Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Rechtspraak Levenslange gevangenisstraf Arrest Hoge Raad: Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd Deel 1

Arrest Hoge Raad: Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd Deel 1

E-mail Afdrukken PDF

 favicondrs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl favicon

 

Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd
Den Haag, 16 juni 2009 - De kern van deze uitspraak is dat levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd. Het opleggen van levenslange gevangenisstraf is op zichzelf niet in strijd met het Europees verdrag voor de rechten van de mens.  Dat een dergelijke gevangenisstraf ook daadwerkelijk levenslang kan duren, levert geen strijd op met het verdrag. De verdachte mag echter niet ieder perspectief op vrijlating worden onthouden. Daarom moet er de mogelijkheid bestaan om die straf te verkorten. In Nederland bestaat die mogelijkheid omdat ook aan een levenslang gestrafte gratie kan worden verleend.

Achtergrond
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem op 18 april 2007 (LJN BA3178) veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf voor een op 4 december 2003 in Nijmegen gepleegde moord.
Zie voor deze zaak: Inhoudsopgave Levenslang Frans Boons

Het hof heeft deze straf uitvoerig gemotiveerd en gewezen op de gruwelijke wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht en op de onverschilligheid waarmee de verdachte, die al eerder voor een ernstig geweldsdelict was veroordeeld, te werk is gegaan.

De advocaten van de verdachte hadden aangevoerd dat in deze zaak een levenslange gevangenisstraf niet mocht worden opgelegd. Kern van het verweer was dat in het Nederlandse gratiebeleid tegenwoordig levenslang ook letterlijk levenslang is, zodat de veroordeelde dus tot zijn dood opgesloten moet blijven en geen enkel perspectief heeft op verkorting van de straf. Het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is volgens de verdediging daarom in strijd met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg (EHRM).
Het hof Arnhem heeft dat verweer verworpen.

Het cassatieberoep bij de Hoge Raad
De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof Arnhem.
Volgens de advocaat van de verdachte, mr. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, had het hof de verdachte geen levenslange gevangenisstraf mogen opleggen, omdat de Nederlandse wet niet voorziet in een periodieke toetsing van de tenuitvoerlegging van deze straf. Daarom wordt in strijd met de waarborgen van het EVRM de verdachte ieder perspectief op vrijlating onthouden.

Op 30 september 2008 heeft advocaat-generaal mr. G. Knigge in zijn conclusie de Hoge Raad geadviseerd de uitspraak van het hof in stand te laten. Hij heeft in een conclusie de ontwikkelingen in de rechtspraak van het Europese hof in Straatsburg uitvoerig weergegeven en kritische beschouwingen gewijd aan de Nederlandse situatie. 

Uitspraak
De Hoge Raad laat de uitspraak van het hof Arnhem in stand.
Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd. Het opleggen van levenslange gevangenisstraf is op zichzelf niet in strijd met het Europees verdrag voor de rechten van de mens.  Dat een dergelijke gevangenisstraf ook daadwerkelijk levenslang kan duren, levert geen strijd op met het verdrag. De verdachte mag echter niet ieder perspectief op vrijlating worden onthouden. Daarom moet er de mogelijkheid bestaan om die straf te verkorten. In Nederland bestaat die mogelijkheid omdat ook aan een levenslang gestrafte gratie kan worden verleend.
De Hoge Raad merkt wel op dat in 2000 de “volgprocedure langgestraften” is vervallen. Dat was een mogelijkheid om tot tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf te komen. Dat kon leiden tot ambtshalve gratieverlening en omzetting van de levenslange gevangenisstraf in een tijdelijke. Maar ook al is die regeling ingetrokken, gratie is nog steeds mogelijk, zij het dat het nu meer van het initiatief van de veroordeelde afhangt dan vroeger.
Het staat niet vast dat in Nederland een opgelegde levenslange gevangenisstraf in geen enkel geval wordt verkort, zoals de verdediging had gesteld. Maar, zo zegt de Hoge Raad, als zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in Nederland in feite nooit wordt verkort, zodat een gratieverzoek dus in alle gevallen bij voorbaat kansloos zou zijn, kan dat van betekenis zijn voor de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf of de voortzetting van deze straf zich verdraagt met de eisen die het EVRM stelt.

Gevolgen van deze uitspraak
De uitspraak van het hof Arnhem is definitief geworden.

Dit is een samenvatting van de uitspraak van de Hoge Raad van 16 juni 2009. Bij verschil tussen deze samenvatting en de volledige uitspraak is laatstgenoemde bindend.

Den Haag, 16 juni 2009
mw. mr. E. Hartogs, griffier
tel 070-3611236

LJN: BF3741, Hoge Raad , 07/10699
Print uitspraak
Datum uitspraak:
16-06-2009
Datum publicatie:
16-06-2009
Rechtsgebied:
Straf
Soort procedure:
Cassatie
Inhoudsindicatie:
Levenslange gevangenisstraf (gvs) en art. 3 en 5.4 EVRM. Is zolang de wet niet voorziet in een periodieke rechterlijke toetsing van de tenuitvoerlegging (tul) van levenslange gvs, het opleggen daarvan niet toegestaan wegens strijd met 1 of meer waarborgen van het EVRM? Aan de EHRM-jurisprudentie (o.a. EHRM Kafkaris vs. Cyprus, EHRC 2008, 52) valt niet te ontlenen dat een voorziening ter verkorting van de levenslange gvs dient te bestaan uit een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter. Volgens het EHRM is "for the purposes of article 3" voldoende dat de duur van de straf "de iure en de facto" te eniger tijd kan worden verkort. Dat neemt niet weg dat een periodieke toetsing wel geëigend kan zijn om de in art. 3 EVRM vervatte waarborg gestalte te geven. De beantwoording van de vraag of en zo ja, in welke vorm, een dergelijke wettelijke regeling is aangewezen, gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. Wat betreft de in NL bestaande mogelijkheden "to take proceedings" a.b.i. art. 5.4 EVRM t.a.v. de (verdere) tul van een opgelegde levenslange gvs, en de daarmee verband houdende mogelijkheid tot verkorting van die straf, geldt ook thans nog hetgeen tot uitdrukking is gebracht in HR LJN ZD1464, NJ 1999, 435. Aan de veroordeelde kan, ook na oplegging van een levenslange gvs, gratie worden verleend, terwijl deze voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tul van die straf. Niet zonder betekenis is echter dat de in voornoemd arrest van de HR vermelde regeling van de zogenoemde "volgprocedure langgestraften" (welke kon resulteren in “ambtshalve” gratie en omzetting van de levenslange gvs in een tijdelijke gvs waarna vervroegde invrijheidstelling mogelijk was) in 2000 is ingetrokken. Daarmee is een belangrijke mogelijkheid tot tussentijdse beoordeling van de tul van de levenslange gvs komen te vervallen. De mogelijkheid tot gratieverlening voor levenslang gestraften is niet tenietgedaan maar is thans in beginsel afhankelijk van het initiatief van de veroordeelde. De stelling dat in NL een opgelegde levenslange gvs nimmer wordt verkort, zodat de facto die mogelijkheid van verkorting niet bestaat, is een stelling van feitelijke aard die zich niet leent voor onderzoek door de HR. Die stelling is in feitelijke aanleg niet zodanig onderbouwd dat het Hof gehouden was daarop te reageren en de in de conclusie van de AG verstrekte informatie biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat een dergelijke verkorting thans in feite illusoir is. Indien evenwel zou komen vast te staan dat een levenslange gvs in feite nimmer wordt verkort, kan dat van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging of verdere voortzetting van een levenslange gvs zich verdraagt met de uit art. 3 EVRM voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafaris vs. Cyprus nader zijn omlijnd.
 
Uitspraak
16 juni 2009
Strafkamer
nr. 07/10699

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 april 2007, nummer 21/001374-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Achterhoek, locatie Ooyerhoek" te Zutphen.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof een gevoerd verweer ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.

2.2. Het Hof heeft ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen en beslist:
"Ter terechtzitting van 4 april 2007 heeft de raadsman mr. W. Anker ten aanzien van de (mogelijke) oplegging van levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met de overgelegde pleitnotitie (p. 12) het volgende aangevoerd:
"Gelet op de literatuur en de jurisprudentie op dit punt acht de verdediging schending van art. 3 en 5 van het EVRM in casu aanwezig. Wij zijn van mening dat, gelet op de feiten en omstandigheden, een levenslange gevangenisstraf in deze zaak niet kan worden opgelegd."
In aanvulling op deze passage uit de pleitnota heeft mr. Anker opgemerkt dat het 'hier aangevoerde een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreft', daarbij klaarblijkelijk doelende op artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waar is bepaald dat de rechter, indien zijn beslissing afwijkt van een onder meer door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, in het vonnis in het bijzonder de redenen dient op te geven die daartoe hebben geleid. Het hof vat het aangevoerde, in het licht van de door de raadsman gegeven toevoeging, op als een verweer, inhoudende dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf in het onderhavige geval schending oplevert van artikel 5 dan wel artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Artikel 5 EVRM heeft als doel de bescherming tegen willekeurig ingrijpen in de persoonlijke vrijheid. Met het oog daarop is vrijheidsontneming door de overheid slechts in een limitatief aangegeven aantal gevallen mogelijk. In het thans aan de orde zijnde geval is, na veroordeling door het hof, de vrijheidsbeneming toegelaten op grond van (de Hoge Raad leest:) artikel 5, lid 1, onder a, dat (in de Nederlandse vertaling) luidt:
- indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter.
Van belang in het kader van de toetsing aan deze bepaling uit artikel 5 EVRM is dat de Nederlandse wet ten aanzien van hetgeen is bewezen verklaard de oplegging door de rechter van een levenslange gevangenisstraf mogelijk maakt, hetgeen de detentie voor de duur van die straf in beginsel rechtmatig maakt. Opmerking verdient dat het EVRM - anders dan is bepaald ten aanzien van de doodstraf in artikel 1 van (de Hoge Raad leest:) het Zesde Protocol bij het Verdrag - geen verbod op de levenslange gevangenisstraf inhoudt. Tot een verdergaande toetsing van de Nederlandse wet in het kader van artikel 5 lid 1 EVRM is het hof niet gehouden. Op dit punt wordt het verweer derhalve verworpen.
Verder stelt het hof - ten overvloede - nog het volgende. Op een aantal punten heeft de raadsman (kennelijk) gerefereerd aan artikel 5 lid 4 EVRM. Daarin is bepaald dat een ieder die van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft een voorziening te vragen bij het gerecht, opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie. Voor zover de raadsman wil betogen dat oplegging van levenslange gevangenisstraf moet worden uitgesloten omdat het Nederlandse rechtstelsel op dit punt tekortschiet, deelt het hof die opvatting niet. Immers, deze bepaling mist thans toepassing nu de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf reeds berust op een rechterlijk vonnis. De tenuitvoerlegging van deze straf is in het onderhavige geval niet afhankelijk van nadere voorwaarden, op welker naleving slechts in administratief toezicht is voorzien. In zoverre is een fundamenteel verschil aanwezig met de veroordeling tot vormen van vrijheidsbeneming met een meer onbepaalde duur, zoals die in uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aan de orde is geweest. In het algemeen kan slechts worden gesteld dat niet uit te sluiten valt dat wellicht in de (verre) toekomst de vraag rijst naar de rechtmatigheid van de voortzetting van de detentie. Mocht zich een dergelijk geval voordoen - een mogelijkheid die thans geheel theoretisch genoemd moet worden - dan staat binnen het Nederlandse rechtstelsel de rechtsgang bij de voorzieningenrechter open.
Waar de raadsman heeft betoogd dat door de oplegging van een levenslange gevangenisstraf wordt gehandeld in strijd met artikel 3 EVRM verwerpt het hof dit verweer eveneens. Artikel 3 EVRM luidt (in de Nederlandse vertaling): Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Vooropgesteld moet worden dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf als zodanig geen schending van artikel 3 EVRM oplevert. Hoe bezwaarlijk een dergelijke straf ook ervaren zal worden, het enkele leed dat inherent is aan levenslange gevangenisstraf levert geen onmenselijke bestraffing op (vergelijk EHRM 11 april 2006, Léger tegen Frankrijk, application no. 19324/02, par. 93). Daarenboven kan worden vastgesteld dat de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf in het Nederlandse penitentiaire recht met een groot aantal, op de wet berustende waarborgen is omringd, zoals regels met betrekking tot het regiem in penitentiaire inrichtingen en met betrekking tot de rechtspositie van gedetineerden waaronder het klacht- en beroepsrecht van gedetineerden. Opmerking verdient ook dat binnen het gevangeniswezen een gedifferentieerd stelsel van plaatsing bestaat, waarbij is voorzien in inrichtingen of afdelingen voor gedetineerden die bijzondere opvang behoeven (artikel 14 Penitentiaire Beginselenwet) en tevens de plaatsing mogelijk is in een justitiële inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden op grond van artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht. Uitzonderlijke omstandigheden, gelegen in de persoon van de verdachte, die de detentie zouden verzwaren tot een niveau dat onmenselijk genoemd zou moeten worden zijn naar het oordeel van het hof niet gesteld of anderszins aannemelijk geworden.
Ten slotte kan in dit verband worden gewezen op het in de wet geregelde instrument van de gratie, waarbij - onder meer - gratie kan worden verleend indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Al met al levert naar het oordeel van het hof de oplegging van de levenslange gevangenisstraf geen blootstelling op aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 EVRM.
De conclusie is dat het verweer van de raadsman, dat oplegging van levenslange gevangenisstraf in het onderhavige geval in strijd is met artikel 3 dan wel artikel 5 EVRM, wordt verworpen."

2.3. Het middel en het verweer berusten in de kern op de opvatting dat zolang de wet niet voorziet in een periodieke rechterlijke toetsing van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf "het opleggen van de levenslange gevangenisstraf (ondanks de formele mogelijkheden daartoe) niet is toegestaan wegens strijd met een of meer waarborgen uit het EVRM". Wat dat laatste betreft is het middel toegespitst op de art. 3 en 5, vierde lid, EVRM.

2.4. De art. 3 en 5 EVRM luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
Art. 3:
"No one shall be subjected to torture or to inhuman treatment or punishment."

Art. 5:
"1. Everyone has the right to liberty and security
of person. No one shall be deprived of his liberty save in the following cases and in accordance with a procedure prescribed by law:
a. the lawful detention of a person after conviction by a competent court.
(...)
4. Everyone who is deprived of his liberty by arrest or detention shall be entitled to take proceedings by which the lawfulness of his detention shall be decided speedily by a court and his release ordered if the detention is not lawful."

2.5. In zijn arrest van 9 maart 1999, LJN ZD1464, NJ 1999, 435 heeft de Hoge Raad op de in de conclusie bij dat arrest genoemde gronden geoordeeld dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf geen strijd oplevert met de art. 3 en 5, vierde lid, EVRM. In het bijzonder wat betreft die laatste bepaling houdt die conclusie - tegen de achtergrond van de daarin vermelde, toenmalige jurisprudentie van het EHRM - het volgende in:
"Onze wetgeving heeft in art. 2 aanhef en onder b van de Gratiewet een grond voor gratie geformuleerd die dient te worden bezien in samenhang met art. 558 e.v. Sv, waaronder de zogeheten "volgprocedure langgestraften" ressorteert (in de regel veroordeelden tot een gevangenisstraf van zes jaar of langer). De ratio hiervan is volgens de wetgever dat zich een situatie kan ontwikkelen waarin met de verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend, op grond waarvan een verkorting van de straf door middel van gratie verantwoord wordt geacht. Gratie dient in de ogen van de wetgever, behalve als een "daad van gerechtigheid", bovendien ook als een "daad van barmhartigheid" te worden beschouwd terwijl "de betrokkenheid op het individuele geval" voorts kenmerkend is voor het gratie-instituut
21. Op grond van die "volgprocedure langgestraften" worden deze na één derde van hun straftijd aan een (nader) klinisch-psychologisch onderzoek onderworpen om te bezien of met een verdere tenuitvoerlegging in redelijkheid nog enig doel wordt gediend. Wanneer dat onderzoek negatief luidt kan hierin aanleiding worden gevonden ambtshalve gratie te verlenen. Ook veroordeelden tot levenslange gevangenisstraf komen voor die procedure in aanmerking. Bovengenoemd onderzoek kan er dan in resulteren dat die gevangenisstraf wordt omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf - het zogeheten "op jaren stellen" - waarna de gedetineerde voor vervroegde invrijheidsstelling in aanmerking komt .
22. Voorts wil ik erop wijzen dat veroordeelden, naast het in aanmerking kunnen komen voor evenbedoelde vorm van ambtshalve gratiëring, ook uit eigen beweging om toepassing van de in art. 2 Gratiewet neergelegde gratiegronden kunnen verzoeken. Dit kan met vrucht plaatsvinden wanneer sprake is van een novum, dus een wijziging van de omstandigheden van de veroordeelde ten opzichte van die ten tijde van de strafoplegging, zoals - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - een ernstige ziekte die zich later bij de veroordeelde heeft ontwikkeld. Hierbij is mede van belang dat uit art. 3, vierde lid, Gratiewet en art. 559d Sv kan worden opgemaakt dat verzoeken om gratie - ook na daaraan voorafgegane afwijzingen - steeds opnieuw kunnen worden ingediend, waarbij in elk geval die gratieverzoeken die op dezelfde grond maar buiten de termijn van een jaar zijn ingediend opnieuw aan de rechter die de straf heeft opgelegd om advies moeten worden voorgelegd. Een tot levenslang veroordeelde beschikt dus ook levenslang over het recht om gratieverzoeken in te dienen.
23. Tot slot heeft de veroordeelde, indien deze de mening is toegedaan dat de executie van de (levenslange) gevangenisstraf - op welke grond dan ook - niet langer als rechtmatig kan worden beoordeeld, te allen tijde de mogelijkheid de burgerlijke rechter (via een kort geding tegen de Staat) te adiëren.
24. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 17-19 is overwogen, meen ik dat het hof met zijn oplegging van de levenslange gevangenisstraf aan verzoeker art. 5, vierde lid, EVRM niet geschonden heeft. Verzoeker heeft immers altijd de mogelijkheid de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf ter toetsing van de rechter te brengen, dan wel om dienaangaande van zijn recht om gratieverzoeken in te dienen gebruik te maken waaromtrent evenbedoelde rechter zich via zijn advies dient uit te laten, terwijl voorts de Staat ambtshalve toetst of die gevangenisstraf moet worden omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf waardoor verzoeker voor vervroegde invrijheidsstelling in aanmerking komt. Door deze (bijzondere) rechtswegen is ook de doelstelling van het bepaalde in art. 5 EVRM, te weten te voorkomen dat personen op willekeurige wijze van hun vrijheid worden beroofd, gewaarborgd."

2.6. Op het in dat arrest besloten liggende oordeel omtrent de aard van de levenslange gevangenisstraf is de Hoge Raad, anders dan wel wordt afgeleid uit zijn arrest van 14 maart 2006, LJN AU5496, NJ 2007, 345 nadien niet teruggekomen.
De in laatstgenoemd arrest opgenomen overweging dat de rechter met het opleggen van een levenslange gevangenisstraf beoogt te voorkomen dat de veroordeelde nog terugkeert in de samenleving, moet worden gezien in het licht van de toen aan de orde gestelde rechtsvraag of in dezelfde zaak naast een levenslange vrijheidsstraf een terbeschikkingstelling met dwangverpleging kon worden opgelegd. Die vraag is toen ontkennend beantwoord en daarbij zijn de grondtrekken van beide sancties tegen elkaar afgezet. Met de desbetreffende overweging over de positie van de strafrechter ten tijde van de straftoemeting is echter niet geoordeeld dat een eenmaal opgelegde levenslange gevangenisstraf nadien niet zou kunnen worden verkort.

2.7. Het EHRM heeft in de zaak Kafkaris vs. Cyprus, ECHR (GC), 12 februari 2008, appl. nr. 21906/04, EHRC 2008, 52, het volgende geoordeeld:
"95. Article 3 of the Convention enshrines one of the most fundamental values of democratic society. It prohibits in absolute terms torture or inhuman or degrading treatment or punishment, irrespective of the circumstances and the victim's behaviour (see, for example, Labita v. Italy [GC], no. 26772/95, par. 119, ECHR 2000-IV). Ill-treatment must attain a minimum level of severity if it is to fall within the scope of Article 3. The assessment of this minimum depends on all the circumstances of the case, such as the duration of the treatment, its physical or mental effects and, in some cases, the sex, age and state of health of the victim (see Ireland v. the United Kingdom, 18 January 1978, Series A no. 25, p. 65, par. 162).
96. The Court has consistently stressed that the suffering and humiliation involved must in any event go beyond that inevitable element of suffering or humiliation connected with a given form of legitimate treatment or punishment. Measures depriving a person of his liberty may often involve such an element. In accordance with Article 3 of the Convention the State must ensure that a person is detained under conditions which are compatible with respect for his human dignity and that the manner and method of the execution of the measure do not subject him to distress or hardship exceeding the unavoidable level of suffering inherent in detention (see Kudla v. Poland [GC], no. 30210/96, paras. 92-94, ECHR 2000-XI).
97. The imposition of a sentence of life imprisonment on an adult offender is not in itself prohibited by or incompatible with Article 3 or any other Article of the Convention (see, inter alia, among many authorities, Kotälla v. the Netherlands, no. 7994/77, Commission decision of 6 May 1978, Decisions and Reports (DR) 14, p. 238; Bamber v. the United Kingdom, no. 13183/87, Commission decision of 14 December 1988; and Sawoniuk v. the United Kingdom (dec.), no. 63716/00, ECHR 2001-VI). At the same time, however, the Court has also held that the imposition of an irreducible life sentence on an adult may raise an issue under Article 3 (see, inter alia, Nivette v. France (dec.), no. 44190/98, ECHR 2001-VII; Einhorn, cited above; Stanford v. the United Kingdom (dec.), no. 73299/01, 12 December 2002; and

Wynne v. the United Kingdom(dec.), no. 67385/01, 22 May 2003).
98. In determining whether a life sentence in a given case can be regarded as irreducible the Court has sought to ascertain whether a life prisoner can be said to have any prospect of release. An analysis of the Court's case-law on the subject discloses that where national law affords the possibility of review of a life sentence with a view to its commutation, remission, termination or the conditional release of the prisoner, this will be sufficient to satisfy Article 3. The Court has held, for instance, in a number of cases that where detention was subject to review for the purposes of parole after the expiry of the minimum term for serving the life sentence, that it could not be said that the life prisoners in question had been deprived of any hope of release (see, for example, Stanford, cited above; Hill v. the United Kingdom (dec.), no. 19365/02, 18 March 2003; and Wynne, cited above). The Court has found that this is the case even in the absence of a minimum term of unconditional imprisonment and even when the possibility of parole for prisoners serving a life sentence is limited (see for example, Einhorn(cited above, paras. 27 and 28). It follows that a life sentence does not become ''irreducible'' by the mere fact that in practice it may be served in full. It is enough for the purposes of Article 3 that a life sentence is de jure and de facto reducible.
99. Consequently, although the Convention does not confer, in general, a right to release on licence or a right to have a sentence reconsidered by a national authority, judicial or administrative, with a view to its remission or termination(see, inter alia, Kotälla and Bamber, both cited above; and Treholt v. Norway, no. 14610/89, Commission decision of 9 July 1991, DR 71, p. 168), it is clear from the relevant case-law that the existence of a system providing for consideration of the possibility of release is a factor to be taken into account when assessing the compatibility of a particular life sentence with Article 3. In this context, however, it should be observed that a State's choice of a specific criminal justice system, including sentence review and release arrangements, is in principle outside the scope of the supervision the Court carries out at European level, provided that the system chosen does not contravene the principles set forth in the Convention (see, mutatis mutandis, Achour v. France [GC], no. 67335/01, par. 51, ECHR 2006-IV)."

2.8. Uit dat arrest volgt dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan meerderjarige verdachten op zichzelf niet onverenigbaar is met art. 3 EVRM en evenmin met enige andere bepaling van dat verdrag. Dat zou in het bijzonder in het licht van de in art. 3 EVRM vervatte waarborg anders kunnen zijn indien die straf als "irreducible" moet worden beschouwd. Een factor die daarbij in aanmerking moet worden genomen is of in het nationale recht is voorzien in de mogelijkheid om de duur van die straf te verkorten. De verdachte aan wie de straf wordt opgelegd mag niet ieder perspectief op vrijlating worden onthouden. Het enkele feit dat de duur van de straf in een concreet geval ook de facto levenslang is, brengt echter niet mee dat de straf in dat geval als "irreducible" heeft te gelden en met art. 3 EVRM niet zou zijn te verenigen.

2.9. Anders dan het middel voorstaat, valt aan de jurisprudentie van het EHRM niet te ontlenen dat een dergelijke voorziening ter verkorting van de levenslange gevangenisstraf dient te bestaan uit een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling van de straf door een rechter. Volgens het EHRM is "for the purposes of article 3" voldoende dat de duur van de straf "de iure en de facto" te eniger tijd kan worden verkort. Dat neemt niet weg dat een toetsing als door het middel wordt bepleit vanuit het perspectief van de door het EHRM genoemde "purposes of article 3" wel geëigend kan zijn om de in die verdragsbepaling vervatte waarborg gestalte te geven. De beantwoording van de vraag of en zo ja, in welke vorm, een dergelijke wettelijke regeling is aangewezen, gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.

2.10. Wat betreft de in Nederland bestaande mogelijkheden "to take proceedings", als bedoeld in art. 5, vierde lid, EVRM ten aanzien van de (verdere) tenuitvoerlegging van een opgelegde levenslange gevangenisstraf, en de daarmee verband houdende mogelijkheid tot verkorting van die straf, geldt ook thans nog hetgeen tot uitdrukking is gebracht in het arrest van de Hoge Raad van 9 maart 1999, LJN ZD1464, NJ 1999, 435. Aan de veroordeelde kan, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie worden verleend, terwijl deze voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf.

2.11.1. Gratie kan onder meer worden verleend indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (art. 2, sub b, Gratiewet).
In de memorie van toelichting is die bepaling als volgt toegelicht:
"Met name bij langere vrijheidsstraffen kan zich een situatie ontwikkelen waarin met de verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend, zodat verkorting van de straf door middel van gratie verantwoord wordt geacht."(Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 15)

2.11.2. Niet zonder betekenis is echter dat de in voornoemd arrest van de Hoge Raad vermelde regeling van de zogenoemde "volgprocedure langgestraften" in 2000 is ingetrokken. Daarmee is een belangrijke mogelijkheid tot tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf komen te vervallen. Die procedure voorzag immers ook ten aanzien van levenslang gestraften in een klinisch-psychologisch onderzoek nadat een gedeelte van de straftijd was ondergaan, mede om te bezien of met verdere tenuitvoerlegging van de straf nog enig met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid werd gediend. Dat onderzoek kon erin resulteren dat op grond van art. 19 Gratiewet "ambtshalve" gratie werd verleend en dat de levenslange gevangenisstraf werd omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf, waarna vervroegde invrijheidstelling mogelijk was. Nochtans is met de intrekking van genoemde regeling de mogelijkheid tot gratieverlening voor levenslang gestraften niet tenietgedaan, zij het dat die mogelijkheid thans in beginsel afhankelijk is van het initiatief van de veroordeelde.

2.12. In het verband van de aan het verweer en het middel ten grondslag liggende opvatting wordt nog de stelling betrokken dat in Nederland een opgelegde levenslange gevangenisstraf nimmer wordt verkort, zodat de facto die mogelijkheid van verkorting niet bestaat. Dat is een stelling van feitelijke aard die zich niet leent voor onderzoek door de Hoge Raad. Die stelling is in feitelijke aanleg niet zodanig onderbouwd dat het Hof gehouden was daarop te reageren.
De dienaangaande in de conclusie van de Advocaat-Generaal verstrekte informatie biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat, niettegenstaande de hiervoor besproken mogelijkheden tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, een dergelijke verkorting thans in feite illusoir is. Indien evenwel zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in feite nimmer wordt verkort, kan dat van betekenis zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf dan wel verdere voortzetting van een dergelijke straf zich verdraagt met de uit art. 3 EVRM voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafaris vs. Cyprus nader zijn omlijnd.

2.13. Uit het voorgaande volgt dat het Hof het verweer terecht heeft verworpen, zodat de tegen dat oordeel gerichte motiveringsklachten verder geen bespreking behoeven.

2.14. Het middel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 16 juni 2009.
Conclusie
Nr. 07/10699
Mr. Knigge
Zitting: 30 september 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "moord" veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

2. Namens de verdachte heeft mr. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof het verweer dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in de onderhavige zaak een schending oplevert van artt. 3 en 5 EVRM, ten onrechte of althans op onjuiste gronden heeft verworpen. Het gaat daarbij kort gezegd om de vraag of levenslang letterlijk mag worden genomen, zodat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf als regel meebrengt dat de veroordeelde tot aan zijn dood wordt opgesloten.

4. Inhoudsopgave

5. De overwegingen van het Hof Arnhem
6. NJ 1999, 435: heroverweging nodig
7. De ontwikkeling in de jurisprudentie van het Europese Hof
7.1 De dynamiek in de Straatsburgse benadering
7.2 Art. 5 lid 1 EVRM
7.3 Art. 5 lid 4 EVRM
7.4 Art. 3 EVRM
8. De ontwikkeling in de Nederlandse situatie
9. Beoordeling van het middel
10. Samenvatting en conclusie

5. De overwegingen van het Hof Arnhem

5.1 Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat hij:

"op 4 december 2003 te Nijmegen opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een bats, althans met een hard voorwerp op het lichaam en/of hoofd heeft geslagen en vervolgens heeft begraven, waarna [slachtoffer] is gestikt, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden."

Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Hof heeft de oplegging van die straf uitvoerig gemotiveerd, waarbij het heeft gewezen op de gruwelijke wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht en op de onverschilligheid waarmee hij te werk is gegaan. Het Hof rekent hem voorts aan dat hij "ook nu nog" geen blijk heeft gegeven van inzicht in het leed dat hij het slachtoffer heeft aangedaan. Ook wijst het Hof erop dat verdachte reeds eerder voor een ernstig geweldsdelict is veroordeeld en dat die veroordeling hem er niet van heeft weerhouden om het onderhavige feit te plegen. Daarop laat het Hof volgen:

"Dat maakt dat er gegronde vrees bestaat dat verdachte nogmaals een zeer ernstig delict begaat, hetgeen ter bescherming van de maatschappij zo goed als maar enigszins mogelijk is moet worden uitgesloten. Het hof is van oordeel dat de ernst van het thans bewezen verklaarde feit, in combinatie met het recidivegevaar dat van verdachte uitgaat, het opleggen van levenslange gevangenisstraf onontkoombaar maakt."

De opgelegde straf vindt haar grond derhalve niet uitsluitend in punitieve (vergeldende) overwegingen, maar mede in omstandigheden die - om met het Europese Hof te spreken - "susceptible to change" zijn. Dat geldt in het bijzonder voor het recidivegevaar, maar wellicht ook voor het gebrek aan berouw.

5.2 In de schriftuur wordt het daarin bedoelde verweer, zoals dat blijkens de ter zitting overgelegde pleitnota (pp 10 - 12) is gevoerd, integraal weergegeven. Ten aanzien van dat verweer, heeft het Hof in zijn arrest het volgende overwogen.

"Ter terechtzitting van 4 april 2007 heeft de raadsman mr. W. Anker ten aanzien van de (mogelijke) oplegging van levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met de overgelegde pleitnotitie (p. 12) het volgende aangevoerd:
"Gelet op de literatuur en de jurisprudentie op dit punt acht de verdediging schending van art. 3 en 5 van het EVRM in casu aanwezig. Wij zijn van mening dat, gelet op de feiten en omstandigheden, een levenslange gevangenisstraf in deze zaak niet kan worden opgelegd."
In aanvulling op deze passage uit de pleitnota heeft mr. Anker opgemerkt dat het 'hier aangevoerde een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreft', daarbij klaarblijkelijk doelende op artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waar is bepaald dat de rechter, indien zijn beslissing afwijkt van een onder meer door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, in het vonnis in het bijzonder de redenen dient op te geven die daartoe hebben geleid.
Het hof vat het aangevoerde, in het licht van de door de raadsman gegeven toevoeging, op als een verweer, inhoudende dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf in het onderhavige geval schending oplevert van artikel 5 dan wel artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Artikel 5 EVRM heeft als doel de bescherming tegen willekeurig ingrijpen in de persoonlijke vrijheid. Met het oog daarop is vrijheidsontneming door de overheid slechts in een limitatief aangegeven aantal gevallen mogelijk. In het thans aan de orde zijnde geval is, na veroordeling door het hof, de vrijheidsbeneming toegelaten op grond van artikel 1 lid 1 onder a, dat (in de Nederlandse vertaling) luidt:
-indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door eendaartoe bevoegde rechter.

Van belang in het kader van de toetsing aan deze bepaling uit artikel 5 EVRM is dat de Nederlandse wet ten aanzien van hetgeen is bewezen verklaard de oplegging door de rechter van een levenslange gevangenisstraf mogelijk maakt, hetgeen de detentie voor de duur van die straf in beginsel rechtmatig maakt. Opmerking verdient dat het EVRM - anders dan is bepaald ten aanzien van de doodstraf in artikel 1 van het Vierde Protocol bij het Verdrag - geen verbod op de levenslange gevangenisstraf inhoudt. Tot een verdergaande toetsing van de Nederlandse wet in het kader van artikel 5 lid 1 EVRM is het hof niet gehouden. Op dit punt wordt het verweer derhalve verworpen."

Verder stelt het hof - ten overvloede - nog het volgende. Op een aantal punten heeft de raadsman (kennelijk) gerefereerd aan artikel 5 lid 4 EVRM. Daarin is bepaald dat een ieder die van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft een voorziening te vragen bij het gerecht, opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie. Voor zover de raadsman wil betogen dat oplegging van levenslange gevangenisstraf moet worden uitgesloten omdat het Nederlandse rechtstelsel op dit punt tekortschiet, deelt het hof die opvatting niet. Immers, deze bepaling mist thans toepassing nu de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf reeds berust op een rechterlijk vonnis. De tenuitvoerlegging van deze straf is in het onderhavige geval niet afhankelijk van nadere voorwaarden, op welker naleving slechts in administratief toezicht is voorzien. In zoverre is een fundamenteel verschil aanwezig met de veroordeling tot vormen van vrijheidsbeneming met een meer onbepaalde duur, zoals die in uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aan de orde is geweest. In het algemeen kan slechts worden gesteld dat niet uit te sluiten valt dat wellicht in de (verre) toekomst de vraag rijst naar de rechtmatigheid van de voortzetting van de detentie. Mocht zich een dergelijk geval voordoen - een mogelijkheid die thans geheel theoretisch genoemd moet worden - dan staat binnen het Nederlandse rechtstelsel de rechtsgang bij de voorzieningenrechter open.

Waar de raadsman heeft betoogd dat door de oplegging van een levenslange gevangenisstraf wordt gehandeld in strijd met artikel 3 EVRM verwerpt het hof dit verweer eveneens. Artikel 3 EVRM luidt (in de Nederlandse vertaling): Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Vooropgesteld moet worden dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf als zodanig geen schending van artikel 3 EVRM oplevert. Hoe bezwaarlijk een dergelijke straf ook ervaren zal worden, het enkele leed dat inherent is aan levenslange gevangenisstraf levert geen onmenselijke bestraffing op (vergelijk EHRM 11 april 2006, Léger tegen Frankrijk, application no. 19324/02, par. 93). Daarenboven kan worden vastgesteld dat de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf in het Nederlandse penitentiaire recht met een groot aantal, op de wet berustende waarborgen is omringd, zoals regels met betrekking tot het regiem in penitentiaire inrichtingen en met betrekking tot de rechtspositie van gedetineerden waaronder het klacht- en beroepsrecht van gedetineerden. Opmerking verdient ook dat binnen het gevangeniswezen een gedifferentieerd stelsel van plaatsing bestaat, waarbij is voorzien in inrichtingen of afdelingen voor gedetineerden die bijzondere opvang behoeven (artikel 14 Penitentiaire Beginselenwet) en tevens de plaatsing mogelijk is in een justitiële inrichting voor verpleging van terbeschikking-gestelden op grond van artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht. Uitzonderlijke omstandigheden, gelegen in de persoon van de verdachte, die de detentie zouden verzwaren tot een niveau dat onmenselijk genoemd zou moeten worden zijn naar het oordeel van het hof niet gesteld of anderszins aannemelijk geworden.

Ten slotte kan in dit verband worden gewezen op het in de wet geregelde instrument van de gratie, waarbij - ondermeer - gratie kan worden verleend indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Al met al levert naar het oordeel van het hof de oplegging van de levenslange gevangenisstraf geen blootstelling op aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 EVRM.

De conclusie is dat het verweer van de raadsman, dat oplegging van levenslange gevangenisstraf in het onderhavige geval in strijd is met artikel 3 dan wel artikel 5 EVRM, wordt verworpen."

6. NJ 1999, 435: heroverweging nodig

6.1 In 1999 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de oplegging van een levenslange gevangenisstraf en de mogelijke strijdigheid daarvan met art. 3 EVRM en art. 5 lid 4 EVRM.(1) De Hoge Raad oordeelde dat van strijd geen sprake was en verwees daarbij naar de gronden zoals vermeld in de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg, welke ik hieronder aanhaal.

"10. Voor de stelling dat van een inhumane straf in de zin van art. 3 EVRM sprake is, indien een gestrafte tijdens de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf zou komen te overlijden, en dat daarom geen levenslange gevangenisstraf zou mogen worden opgelegd naast een reeds eerder opgelegde lange gevangenisstraf (van acht jaar), heb ik buiten het middel geen steun kunnen vinden noot 4.
Het middel faalt dus in zoverre.
11. Ten overvloede, en de ongewisse op de toekomst gerichte blik van de steller van het middel volgend, kan hier nog aan worden toegevoegd dat er ook geen sprake is van schending van art. 3 EVRM wanneer de Staat bij ernstige achteruitgang van de gezondheidstoestand van een veroordeelde voortgaat met de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf, mits aan hem een passende medische verzorging wordt verstrekt. noot 5
12. Overigens is het, op grond van de onderscheiden posities in onze rechtsstaat met betrekking tot de strafoplegging en de strafexecutie, nog maar de vraag of de in het middel bedoelde gevangenisstraffen daadwerkelijk leiden tot de uitkomst dat verzoeker in de gevangenis zal komen te overlijden. Ook levenslange gevangenisstraffen kunnen immers voor (ambtshalve) gratiëring in aanmerking komen, bijvoorbeeld door omzetting van de levenslange gevangenisstraf in een tijdelijke. Deze vraag is er in elk geval niet een die de rechter aangaat noot 6.
13. Voorzover het middel voortborduurt op de stelling dat op grond van de in het middel genoemde cumulatie van gevangenisstraffen te dezen de "absolute grens " van art. 10, vierde lid, Sr is overschreden, volsta ik ermee erop te wijzen dat hiermee wordt miskend dat deze bepaling, inhoudende "zij kan in geen geval de tijd van twintig jaren te boven gaan", (alleen al gelet op de redactie van deze bepaling) uitsluitend ziet op een tijdelijke gevangenisstraf noot 7, terwijl het hof aan verzoeker een levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd.
14. Voorzover het middel tot slot stelt dat verzoeker "meent dat de straf op geen enkele wijze rekening houdt met enige, mogelijke terugkeer in de maatschappij en kennelijk alleen uitgaat van beveiliging", waarmee de "resocialisatie-gedachte een gotspe" is, faalt het eveneens. Aan art. 26 Beginselenwet gevangeniswezen waarop het middel doelt kan niet een zodanig argument worden ontleend. In deze bepaling, die uitgaat van het meest gebruikelijke geval dat de veroordeelde op een gegeven moment in de maatschappij terugkeert, ligt namelijk niet een aanspraak van iedere veroordeelde op invrijheidsstelling besloten noot 8.
(...)
17. Het Europese Hof heeft eerst in de zaak Weeks (EHRM 2 maart 1987, A 114) en later in de zaak Thynne, Wilson en Gunnell (EHRM 25 oktober 1990, A 190-A) met betrekking tot de executie van een levenslange gevangenisstraf geoordeeld dat de door art. 5, vierde lid, EVRM gevergde "supervision" niet reeds besloten ligt in de beslissing van de (Engelse) rechter tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf, maar dat beslissend is "the nature and purpose of the detention in question, viewed in the light of the objectives of the sentencing court".
18. Het Europese Hof heeft evengenoemd standpunt nader verduidelijkt in EHRM 18 juli 1994, NJ 1995, 234 (Wynne v. UK) m.nt. Kn. Het Europese Hof maakt in die uitspraak een onderscheid. Wynne had aanvankelijk wegens moord een "mandatory life sentence" opgelegd gekregen en, wegens na voorwaardelijke invrijheidsstelling begane doodslag, tevens een "discretionary life sentence". Het Hof stelde vast dat de daaropvolgende detentie van de veroordeelde uiteindelijk op de mandatory life sentence - waarvan de v.i. was herroepen - berustte. Dat onderscheid is als volgt:
a) mandatory life sentences betreffen de (automatische) oplegging van levenslange gevangenisstraf die imperatief door de wet wordt voorgeschreven, dus ongeacht de gevaarlijkheid van de dader; zij zijn gelet op de hierboven genoemde maatstaf van het Hof, in essentie punitief van aard;
b) discretionary life sentences, oftewel "measures to deal with mentally unstable and dangerous offenders", bevatten gelet op de hierboven genoemde maatstaf in essentie deels "punitive elements", nl. gericht op vergelding en afschrikking, en deels "security elements", dus gericht op maatschappijbeveiliging.
19. Het Europese Hof heeft in deze zaak geoordeeld dat, in aanmerking genomen dat de onder a. bedoelde oplegging van een levenslange gevangenisstraf ook kan plaatsvinden ten aanzien van geestelijk gezonde en ongevaarlijke daders, die oplegging haar rechtvaardiging geheel vindt in de ernst van het feit, waaraan de praktijk van de tenuitvoerlegging niet kan afdoen.
Op deze grond oordeelt het Hof dat in zo'n geval is voldaan aan het vereiste van art. 5, vierde lid, EVRM, en dat de veroordeelde, gelet op het overwegend punitieve karakter van de opgelegde straf, aan deze bepaling niet het recht kan ontlenen opnieuw de rechtmatigheid ervan te laten beoordelen. Anders ligt dit naar het oordeel van het Straatsburgse Hof bij de discretionary life sentences, de categorie b. omdat - kort samengevat - na verloop van tijd kan blijken dat voor de aanwezigheid van het ten tijde van een zodanige veroordeling bestaande strafelement dat is gericht op beveiliging van de maatschappij niet langer behoeft te worden gevreesd. De notie die in art. 5, vierde lid, EVRM is neergelegd vigeert in een dergelijke situatie dus wel.
Het Hof blijft bij dit reeds eerder ingenomen standpunt en stelt dat dit geschiedt tegen de volgende achtergrond. Ik citeer:
"As observed by the House of Lords in R. v. Secretary of State, ex parte Doody, while the two types of life sentence may now be converging there remains nonetheless, on the statutory framework, the underlying theory and the current practice, a substantial gap between them. This is borne out by the very facts inter alia relied on by the life sentence the release of the prisoner is entirely a matter within the discretion of the Secretary of State who is not bound by the judicial recommendation as to the length of the tariff period and who is free under English law to have regard to other criteria than dangerousness, following the expiry of the "tariff" period, in deciding whether the prisoner should be released. It is further reflected in the decision of Parliament to limit the application of the new procedures in the 1991 Act to descretionary life sentences only, even in cases like the present where the prisoner is serving both a mandatory and a discretionary life sentence."
20. Voor de implicaties van bovenstaande uitspraak voor de situatie waarin tot levenslang veroordeelden zich in ons land bevinden, is van belang dat onze wetgever niet alleen de in de bovenstaande overwegingen neergelegde door het Europese Hof geëxpliciteerde belangen van veroordeelden volledig erkent, maar daaraan ook al uitdrukkelijk is tegemoetgekomen. Onze wetgeving heeft in art. 2 aanhef en onder b van de Gratiewet een grond voor gratie geformuleerd die dient te worden bezien in samenhang met art. 558 e.v. Sv, waaronder de zogeheten "volgprocedure langgestraften" ressorteert (in de regel veroordeelden tot een gevangenisstraf van zes jaar of langer) noot 9. De ratio hiervan is volgens de wetgever dat zich een situatie kan ontwikkelen waarin met de verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend, op grond waarvan een verkorting van de straf door middel van gratie verantwoord wordt geacht noot 10. Gratie dient in de ogen van de wetgever, behalve als een "daad van gerechtigheid", bovendien ook als een "daad van barmhartigheid" te worden beschouwd noot 11, terwijl "de betrokkenheid op het individuele geval" voorts kenmerkend is voor het gratie-instituut noot 12.
21. Op grond van die "volgprocedure langgestraften" worden deze na één derde van hun straftijd aan een (nader) klinisch-psychologisch onderzoek onderworpen om te bezien of met een verdere tenuitvoerlegging in redelijkheid nog enig doel wordt gediend. Wanneer dat onderzoek negatief luidt kan hierin aanleiding worden gevonden ambtshalve gratie te verlenen. Ook veroordeelden tot levenslange gevangenisstraf komen voor die procedure in aanmerking. Bovengenoemd onderzoek kan er dan in resulteren dat die gevangenisstraf wordt omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf - het zogeheten "op jaren stellen" - waarna de gedetineerde voor vervroegde invrijheidsstelling in aanmerking komt noot 13.
22. Voorts wil ik erop wijzen dat veroordeelden, naast het in aanmerking kunnen komen voor evenbedoelde vorm van ambtshalve gratiëring, ook uit eigen beweging om toepassing van de in art. 2 Gratiewet neergelegde gratiegronden kunnen verzoeken noot 14. Dit kan met vrucht plaatsvinden wanneer sprake is van een novum, dus een wijziging van de omstandigheden van de veroordeelde ten opzichte van die ten tijde van de strafoplegging, zoals - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - een ernstige ziekte die zich later bij de veroordeelde heeft ontwikkeld noot 15. Hierbij is mede van belang dat uit art. 3, vierde lid, Gratiewet en art. 559d Sv kan worden opgemaakt dat verzoeken om gratie - ook na daaraan voorafgegane afwijzingen - steeds opnieuw kunnen worden ingediend, waarbij in elk geval die gratieverzoeken die op dezelfde grond maar buiten de termijn van een jaar zijn ingediend opnieuw aan de rechter die de straf heeft opgelegd om advies moeten worden voorgelegd. Een tot levenslang veroordeelde beschikt dus ook levenslang over het recht om gratieverzoeken in te dienen.
23. Tot slot heeft de veroordeelde, indien deze de mening is toegedaan dat de executie van de (levenslange) gevangenisstraf - op welke grond dan ook - niet langer als rechtmatig kan worden beoordeeld, te allen tijde de mogelijkheid de burgerlijke rechter (via een kort geding tegen de Staat) te adiëren.
24. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 17-19 is overwogen, meen ik dat het hof met zijn oplegging van de levenslange gevangenisstraf aan verzoeker art. 5, vierde lid, EVRM niet geschonden heeft. Verzoeker heeft immers altijd de mogelijkheid de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf ter toetsing van de rechter te brengen, dan wel om dienaangaande van zijn recht om gratieverzoeken in te dienen gebruik te maken waaromtrent evenbedoelde rechter zich via zijn advies dient uit te laten noot 16, terwijl voorts de Staat ambtshalve toetst of die gevangenisstraf moet worden omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf waardoor verzoeker voor vervroegde invrijheidsstelling in aanmerking komt. Door deze (bijzondere) rechtswegen is ook de doelstelling van het bepaalde in art. 5 EVRM, te weten te voorkomen dat personen op willekeurige wijze van hun vrijheid worden beroofd noot 17, gewaarborgd."

6.2 Deze uitspraak is de steller van het middel niet onbekend. In het verweer voor het Hof werd door de verdediging op dit arrest gewezen, waarbij werd betoogd dat de "overwegingen van destijds van de Hoge Raad (...) thans niet meer onverkort geldig" zijn. Gewezen werd op het veranderde gratiebeleid, waardoor één van de fundamenten aan het arrest ontvallen zou zijn. Gewezen werd ook op nieuwe jurisprudentie van het EHRM en op daarop gebaseerde kritische beschouwingen in de literatuur. Het middel bouwt daarop voort. De steller van het middel hoopt dat de Hoge Raad "een kritisch arrest" zal wijzen waarin - naar ik meen te mogen begrijpen - op het arrest uit 1999 wordt teruggekomen.

6.3 Ik kan de steller van het middel in elk geval in zoverre volgen dat er aanleiding is om de kwestie opnieuw te bezien. Die aanleiding is tweeërlei. In de eerste plaats geven de jurisprudentiële ontwikkelingen in Straatsburg daartoe aanleiding. Het arrest waarop mijn ambtgenoot Jörg zijn betoog bouwde (Wynne v. UK) is inmiddels achterhaald door de uitspraak in de zaak Stafford v. UK (EHRM 28 mei 2002, appl. no. 46295/99). Daarbij voegen zich de uitspraken in onder meer de zaak Léger v. France (EHRM 11 april 2006, appl. no. 19324/02) en in de zaak Kafkaris v. Cyprus (EHRM 12 febr. 2008, EHRC 2008, 52). Op de zaak Léger werd in feitelijke aanleg een beroep gedaan. De uitspraak in deze zaak is nog niet onherroepelijk. Zij is op verzoek van de klager voorgelegd aan de Grand Chamber; naar ik heb begrepen wordt een beslissing op zijn vroegst dit najaar verwacht. De uitspraak in de zaak Kafkaris (van de Grand Chamber) is gewezen nadat de schriftuur werd ingediend.

6.4 In de tweede plaats geven ontwikkelingen in het Nederlandse gratiebeleid aanleiding om de kwestie opnieuw te bezien. Daarbij gaat het in het bijzonder om de constateringen die gedaan zijn in het op 1 december 2006 uitgebrachte advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) onder de titel: Levenslang; perspectief op verandering en de reacties daarop van de verantwoordelijke bewindspersonen. Daaruit lijkt de conclusie te moeten worden getrokken dat de mogelijkheid van gratiëring vrijwel uitgesloten is.

6.5 Ik zal eerst de ontwikkelingen in de Straatsburgse rechtspraak bespreken en daarbij een antwoord proberen te geven op de vraag of een levenslange opsluiting zonder perspectief op vrijlating in strijd komt met het EVRM. Vervolgens zal ik ingaan op de ontwikkelingen in het Nederlandse gratiebeleid. Daarna zal ik een conclusie trekken.

6.6 Om bij het eind te beginnen: mijn conclusie zal zijn dat het cassatieberoep dient te worden verworpen. Niet echter omdat het Nederlandse beleid inzake de tenuitvoerlegging van levenslange gevangenisstraffen de toets van de Straatsburgse kritiek kan doorstaan. In zoverre meen ik dus dat afstand moet worden genomen van het boven genoemde arrest uit 1999. Mijn stelling is dat het middel verworpen moet worden ondanks het feit dat de Nederlandse law and practice met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf op gespannen voet staat met de eisen die uit het EVRM voortvloeien.

Zie voor het vervolg deel 2: Arrest Hoge Raad: Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd Deel 2
favicondrs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl favicon

 

Wie is online

We hebben 84 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.