt, ook wanneer de ruime onzekerheidsmarges van het nomogram worden aangehouden?
Voor alle duidelijkheid merk ik op dat om 23.00 uur in de woonkamer waar het slachtoffer lag een temperatuur is gemeten van 25°C.

Antwoord:

De term "verwarming aan" berust helaas op een verschrijving.
Uit de boven beschreven tabellen kan worden herleid dat de mate van afkoeling van het slachtoffer van dien aard was dat dit, bepaald volgens het nomogram van Henssge, zelfs bij maximale correctie, niet in overeenstemming kan worden gebracht met een postmortale periode van circa 5 uren. De spreiding van ± circa 3 uren betreft de representatie van het 95% zekerheidsinterval van deze methode.

Vraag 5:
Van de opmerking van Oldenhof dat er tot nu toe vanuit is gegaan dat het slachtoffer om 18.00 uur dood was, zegt u in het verslag "Dat is gewoon niet waar." Kunt u deze opmerking toelichten aan de hand van het nomogram en/of op andere wijze?

Antwoord:
Indien men de bovenstaande tabel, die gebaseerd is op het nomogram van Henssge toepast op (...) de specifieke gegevens zoals de lichaamstemperatuur van 30 graden en de omgevingstemperatuur van 25 graden, het aantal kledinglagen en het geschatte lichaamsgewicht is het binnen een waarschijnlijkheidsinterval van 95% niet mogelijk de mate van afkoeling zoals vastgesteld bij het slachtoffer te rijmen met de veronderstelde postmortale periode van circa 4 tot 5 uren.

Alleen de theoretische mogelijkheid van maximale afkoeling van een naakt lichaam in bewegende lucht met en uitgaande van de uiterste grens van het 95% betrouwbaarheidsinterval geeft overlap met de aangegeven periode.

Vraag 6:
Bij het slachtoffer is een chronische nierbekkenontsteking gevonden. Gaat deze steeds of doorgaans niet gepaard met koorts?

Antwoord:
Nierbekkenontsteking bij ouderen kan soms symptoomloos verlopen. Doorgaans is evenwel sprake van onwel bevinden en koorts.

Vraag 7:
Waarop is uw inschatting gebaseerd dat ongecorrigeerd, alle variabelen niet meegerekend, na een uur of 4 op een temperatuur van 36, 35, 34 graden uitgekomen wordt?

Antwoord:
Primair is het van belang te melden dat het hier om spreektaal gaat. De opmerking dat men een temperatuur zou kunnen verwachten van 36, 35 34 graden is een aanwijzingen in welke richting een dergelijke uitslag zou gaan. Het is geen exacte bepaling.

Als men in het nomogram de bepalingslijn op 4 á 5 uren zet bij een geschat lichaamsgewicht van 50 kg en een kamertemperatuur van 25 graden is terug te leiden dat daarbij een lichaamstemperatuur van 34 a 35 graden past. Dit is afgeleid aan de hand van het omgekeerd gebruiken van het Nomogram.

Bij brief van 8 april 2009 beantwoordde Van de Goot de achtste door mij gestelde vraag onder weergave van die vraag als volgt
"U vroeg:
Aan het slot van het interview merkt Oldenhof op dat de temperatuur van het lichaam hooguit kouder gemeten kan zijn dan deze in werkelijkheid is. U onderschrijft deze opmerking. Gaat deze over het meten van de temperatuur van het slachtoffer? Zo ja, kunt u iets zeggen over de waarschijnlijkheid dat van het lichaam van het slachtoffer destijds een te lage temperatuur is opgenomen? En is het juist dat indien te koud gemeten is, en het lichaam van het slachtoffer dus in werkelijkheid warmer was, het slachtoffer op een later gelegen tijdstip is overleden dan op grond van de gemeten lichaamstemperatuur van 30 graden Celsius uit het Henssge's nomogram volgt? Voor de goede orde merk ik op dat volgens het proces-verbaal de temperatuur van het slachtoffer om 23.00 uur rectaal gemeten is.

Antwoord:
Het kouder meten van het lichaam dan dit in werkelijk geweest zou kunnen zijn slaat in dit geval op het volgende:
Bij, gedurende een te korte tijd, meten van de lichaamstemperatuur zal, uitgaande van een thermometer die als beginwaarde onder de te meten lichaamstemperatuur begint een te lage temperatuur worden vastgesteld.
Bij voldoende lang meten zal de thermometer de juiste temperatuur bereiken.
Het is niet mogelijk, bij een correct werkende thermometer, een hogere temperatuur te meten dan dat deze feitelijk is. Op grond van de mij bekende informatie is, omtrent het correct gebruik van de meetapparatuur geen nadere uitspraak mogelijk.

Er bestaat ook de mogelijkheid dat het lichaam onder normale omstandigheden kouder had moeten zijn dan werd gemeten maar dat door de aanwezigheid van koorts een hogere begintemperatuur aanwezig was en derhalve minder voortgeschreden afkoeling dan onderhavig in een geval zonder koorts.

Dit nader verklaard:
In de onderhavige casus was sprake van een (geringe) ontsteking van een, (of beide nierbekkens). Dergelijke ontsteking gepaard kan gaan met koorts.
In geval van koorts is de lichaamstemperatuur hoger dan circa 37 graden Celsius.
Nu uitgaande van het nomogram van Henssge kan worden gesteld dat de tijd en de mate van afkoeling verband met elkaar houden. Verder afkoelen duurt nu eenmaal langer. Indien iemand bij overlijden een hogere temperatuur had, zal derhalve ten onrechte een te korte postmortale tijd worden bepaald aan de hand van het nomogram.

Expliciet vermeld ik hierbij dat ik uitga van normale situaties.

Dit, daar bekend is dat bij ouderen ook een geringe ondertemperatuur mogelijk is als reactie op ziekten. Zowel het eventueel optreden van koorts als het eventueel aanwezig zijn van ondertemperatuur laat zich in dit geval niet met zekerheid bepalen. Een waarschijnlijkheidsuitspraak omtrent het voorkomen en de mate van koorts en/of ondertemperatuur ligt op het terrein van de verpleeghuisarts of geriater en valt buiten mijn expertise gebied."

De antwoorden op deze vragen hebben mij ervan overtuigd dat Hensgge's nomogram in het onderhavige geval leidt tot een geschat tijdstip van overlijden dat bij een op 22 augustus 1986 om 23.00 uur gemeten lichaamstemperatuur van 300 C en een lichaamsgewicht van 50 kg, twee lagen kleding, stilstaande(54) lucht op zijn laatst ligt in elk geval(55) ca. 7,5 uur vóór 23.00 uur, het tijdstip waarop de lichaamstemperatuur is gemeten. Daarbij teken ik aan dat aan het antwoord op de achtste vraag geen aanwijzingen zijn te ontlenen dat de lichaamstemperatuur in het onderhavige geval te koud gemeten is.

78. Voor het vaststellen van het tijdstip van overlijden wordt door de Nederlandse Vereniging van Forensisch Geneeskundigen als richtlijn gegeven toepassing van Henssge's nomogram.(56) Aangenomen mag dus worden dat schatting van het tijdstip van overlijden aan de hand van Henssge's nomogram voldoet aan algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten.

79. Zoals voor toepassing van Henssge's nomogram is voorgeschreven is van het slachtoffer de rectale temperatuur gemeten.(57)

80. Voor het gewicht van het slachtoffer is door Van de Goot 50 kg aangenomen. Gelet op haar lengte van 159,5 cm(58) en hetgeen algemeen toegankelijke bronnen over gemiddeld gewicht van vrouwen op leeftijd laten zien lijkt mij dit aan de hoge kant.(59) Wordt uitgegaan van een aanzienlijk lager gewicht van 40 kg, dan volgt uit Hensgge's nomogram dat het vermoedelijke tijdstip van overlijden ongeveer twee uur later lag dan wanneer wordt uitgegaan van een lichaamsgewicht van 50 kg. In dat geval zou bij twee lagen kleding en stilstaande lucht het binnen het interval van zes uur - tussen drie uur eerder en drie uur later - laatstgelegen tijdstip 17.30 uur zijn (6,5 uur vóór 23.00 uur).

81. Aanvankelijk twijfelde ik ernstig aan de juistheid van de in de woning gemeten temperatuur om 23.00 uur: 250 C, dus in het algemeen gesproken ongebruikelijk warm. Dat het toen zo warm zou zijn geweest is niet zonder belang. Zou immers die temperatuur enkele graden lager gelegen hebben dan zou het vermoedelijke tijdstip van overlijden van het slachtoffer veel dichter in de buurt zijn gekomen van het tijdstip dat besloten ligt in de voor het bewijs gebezigde verklaring van aanvraagster.

82. De in de woning gemeten temperatuur kan niet worden verklaard uit de buitentemperatuur op 22 augustus 1986 of uit royale zonneschijn op die dag. De bij brief van 6 oktober 2008 verstrekte gegevens van het KNMI laten zien dat het die dag in Leidschendam ten hoogste 200 C(60) was en de zon niet meer dan 2,8 uur heeft geschenen.

83. Een verklaring voor de hoge temperatuur kan echter heel wel gelegen zijn in de (werking van de) toenmalige verwarmingsinstallatie. Aan het door [verbalisant 6] opgemaakte proces-verbaal d.d. 1 december 2009, waarin deze relateert hetgeen hem is verteld door [betrokkene 18], die in 2000 de leiding had over de renovatie van het verwarmingssysteem van het complex [a-straat], ontleen ik het volgende.
Toentertijd was in het complex een collectief gestookt systeem aanwezig waarvan de keteltemperatuur bij een buitentemperatuur van 100 C tot 250 C tussen ongeveer 300 C en 600 C werd gehouden omdat bij de meest extreme omstandigheden toch een kamertemperatuur van 220 C moest kunnen worden gehaald. Bij een dergelijke installatie moest de temperatuur in de woningen van het complex geregeld worden door middel van in de woning aanwezige radiatorkranen. Voor zover aan de hand van de foto's in het dossier alsmede bij navraag valt na te gaan waren in de woning geen thermostatische radiatorkranen aangebracht. Bij het temperatuurverloop op 22 augustus 1986 en de daaraan voorafgaande dagen kan bij geopende radiatorkranen heel wel een temperatuur van 250 C worden bereikt.

84. Dat het in de avond van 22 augustus 1986 in de woning van het slachtoffer inderdaad erg warm was vindt bevestiging in de verklaring van de getuige [betrokkene 19](61), die vanwege de warmte de balkondeur(62) heeft opengezet. Een en ander brengt mee, dat mijn aanvankelijke twijfel aan de juiste meting van de temperatuur in de woning zozeer is verminderd dat ik een ernstig vermoeden aanwezig acht dat de temperatuur in de woning op 22 augustus 1986 om 23.00 uur inderdaad 250 C bedroeg en dat die temperatuur in de uren daarvoor, met name vanaf het moment dat de getuige [betrokkene 19] de woning van het slachtoffer betrad (omstreeks 19.10 uur) niet wezenlijk lager zal zijn geweest.

85. De bepaling van het tijdstip van overlijden aan de hand van Henssge's nomogram geeft geen absolute zekerheid over het tijdstip van overlijden. De hoogst haalbare nauwkeurigheid van het tijdstip van overlijden bestaat hierin dat in 95 van de 100 gevallen het werkelijke tijdstip van overlijden ligt binnen een interval van ca. 3 uur voor tot ca. 3 uur na het aan de hand van het nomogram gevonden tijdstip.(63) De nauwkeurigheid van de uitkomst wordt voorts beïnvloed doordat correctiefactoren moeten worden toegepast voor bijvoorbeeld het feit dat het slachtoffer gekleed was. Deze correctiefactoren zijn uiteraard niet bepaald aan de hand van het onderhavige concrete geval maar aan de hand van praktijkervaring met de toepassing van de methode en vormen dus uit de aard der zaak een benadering van de correctiefactoren die bij het concrete geval behoren. Onnauwkeurigheid van het gevonden interval wordt voorts in de hand gewerkt door het feit dat het daadwerkelijke temperatuurverloop in de woonkamer van het slachtoffer alleen bij benadering bekend is en bovendien niet zeker is of zij, lijdend aan een nierbekkenontsteking, koorts had of niet(64), en zo ja hoeveel verhoging van de lichaamstemperatuur deze meebracht. Zou van verhoging van de lichaamstemperatuur door koorts sprake zijn geweest dan zou dat betekenen dat het tijdstip van overlijden eerder(65) is gelegen dan op grond van een berekening uitgaande van een normale lichaamstemperatuur zou mogen worden aangenomen.(66)

86. Al deze onzekerheden in aanmerking(67) genomen tendeert toepassing van Henssge's nomogram ter bepaling van het tijdstip van overlijden, ook indien wordt uitgegaan van een aanzienlijk lager gewicht van het slachtoffer dan de door Van de Goot aangenomen 50 kg, er onmiskenbaar toe dat het slachtoffer aanzienlijk eerder is overleden dan besloten ligt in de verklaring van aanvraagster die voor het bewijs is gebruikt, te weten na 18.00 uur. Die omstandigheid is met haar verklaring niet verenigbaar en roept daarmee gegronde twijfel op aan de juistheid van haar verklaring over de doodslag. Daarbij teken ik aan dat de omstandigheid dat uit de verklaringen van [betrokkene 19](68) en [betrokkene 20](69) kan worden opgemaakt dat de hoorn van de telefoon van [slachtoffer 1] tussen omstreeks 18.30 en 18.45 uur naast de telefoon is gelegd en er dus toen wel iemand in de woning van [slachtoffer 1] geweest moet zijn, niet betekent dat dit aanvraagster moet zijn geweest.

87. Alvorens te bespreken waartoe deze twijfel dient te leiden bespreek ik eerst het zevende en het achtste op het CEAS-rapport gebaseerde novum.

88. Als zevende op de inhoud van het CEAS-rapport gebaseerde novum, het veertiende in totaal, wordt aangevoerd dat uit het CEAS-onderzoek naar voren is gekomen dat aanvraagster destijds zogenoemde daderinformatie zou hebben verkregen van haar verhoorders tijdens haar verhoren, uit berichten in de media en tijdens een rondleiding op de plaats delict (toen nog als getuige). Op grond daarvan wordt gesteld dat "de authenticiteit en betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van verzoekster, nihil zijn te achten."

89. Het Hof heeft destijds het nodige onderzoek verricht naar de vraag of aanvraagster over zogeheten daderkennis beschikte. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 1987 houdt als verklaring van de aanvraagster ter zake het volgende in:
"U zegt mij dat ik heel gedetailleerde verklaringen heb afgelegd tegenover de politie, dat ik heel veel dingen wist.
De politie heeft mij het huis laten zien; zij hebben mij totaal overstuur uit de cel gehaald. Aan de hand van wat ik tijdens dat bezoek zag en door de suggesties van de rechercheurs heb ik het een en ander verklaard. [slachtoffer 1] heeft mij in een gesprek wel eens gezegd dat er in het kastje waardepapieren zaten. De rechercheurs hebben zelf dingen in grote lijnen ingevuld.
(...)
Vanaf het moment dat ik van het voorval hoorde, kon ik me heel goed voorstellen, met een beetje fantasie, hoe een en ander gebeurd zou zijn. Ik heb in het huis van [slachtoffer 1] een hele stapel elektriciteitsnoeren gezien. (Op een vraag van de voorzitter of verdachte het snoer heeft weggegooid, geeft de verdachte geen antwoord).
(...)
Ik hoor U zeggen dat ik bij de politie heb verklaard dat ik die twee kascheques heb weggenomen. Dat is niet waar, er zijn dingen gesuggereerd. U vraagt mij hoe ik dan tot die verklaring heb kunnen komen en of de politie mij heeft gezegd dat ik die cheques bij de Bijenkorf heb geïnd. Ik heb eerst wel tien andere banken genoemd, voordat het bingo was bij de Bijenkorf. Ik heb echter nog nooit van mijn leven bij de Bijenkorf cheques geïnd.
Ik hoor U zeggen dat ik wel allerlei details geef, maar dat ik tegelijk zeg dat de politie mij eigenlijk alles heeft aangepraat. Ik blijf bij mijn verklaringen; ik ben onschuldig.
De procureur-generaal vraagt de verdachte:
Als U de cheques niet verzilverd hebt, waarom noemt U dan überhaupt tien andere banken en tenslotte de Bijenkorf:
De rechercheurs vroegen maar door, ik wou er van af zijn.
(...)
Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte voorts:
Ik wist al 14 dagen voor mijn aanhouding van het overlijden van [slachtoffer 1]. Het eerste wat de rechercheurs mij vroegen was of ik wist of zij depressief was en of er gordijnroeden hingen in haar kamer."

Vervolgens is volgens dit proces-verbaal prof. dr. Zeegers, psychiater, gehoord. Zijn verklaring hield, voor zover hier van belang, het volgende in:
"In het algemeen kunnen suggestieve vragen tot antwoorden leiden, tot verklaringen en bekentenissen van dingen die de ondervraagde niet heeft begaan. Dat kan gebeuren onder een niet eens zo geweldige dwang. In de literatuur wordt aangenomen dat degene die verhoort op een gegeven moment zelfs als een zekere helper wordt gezien. Na drie dagen hechtenis ontwikkelt zich veelal bij de gehechte persoon een gevoel van verlatenheid, een ontworteld zijn.
De raadsman vraagt mij of ik het mogelijk acht dat dit mechanisme is opgetreden. Ik moge verwijzen naar hetgeen ik in mijn rapport hieromtrent heb opgemerkt. Uit psychiatrisch oogpunt heb ik niets in het bijzonder bij mevrouw opgemerkt.
(...)
De procureur-generaal vraagt mij, waarom verdachte, na een eventueel suggestief verhoor en mogelijk een soort van schemertoestand haar gegeven bekentenis heeft ingetrokken en vervolgens daarna voor de tweede keer bekentenissen aflegt.
Ik heb geen verdringing van de feiten kunnen constateren bij verdachte en ook geen neurotische trekken gevonden."

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 mei 1987 houdt in dat op die terechtzitting verbalisant [verbalisant 1] is gehoord over, naar ik begrijp, het verhoor dat leidde tot de bekennende verklaring van 11 september 1986 die het Hof voor het bewijs heeft gebruikt. [verbalisant 1] heeft toen, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
"Mevrouw wist een aantal details te noemen die opmerkelijk genoemd mogen worden. Ze vertelde over het verplaatsen van het lijk. Ze wilde namelijk doen voorkomen als zou de vrouw een natuurlijke dood gestorven zijn in haar stoel. Ze beschreef ook de plaats waar de stok lag. Toen de telefoon ging heeft ze de hoorn naast de telefoon gelegd. Al deze details werden gestaafd door de bevindingen van het onderzoeksteam. Deze details werden naar mijn weten nooit gepubliceerd."

90. Kennelijk op grond van het vorenstaande overwoog de Hoge Raad in zijn uitspraak van 17 februari 2004, NJ 2004, 333, dat het Hof op basis van zijn onderzoek klaarblijkelijk heeft aangenomen dat de aanvraagster ten tijde van haar verhoor door de politie in ieder geval bleek te beschikken over informatie die alleen de dader bekend kon zijn (rov. 7.4.2.).

91. Aan het rapport van de CEAS is onder de titel 'Tijdlijn media' een overzicht gehecht van hetgeen in de media over het overlijden van [slachtoffer 1] is gepubliceerd en wanneer. Nog voordat aanvraagster op 8 september 1986 werd aangehouden was in de media bekendgemaakt dat het slachtoffer 's avonds om kwart over zeven was gevonden, dat het slachtoffer was gewurgd, dat zij keurig aangekleed op de grond in de huiskamer lag, dat fl. 800,-- (ook wel: enkele honderden guldens) was verdwenen, dat de telefoon niet werd opgenomen en later alsmaar in gesprek bleek. Pas na aanvraagsters bekentenis op 11 september 1986 werd op 12 september 1986 bekendgemaakt dat het slachtoffer werd aangetroffen met een stok schuin over haar lichaam heen.

92. Uit het onderzoek van het Hof blijkt niet dat het Hof op de hoogte was van al(70) hetgeen voor het afleggen van de bekentenis in de media was bekendgemaakt.

93. In de publicatie van enige bijzonderheden van de onderhavige feiten in de media zie ik geen zwaarwegend argument voor de ongeloofwaardigheid van de bekentenis van aanvraagster. Zij verklaart haar bekentenis tegenover het Hof niet uit bekendheid met hetgeen zij uit de media had vernomen over de onderhavige feiten maar uit hetgeen zij had gezien bij het bezoek aan de woning van het slachtoffer, uit suggesties van de rechercheurs, uit hetgeen haar was aangepraat door de politie en uit een beetje fantasie. Bovendien ligt in de publicatie in de media geen verklaring voor hetgeen zij heeft verklaard over de plaats van de stok.

94. Als achtste novum dat is gebaseerd op de inhoud van het CEAS-rapport en als vijftiende in totaal wordt opgevoerd de omstandigheid dat uit een uitgevoerde reconstructie is gebleken dat het slachtoffer niet gewurgd kan zijn op de manier waarop, zo begrijp ik, aanvraagster dat volgens haar op 15 september 1986 tegenover de politie afgelegde verklaring heeft gedaan.

95. Bedoelde verklaring bevindt zich in het aan de Hoge Raad gezonden dossier(71) en houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"Ik heb toen uit de berghok een stukje electriciteitssnoer gepakt. Dit snoer was ongeveer 1 meter lang en het was lichtkleurig. Zij lag half op haar zijde. Ik weet niet meer precies welke zijkant dat was. Ik heb het snoer om haar nek heengedraaid, waarna ik de beide einden in mijn rechterhand nam en vervolgens draaide ik met mijn rechterhand de lus strak. Dit deed ik aan de zijkant van haar nek. Ik weet niet meer aan welke kant dat was."

96. Het CEAS-rapport(72) houdt omtrent de uitgevoerde reconstructie voor zover hier van belang het volgende in:
"Het belang van een reconstructie blijkt onder meer uit het feit dat een door het driemanschap geraadpleegde forensisch patholoog over de door [aanvraagster] afgelegde verklaring met betrekking tot het in de rechterhand nemen van beide uiteinden van het snoer en het vervolgens met de rechterhand de lus strak aandraaien verklaart, dat je maar één slag kunt maken en dat hij als niet klein gebouwde man er moeite mee heeft om met één hand zoveel kracht uit te oefenen. Hij acht de methode als omschreven niet onmogelijk maar ziet toch wel wat praktische bezwaren. Deze methode van omsnoering is door de technisch rechercheur van het Puesto-team (het politieteam dat de CEAS in het onderhavige onderzoek terzijde stond; WHV) met de hulp van een lid van het driemanschap eveneens geprobeerd en ook deze zag daarin praktische bezwaren."

97. Het verslag van het horen van de forensisch patholoog Van de Goot, door de CEAS houdt in:
"Geinterviewde worden de bekennende verklaring van [aanvraagster] voorgelegd.

V: [aanvraagster] heeft bekennende verklaringen afgelegd. Ze zegt: "Ik nam beide uiteinden in de rechterhand en vervolgens draaide ik met mijn rechterhand de lus strak".

Geinterviewde reconstrueert wat [aanvraagster] heeft verklaard.

A: Ze ligt op de grond. Je slaat het draad eromheen en dan met één hand aandraaien. Je kunt maar één slag maken. Als veertigjarige, niet klein gebouwde man heb ik er moeite mee om met één hand zoveel kracht uit te oefenen. Er zijn vele variaties mogelijk, maar ik heb er moeite mee dit te doen. Ik acht de methode als omschreven niet onmogelijk, maar zie hier en daar wel praktische bezwaren.

V: U zegt dat er flinke kracht uitgeoefend moet zijn. Kun je in deze situatie zoveel kracht produceren?
A: Ik heb er moeite mee.

V: En bijvoorbeeld met een sjaal?
A: Dan moet ik nog meer moeten draaien voordat ik een beetje kracht kan uitoefenen.

V: U zegt dus dat de manier waarvan zij zegt dat ze het gedaan heeft niet onmogelijk is, maar onwaarschijnlijk?
A: Als forensisch patholoog onthoud ik me van absolutisme. Maar het scenario zoals hier beschreven loop ik tegen wezenlijke problemen aan. Dit nadat het door verschillende personen praktisch is uitgeprobeerd met behulp van mogelijke voorwerpen.

V: [aanvraagster] zegt: "Ik heb mevrouw onder haar oksels gepakt en sleepte haar naar de stoel bij het raam."
A: Heeft iemand [aanvraagster] ooit een dummy gegeven met een gewicht van vijftig kilo en haar laten voordoen. Het valt niet mee om vijftig kilo dood gewicht ergens heen te slepen.

V: Zijn naar uw mening alle elementen in dit interview aan de orde gekomen.
A: Ik kan wel zeggen dat in het sectierapport het een en ander ontbreekt. Er wordt bijvoorbeeld bij de uitwendige schouw niets vermeld over het bloed in de neus. Het is echter een sectierapport van twintig jaar geleden. Momenteel gebeuren veel dingen volstrekt anders. Iedere handeling wordt tegenwoordig op de foto gezet."

98. Het Hof heeft niet onderzocht of de wijze waarop het slachtoffer volgens aanvraagsters verklaring van 15 september 1986 door haar om het leven zou zijn gebracht, uitvoerbaar was. Dit betekent, gelet op hetgeen ik hiervoor onder 11 en 12 heb uiteengezet, dat het oordeel van de forensisch patholoog en de technisch rechercheur van het Puesto-team over de (on)mogelijkheid van de wijze van verwurging als door aanvraagster weergegeven in haar verklaring van 15 september 1986 als novum kan gelden.

99. Gelet op hetgeen Van de Goot tegenover de CEAS heeft verklaard over het feitelijk niet goed mogelijk zijn van de door aanvraagster in haar voor het bewijs gebezigde verklaring van de wijze van verwurging roept diens verklaring twijfel op aan de juistheid van die verklaring.

100. Het negende op de inhoud van het CEAS-rapport gebaseerde novum, het zestiende (en laatste) in totaal wordt volgens de steller van de aanvraag gevormd door de in het CEAS-rapport geconstateerde gebreken in met name het voorbereidend onderzoek. Die zouden, indien destijds aan het Hof bekend, tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie hebben geleid. Ter toelichting op dit onderdeel van de aanvraag wordt een aantal passages uit het CEAS-rapport geciteerd, waarin steeds van één of meer van dergelijke gebreken sprake is. Kort samengevat komt het er op neer dat volgens het rapport (al in een te vroeg stadium) het onderzoek werd toegespitst op het hard maken van de verdenking jegens aanvraagster, dat (daarom) voor haar ontlastend materiaal niet (steeds) in het dossier is gevoegd en dat ook de Officier van Justitie (en, naar ik aanneem de Advocaat-Generaal) dit eenzijdige beeld ter terechtzitting niet heeft gecorrigeerd. In het bijzonder wordt in de toelichting gewezen op het door de CEAS geconstateerde feit dat ten onrechte in een kennisgeving van inbeslagname is opgenomen dat twee cheques van het slachtoffer in de woning van aanvraagster in beslag zijn genomen.

101. Tijdens de openbare behandeling heeft de advocaat van aanvraagster te kennen gegeven dat de aanvraag zich op de eerste plaats richt tegen het gebruik voor het bewijs van de door aanvraagster afgelegde bekentenissen. Ik meen daarom, hetgeen hierna onder nr. 115 wordt voorgesteld in aanmerking nemende, vooralsnog van een bespreking ten gronde van het laatste onderdeel te kunnen afzien.

102. De vraag dient thans onder ogen te worden gezien of de hiervoor geuite twijfel aan de juistheid van de voor het bewijs gebezigde bekentenis van aanvraagster, opgeroepen door de schatting van het tijdstip van overlijden en door de reconstructie van de wijze van doden, een ernstig vermoeden wekt dat ware de rechter met bedoelde twee nova bekend geweest, hij aanvraagster van één of meer van de bewezenverklaarde feiten zou hebben vrijgesproken.

103. Over de vereiste mate van waarschijnlijkheid die in het "ernstig vermoeden" besloten ligt schrijven Blok en Besier: "Ernstig vermoeden; het is dus aan den eenen kant niet voldoende, dat die andere uitkomst mogelijk zou zijn geweest, doch aan den anderen kant ook niet vereischt, dat deze het noodzakelijk gevolg van de aanwezigheid van het nieuwe feit zij. Een groote mate van waarschijnlijkheid is echter noodig. De M. v. T. op ons artikel (O. R. O. art. 432) zegt, dat het vooral hierop aankomt, of het nieuwe feit de aangevallen uitspraak in haar wezen aantast en daarmede niet gelijktijdig kan bestaan."(73) Dat laatste vinden we terug in de terminologie van de Hoge Raad. Zo neemt de Hoge Raad in zijn arrest van 7 oktober 2008, LJN BD4153 (Lucia de B.) bedoeld ernstig vermoeden aan op de grond dat het nieuwe bewijsmateriaal de bewijsvoering van het Hof in wezenlijke mate aantast.(74)

104. Tegen deze achtergrond beantwoord ik bedoelde vraag voor de onder 1 bewezenverklaarde doodslag bevestigend. Bedoelde nova roepen op twee cruciale punten in de voor het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster - het tijdstip van overlijden en de wijze van doden - substantiële twijfel op aan de juistheid van de bekentenis van aanvraagster. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden valt een schatting van het tijdstip van overlijden van het slachtoffer te rijmen met het tijdstip van overlijden zoals dat in de bekentenis ligt opgesloten. Dat roept niet alleen twijfel op aan het in de bekentenis besloten liggende tijdstip van overlijden, maar ook aan haar mededeling dat zij na het bezoek aan [betrokkene 5] zoals dat door [betrokkene 5] wordt bevestigd, na 18.00 à 18.15 uur, naar de woning van het slachtoffer is gegaan en haar toen heeft gedood. Daar komt bij dat er zwaarwegende aanwijzingen zijn dat haar relaas over de wijze van doden niet kan kloppen. Een en ander tezamen genomen brengt mij - in aanmerking genomen dat geen ander bewijsmiddel is gebezigd(75) dan wel voorhanden is waaruit de betrokkenheid van aanvraagster bij het onder 1 bewezenverklaarde feit volgt - tot het oordeel dat bedoelde twee nova de bewijsvoering in wezenlijke mate ondergraven en derhalve tot het ernstig vermoeden leiden dat ware de rechter met genoemde nova bekend geweest, hij aanvraagster van de bewezenverklaarde doodslag zou hebben vrijgesproken.

105. Omdat de verklaring van aanvraagster over het innen van de door haar bij gelegenheid van de doodslag weggenomen kascheques en girobetaalkaarten onlosmakelijk is verbonden met haar relaas over de doodslag en voor haar daderschap van de onder 2 bewezenverklaarde valsheid in geschrift alleen haar eigen verklaring is gebezigd, tasten bedoelde nova ook de bewijsvoering van het onder 2 bewezenverklaarde in wezenlijke mate aan en wekken bedoelde nova dus eveneens het ernstig vermoeden dat de rechter, zou hij hiermee bekend zijn geweest, aangeefster zou hebben vrijgesproken. Daarbij teken ik aan dat de rechter de verklaring van de schriftkundige dat het handschrift op de kascheques niet overeenkwam met dat van [slachtoffer 1] voor het bewijs heeft gebezigd, maar de overeenkomsten van het handschrift van aanvraagster met dat op de kascheques(76) niet. Kennelijk heeft de rechter laatstgenoemde verklaring dus niet van voldoende gewicht geacht voor het bewijs.

106. Het voorgaande betekent niet dat er geen vragen over zijn gebleven. Aanvraagster heeft aanvankelijk, toen zij werd gehoord als getuige, verklaard dat zij op 22 augustus 1986 omstreeks 15.00 uur naar het slachtoffer is gegaan en tot 16.00 uur bij haar is gebleven. Daar is zij nimmer op teruggekomen. De schatting van het tijdstip van overlijden van het slachtoffer houdt in dat het heel wel mogelijk is dat het slachtoffer toen reeds was overleden dan wel toen is komen te overlijden.

107. Hiervoor is vastgesteld dat het Hof niet op de hoogte was van het tijdstip van overlijden zoals dat thans op grond van de huidige wetenschappelijke inzichten bij benadering kan worden vastgesteld. Daaruit vloeit voort dat het Hof niet onder ogen heeft gezien of verdachtes bekentenis kan en dient te worden gesplitst in die zin dat deze geloof verdient voor wat betreft het om het leven brengen van [slachtoffer 1] doch niet voor wat betreft het tijdstip waarop dat zou zijn geschied. Processueel-technisch lijkt mij die splitsing niet onmogelijk. Daarbij teken ik aan dat de omstandigheid dat de hoorn van de telefoon van [slachtoffer 1] tussen omstreeks 18.30 en 18.45 uur naast de telefoon zou zijn gelegd - zie hiervoor het slot van nr. 86 - niet betekent dat [slachtoffer 1] niet eerder om het leven kan zijn gebracht.

108. Gelet op de onzekerheid waarmee het bij benadering vaststellen van het exacte tijdstip van overlijden is omgeven - zie hiervoor onder nr. 85 - in samenhang met de twijfel aan de mogelijkheid van de wijze van verwurging als in de bekentenis opgenomen neemt het voorgaande voormeld ernstig vermoeden niet weg.

109. De aanvraag tot herziening acht ik dus gegrond voor wat betreft beide bewezenverklaarde feiten.

110. In het voorgaande ben ik voorbijgegaan aan het onder nr. 2 genoemde "relaas-verslag" van de bij het onderzoek naar de strafzaak destijds betrokken rechercheur [verbalisant 1]. Hij wijst er in zijn relaas op dat de CEAS gezien door hem op basis van kopieën hem verstrekt door de hiervoor eerdergenoemde technisch rechercheur [betrokkene 3] er ten onrechte vanuit is gegaan dat aanvraagster haar eerste bekentenis niet in concept heeft ondertekend. Voorts heeft hij zich gewend tot de huisarts Janssen die bij het slachtoffer werd geroepen toen zij in de avond van 22 september 1986 dood in haar woning werd aangetroffen. Deze heeft hem verteld dat hij bij de overledene geen lijkstijfheid heeft geconstateerd. Aan het "relaas-verslag" is gehecht een rapport van de technisch rechercheur [betrokkene 3] over het verband tussen het intreden van lijkstijfheid en het tijdstip van overlijden.

111. Mr. Knoops heeft zich in een brief aan mij op het standpunt gesteld, dat ik de brief van [verbalisant 1] niet in mijn onderzoek zou mogen betrekken. Dat standpunt deel ik niet. De wet stelt geen grenzen aan het door de procureur-generaal te verrichten onderzoek. Dat onderzoek dient gelet op de positie van de procureur-generaal als onafhankelijk adviseur van de Hoge Raad niet alleen te zijn gericht op hetgeen pleit voor een "ernstig vermoeden" als bedoeld in art. 457 Sv, maar ook op hetgeen daar tegen pleit.

112. In het onderhavige geval zie ik geen reden het relaas van [verbalisant 1] in de beschouwingen te betrekken. Het ondertekenen van een bekentenis bevestigt alleen dat deze is afgelegd zoals deze is opgetekend en wil dus nog niet zeggen dat deze niet vals kan zijn, terwijl niet de mate van lijkstijfheid naar algemeen wetenschappelijk inzicht een goede schatting van het tijdstip van overlijden oplevert maar - zoals ik hiervoor heb onder nr. 77 uiteengezet - Henssge's nomogram gebaseerd op de temperatuur van het lichaam van de overledene.

113. Indien de Hoge Raad mij volgt in deze conclusie zal de zaak op de voet van art. 467 io. 461 Sv dienen te worden verwezen naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen. Daaraan staat mijns inziens niet in de weg dat sinds door het wijzen van het arrest van de Hoge Raad van 26 april 1988 het arrest waarvan herziening wordt gevraagd onherroepelijk is geworden meer tijd is verstreken dan de voor de bewezenverklaarde feiten geldende verjaringstermijnen van respectievelijk twintig en twaalf jaar.(77) Ik stel mij, met Van Dorst en Duker(78), op het standpunt dat de verjaringstermijn in ieder geval tussen het moment waarop de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd onherroepelijk is geworden en het moment waarop de behandeling van de aanvraag in herziening aanvangt niet doorloopt.(79)

114. Ten slotte merk ik op dat deze conclusie na overleg met en met instemming van de raadsman van aanvraagster, mr. Knoops, wordt genomen met voorbijgaan aan de in art. 462 lid 3 Sv genoemde termijn.

115. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond verklaart en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de onderhavige zaak is reeds viermaal eerder een herzieningsverzoek gedaan. Het betreft de zaken die hebben geleid tot HR 14 september 1993, 4729 Herz, LJN AZ6253, HR 4 oktober 1994, 4861 Herz, HR 6 november 2001, 5239 H en HR 17 februari 2004, NJ 2004, 333.
2 De indiener van de aanvraag kan dus niet nagedragen worden dat hij de aanvulling die naar aanleiding van het CEAS-rapport is opgesteld niet al bij de oorspronkelijke aanvraag heeft gevoegd. Ten tijde van het indienen van de oorspronkelijke aanvraag was het CEAS-rapport immers nog niet gereed. Omdat met de behandeling van de onderhavige zaak, waaronder begrepen het (voorbereiden van) de onderhavige conclusie, is gewacht totdat het CEAS-rapport gereed kwam, hetgeen uiteraard aan mr. Knoops is bericht, meen ik dat HR 5 juni 2007, NJ 2007, 341, rov. 3.1.2. niet aan het in behandeling nemen van ook de twee voorgaande aanvullingen in de weg staat, nog daargelaten dat zich hier niet de aldaar beschreven situatie - nieuw onderzoek vragen met de bedoeling de resultaten daarvan alsnog aan het verzoek toe te voegen - voordoet.
3 H.L.F.M. Crombag, W.A. Wagenaar, P.J. van Koppen en H. Israëls, Herziening in strafzaken. Kanttekeningen bij een wetsontwerp, NJB 2009, p. 602-608 bepleiten dat herziening steeds mogelijk moet zijn wanneer zich bij opsporing en berechting zo ernstige manco's hebben voorgedaan dat de veroordeling niet langer veilig kan worden geacht.
4 De Hoge Raad ziet hier kennelijk een taak voor de wetgever die ten tijde van het wijzen van het arrest de handschoen reeds had opgepakt: in juli 2008 deed de Minister van Justitie een concept-wetsvoorstel Wet hervorming herzieningsregeling het licht zien waarin in verruiming van het novum was voorzien. Inmiddels is het concept-wetsvoorstel op grond van uitgebrachte adviezen onder meer in die zin gewijzigd dat als novum wordt aangemerkt ieder (nieuw) gegeven. Crombag c.s., a.w., NJB 2009, p. 602, 603 bekritiseren de aanvankelijk door de Minister voorgestelde terminologie (nieuw) "feit of bewijsmiddel"; die kritiek lijkt dus achterhaald.
5 Impliciet werd de conclusie van schriftkundig onderzoek ook als nieuw feit aanvaard in HR 14 september 1993, LJN AZ6253 (eerder herzieningsverzoek in de onderhavige zaak), rov. 5.1.1., hoewel dit kennelijk niet op nieuwe feitelijke gegevens berustte.
6 Zie A.D. Kloosterman en A.J. Meulenbroek, DNA-onderzoek van minimale biologische sporen; 'gevoelige problematiek', Expertise en recht 2008, p. 108-120.
7 Zie ook Mevis in zijn noot bij HR 17 oktober 2008, LJN BD4153, NJ 2009, 44 (Lucia de B.) onder 16 waar hij er op wijst dat het Hof de trend graphs wel had maar deze zonder specialistische kennis niet kon lezen, zodat pas een uiteenzetting van een deskundige de in die trend graphs verborgen feiten aan het licht brengt en die feiten dus nieuw zijn.
8 Zie over de vooruitgang van DNA-onderzoek en de daarmee verbonden toenemende kans op foute waarneming A.D. Kloosterman en A.J. Meulenbroek, DNA-onderzoek van minimale biologische sporen; 'gevoelige problematiek', Expertise en recht 2008, p. 108-120, in het bijzonder p. 115 e.v.
9 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2008, zesde druk, p. 681 en 682, HR 20 maart 1973, NJ 1973, 242 en HR 1 oktober 1985, NJ 1986, 629. Zie ook HR 7 november 2000, NJ 2001, 15, waarin de HR de functieaanduiding in het p-v kennelijk betrekt bij het antwoord op de vraag of nog sprake is van eigen waarneming.
10 Via www.npia.police.uk/en/6868.htm is te lezen dat deze database is bedoeld "to identify possible similarities between a victim's wounds and specific injury patterns and/or possible weapons. This is particularly useful for an investigation team in cases where the nature of the injuries are unknown and the weapon has not been identified. The database currently holds over 4,000 cases of suspicious deaths, homicides and clinical cases. It also has more than 20,000 images."
11 Zie naast de hiervoor onder 6 als bewijsmiddel 2 bij het onder 1 bewezenverklaarde opgenomen verklaring het proces-verbaal van politie met nummer 1413/1/1986, p. 96-98, resp. 104-108.
12 Samenvatting onder D, met verwijzing naar punt 12.
13 Zie het rapport van verbalisant [betrokkene 3] van de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst van 3 september 1986, en de bij dit rapport gevoegde foto's.
14 Zie het CEAS-rapport, p. 63.
15 Vgl. HR 17 februari 2004, NJ 2004, 333, ro. 7.2.2., HR 17 januari 2006, LJN AV0185, HR 19 december 2006, NJ 2007, 423, m.nt. Me, ro. 6.4.1. en 6.4.2.
16 Vgl. HR 19 december 2006, NJ 2007, 423, m.nt. Me, ro. 6.1.1., HR 17 februari 2004, NJ 2004, 333, ro. 7.4.2.
17 Vgl. HR 26 februari 2008, LJN BC5116, HR 29 april 1997, NJ 1997, 688.
18 Proces-verbaal 1413/1986, p. 83.
19 Zie het proces-verbaal van politie nr. 1413/1986, p. 60, 61. Deze versie houdt onder meer in: "Officieel moet zij (aanvraagster, WHV) blijven tot 18.30 uur. Ik kan mij niet herinneren dat zij ooit zolang is gebleven. Meestal is zij al voor 18.00 uur klaar. (...) Voor zover ik mij kan herinneren is [aanvraagster] ook op vrijdag 22 augustus 1986 rond 18.00 uur bij mij vertrokken." De handgeschreven en ondertekende verklaring waarvan in het rapport sprake is trof ik tussen de stukken niet aan.
20 Zie hetgeen hierna onder 27 over de verklaring van [betrokkene 9] wordt opgemerkt.
21 Zie het proces-verbaal van politie 1413/1986, p. 25.
22 Zie het proces-verbaal van politie 1413/1986, p. 68, houdende de verklaring van aanvraagster over onder meer wat zij op 22 augustus 1986 zou hebben gedaan. Zie ook de hetzelfde proces-verbaal, p. 60, houdende het verhoor van [betrokkene 5] (daarin aangeduid als [betrokkene 5]), dat inhoudt dat zij is gehoord "in perceel [a-straat 2] te Leidschendam".
23 Zie de plattegrond mij toegezonden bij brief van 10 december 2008.
24 Vgl. HR 17 maart 2009, LJN BF1321, rov. 8.5.4.
25 Zie HR 17 februari 2004, NJ 2004, 333, rov. 5.2. en 6.2.
26 Vgl. HR 19 december 2006, NJ 2007, 423, m.nt. Me, rov. 6.1.2., HR 30 september 2003, LJN AL6140, rov. 6.2.
27 HR 17 februari 2004, NJ 2004, 333, rov. 7.3.2.
28 Ik wijs terzijde op HR 14 september 1987, NJ 1988, 615, waarin de Hoge Raad overwoog dat de omstandigheid dat iemand in een psychotische toestand verkeert, niet zonder meer meebrengt dat het te zijnen laste bewezen verklaarde hem niet kan worden toegerekend.
29 Voor een goed begrip van dit rapport diene het volgende. Onderzocht zijn monsters die aangeduid zijn met de codes AWA745#1_1 (jasje), AWA745#1_2 (jasje), AWA746#1_1 (rok), AWA747#1_1 (mantelpakje) en AWA748#1_1 (jasje). Het onderzoek houdt in dat de monsters met de codes AWA745#1_1, AWA747#1_1 en AWA748#1_1 afwijken van het DNA van aanvraagster. Ook houdt het onderzoek in dat de monsters met de codes AWA747#1_1 en AWA748#1_1 qua mtDNA volledig met elkaar (maar dus niet met aanvraagster) overeenkomen. Wat deze laatste twee monsters betreft wordt in de aanvulling op de aanvraag van 29 augustus 2006 opgemerkt dat uit de tabel op p. 3 van het rapport kan worden afgeleid dat het hierbij om een (hetzelfde) mannelijk(e) individu gaat, omdat daar onder het kopje "Amelogenine" staat vermeld "XY". Dat bedoelde aanduiding XY op een mannelijk individu duidt lijkt juist (op http://www.science. uva.nl/onderwijs/object.cfm /objectid=1EF99A85-4045-4969-92122B1E4F18F813 valt te lezen: "Het amelogenine locus bevindt zich op de geslachtschromosomen, aan de hand van de typering van dit locus kan worden vastgesteld of de donor van het celmateriaal van het mannelijke (X/Y) dan wel van het vrouwelijke (X/X) geslacht is.").
30 De kleurenkopieën bevinden zich in het proces-verbaal van politie met nummer 1413/2/1986.
31 Vgl. de conclusie van A-G Schipper in de zaak met LJN BF1321, onder 30.
32 P. 25 van het rapport.
33 P. 50 van het rapport.
34 p. 24 van het rapport
35 p. 24 van het rapport
36 Zie voor een en ander de aangifte, achter het p-v met nr. 1413/1986.
37 Dit moet zijn: in een ander gebouw, behorende tot hetzelfde complex; zie de plattegrond mij toegezonden bij brief van 10 december 2008.
38 Zie p-v 1413/2/1986-39, p. 118.
39 Zie p. 38 van het rapport.
40 Zie p. 45 van het rapport.
41 P.v. 1413/1986, p. 11, naar welk proces-verbaal in de verklaring wordt verwezen.
42 Desgevraagd is mij via het College van P-G's door [betrokkene 22] van de afdeling Beheer en beleid Wegen en Openbare Verlichting van de gemeente Pijnacker-Nootdorp bericht dat "na 1-6-1986" het wegdek op de hoek van de Sportparkweg/Delflandstraat is vervangen.
43 Zie diens verklaringen in het dossier, p-v nr. 1413/1986, p. 65 en 83.
44 Zie over deze methode onder meer Henssge, Knight, Krompecher, Madea en Nokes, The estimation of the time since death in the early postmortem period, 2e druk Arnold 2002, Londen, p. 43 e.v.
45 Zie de foto's 13 e.v. bij het rapport van verbalisant [betrokkene 3] van de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst van 3 september 1986.
46 Zie de plattegrond van de woning, gevoegd bij genoemd technisch rapport, alsmede de bij dat rapport gevoegde foto's 26 en 30.
47 Zie p-v nr. 1413/1986, p. 25 en 26.
48 Waar de weergave door Van de Goot niet exact overeenkomt met de originele vragen heb ik deze daarmee in overeenstemming gebracht.
49 Hiermee is kennelijk bedoeld het verslag van het interview van Van de Goot door de CEAS.
50 Raadpleging van Hensgge's nomogram laat zien dat hier mijns inziens (WHV) kennelijk sprake is van een afleesfout en dat hier 11,5 moet staan. Zie ook de hier optredende onregelmatigheid in Pmt's, die geen verklaring vindt in bedoeld nomogram. Voor de uitkomst van deze conclusie maakt dit overigens niet uit.
51 Als noot 50.
52 Zie noot 50 en noot 51.
53 Zie noot 50 en noot 51. Uitgaande van de in die noten voorgestelde correctie ligt het tijdstip van overlijden op zijn laatst 8,5 uur vóór 23.00 uur.
54 Naar de foto's en de tekeningen in het dossier laten zien bevond de balkondeur zich in de slaapkamer, niet in de woonkamer waar het slachtoffer is aangetroffen. Of de deur tussen slaapkamer en woonkamer open is gelaten valt niet uit het dossier op te maken. Volgens de huismeester [betrokkene 23] zat er een hordeur voor de balkondeur (proces-verbaal 1413/1986, p. 29. Daarom ga ik hier uit van stilstaande lucht. In geval van bewegende lucht ligt het geschat tijdstip van overlijden op zijn laatst ca. 6,5 uur vóór 23.00 uur.
55 Zie noot 52.
56 Http://www.forgen.nl/articles.php?cat_id=5.
57 Zie Henssge e.a., a.w., p. 78, 79, 262, alsmede de Richtlijn Postmortaal interval van de Nederlandse Vereniging van Forensisch Geneeskundigen onder 6 B . Hensgge beschrijft de ontwikkeling van de nomogram-methode in Death time estimation in case work. I. The rectal temperature time of death nomogram, Forensic Science International, 38 (1988), p. 209-236. De methode wordt geëvalueerd in C. Hensgge e.a., Experiences with a compound method for estimating the time since death, International Journal of Legal Medicine 2000, 113, p. 303-319.
58 Sectierapport d.d. 23 september 1986, p. 2 onder 1. De stukken bevatten niet een vermelding van het gewicht van het slachtoffer.
59 Zie bijvoorbeeld www.statbel.fgov.be/downloads/length2005.xls, http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=03799&D1=242, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/5C7B608D-845E-48EA-8DD5-B269E67CCE33/0/2007k4b15p92art.pdf254,267-270&D2=0-2,4-7&D3=0&D4=0,4-7&HD=080509-0835&HDR=G2,T&STB=G1,G3.
60 Aan mij verstrekt rapport van het KNMI van 6 oktober 2008. Bij het proces-verbaal van 1 december 2008 is een overzicht gevoegd van het temperatuurverloop in De Bilt; daar werd op 22 augustus 1986 een iets hogere maximumtemperatuur bereikt.
61 Proces-verbaal 1413/1986, p. 25.
62 Naar de foto's en de tekeningen in het dossier laten zien bevond de balkondeur zich in de slaapkamer, niet in de woonkamer waar het slachtoffer is aangetroffen. Of de deur tussen slaapkamer en woonkamer open is gelaten valt niet uit het dossier op te maken. Volgens de huismeester [betrokkene 23] zat er een hordeur voor de balkondeur (proces-verbaal 1413/1986, p. 29.
63 O.a. Henssge e.a., a.w., p. 261.
64 Nierbekkenontsteking gaat niet steeds gepaard met koorts, met name niet wanneer - zoals bij het slachtoffer; zie het sectierapport van 23 september 1986, p. 4 nr. 39 - sprake is van chronische nierbekkenontsteking: www.merckmanual. nl onder nierbekkenontsteking. Zie ook het onder nr. 77 vermelde antwoord op vraag 6.
65 Zie het onder nr. 77 vermelde antwoord op vraag 8.
66 Zij het dat in geval van hoge koorts Hensgge's nomogram niet toepasbaar is; zie de handleiding, als bijlage gevoegd bij het CEAS-rapport.
67 C. Das, U.J.L. Reijnders en F.R.W. van de Goot achten de tijdsintervallen zo groot dat van niet meer dan vuistregels kan worden gesproken: Forensische wetenschap. Studies over forensische kennis en organisatie, onder redactie van A.P.A. Broeders en E.R. Muller, Deventer: Kluwer 2008, p. 167.
68 Proces-verbaal 1413/1986, p. 24, 25.
69 Proces-verbaal 1413/1986, p. 39.
70 Op 10 november 1986 verklaarde de coördinator van het recherchebijstandsteam [verbalisant 1] tegenover de rechter-commissaris, dat in de krant heeft gestaan dat kennissen van het slachtoffer op de dag van het overlijden geprobeerd hebben telefonisch contact met haar op te nemen en dat zij aanvankelijk geen gehoor kregen en kort daarna de ingesprektoon. Dit gegeven was het Hof dus wel bekend.
71 Zie p-v nr. 1413/1986, p. 104-108.
72 P. 59.
73 Het Nederlandsche strafproces, 1925, II, p. 497.
74 Zo ook A.J.A. van Dorst in Handboek strafzaken, 47.3.2b.
75 J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, dis. Groningen 1989, p. 277: "Bij dit soort nova (die tot vrijspraak strekken; WHV) komt het vereiste, dat de nieuwe omstandigheid "op zichzelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen niet bestaanbaar schijnt", het duidelijkst naar voren. Uit dit vereiste blijkt dat de gehele motivering van de bestreden beslissing (in dit kader dus de bewijsmotivering) in de beschouwingen moet worden betrokken." Zie ook HR 17 maart 2009, LJN BF1321, rov. 8.4.15.5.
76 Verklaring II d.d. 4 september 1986, mede gelezen in verband met de schriftkundige verklaring III d.d. 9 september 1986 en de schriftkundige verklaring IV d.d. 15 september 1986.
77 Zie voor de vervolgingsverjaringstermijnen voor doodslag en valsheid in geschrift de artt. 287 en 225 io. 70 Sr. Dat primair moord ten laste was gelegd, waarvan aanvraagster is vrijgesproken, doet niet ter zake. Die vrijspraak is gelet op art. 457, eerste lid, io. 476, derde lid, Sv onaantastbaar. Vgl. Handboek Strafzaken, par. 47.10.4, Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 6 op art. 476 (suppl. 161, juni 2007) en De Ranitz, Herziening van arresten en vonnissen, p. 180 en 181. Overigens is een eventuele moord naar mijn inzicht - anders dan in het CEAS-rapport op p. 101 wordt gesteld - niet verjaard. Art. III van de wet waarbij het tweede lid van art. 70 Sr is ingevoerd (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten, Stb. 2005, 595) bepaalt dat ten aanzien van de feiten die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt (1 januari 2006) zijn verjaard, de wettelijke bepalingen inzake de verjaring van toepassing blijven zoals zij luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Moord, waarvoor op grond van art. 70 (oud) Sr io. art. 289 Sr een verjaringstermijn van achttien jaar gold, was op 1 januari 2006 echter nog niet verjaard. Het arrest van de Hoge Raad van 26 april 1988 was immers nog een daad van vervolging. Aangezien de nieuwe wet wel geldt voor misdrijven die op 1 januari 2006 nog niet waren verjaard betekent dat dat een eventuele moord niet meer zal verjaren.
78 Resp. Handboek Strafzaken, par. 47.10.3.b en Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 6.2 op art. 474 (suppl. 161, juni 2007).
79 Ik wijs slechts terzijde op HR 30 mei 2006, NJ 2006, 366, m.nt. Mevis, omdat in die zaak de verjaringstermijn niet doorliep gelet op de strekking van art. 73 Sr. Dat artikel speelt in de onderhavige zaak geen rol.
 

'BedrijfsOngevallen' binnen de RK Kerk in Nederland

'ongevallen' binnen de RK Kerk in Nederland

Oproep aan bezoekers van blikopdewereld
In de rubriek rechtspraak, op mijn site, besteed ik ook aandacht aan de RK Kerk en de zogenaamde 'bedrijfsongevallen' zie RK Kerk en de 'bedrijfsongevallen'. Na een aantal jaren alle publicaties daarover te hebben bijgehouden, blijkt dat ook in Nederland, sprake is van het feit dat 'bedrijfsongevallen' binnen de Katholieke Kerk in Nederland, net als in de VS en b.v. Ierland, door de bisschoppen hoofdzakelijk in de doofpot werden en worden gestopt en dat diegene die verantwoordelijk zijn voor die 'bedrijfsongevallen' aan gerechtelijke vervolging ontkomen en vaak zelfs hun functie op een andere plaats weer opnemen. Juist deze doofpot situatie maakt het moeilijk om een goed inzicht te krijgen. Een goede historische studie is er nog niet over dit onderwerp in Nederland gemaakt. Zie ook de bijdrage : Inhoudsopgave Misbruik Katholieke Kerk in Nederland . Ik doe dan ook een beroep op mensen die te maken hebben gehad met deze 'bedrijfsongevallen' contact met mij op te nemen. Alle gegevens zullen natuurlijk vertrouwelijk worden behandeld. Uw kunt uw reacties sturen naar jwswaen@blikopdewereld.nl

Enqûetes

Wat is uw mening over levenslange gevangenisstraf in Nederland
 

Wie is online

We hebben 101 gasten online

Levenslang Lucia de Berk

Lucia de Berk

Verpleegkundige Lucia de Berk werd ervan beschuldigd, patiënten die aan haar zorg waren toevertrouwd, moedwillig om het leven te hebben gebracht. Officier van Justitie I. Degeling verklaarde dat Lucia 'geobsedeerd was door de dood'. Maar direct bewijs bleek er echter niet te zijn. Toch omschreef het Hof te Den Haag op 18 juni 2004, Lucia's handelingen als meedogenloos, geraffineerd, planmatig en vast besloten. Lucia's ontkenning werd echter door het Hof uitgelegd als een bevestiging van het feit dat ze daadwerkelijk mensen, die aan haar zorgen waren toevertrouwd, had omgebracht. Het Hof legde levenslange gevangenisstraf op + TBS. Een unicum in de Nederlandse rechtsspraak. De Hoge Raad achtte levenslang en TBS echter niet mogelijk en verwees de zaak naar het Hof te Amsterdam. Het Amsterdamse Gerechtshof nam echter de bevindingen van het Haagse Hof over en veroordeelde Lucia  tot levenslange gevangenisstraf. Na aanmelding van de strafzaak bij de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken besloot deze een herziening voor te leggen aan de Hoge Raad. De Hoge Raad besloot het advies op te volgen en verwees de strafzaak naar het Gerechtshof te Arnhem. Op 17 maart 2010 zal het Hof de herziening van de Strafzaak , naar het zich laat aanzien, af ronden. Lucia de Berk werd op 1 april 2008 al voorlopig in vrijheid gesteld, nadat ze sinds medio december 2001 in hechtenis had doorgebracht. Zie voor alle achtergronden mijn overzicht in http://www.blikopdewereld.nl/Ontwikkeling/rechtspraak/183-de-zaak-lucia-de-berk/1658-inhoudsopgave-lucia-de-b.html

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95