Pleidooi voor revisieraad CASPAR NABER in AD 27 mei 2008 ROTTERDAM - Er moet een onafhankelijk orgaan komen dat grote, afgesloten strafzaken bekijkt waarin twijfel bestaat over de toedracht. Zo kunnen gerechtelijke dwalingen worden aangepakt.
Dat vindt althans Ton Derksen, hoogleraar algemene wetenschappen. Hij krijgt steun van twintig deskundigen onder wie de professoren Ton Broeders (criminalistiek), Willem Wagenaar (rechtspsychologie), Peter Tak (strafrecht) en Peter van Koppen (rechtspsychologie) en Gert-Jan Knoops (strafrecht).
Net als Engeland, Denemarken en Noorwegen moet ook Nederland een ‘onafhankelijke revisieraad’ krijgen, vinden Derksen en zijn medestanders. In grote krantenadvertenties, vandaag en gisteren, roepen ze het parlement op om ‘snel’ zo’n orgaan in te stellen. ,,In landen waar al zo’n orgaan bestaat, is het vertrouwen in de rechtspraak toegenomen en worden bepaalde fouten niet meer gemaakt waardoor er minder gerechtelijke dwalingen zijn.’’
Dergelijke dwalingen, het gevolg van fouten van rechters en/of het Openbaar Ministerie, kunnen in Nederland onvoldoende worden aangepakt, meent Derksen.
Derksen en zijn medestanders pleiten voor een onafhankelijk orgaan. ,,Daarin moeten wetenschappers en juristen zitten die veel beter in staat zijn om feitelijke vragen te beantwoorden.’’ Burgers moeten rechtstreeks naar zo’n orgaan kunnen stappen, vindt de hoogleraar. ,,De Hoge Raad moet zich daar niet opnieuw inmengen, tenzij om te kijken of juridisch alles klopt.’’
Justitie toonde zich gisteren weinig onder de indruk van het pleidooi. ,,Minister Hirsch Ballin werkt aan een wijziging van de herzieningsprocedure,’’ klonk het. Die wijziging draait volgens Derksen rond de uitbreiding van het begrip ‘novum’ (nieuwe feiten).
,,Justitie wil daar ook nieuwe, wetenschappelijke inzichten onder laten vallen. Zoals rechters die een statistiek niet hebben begrepen of andere dingen die leiden tot fouten. Maar zo’n wijziging is alleen in het voordeel van het Openbaar Ministerie en wordt dus een herziening ten nadele van de veroordeelde(n).’’

|
De deskundige rukt op in het recht | | | | Jannetje Koelewijn enEsther Rosenberg in NRC 24 mei 2008 | | | | Hoogleraren zetten zich in om onschuldigen uit de cel te krijgen | | | | Hoogleraren beginnen zich meer en meer in rechtszaken te mengen. Eerst nieuwsgierig, dan wantrouwend en dan boos. Het is verslavend. | | | | Jan Frijters hoorde een man met een prettige stem zich op televisie afvragen hoe een speurhond zijn geur had kunnen ruiken aan een mes dat hij nooit had vastgehouden. Ik was achter in de vijftig. Ik hoefde niet meer de blits te maken. Maar een vriend van me die tandarts is, zei dat ik een maatschappelijke verantwoordelijkheid had. | | | | Dus ging Jan Frijters, bijzonder hoogleraar in sensorische en psychologische aspecten van voeding aan de Universiteit Wageningen, zich bemoeien met de Deventer moordzaak en met de man die ervoor vastzat, Ernest Louwes. | | | | Het gebeurt in de Verenigde Staten al jaren en het begint in Nederland nu ook gewoon te worden: hoogleraren - in de statistiek, filosofie, methodologie, psychologie of wat dan ook - die zich in controversiële rechtszaken mengen, zoals deze week de zaak-Sweeney. Vaak mannen die aan het eind van hun loopbaan zijn. Ton Derksen. Richard Gill. Jan Frijters. Hans Crombag. Peter van Koppen. Nobelprijswinnaar Gerard t Hooft. | | | | Ze horen of lezen over een zaak en vermoeden dat er fouten zijn gemaakt - door een ondeskundig commentaar van een deskundige in hun vakgebied of door hoe justitie daarmee omgaat. Ze zijn eerst nieuwsgierig, dan wantrouwend, dan boos. | | | | Ze bellen de advocaat van de verdachte of veroordeelde over hun bevindingen. Ze bieden hun diensten gratis aan. Ze bellen en mailen elkaar en andere deskundigen. Sommigen hebben nu ook het vertrouwen in advocaten verloren, omdat die dezelfde redeneerfouten zouden maken. Hoogleraar Ton Derksen, bekend van de zaak Lucia de B., schrijft dáár nu een boek over. Werktitel: Het zwartste scenario. Zijn vorige boek ging over de gerechtelijke dwalingen van het Openbaar Ministerie. | | | | Hoogleraar statistiek Richard Gill van de Universiteit Leiden las Derksens eerste boek - over de Haagse verpleegkundige Lucia de B.. Gill raakte geïnteresseerd, beroepsmatig. Maar de zaak duurde maar en duurde maar en in die tijd las hij op internet over Kevin Sweeney, die vastzit voor moord door opzettelijke brandstichting. Sweeneys vrouw kwam om bij die brand, in 1995. | | | | Gill raakte ervan overtuigd dat in deze zaak ook alles verkeerd was gegaan. Deze week diende Sweeney een verzoek in bij de Hoge Raad om zijn zaak te herzien. In nieuw onderzoek staat dat hij de brand niet eens had kúnnen aansteken. Derksen en Gill hadden ervoor gezorgd dat het onderzoek er kwam. Voormalig brandweerofficier Fred Vos voerde het uit. | | | | Gill: Ik ben wegens de zaak Lucia enorm geïnteresseerd geraakt in dit soort dingen. Mijn onderzoek en onderwijs buigt zich om naar de forensische statistiek. Ik heb door de zaken Lucia en Kevin meer interessante, sympathieke en bewogen mensen ontmoet dan ooit tevoren. Ik heb nooit zulke fantastische intellectuele uitdagingen gehad. En zolang Lucia niet helemaal is vrijgesproken is, ga ik door met dit soort dingen. | | | | Advocaat Geert-Jan Knoops is gespecialiseerd in herzieningszaken. Hij zegt dat hij na publiciteit over een herzieningszaak steeds vaker door deskundigen wordt gebeld. Ze denken mee, ze bieden hun hulp aan. Het kan een deskundigeninitiatief worden genoemd. Het is een olievlek die zich in deskundigenland verspreidt, zegt hij. Gill vertelt dat hij wegens de Lucia de B. zaak drukbezochte lezingen heeft gehouden op universiteiten: Wetenschappers zijn gefascineerd, opgewonden en bezorgd. | | | | Het Openbaar Ministerie zegt het toe te juichen als burgers meedenken met de politie, kijken naar opsporingsprogrammas en tips doorgeven. Maar burger- of deskundigenopsporing is aan grenzen gebonden, zegt een woordvoerder van het OM. Bovendien, zegt hij: als mensen zich langer met een bepaalde zaak bezighouden lijkt het gevaar te bestaan dat de objectiviteit uit het oog wordt verloren. | | | | Frijters had succes: het mes bleek niet het moordwapen te kunnen zijn. Hij toonde in nog achttien zaken de onbetrouwbaarheid van geurproeven aan. Hij ging lezingen geven, schreef een artikel in een juridisch tijdschrift. Vorig jaar gaf ook het OM toe dat geurproeven, in nog veel meer zaken, onbetrouwbaar zijn. | | | | Begin dit jaar hoorde Frijters artsen op televisie vertellen dat een studie in Utrecht naar de werking van probiotica goed was opgezet, ook al waren er wel heel veel patiënten overleden. Hij had er geen verstand van, maar via amazon.com bestelde hij voor 450 euro aan boeken en hij verdiepte zich in de methodologie van het onderzoek. Nu heeft hij daar een artikel over geschreven. Hij zegt: Het was de arrogantie van die artsen. Waarom moeten steigerbouwers zich verantwoorden als hun steigers instorten en hoeven artsen dat niet als ze fouten maken? | | | | Richard Gill berekende dat door rekenfouten het probiotica-onderzoek te lang heeft kunnen doorgaan. Frijters wil de slachtoffers en hun nabestaanden van het onderzoek gaan bijstaan. Maar hij zegt ook dat dit rechercheachtige werk zijn hobby is geworden. Het is verslavend. | | | | Ton Derksen lijkt ook succes te krijgen met zijn jarenlange pogingen om - zo was het eerst - aan te tonen dat het bewijs tegen Lucia de B. niet deugde en - zo werd het later - haar onschuld te bewijzen. Lucia de B. is tijdelijk vrijgelaten en de Hoge Raad beslist binnenkort of haar zaak moet worden herzien. Over de zaak Sweeney schreef hij een hoofdstuk in zijn boek over het OM, maar hij bemoeit zich nu niet met het herzieningsverzoek. Hij is te druk met een nieuwe zaak: Henk H., de man die 20 jaar cel kreeg voor de moord op een man die hij in een bos in Flevoland zou hebben begraven. Eind van deze maand wil Derksen de zaak aanmelden bij de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken. Gill doet nu Sweeney. | |
| Rechters en Deskundigen II Getuige-deskundigen steeds vaker conflicterend
Nieuwsanalyse door F.Kuitenbrouwer NRC 02-04-98
2 APRIL. De mogelijkheden voor de aanklager om nog iets te doen aan de vrijspraak in hoger beroep van de twee Haagse verplegers zijn niet eenvoudig.
Vrijspraak is in beginsel niet vatbaar voor cassatie door de Hoge Raad.
Dat komt omdat vrijspraak betrekking heeft op de feitelijke kernvraag in het strafproces: heeft de verdachte het gedaan? De Hoge Raad spreekt zich alleen uit over de juridische dimensie van een zaak en kan zich niet verdiepen in feitelijke kwesties. De enige manier voor de Hoge Raad om toch bij een vrijspraak in te breken, is dat het college tot de conclusie komt dat de vrijspraak zoals dat heet "onzuiver" is. Dat betekent dat bij is ingegeven door een onjuiste opvatting van wet bij de lagere rechters. Dat kan betrekking hebben op de inhoud van een strafbepaling (wat is "ontucht met een onmachtige") maar eventueel ook op de gevolgde procedure.
De beroepsuitoefening door de Haagse verplegers roept zeker vragen op. Maar het is een tweede of een strafklacht wegens moord daarvoor het juiste kader vormt.
Grijze gebieden in de beroepsuitoefening zijn eerder een aangelegenheid voor supervisoren en bestuurders om zich aan te trekken. Bij de strafrechter gaat het in de eerste plaats om directe schuld en een onmiskenbaar oorzakelijk verband. Dat laatste werd door het hof nu net niet aanwezig geacht. Wat betreft de procedure komen twee juridische knelpunten in aanmerking voor eventuele toetsing door de Hoge Raad, het afwijzen door het hof op de tegen de verdachten gebruikte verhoormethode en het gebruik van getuige-deskundigen. De verhoormethoden in dit geval zijn wel vergeleken met de Zaanse verhoormethode. Dat is een door een communicatiedeskundige begeleide, langdurige ondervraging waarbij de verdachte bijvoorbeeld wordt geconfronteerd met familiefoto's. De Hoge Raad heeft vorig jaar mei kritiek op belangrijke onderdelen van deze methode door het Haagse hof bevestigd. Toch kwam het in deze zaak (het doden van een negenjarig meisje) wel tot een veroordeling.
De rol van de getuige-deskundigen trekt in deze zaak speciaal de aandacht. De rechtbank (die tot levenslang was gekomen) was vooral afgegaan op het Gerechtelijk laboratorium. De huisarts en apotheker werden pas door het hof naar voren gehaald. Het was hun verklaring die bijdroeg tot de conclusie dat het oorzakelijk verband tussen het optreden van de verplegers en de dood van de oude dames ontbrak. Van oudsher geldt de getuige-deskundige in het Nederlandse strafproces als een onbetwiste autoriteit. Dit beeld is echter aan het veranderen.
De Leidse strafrechtdeskundige H.J. Nijboer signaleerde onlangs dat deskundigen in strafzaken steeds meer tegenover elkaar komen te staan. Als voorbeeld noemde hij de Leidse 'balpenzaak'; ook daar werd het deskundigenbewijs in hoger beroep door tegen experts onderuitgehaald. Het is de vraag of zo'n verschuiving zo verweven is met de feitelijke kanten van de zaak, dat hij in cassatie niet aan de orde kan komen.
“IK HOOPTE DAT ZE ZOUDEN DOORVRAGEN”
De getuige – verklaring van ziekenhuisapotheker A.Vinks werden in het Haagse verplegers proces terzijde gelegd, ten gunste van de verklaring van een gepensioneerde collega.
Gerechtelijk toxicoloog P Zweipfenning is verbaasd: ‘Vinks is niet zomaar een apotheker om de hoek’.
De Volkskrant 02-04-98 door Stieven Ramdharie
In Nederland behoort ziekenhuisapotheker dr. A Vinks tot de top van medici die met computers kunnen nabootsen hoe een medicijn in het lichaam werkt. ‘Hij is zelfs een van de twee beste’, zegt drs. P Zweipfenning , hoofd toxicologie van het gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk.
Vinks is niet zomaar een apotheker om de hoek.
Toch werd de theorie van Vinks (42) in het proces van de Haagse verplegers moorden terzijde geschoven door het gerechtshof in Den Haag, ten gunste van een collega – ziekenhuisapotheker die zo’n causaal verband vel bestreed, maar geen enkele ervaring had met moderne computersimulaties.
Hoe dat kon gebeuren? Vinks weet dat niet. Curieus vond hij het allemaal wel.
Nogal opmerkelijk: Tijdens de rechtszaak vroeg niemand aan Vinks, die vorig jaar in Los Angeles nog uitgebreid studie deed naar de computermodellen, hoe groot zijn deskundigheid was.
‘Als er twee zulke contrasterende meningen zijn van deskundigen, dan is het toch logisch om door te vragen wie ik ben’, betoogt Vinks, hoofd van het farmaceutisch - en toxicologisch laboratorium van het Haagse Leyenburg Ziekenhuis. ‘Maar niemand, ook het Hof niet, vroeg naar mijn specialisme. Het zij zo. Het ligt niet aan mij om er zelf over te beginnen.
Het verrassende slot van de verplegers zaak heeft de aandacht gevestigd op de cruciale rol die getuige deskundigen tijdens een strafproces kunnen spelen. In het Nederlandse rechtssysteem wordt niet bij wet geregeld aan welke eisen de getuige-deskundige moet voldoen. ‘Voor een zaak over vogeltjes kan je in theorie wie dan ook nemen’, zegt Zweipfenning (43) die jaarlijks ettelijke keren in de rechtszaal moet opdraven.
De rechter is nog altijd de enige die toetst en uiteindelijk bepaalt of iemand zich deskundige mag noemen. De verplegers zaak heeft laten zien, net als andere, technisch ingewikkelde rechtszaken, dat verdediging en OM kunnen putten uit een ruim aanbod van artsen, farmocologen en toxicologen die elkaar tijdens zittingen niet zelden te vuur en te zwaard bestrijden.
‘Zo hevig heb ik het in zestien jaar als getuige-deskundige nog nooit meegemaakt’, zegt Zweipfenning over de vele verschillende meningen tijdens de verplegers zaak. Vooral op basis van Zweipfennings ‘vicieuze – cirkeltheorie’, die er op neerkwaam dat de miljonaire door het gebruik van Dormicum slaaptabletten geen zin meer had in eten en drinken en uiteindelijk overleed, werden André du M. en John H. door de rechtbank veroordeeld.
Maar bij het hoger beroep werd Zweipfenning onderuit gehaald door een van de drie nieuwe getuige deskundigen die door de verdediging waren opgetrommeld.
Een niet te bewijzen ‘gedachtespinsel’ zo noemde de gepensionerde ziekenhuisapotheker A. van der Kuy de theorie. Hij achtte het, na een computersimulatie, uitgesloten dat de twee Dormicum tabletten per dag Sloos – Fischer hadden gedood.
Van der Kuy’s conclusie zou cruciaal blijken te zijn, maar was hij wel de geschikte deskundige voor zo’n belangrijk onderzoek?
Zweipfenning:’ Van der Kuy is waardevol vanwege zijn algemene medische kennis, maar hij behoort niet tot de specialisten in Nederland die met een computer goed kunnen nabootsen hoe een medicijn door het lichaam wordt opgenomen en weer wordt afgescheiden. Hij heeft daarmee geen ervaring. Ik vraag me af of het Hof zich dat heeft gerealiseerd’.
Het computermodel dat Vinks vervolgens maakte, met de nieuwe technieken, weerlegde de conclusies van Van der Kuy.
Vinks:’ Tijdens de zitting zei hij dat ik een mooier plaatje had gemaakt, maar dat we hetzelfde concludeerden. Ik was kwaad. Mijn simulatie toonde aan dat door Dormicum de patiënt wel degelijk in slaap viel en versuft was.’
Zweipfenning: ‘Ik had gehoopt dat ze Vinks op de zitting wat meer zouden doorvragen over zijn onderzoek. Meer de diepte in. Het gebeurde niet echt. Het Nederlandse systeem is nu eenmaal zo
Dat je als getuige-deskundige wacht tot je een vraag wordt gesteld. En Vinks is slechts op een aantal punten iets gevraagd.’
Vinks kan er mee leven dat hij het Hof niet heeft kunnen overtuigen met zijn moderne computersimulaties. ‘Mijn visie vonden ze niet belangrijk genoeg. Jammer.’
Hij betwijfelt echter op het Hof tot dit arrest mocht komen. ‘ Daarvoor zijn er teveel twijfels gezaaid door de onderzoeken. Dan moet je de zaak tot verder uitspitten? In Amerika en engeland krijgen deskundigen meer ruimte en tijd tijdens een proces. Daar worden ze ook flink doorgevraagd. Dat zou hier ook moeten gebeuren.
De expert kleurt het proces.
In de geruchtmakende 'balpenzaak' en ook in de recente verplegers - moordzaak waren het getuige-deskundigen die het proces een beslissende wending gaven. Wordt de expert een speelbal van een gewiekste verdediging? En hoe selecteer je een getuige-deskundige? 'Naar eer en geweten', zegt een raadsheer van het Haagse gerechtshof
door Michiel Kruijt en Stieven Ramdharie Volkskrant 09-04-98
ALS ADVÒCAAT C. Raymakers een 'grote zaak' heeft, vindt hij het tegenwoordig niet meer dan normaal om meteen een expert in de arm te nemen. Of het nu gaat om een forensisch accountant in een ingewikkelde Fiod - zaak of een oogspecialist in een intrigerende moordzaak.
Autoriteiten die hij later als getuige-deskundige kan laten opdraven in de rechtszaal.
Raymakers: 'Mijn uitgangspunt is nu eenmaal dat je het Openbaar Ministerie pas geloofwaardig kan bestrijden als je professionals met gezag en expertise tot je beschikking hebt. Kwesties die als vaststaand worden beschouwd in een gerechtelijk dossier, moet je kunnen toetsen. En een tegenonderzoek is een voor de hand liggende manier om iets ter ontlasting van een cliënt in een zaak te brengen.'
Raymakers en zijn collega B. Ficq, het succesvolle duo dat de vermeende Leidse 'balpenmoordenaar' Jim T. vrij kreeg, besloten eind 1995 op eigen houtje te onderzoeken of het technisch wel mogelijk was iemand te doden door met een kruishoog een
balpen in het oog te schieten. De Leidse rechercheurs en het OM waren zo heilig overtuigd van hun zaak dat ze niet eens de moeite namen om dit aspect van deze bijzondere strafzaak te onderzoe-ken. 'Toppers zochten we toen', zegt Ficq over de speurtocht naar competente onderzoekers.
De Amsterdamse oogarts J. van der Pol, verbonden aan het gezaghebbende Academisch Medisch Centrum (AMC), werd hun belangrijke 'autoriteit'. De proeven van Van der Pol, die aantoonden dat het onmogelijk was een Bic - pen nét zo diep in de schedel te schieten als de pen die in 1991 in het hoofd van Jims moeder was aangetroffen, bleken van cruciale betekenis te zijn. Evenals zijn beheerste en zakelijke uitleg voor de raadsheren van het Haagse gerechtshof. Bovendien werden Van der Pols conclusies daarna nog eens bevestigd door proeven van de Rijksuniversiteit Groningen en het Gerechtelijk Laboratorium.
De afloop is bekend. Jim, eerder nog veroordeeld door de recht - bank tot twaalf jaar celstraf, werd in februari 1996 vrijgesproken, vooral op basis van de verklaringen van de diverse getuige – deskundigen.
De zaak van de Haagse verplegers moorden, waarin het wetenschappelijke bewijs ook een doorslaggevende factor was, kende vorige week eveneens zo'n verrassende ontknoping: de vrijlating van de verdachten.
'Door top -wetenschappers te gebruiken, die met gezag kunnen spreken over een complexe zaak, vergroot je je postuur voor de rechters', zeg Ficq. 'Het rechtscollege móet er aandacht aan schenken vanwege die toppers. Daar ontkomen ze niet aan.'
De rol van experts tijdens strafprocessen lijkt te veranderen. Niet alleen worden ze vaker ingezet (vooral in technisch ingewikkelde zaken), maar ook nemen deskundigen in rechtszaken een steeds prominentere positie in. En niet zelden staan ze met hun contrasterende meningen lijnrecht tegenover elkaar in de rechtszaal. De tijd is voorbij dat een proces wordt gedomineerd door die ene gezaghebbende meneer van het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk, jarenlang de onbetwiste autoriteit. Advocaten zien in toenemende mate het nut van experts om het bewijs van het OM te ontkrachten. Menigmaal blijkt hun rol voor het gerecht een vrij cruciale te zijn, zoals de Leidse 'balpenmoord' en de Haagse verplegers - moorden de afgelopen twee jaar duidelijk hebben gemaakt. Want als niet die batterij verpleeghuisartsen, oogheelkundigen en onderzoekers van universiteiten was opgeroepen, was wellicht nooit het wetenschappelijk bewijs geleverd dat het in beide zaken niet om moord kan gaan.
De vraag is echter of de veranderende rol van de getuige - deskundige moet worden toegejuicht.
Vooral in de Haagse verplegers zaak ontstond het beeld van OM en verdediging die even een 'blik onderzoekers' opentrokken om hun gelijk aan te tonen. Wordt de wetenschapper niet te veel de speelbal van het OM en de verdediging? Dreigt het strafproces niet uit te draaien op een bitter gevecht om de beste en meest gezaghebbende getuigedeskundige?
Is de rechter überhaupt nog wel in staat om te oordelen na zoveel vakbekwaamheid?
De ophef rond gerechtelijke experts is niet nieuw. Al jaren wordt in wetenschappelijk kring gediscussieerd over de bijdrage van deskundigen aan de bewijsvoering.
In 1992 beleefde die polemiek een hoogtepunt na de verschijning van het spraakmakende boek Dubieuze Zaken. Daarin toonden de psychologen Crombag, Van Koppen en Wagenaar aan dat het bewijs in strafzaken niet zelden op. onzorgvuldige wijze was verzameld.
Ook de gerechtelijke onderzoekers kregen er in dat boek van langs: het drietal concludeerde dat er meer eisen aan hen moeten worden gesteld.
Want hoe bepaal je hoe deskundig de deskundige is?
Rechters zijn nu de enigen die kunnen toetsen of iemand zich forensisch expert mag noemen. Criteria hiervoor zijn er opvallend genoeg niet. De wet zwijgt over de eisen waaraan de getuige -deskundige zoal moet voldoen. 'Wij selecteren naar eer en geweten', zegt een raadsheer van het Haagse gerechtshof die liever anoniem wenst te blijven.
De Leidse hoogleraar strafrecht Nijboer pleit al jaren voor toelatingsexamens: 'Ik ben zelf raadsheer - plaatsvervanger in het gerechtshof van Amsterdam en heb menige beëdiging van vaste gerechtelijke deskundigen meegemaakt. Aan zo iemand wordt op dat moment zelden iets gevraagd. Het is een farce'. 'Er is te weinig controle in de rechtszaal op de antecedenten van deskundigen', is de ervaring van advocaat Raymakers. 'Voorlichting aan de rechters op een te laag niveau kan natuurlijk niet.' Niet alleen moet er volgens Nijboer een lijst komen met 'erkende' specialisten, de expert moet daarnaast ook nog eens in elke strafzaak aantonen dat hij ter zake kundig is. Die strenge eisen zal Nederland sowieso moeten invoeren, meent de hoogleraar, omdat de Europese rechtspraak zich in die richting ontwikkelt. Nijboer: 'Het ministerie van justitie onderschat dat. Ten aanzien van getuigen heeft Nederland al keer op keer de kous op de kop gekregen van de Europese rechter. Je kan bijna voorspellen dat dat ook op het gebied van de deskundige zal gaan gebeuren'.
HET IS ook de invloed van de Europese eenwording, zegt Nijboer, door wiens toedoen de Nederlandse advocaat een meer kritische houding is gaan aannemen ten aanzien van deskundigen. Enkele jaren geleden was dat nog heel anders. De promovendus J. Hielkema - nu advocaat bij een groot kantoor in Rotterdam - constateerde in 1996 dat de mening van de gerechtelijke experts zelden in twijfel werd getrokken. Hielkema bestudeerde een groot aantal Rotterdamse misdrijfzaken en stelde vast dat er in een kwart van die zaken een deskundige aan te pas was gekomen. In geen van die gevallen had de verdediging om tegenonderzoek gevraagd. In veel zaken was daar ook geen aanleiding voor, omdat het bewijsrechtelijk geen ingewikkelde zaken waren'. zegt Hielkema nu. Maar het was toch een opvallende uitkomst. Experts van het Gerechtelijk Laboratorium vertelden me dat zij bijna nooit op de terechtzitting hoeven te komen om nog eens uitleg te geven. Hun vakbekwaamheid stond niet ter discussie, daar verbaasden ze zichzelf ook over.' Volgens Hielkema heeft dat te maken met ons strafrechtsysteem, dat is gebaseerd op vertrouwen.
In Nederland is er geen 'adversarial - cultuur' zoals in de Angelsaksische landen, waar het conflictmodel in de rechtspraak is ingebouwd. Maar hoe komt het dan, zo vraagt Nijboer zich af, dat in de Franse rechtszaal het debat ook een doodnormale zaak is, terwijl daar een vergelijkbaar rechtssyteem bestaat als in Nederland?
Hij geeft zelf het antwoord: 'Het heeft ook te maken met onze compromiscultuur. Unanimiteit van de onderzoekers draagt bij aan de bruikbaarheid van het rapport, denken wij als enige in de wereld. Kijk snaar de rapportages van het Pieter Baan Centrum over toerekeningsvatbaarheid. De rest van de wereld snapt niets van die consensus in de Nederlandse wetenschap.'
Wetenschap is per definitie strijd, zegt W. Wagenaar, de psycholoog en hoogleraar die zes jaar geleden een 'steen in de vijver wierp' met Dubieuze Zaken. Daarbij maakt het zelfs niet uit of het om bèta - wetenschappers of om gedragsdeskundigen gaat, meent Wagenaar. 'De rechter wil in complexe rechtszaken steeds de grens van de wetenschap weten. Daar is altijd discussie over.'
Anders dan veel juristen meent Wagenaar dat de oplossing niet moet worden gezocht in het oproepen van meer deskundigen in de rechtszaal maar juist in minder. 'Anders wordt het een tombola, zegt de wetenschapper. Voorwaarde is daarbij wel dat de expert voor de rechter moet aantonen dat hij van wanten weet. Wagenaar: 'Het allerbelangrijkste is dat je als deskundige moet aantonen dat er op jouw vakgebied gevalideerde en geaccepteerde onderzoeksmethoden bestaan om aan te tonen dat iets wel of niet zo is. Als zo’n methode niet bestaat, moet je gewoonweg niet als deskundige optreden.
'In de rechtszaal moeten theorieën worden aanvaard die zich aan de rand van de wetenschap bevinden. Dat is iets voor de industrie niet voor de rechter.De rechter kan dat ook niet aanvaarden want hij loopt niet het risico. Dat doet de verdachte.'
Wagemaar treed vaak op als wetenschapper in strafzaken en stelt dat de kritiek uit Dubieuze Zaken onverkort geldt. Nog steeds wordt het getuige-deskundigen niet moeilijk gemaakt in de rechtszaal.
Wel in Israël, waar Wagenaar als expert optrad in het proces tegen John Demjanjuk, de van oorlogsmisdaden beschuldigde Amerikaan 'In Jeruzalem werd ik een week lang doorgezaagd over de vraag waarom ik deskundig zou zijn. Er werden me vragen gesteld als: ‘kent u die auteur’ en ‘wat heeft die auteur voor het laatst geschreven’. Het leek wel een overhoring. Dat was niet altijd prettig. Maar voor het belang van de zaak moet je dat er maar voor over hebben. Zoiets heb ik in Nederland nooit meegemaakt.'
TWEE JAAR nadat Raymakers en Ficq Jim T. vrij wisten te krijgen, reageren ze eensgezind wanneer hen wordt gevraagd wat ze hadden gedaan als ‘hun’ wetenschappelijk onderzoek de andere kant was op gegaan. Als Van der Pol had aangetoond dat de ‘balpenmoord’ technisch wél mogelijk was.
Ze geven toe dat ze met het onderzoek een risico namen. De conclusies van oogspecialist Van der Pol, zegt het tweetal, hadden ze in dat geval terzijde geschoven.
De deskundige als speelbal van de advocaat? Raymakers:’Het was óns onderzoek en we hadden niet de plicht dat bij de rechtszaak in te brengen. Een advocaat die het belastende bewijs tegen zijn cliënt aandraagt, is verkeerd bezig
|