drs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl 
Ed van de kerkhof in Spectrum Eindhovens Dagblad zaterdag 29 september 2007
Voor twee oud-leerlingen van het Eindhovense internaat Eikenburg is het niet voldoende dat aan het boek `Nederland en de Broeders van Liefde' is toegevoegd dat zich in de geschiedenis van de congregatie ongetwijfeld ook pijnlijke en verdrietige zaken hebben voorgedaan. Een van hen dient een klacht in wegens seksueel misbruik. In bijgaand verhaal vertellen zij over hun ervaringen.
Zeg gerust dat de broeders enorm veel goeds hebben gedaan. Dat ze fantastisch werk geleverd hebben. Benadruk dat. Waardeer dat. Maar zeg ook dat er een minderheid was die helemaal de' fout inging. Die slachtoffers maakte." De ander: ,,Door het te erkennen, zouden ze het een stuk draaglijker maken, voor mij althans."
En de een weer: „En het hoeft geen smet te zijn op hun blazoen. Juist door de erkenning van de gemaakte fouten, creëer je de ruimte te tonen hoe sterk en krachtig je bent."
De ander: „Zoals het nu staat in het boek is het alleen maar verhullend. Dit doet alleen recht aan hun geweten. Het is natuurlijk uitstekend dat ze besloten hebben niet aan bewuste ontkenning te doen, maar dat mag niet verward worden met erkenning”.
De een was negen toen hij op het internaat kwam, de ander tien. Het was midden jaren zestig, de nadagen van het Rijke Roomsche Leven. Hun ouders waren het soort middenstanders dat zelf nog op pensionaat had gezeten, waar de omgangstaal Frans was en ze fijne manieren hadden geleerd. Halverwege de jaren zestig had nog het steeds iets chics om je kinderen naar pensionaat te sturen. Het verleende maatschappelijke status. ,,Maar je mag ook niet vergeten dat veel ouders er heilig van overtuigd waren, dat het goed voor je was", zegt de een.
Binnen enkele jaren zou het allemaal anders worden, maar toen zij er kwamen, moest je nog op slaapzaal. „Je werd ingedeeld in groepen van zo'n veertig kinderen elk. We lagen in drie rijen. En aan het einde van die zaal was een klein kamertje. Daar sliep de broeder van dienst. Die deed de ronde."
De ander: „En als dan die lichten uitgingen, ging je liggen wachten. Dan kwamen die stappen. Het was net Alfred Hitchcock."
De een weer: „Wanneer houdt-ie in? Waar draait-ie af? Wanneer stopt-ie? Wie ligt daar?"
De ander: ,,En dan stopt-ie bij jouw bed."
Ze hadden geen verweer. De broeders waren bekleed met - zoals een van de twee zegt - towering authority. De daders kozen bovendien het type jongetje uit dat zich nauwelijks dorst te verweren. „Ik haal lotgenoten er nog steeds zó uit. Ze hebben hetzelfde profiel. Een bepaald soort lichaamsbouw. Een bepaalde kwetsbaarheid." Zegt de een. De ander: „Ik was een manneke van tien, zo'n lief ventje. Ik had heimwee naar huis."
De een: „Toen ik in therapie ging, heb ik The Boys of St. Vincent gezien. Onvoorstelbaar confronterend. Inde openingsscène glijdt de camera langs de naakte lijven van acht-, negen- en tienjarige jongens onder de douche. Sommige jongens hebben een bepaalde lichaamsbouw, met name aan de achterkant, die is bijna feminien. Wat die regisseur beoogde te laten zien- was dat je als gefrustreerde religieus in zo'n internaat permanent als een kat op het spek zat."
De ander: „Wij moesten vrijdags onder de douche. Er waren houten deurtjes, open aan de onderkant en open aan de bovenkant."
De een weer: „En dan moet je je voorstellen, dat je daar dan stond te wachten. Je stond je niet te wassen, maar te wachten en te hopen dat hij maar dóór zou lopen. Iedere godvergeten vrijdagavond stond je dáárop te wachten."
Weglopen had geen zin. „Eén keer ben ik weggelopen", zegt de een. „Thuis hadden ze al een telefoontje gehad. Ik werd ontvangen met een tirade over wat ik allemaal fout deed. De morgen daarop werd ik om zeven uur weer teruggebracht."
De een wist het van twee broeders, de ander van vijf. ,,Achteraf kun je stellen dat het bij sommigen op het onschuldige af was. Redelijk normale mannen, die zelf terugschrokken van wat ze deden. Seksueel gefrustreerd vanwege dat celibaat en nadien dan ook uitgetreden. Maar er zaten ook ongelooflijk vuile ratten bij. Gore smeerlappe die planmatig op zoek waren. Als kind voel je dat feilloos aan."
Je hoorde wel eens, zegt hij, dat er een broeder plotseling was overgeplaatst. Er waren dan allerlei geruchten, „maar het ging over iets, waarvan je de helft niet snapte."
De ander: Het heeft iets heel onwerkelijks. Je moet je voorstellen dat je als kind in een ruimte bent met iemand die alléén maar angst uitstraalt. Angst en lust. Maar een kind van negen heeft niets met seksualiteit. Je voelt dat er iets niet goed zit, maar je hebt geen idee wat. Je voelt dat het fout zit. Dat absorbeer je op de een of andere manier. Daarom pik je ook de schuld op. Omdat je denkt dat het aan jouw ligt. Maar het is juist de angst, het ongemak, de schuld, de frustratie die in de volwassene zit die dat complex bezorgen bij het kind."
De een: „Daar heb ik uiteindelijk het langst mee geworsteld, met het idee dat het aan mij heeft gelegen. Alsof het mijn schuld was."
Maar dat was pas nadat het kwartje opnieuw was gevallen. „Ik had het compleet verdrongen. Tot er-op mijn werk een conflict uitbrak en ik het aandurfde mijn baas te zeggen wat ik van hem vond. Dat is bij mij de trigger geweest. Eindelijk was ik in "opstand gekomen. Diezelfde nacht kwam alles terug. Ik was volledig van de kaart. Ik heb het hele jaar daarop gejankt."
Hij was toen de veertig al voorbij.
De ander: „Het is een klassiek patroon. Op het moment dat je je been op drie plekken breekt, voel je niks. Je lijf raakt in shock en ontkent als het ware de pijn. De geest kent ook zo'n mechanisme. Wanneer een kind geconfronteerd wordt met een situatie die te schokkend is om te bevatten, plaatst het de ervaring als het ware buiten de persoonlijkheid. Alsof het iemand anders is overkomen. Dat heet dissociatie. Hoe langer dat onbehandeld blijft, hoe meer schade het toebrengt."
„Wat het basically met je doet, is dat het je zelfvertrouwen verwoest. De boodschap die je de rest van je leven met je meedraagt, is dat je eigenlijk geen bestaansrecht hebt. Dus ik heb de hele negatieve spiraal meegemaakt, drugs, drank, bindingsangst, kapotte relaties. Ik heb het geluk gehad dat ik uiteindelijk een meesterlijke therapeute trof.„
Zijn behandeling duurde veertien maanden.
De een: „Een van de meest schokkende dingen die ik mij tijdens de therapie weer herinnerde was dat ik toen als kind heb overwogen om van drie hoog uit het raam te springen. Om ervan af te zijn.
De ander: ,;Je droomt ervan. Je droomt er eindeloos vaak over."
Nee, zegt de een, boos is hij allang niet meer. „Het enige waar ik me nog kwaad over maak is als ik in de krant lees dat iemand het met twee of drie kinderen gedaan heeft, en er dan met een jaar of zo vanaf komt. Omdat je, naarmate je ouder wordt, weet hoelang je `t met je meesleept."
Je moet, zegt-ie, niet de illusie hebben dat je het fenomeen kunt uitroeien. „Seksueel misbruik maakt deel uit van onze samenleving. Maar als we er met z'n allen goed op blijven letten, dan kunnen we het misschien binnen bepaalde proporties houden. We moeten er alert op blijven. Ik denk dat elke goede ouder het kan herkennen."
De ander: „Ik ben niet bezig met vergeven of verzoenen. Ik ben nogsteeds bezig het een plek te geven. Ik lig s’nachts nog steeds te vechten. En als ik een kerk zie, denk ik wel eens hoe lang het zou duren voor ik er alle glas in lood uit zou hebben gegooid. Die woedde heb ik nog steeds in me”.
‘Hier klopt niets van’
Mr. R. Maandonks, die in 1969 als jongen van de vijfde klas op Eikenburg kwam en vervolgens negen jaar intern zat, kan zich niet herkennen in het verhaal over het seksuele misbruik in het internaat. „Als ik dit lees, gaan mij de haren overeind staan. Dit kan niet. Hier wordt een beeld geschetst van iets wat ik totaal niet herken."Volgens Maandonks liepen, de broeders 's avonds wel door de slaapzaal, maar alleen om te surveilleren. ,,En dat was hoog nodig, met veertig jongens op de slaapzaal." Dat er iets onoirbaars zou zijn gebeurd kan hij zich niet voorstellen. „Veertig jongens, dat zijn tachtig ogen en tachtig oren. Wat die twee beweren te hebben meegemaakt, is dus bijna onmogelijk. Dan moeten er toch wel ontzettend veel zijn die hun mond hebben gehouden. In ieder geval: ik heb nooit rare dingen op die slaapzalen gezien."De huidige overste van Eikenburg, broeder Ton van Heugten: „Ik zeg niet dat er niks gebeurd is. Maar zoals die twee het vertellen, dat kan gewoon niet. Ik heb zelf op die slaapzalen gestaan. Het kan best zijn dat er ene was die met een van die jongens ergens naar toe is gekropen. Dat weet ik ook niet. Maar vijfbroeders? Dat kán niet kloppen.Helemaal niet."André Lubbers trauma therapeut, mede-auteur van o.a. 'Uit de schaduw' en behandelaar van één van de twee mannen: “„Het hoort bij het systeem van deze vorm van terreur dat er niet over gesproken wordt. Mannen zwijgen soms decennia over wat ze is overkomen. Daardoor lijkt het ook vaak zo ongeloofwaardig als ze er mee naar buiten komen. Het al die jaren moeten zwijgen is relatief gezien nog erger dan het gebeuren zelf. Het is als het ware een trauma op een trauma. En wat mijn client betreft: hij heeft alle kenmerken van iemand die ernstig getraumatiseerd is en veel schade heeft ondervonden . Als ik kijk naar de specifieke kenmerken van iemand die seksueel misbruikt is, ís hij wel het prototype"
‘Hier klopt niets van’
Mr. R. Maandonks, die in 1969 als jongen van de vijfde klas op Eikenburg kwam en vervolgens negen jaar intern zat, kan zich niet herkennen in het verhaal over het seksuele misbruik in het internaat. „Als ik dit lees, gaan mij de haren overeind staan. Dit kan niet. Hier wordt een beeld geschetst van iets wat ik totaal niet herken."Volgens Maandonks liepen, de broeders 's avonds wel door de slaapzaal, maar alleen om te surveilleren. ,,En dat was hoog nodig, met veertig jongens op de slaapzaal." Dat er iets onoirbaars zou zijn gebeurd kan hij zich niet voorstellen. „Veertig jongens, dat zijn tachtig ogen en tachtig oren. Wat die twee beweren te hebben meegemaakt, is dus bijna onmogelijk. Dan moeten er toch wel ontzettend veel zijn die hun mond hebben gehouden. In ieder geval: ik heb nooit rare dingen op die slaapzalen gezien."De huidige overste van Eikenburg, broeder Ton van Heugten: „Ik zeg niet dat er niks gebeurd is. Maar zoals die twee het vertellen, dat kan gewoon niet. Ik heb zelf op die slaapzalen gestaan. Het kan best zijn dat er ene was die met een van die jongens ergens naar toe is gekropen. Dat weet ik ook niet. Maar vijfbroeders? Dat kán niet kloppen.Helemaal niet."André Lubbers trauma therapeut, mede-auteur van o.a. 'Uit de schaduw' en behandelaar van één van de twee mannen: “„Het hoort bij het systeem van deze vorm van terreur dat er niet over gesproken wordt. Mannen zwijgen soms decennia over wat ze is overkomen. Daardoor lijkt het ook vaak zo ongeloofwaardig als ze er mee naar buiten komen. Het al die jaren moeten zwijgen is relatief gezien nog erger dan het gebeuren zelf. Het is als het ware een trauma op een trauma. En wat mijn client betreft: hij heeft alle kenmerken van iemand die ernstig getraumatiseerd is en veel schade heeft ondervonden . Als ik kijk naar de specifieke kenmerken van iemand die seksueel misbruikt is, ís hij wel het prototype"








