Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Rechtspraak Rechters en deskundigen Deel 16 Prospective Memory From intention tot action

Deel 16 Prospective Memory From intention tot action

E-mail Afdrukken PDF

Prospective  Memory From intention to action

PROEFSCHRIFT ter verkrijging van de graad van doctor aan de Technische Universiteit Eindhoven, op gezag van de Rector Magnificus, prof.dr. R.A. van Santen, voor een commissie aangewezen door het College voor Promoties in het openbaar te verdedigen op dinsdag 26 november 2002 om 16.00 uur door
Stéphanie Martine van den Berg
Biographical Note
1973 Born in Rotterdam, The Netherlands
1986-1992 Atheneum, Libanon Lyceum, Rotterdam
1992-1993 Civil Engineering, Delft University of Technology
1993-1998 Psychology, Leiden University
1996-1997 A 6-months stay at the University of Stockholm, Sweden
1998 Master’s degree, cum laude, in both Experimental
Psychology and Methodology & Statistics
1998-1999 Philosophy, Utrecht University
1998-2002 Graduate student at Eindhoven University of Technology, J.F.
Schouten Institute for User-System Interaction
http://alexandria.tue.nl/extra2/200213729.pdf
Samenvatting (summary in Dutch)
Dagelijks nemen we ons voor nog iets te doen. Onderweg naar huis moeten we nog langs de winkel voor een pak melk, we willen vanavond nog even iemand bellen, en morgen op het werk moeten we een afspraak met iemand maken. Al deze gedragsintenties onthouden is lastig; het is niet voor niets dat we gebruik maken van agenda’s en krabbeltjes op kladblaadjes. 
Geheugen voor gedragsintenties wordt ook wel prospectief geheugen genoemd.Onderzoek naar prospectief geheugen richt zich in het algemeen op de vraag hoe men zich gedragsintenties op tijd herinnert; wat bepaalt nu of we ons een voorgenomen handeling nu wel of niet tijdig herinneren en uitvoeren? Dit proefschrift richt zich op cognitieve obstakels op de weg van intentie naar gedrag. Er  worden zeven laboratorium-experimenten beschreven. 
Proefpersonen waren hoofdzakelijk studenten van de Technische Universiteit Eindhoven, die allen een instructie kregen om bij een bepaalde gebeurtenis een simpele handeling uit te voeren.
Hoofdstuk 1 geeft allereerst een beschrijving van het begrip intentie. In dit proefschrift wordt slechts gesproken over gedragsintenties die gekoppeld zijn aan een gebeurtenis, zoals bijvoorbeeld het voornemen om zodra wij een zeker persoon tegenkomen een boodschap door te geven. Na de begripsbepaling volgt een overzicht van de meest gangbare modellen voor prospectief geheugen. Een algemene gedachte is dat executieve processen, verantwoordelijk voor de controle van gedrag op hoog niveau, erg belangrijk zijn bij het zich op het juiste moment herinneren van een intentie en het uitvoeren van het voorgenomen gedrag. Dit proefschrift zet enkele kanttekeningen bij deze stelling; immers, mensen kunnen op verschillende manieren met voornemens omgaan. Strategie is dus een belangrijke factor. Welke processen een doorslaggevende rol spelen bij het zich tijdig herinneren van intenties kan ook sterk afhangen van eigenschappen van de intentie zelf. De experimenten die in de volgende hoofdstukken worden beschreven, richten zich op twee karakteristieken van intenties, namelijk a) of het voorgenomen gedrag al eerder frequent is uitgevoerd (Hoofdstuk 2), en b) de mate waarin de gebeurtenis waarbij het voorgenomen gedrag moet plaatsvinden van tevoren specifiek is omschreven (Hoofdstukken 3 en 4).
86 / SAMENVATTING
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van drie experimenten die ingingen op de vraag of veelvuldig en consequent handelen naar een intentie leidt tot gewoontegedrag, dat wil zeggen, een bepaalde automaticiteit in het uitvoeren van handelingen. Indien dit het geval is, moet dit tot gevolg hebben dat executieve processen veel minder belangrijk worden. Experiment 1 liet zien dat het oefenen van een voornemen om bij een specifieke stimulus een respons te geven, leidt tot sneller en efficiënter gedrag: er werden minder fouten gemaakt en reactietijden werden korter. Tevens bleek dat, na oefening, mensen helemaal geen last meer hadden van het gelijktijdig uitvoeren van een andere taak waar executieve processen voor nodig waren. Dit wijst er op dat, na oefening, executieve processen inderdaad minder belangrijk worden bij het uitvoeren van voorgenomen gedrag.Ook Experiment 2 liet positieve effecten van oefening zien. Deze effecten bleken echter wel afhankelijk te zijn van doelen die proefpersonen hadden. Oefenen had vooral snelle reacties tot gevolg wanneer mensen zeer expliciet geïnstrueerd werden om op een zekere stimulus te reageren. Er kwam ook naar voren dat oefening leidt tot het achteraf onderschatten van het aantal keer dat gehandeld is naar de intentie,wat suggereert dat na oefening mensen minder bewust zijn van het uitvoeren van het gedrag. Samengenomen suggereren de resultaten van Experimenten 1 en 2 dat het veelvuldig uitvoeren van een intentie leidt tot een zekere automatisering van het gedrag: reacties worden sneller, betrouwbaarder, en men wordt zich minder bewust van het uitvoeren ervan. Echter, er lijkt toch een zekere doelafhankelijkheid te bestaan. Experiment 3 liet daarna zien dat er eigenlijk helemaal geen automaticiteit is als gevolg van oefenen. In dit experiment moesten mensen ook met een respons op een stimulus reageren, maar gedurende langere tijd waren ze bezig met een andere taak. Toen de stimulus pas na minuten verscheen, waren er juist veel mensen die oefening hadden gehad die vergaten op de stimulus te reageren. Dit is dus een negatief effect van oefenen op prospectief geheugen en waarschijnlijk het gevolg van een onderschatting van de moeilijkheid van de taak. Maar tevens lijkt het zo te zijn dat zogauw mensen zich niet meer bewust zijn van het doel om te reageren, er ook geen automaticiteit is in het gedrag. Uit Experiment 3 bleek niet dat executieve processen van cruciaal belang zijn bij het uitvoeren van een intentie. Het is mogelijk dat dit komt omdat de situatie waarin het gedrag moest plaatsvinden van tevoren heel specifiek was omschreven. Wellicht dat executieve processen belangrijker worden wanneer de precieze gebeurtenis waarbij een handeling moet plaatsvinden vooraf niet helemaal duidelijk is. Want waar zijn executieve processen eigenlijk voor nodig? Mogelijkerwijs zijn ze verantwoordelijk voor het in de gaten houden of een bepaald situatie of gebeurtenis zich voordoet. Dit is onderzocht in Hoofdstuk 3. Na vastgesteld te hebben in Experiment 4 dat het categoriseren van gebeurtenissen toch lastig is, vooral als de gebeurtenis waarbij een intentie ten uitvoer moet worden gebracht een niet zo typisch geval is van de categorie die is omschreven, is getoetst in Experiment 5 of executieve processen belangrijker worden bij een categorisch omschreven gebeurtenis. Denk bijvoorbeeld aan een intentie zoals het doorgeven van een boodschap als je één van je collega’s ziet (categorisch omschreven situatie) of als je Frans ziet (specifiek omschreven situatie), en de kans dat je je de boodschap herinnert op het moment dat je Frans, die een collega van je is, werkelijk tegenkomt. Uit de resultaten bleek dat de intentie vaker tot gedrag leidde bij een specifiek omschreven gebeurtenis dan bij een categorisch omschreven gebeurtenis, maar er was geen ondersteuning voor de gedachte dat het categoriseren van een situatie als een situatie waarin gehandeld moet worden afhankelijk is van de beschikbaarheid van executieve processen, noch dat deze beschikbaarheid überhaupt van belang is voor prospectief geheugen taken.
Zoals gezegd had Experiment 4 laten zien dat categorisatie vooral een probleem is bij atypische voorbeelden van een categorie. Daarom gaat Hoofdstuk 4 nogmaals in op de vraag of executieve processen van belang zijn voor het categoriseren van gebeurtenissen, nu echter in het geval van atypische gebeurtenissen. In Experiment 6 werd een kritieke gebeurtenis categorisch omschreven en werd nagegaan of mensen de intentie uitvoerden als een typische gebeurtenis zich voordeed en als een atypische gebeurtenis zich voordeed. Het bleek dat mensen vaker de intentie vergaten bij de atypische dan bij de typische gebeurtenis, maar er was geen bewijs voor de hypothese dat de beschikbaarheid van executieve processen van cruciaal belang is voor het prospectief geheugen. Experiment 7 liet zien dat mensen bij een specifiek omschreven gebeurtenis veel minder vaak de intentie vergeten dan bij een categorisch omschreven gebeurtenis, maar er was geen bewijs voor de hypothese dat dit te maken had met executieve processen.
Hoofdstuk 5 resumeert de resultaten en geeft antwoord op de centrale vragen van het proefschrift. Oefening baart kunst, luidt het adagium, maar kennelijk is dit niet het geval wanneer we te maken hebben met gedrag dat we voornemens zijn in de toekomst uit te voeren. Oefening kan leiden tot onderschatting van de moeilijkheid van het zich op tijd herinneren van een intentie en daarmee tot een kleinere kans dat voorgenomen gedrag wordt uitgevoerd. Er is geen sprake van automaticiteit alsgevolg van oefening zodra men, in afwachting van het juiste moment, langere tijd met ongerelateerde taken bezig is.
Uit de experimenten is niet gebleken dat executieve processen noodzakelijk zijn voor het categoriseren van gebeurtenissen die mogelijk cruciaal zijn voor de uitvoering van voorgenomen gedrag. Bovendien was er geen bewijs voor het idee dat executieve processen nodig zijn voor het uitvoeren van voorgenomen gedrag. Hier moet wel de kanttekening gemaakt worden dat in de experimenten slechts de beschikbaarheid van executieve processen is gemanipuleerd; zeer waarschijnlijk zijn executieve processen wel nodig voor het onderbreken van de huidige taak en het initiëren van het voorgenomen gedrag, maar worden ze automatisch ingezet. In ieder geval zou men op basis van de huidige experimenten wel voorzichtig de conclusie kunnen trekken dat bij het optreden van een intentie-gerelateerde gebeurtenis het niet uitmaakt of de aandacht nu weinig of veel is afgeleid: bij veel afleiding wordt de kans niet kleiner dat voorgenomen gedrag uitgevoerd wordt.
Deze conclusie is echter in strijd met eerder onderzoek waaruit bleek dat een manipulatie van de beschikbaarheid van executieve processen wel invloed heeft op prospectief geheugen. Een nadere vergelijking wijst uit dat deze discrepantie mogelijkerwijs te maken heeft met strategieën die mensen toepassen: wanneer het onmogelijk wordt executieve processen in te zetten voor een prospectief geheugen taak, leidt dit alleen tot slechtere prestaties wanneer überhaupt gepoogd wordt ze in te zetten. Als mensen al onder ‘normale’ omstandigheden geen executieve processen inzetten in afwachting van een intentie-gerelateerde gebeurtenis, dan heeft extra afleiding waarschijnlijk geen effect.
De manipulatie van de beschikbaarheid van executieve processen had wel een effect op het waarnemen van de specifieke gebeurtenis waarbij de handeling moest plaatsvinden. Dit effect was echter zo klein dat het niet leidde tot meetbare effecten op de kans dat de voorgenomen handeling werd uitgevoerd. Het effect doet denken aan ander onderzoek waar is aangetoond dat cognitieve belasting kan leiden tot het blind worden voor stimuli die zich midden in het gezichtsveld bevinden.
Het proefschrift eindigt met een evaluatie van de verschillende modellen voor prospectief geheugen die in Hoofdstuk 1 waren besproken en een oproep tot een betere conceptualisering van het begrip intentie.
LINKS:
http://interruptions.net/literature/Dodhia-PS03.pdf
http://www.klipsy.unizh.ch/klipsy2/studkongress/vorlagenposter/
matthiaskliegel.pdf
http://static.highbeam.com/p/psicologica/january012001/
dissociatingprospectivememoryfromvigilanceprocesse/
http://www.tyg.jp/tgu/school_guidance/bulletin/k9/images/01mizuno.pdf
ProspectiveMemory
for Future Intentions
Setsuko Mizuno
 

Wie is online

We hebben 97 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.