Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Rechtspraak Levenslange gevangenisstraf Arrest Hoge Raad: Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd Deel 2

Arrest Hoge Raad: Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd Deel 2

E-mail Afdrukken PDF

favicondrs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl favicon 

 

7. De ontwikkeling in de jurisprudentie van het Europese Hof

7.1 De dynamiek in de Straatsburgse benadering

7.1.1 Zoals gezegd is het EHRM in de zaak Stafford v. UK teruggekomen op zijn in de zaak Wynne gegeven oordeel. Op de betekenis daarvan kom ik nog te spreken. Hier wil ik erop wijzen dat het Hof deze omslag in zijn jurisprudentie motiveerde met een beroep op het concept van de dynamische verdragsinterpretatie. Het Hof overwoog (§ 68) :

"While the Court is not formally bound to follow any of its previous judgments, it is in the interests of legal certainty, foreseeability and equality before the law that it should not depart, without cogent reason, from precedents laid down in previous cases. Since the Convention is first and foremost a system for the protection of human rights, the Court must however have regard to the changing conditions in Contracting States and respond, for example, to any emerging consensus as to the standards to be achieved (see, among other authorities, Cossey v. the United Kingdom, judgment of 27 September 1990, Series A no. 184, p. 14, § 35, and Chapman v. the United Kingdom [GC], no. 27238/95, § 70, ECHR 2001-I). It is of crucial importance that the Convention is interpreted and applied in a manner which renders its rights practical and effective, not theoretical and illusory. A failure by the Court to maintain a dynamic and evolutive approach would risk rendering it a bar to reform or improvement."

7.1.2 De algemene notie dat het Hof rekening moet houden met "any emerging consensus as to the standards to be achieved", krijgt in de al genoemde zaken Léger en Kafkaris handen en voeten. Onder het hoofd "Relevant Comparative European Law and Practice" wordt in de zaak Léger een overzicht gegeven van relevante teksten van de Raad van Europa. Daarbij wordt de uit 1976 daterende Resolutie (76) 2 ("on the treatment of long term prisoners") van het Comité van Ministers vooropgesteld:(2)

"... I. Recommends that the governments of the member states: ...

9. ensure that the cases of all prisoners will be examined as early as possible to determine whether or not a conditional release can be granted;
10. grant the prisoner conditional release, subject to the statutory requirements relating to time served, as soon as a favourable prognosis can be formulated; considerations of general prevention alone should not justify refusal of conditional release;
11. adapt to life sentences the same principles as apply to long-term sentences;
12. ensure that a review, as referred to in 9, of the life sentence should take place, if not done before, after eight to fourteen years of detention and be repeated at regular intervals; ..."

7.1.3 Het Hof onderstreept het gewicht dat aan deze Resolutie toekomt door te citeren uit het rapport dat daaraan ten grondslag lag:

"... it is inhuman to imprison a person for life without any hope of release. A crime prevention policy which accepts keeping a prisoner for life even if he is no longer a danger to society would be compatible neither with modern principles on the treatment of prisoners during the execution of their sentence nor with the idea of the reintegration of offenders into society. Nobody should be deprived of the chance of possible release. Just how far this chance can be realised must depend on the individual prognosis."

7.1.4 Vervolgens maakt het Hof melding van diverse bij voormelde Resolutie aansluitende Aanbevelingen van het Comité van Ministers waarbij het citeert uit de in 2006 herziene versie van de European Prison Rules Rec(2006)2. Daarbij blijft het niet. Het Hof maakt tevens melding van een in 2004 onder auspiciën van de Raad van Europa georganiseerde conferentie waarin door Ms Snacken en Mr Tournier een overview werd gepresenteerd van de wetgeving met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf en voorwaardelijke invrijheidstelling in de verschillende lidstaten van de Raad van Europa. Het Hof citeert uitvoerig uit de gehouden presentaties.(3) Ik volsta hier met één zin: "Most countries make provision for a review of life sentences with the possibility of granting release from prison."

7.1.5 In het arrest inzake Kafkaris v. Cyprus wordt onder het hoofd "International Materials" een nog veel uitvoeriger weergave gepresenteerd van relevante Resoluties en Aanbevelingen van de Raad van Europa, zij het dat de overview dit keer achterwege blijft. Opvallend is dat niet de Resolutie uit 1976 als eerste wordt genoemd, maar de discrimination clause (art. 21) van de Convention on the Prevention of Terrorism, waarin de doodstraf en de levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vrijlating over één en dezelfde kam worden geschoren:

"3. Nothing in this Convention shall be interpreted either as imposing an obligation to extradite if the person who is the subject of the extradition request risks being exposed to the death penalty or, where the law of the requested Party does not allow for life imprisonment, to life imprisonment without the possibility of parole, unless under applicable extradition treaties the requested Party is under the obligation to extradite if the requesting Party gives such assurance as the requested Party considers sufficient that the death penalty will not be imposed or, where imposed, will not be carried out, or that the person concerned will not be subject to life imprisonment without the possibility of parole."

Daar komt bij dat het Hof zich dit keer niet tot de Raad van Europa beperkt. Als relevante European Union text wordt art. 5 van de Council Framework Decision 2002/584/JHA on the Eurpean arrest warrant weergegeven, waarin een met voormelde discrimination clause vergelijkbare bepaling is opgenomen. Tevens wordt als relevante International Law text melding gemaakt van de artt. 77 en 110 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC), waarin bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf. Art. 110 lid 3 van het Statuut schrijft voor dat het ICC in geval van levenslang na 25 jaar "shall review the sentence to determine whether it should be reduced".

7.1.6 Een moeilijk te beantwoorden vraag is welke rol de geciteerde Europese en internationale bronnen in de rechtspraak van het EHRM precies spelen. Het Hof slaat daar acht op, zoals in de zaak Kafkaris uitdrukkelijk wordt overwogen (§ 101):

"In reaching its decision the Court has had regard to the standards prevailing amongst the member States of the Council of Europe in the field of penal policy, in particular concerning sentence review and release arrangements (see Soering v. the United Kingdom, judgment of 7 July 1989, Series A no. 161, p. 49, § 102; and V. v. the United Kingdom, [GC], no. 24888/94, § 72, ECHR 1999-IX). It has also taken into account the increasing concern regarding the treatment of persons serving long-term prison sentences, particularly life sentences, reflected in a number of Council of Europe texts (see paragraphs 68-73 above)."

7.1.7 De vraag is wat daarmee is gezegd. Het is in elk geval niet zo dat de vraag of het EVRM is geschonden samenvalt met de vraag of de Resoluties en Aanbevelingen van de Raad van Europa zijn nageleefd. Daarom kan niet - althans niet zonder meer - uit het feit dat de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf die geen perspectief op vrijlating biedt op basis van de binnen de Raad van Europa nagestreefde standaard (zie met name punt 7.1.3 ) als inhumaan kan worden gekarakteriseerd, geconcludeerd worden dat die tenuitvoerlegging in strijd is met (in het bijzonder) art. 3 EVRM. Wel kan gezegd worden dat de consensus die zich gezien deze bronnen aftekent met betrekking tot "the standards to be achieved", richtinggevend is voor de koers die het EHRM op basis van een dynamische verdragsinterpretatie zal gaan varen.

7.1.8 De indirecte rol die "the standards to be achieved" spelen, wordt manifest bij de lof en de kritiek die het Hof bij tijd en wijle uitdeelt. Zo overweegt het Hof in de zaak Léger met betrekking tot de Franse wetgeving inzake de vrijlating van levenslang gestraften (§ 67): "in the Court's view the quality of such legislation cannot be called into question in the light of the relvant European instruments". Maar er zijn ook minpunten. In § 70 van hetzelfde arrest merkt het Hof op: "It has to be admitted (...) that significant progress is still required in order to encourage the return of prisoners to the community through personalised assistance programmes involving supervision from the start of their detention". En hoewel het Hof uiteindelijk concludeert dat het verdrag niet is geschonden, bestempelt het de 41 jaar die Léger in de gevangenis doorbracht, als "an exceptionally lengthy period which, as the Court acknowledges, raises serious questions about the management of life prisoners". Het Hof verwijst bij deze kritische opmerkingen naar Frankrijks eigen beleidsdoelstellingen én naar de Aanbevelingen van de Raad van Europa. Dat het Hof zich vrij voelt dergelijke waarderende en kritische opmerkingen te maken, zegt veel over het gezag dat inmiddels aan de nagestreefde internationale standaard toekomt. Uit die opmerkingen kan niet worden geconcludeerd dat (bijvoorbeeld) een gebrekkige "management of life prisoners" strijd met het verdrag oplevert. De conclusie kan wél zijn dat de invulling die het Hof aan de desbetreffende verdragsbepalingen geeft in het teken staat van de bevordering van de standards to be achieved tot levende werkelijkheid.

7.1.9 In dit verband merk ik nog op dat minpunten in Straatsburg minder zwaar lijken te wegen als de betrokken staat beterschap heeft beloofd. Zo wordt in de zaak Kafkaris als standpunt van de regering van Cyprus genoteerd dat "there was scope for improvement in the current system vis-à-vis life prisoners". De tekortkomingen die daarbij door Cyprus werden erkend, waren bepaald niet gering (§ 91). Het Hof gaat daar vervolgens luchtigjes mee om (§ 103): "Furthermore, as acknowledged by the Government, there were certain shortcomings in the current procedure (..)". Desalniettemin was er geen reden om schending van art. 3 EVRM aan te nemen. Dat Cyprus de tekortkomingen heeft erkend, is kennelijk van belang. De verklaring zou kunnen zijn dat daarom niet gevreesd hoefde te worden dat een terughoudende opstelling van het Hof "a bar to reform or improvement" zou vormen.

7.1.10 In het navolgende zal ik door middel van een analyse van de rechtspraak van het EHRM antwoord proberen te geven op de vraag of de tenuitvoerlegging van een levenlange gevangenisstraf zonder dat uitzicht bestaat op vrijlating in strijd komt met het EVRM. Het gaat daarbij natuurnoodzakelijk om een analyse van de bestaande jurisprudentie, zodat de uitkomst daarvan op zijn best een accurate weergave kan zijn van de huidige stand van zaken. Aan voorspellingen over de toekomstige ontwikkeling van de Straatsburgse rechtspraak zal ik mij niet wagen. Ik noteer slechts dat wat thans nog geen schending van het verdrag is, dat binnen afzienbare tijd wel kan zijn.

7.1.11 De bedoelde vraag laat zich onderscheiden in drie subvragen, die ik achtereenvolgens zal bespreken.
a. Is een "oneindige" tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd met art. 5 lid 1 aanhef en sub a EVRM?
b. Is het ontbreken van een vorm van review in strijd met art. 5 lid 4 EVRM? (4)
c. Is de tenuitvoerlegging van de straf zonder dat er perspectief bestaat op vrijlating in strijd met art. 3 EVRM?
Hoewel deze vragen met elkaar samenhangen, pleegt het Hof ze te onderscheiden. Daarom zal ook ik de vragen afzonderlijk bespreken.

7.2 Art. 5 lid 1 EVRM

7.2.1 De eerste subvraag gaat als gezegd over de verenigbaarheid met het bepaalde in art. 5 lid 1 aanhef en sub a EVRM, dat luidt:

" Everyone has the right to liberty and security of person. No one shall be deprived of his liberty save in the following cases and in accordance with a procedure prescribed by law:
a. the lawful detention of a person after conviction by a competent court;"

7.2.2 Het is een vast uitgangspunt van het Europese Hof dat "after conviction" meer betekent dan dat de vrijheidsbeneming in tijd gezien moet volgen op een veroordeling. Er moet een "causal link" zijn tussen de veroordeling en de vrijheidsbeneming, in die zin dat het voortduren van de vrijheidsbeneming zijn grond moet blijven vinden in de oorspronkelijke veroordeling. Veel betekenis komt daarbij toe aan het karakter van de sanctie die is opgelegd. Gaat het om een tijdelijke gevangenisstraf - een sanctie met een duidelijk strafkarakter, waarbij de duur een afspiegeling vormt van de ernst van het feit - dan kan de grond voor oplegging (vergelding) van begin tot eind aanwezig worden geacht. Anders is het bij maatregelen met een sterk beveiligend karakter, zoals in Nederland de tbs. De grond voor oplegging (de gevaarlijkheid van de veroordeelde) is hier "susceptible to change". Dat maakt dat onbeperkte voortzetting van de detentie hier geen vanzelfsprekendheid is. Als het recidivegevaar geweken is, kan de detentie geen grond meer vinden in art. 5 lid 1 aanhef en sub a EVRM. De vereiste "causal link" is dan niet meer aanwezig.

7.2.3 Alles draait zogezien om de vraag wat het karakter van de levenslange gevangenisstraf is. Is sprake van een sanctie met een sterk punitief karakter, waarbij de keuze voor levenslang is ingegeven door de ernst van het feit en de schuld van de dader? Of gaat het in wezen om een beveiligingsmaatregel, die wordt gedragen door het gevaar dat van de veroordeelde uitgaat? Het antwoord op die vraag hangt in sterke mate af van het nationale recht van de betrokken lidstaat.

7.2.4 Dat laat zich illustreren aan de hand van het verschil in uitkomst tussen de al genoemde zaken Wynne en Stafford, die beide betrekking hadden op de situatie in Engeland. Daar werd en wordt onderscheid gemaakt tussen mandatory life sentences aan de ene kant, en discretionary life sentences aan de andere kant. Bij sommige delicten (waaronder murder) schrijft de wet de oplegging van de levenslange straf dwingend voor. Vandaar de term mandatory life sentence. Van een discretionary life sentence spreekt men als de oplegging van de levenslange straf ter discretie van de rechter staat. Omdat de oplegging van een mandatory life sentence dwingend is voorgeschreven, doet de recidivegevaarlijkheid van de dader niet terzake. Ook als er geen enkel gevaar voor herhaling is, moet de straf worden opgelegd. De ernst van het feit alleen rechtvaardigt de oplegging, waarmee die straf een overwegend punitief karakter lijkt te hebben. De discretionary life sentence daarentegen had onmiskenbaar een gemengd karakter. De rechter bepaalde een tariff, die correspondeerde met de vrijheidsbeneming die de dader uit een oogpunt van vergelding en afschrikking had verdiend. Na het verstrijken van de tariff kon de vrijheidsbeneming voortduren als dat vanuit een oogpunt van maatschappijbeveiling nodig was. Duidelijk moge zijn dat de vereiste causal link in die tweede fase afhankelijk is van het recidivegevaar. Ik merk daarbij op dat dit niet een conclusie is die voortvloeit uit een vooropgezette, autonome Straatsburgse notie over het wezen van de levenslange straf, maar eenvoudig de consequentie is van de wijze waarop die straf op nationaal niveau is vorm gegeven.

7.2.5 De kern van de uitspraak die het EHRM in de zaak Wynne gaf, is dat het onderscheid dat de Britten zelf maakten, werd gerespecteerd. Omdat de mandatory life sentence in het Engelse recht een afdoende rechtvaardiging vond in de vergelding en de afschrikking, kon de causal link niet door tijdsverloop komen te ontbreken. Dit ondanks het feit dat de Home Secretary in de praktijk wel degelijk gratie verleende en daarbij uitging van een door hemzelf bepaalde tariff. Zelfs het feit dat Wynne voorwaardelijk in vrijheid was gesteld, kon aan het punitieve karakter van de straf niet afdoen. De herroeping van de invrijheidstelling (wegens het niet naleven van de voorwaarden) en de daarop volgende voortzetting van de vrijheidsbeneming behoefden daarom geen rechtvaardiging te vinden in recidivegevaar.

7.2.6 Dat het Hof daarover in de zaak Stafford (waarin de casus bijna identiek was) anders oordeelde, had niet alleen te maken met de noodzaak van een dynamische verdragsinterpretatie. Het Hof beargumenteerde zijn ommezwaai vooral met een beroep op de veranderingen die zich sinds 1994 in de Britse law and practice hadden voltrokken. Het onderscheid tussen mandatory en discretionary life sentences had in de praktijk zijn betekenis verloren (§ 79):

The Court considers that it may now be regarded as established in domestic law that there is no distinction between mandatory life prisoners, discretionary life prisoners and juvenile murderers as regards the nature of tariff-fixing. It is a sentencing exercise. The mandatory life sentence does not impose imprisonment for life as a punishment. The tariff, which reflects the individual circumstances of the offence and the offender, represents the element of punishment. The Court concludes that the finding in Wynne that the mandatory life sentence constituted punishment for life can no longer be regarded as reflecting the real position in the domestic criminal justice system of the mandatory life prisoner. This conclusion is reinforced by the fact that a whole life tariff may, in exceptional cases, be imposed where justified by the gravity of the particular offence. (...)

Het EHRM baseerde zich dus ook in deze uitspraak op het karakter dat aan de levenslange gevangenisstraf in het nationale recht was toegekend. Dat maakt dat men uiterst voorzichtig moet zijn met het lospellen van de zaak uit zijn Britse context en dus met het trekken van algemene conclusies. Men kan op grond van dit arrest mijns inziens niet stellen dat het EHRM van oordeel is dat in het algemeen voor de levenslange gevangenisstraf geldt dat de voortgezette tenuitvoerlegging haar grond op een gegeven moment alleen nog maar kan vinden in het recidivegevaar.

7.2.7 Dat wordt onderstreept door de laatste zin uit het hierboven weergegeven citaat, waarin het Hof melding maakt van de whole life tariff die naar Brits recht in exceptionele gevallen wegens (alleen) de ernst van het feit kan worden opgelegd. De strekking van de opmerking is dat het bestaan van deze exceptionele, puur punitieve variant als het ware bewijst dat de mandatory sentence in het normale geval een gemengd karakter heeft. Over de verenigbaarheid van die variant (waarin vrijlating in beginsel is uitgesloten) met het EVRM spreekt het Hof zich strikt genomen niet uit. Maar men kan in elk geval ook niet concluderen dat het Hof die variant onacceptabel acht.(5)

7.2.8 Een algemene conclusie die uit de zaak Stafford wel lijkt te kunnen worden getrokken, is dat de causal link met vergelding en afschrikking wordt verbroken als de veroordeelde door de daartoe bevoegde autoriteiten en in overeenstemming met het nationale recht van de Verdragsluitende Partij (voorwaardelijk) in vrijheid is gesteld. De consequentie is dat een hernieuwde vrijheidsbeneming haar grond eigenlijk alleen nog maar kan vinden in het recidivegevaar. Dat de uitspraak in zoverre een algemeen karakter heeft, vindt bevestiging in de zaak Léger tegen Frankrijk, waarin het Hof noteert dat een situatie zoals in Stafford zich niet voordoet (§ 74).

7.2.9 Dat een voorwaardelijke invrijheidstelling deze consequentie heeft, valt goed te begrijpen. Die invrijheidstelling bewijst als het ware dat voortzetting van de detentie uit een oogpunt van vergelding en afschrikking niet meer nodig is. Het spreekt welhaast vanzelf dat dit alleen geldt als het gaat om een reguliere invrijheidstelling die in overeenstemming is met het nationale recht. Als een omgekochte cipier de gevangene laat ontsnappen, zal niemand daarin het bewijs zien dat de vergelding niet langer om de voortgezette tenuitvoerlegging vraagt. Hoewel dit zoals gezegd welhaast vanzelf spreekt, is het toch dienstig daarbij wat langer stil te staan. Dat sprake kan zijn van een invrijheidstelling die in overeenstemming is met het nationale recht, is namelijk een niet onbelangrijk gegeven. Dat zegt iets over dat nationale recht of, preciezer gezegd, over het karakter dat de levenslange gevangenisstraf in dat nationale recht heeft. Doordat in het nationale recht is aanvaard dat vergelding en afschrikking niet, of niet steeds, eisen dat de levenslange straf tot het bittere einde wordt uitgezeten, is gaan gelden dat die straf in dat nationale recht niet, of niet steeds, het karakter van een whole life tariff-straf heeft. Die straf heeft daardoor als het ware een gemengd karakter gekregen: er komt een moment waarop alleen het recidivegevaar de voortzetting van de tenuitvoerlegging kan rechtvaardigen.

7.2.10 Dit brengt mij op de zaak Léger. Anders dan het Engelse recht kent het Franse recht geen onderscheid tussen verplicht en onverplicht levenslang en evenmin iets dat lijkt op tariff fixing. Dat maakt het op het eerste gezicht gemakkelijker om uit de uitspraak algemene conclusies te trekken. Daar komt bij dat het Hof teruggrijpt op zijn overwegingen in de zaak Stafford, hetgeen minst genomen de suggestie wekt dat het hier om algemeen toepasbare uitgangspunten gaat (§ 75):

"The Court has held in connection with a life sentence that "[o]nce the punishment element of the sentence ... has been satisfied, the grounds for the continued detention ... must be considerations of risk and dangerousness"(ibid., § 80), although such considerations must be "associated with the objectives of the original sentence of murder" ( ibid., § 87). In addition, the element of dangerousness is susceptible by its very nature to change with the passage of time (see Weeks, cited above, pp. 24-25, § 46)."

7.2.11 Toch meen ik dat ook hier voorzichtigheid geboden is. De positie die Frankrijk in Straatsburg innam was niet dat sprake was van een whole life term-straf.(6) Integendeel, vanaf 1979 (toen Léger 15 jaar van de straf had uitgezeten) kwam Léger in beginsel voor invrijheidstelling in aanmerking. Frankrijk komt daarbij, als het om de standards to be achieved gaat, uit het arrest naar voren als zo wat het braafste jongetje uit de Europese klas. Na de wetswijziging van 2000 was de toetsingsprocedure, zoals al even werd aangestipt, volgens het Hof boven kritiek verheven. Het is die stand van de nationale rechtspraktijk waarop het arrest van het Hof aansluit. Het feit dat regelmatig was getoetst of het recidivegevaar voortzetting van de detentie rechtvaardigde, bevestigde daarbij dat Légers straf een gemengd karakter had en dat het punitieve element was uitgeboet. Het is als ik het goed zie dit wat het Hof aan het slot van § 74 constateert:

"(...) although the applicant's sentence did not contain a minimum term comparable to the "tariff" in the English system, representing the punitive element of the sentence, the Court observes that other factors relating to "risk" and "dangerousness" justified keeping him in detention."

Het is direct na deze observatie dat de hierboven geciteerde overweging uit § 75 volgt. Die overweging moet denk ik dan ook in het licht van de daaraan voorafgaande vaststelling gelezen worden. Omdat Légers straf een gemengd karakter had en omdat het punitieve deel inmiddels was uitgezeten, was sprake van een geval waarop de overwegingen uit Stafford konden worden losgelaten. Zogezien kan uit het arrest niet de conclusie worden getrokken dat voor de levenslange gevangenisstraf in het algemeen geldt dat zij bestaat uit een eindig punitief deel en uit een onbepaald gedeelte dat afhankelijk is van het recidivegevaar.

7.2.12 Het heeft iets paradoxaals dat een land dat de Resoluties en Aanbevelingen van de Raad van Europa probeert na te volgen (waardoor de levenslange gevangenisstraf een gemengd karakter krijgt), zich in Straatsburg moet verantwoorden als de veroordeelde niet in vrijheid wordt gesteld, terwijl een land dat zich van die aanbevelingen niets aantrekt (zodat de levenslange gevangenisstraf het karakter van een whole life term-sentence heeft) daarmee wegkomt. Dat echter is een trekje van de toetsing aan art. 5 EVRM dat daaraan eigen is. Adeldom verplicht in Straatsburg. Dat de detentie lawful moet zijn, betekent in de eerste plaats dat de regels van het eigen nationale recht moeten zijn nageleefd. Hoe groter de "kwaliteit" van dat recht is, hoe hoger derhalve de lat bij de toetsing ligt. Dat dit principe ook geldt als het om de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf gaat, behoeft dus niet te verbazen.

7.2.13 Ik merk op dat de uitspraak in de zaak Kafkaris in dit beeld past. Centraal in deze zaak stond de intrekking van een ongrondwettig verklaard gevangenisreglement dat ten tijde van de veroordeling van Kafkaris inhield dat een straf van levenslang na twintig jaar eindigde. Kafkaris stelde dat hij op grond van het reglement, als ook nog rekening werd gehouden met zijn goede gedrag, in 2002 in vrijheid zou zijn gesteld. Hij verbond daaraan de conclusie dat er na 2002 geen causal link meer met de veroordeling kon zijn. Het Hof verwierp dat argument en was vervolgens snel klaar. Het wees erop dat het om een mandatory life sentence ging (§ 119): "Such a sentence is imposed automatically under the Criminal Code as the punishment for the offence of premeditated murder irrespective of the considerations pertaining to the dangerousness of the offender". Derhalve was er in "the Court's view (...) a clear and sufficient causal link" (§ 120).

7.2.14 Nu was het niet zo dat Cyprus zich op het standpunt stelde dat levenslang altijd levenslang is. In het kader van de toetsing aan art. 3 EVRM had het Hof al geoordeeld dat er een, zij het beperkte, mogelijkheid tot invrijheidstelling was. Een door Cyprus erkende tekortkoming daarbij was dat de criteria voor vrijlating onhelder waren.(7) Maar de klacht van Kafkaris was niet dat hij op grond van die criteria vrijgelaten had moeten worden. Dat was ook weinig aannemelijk, gelet op de tijd die Kafkaris in de gevangenis had doorgebracht (op het moment van 's Hofs uitspraak 20 jaar). Wellicht verklaart dit waarom het Hof hier zo kort door de bocht ging. Maar wat daarvan verder ook zij: het arrest biedt geen steun voor de stelling dat het Hof de vraag naar de causal link aan de hand van andere dan de nationale maatstaven beantwoordt.

7.2.15 Dit alles brengt mij tot de volgende slotsom. Uit de bestaande jurisprudentie van het EHRM kan niet de conclusie worden getrokken dat voor alle levenslange straffen - dus ook voor de straffen die volgens het nationale recht van de betrokken staat een absoluut karakter hebben (levenslang is levenslang) - geldt dat de vereiste causal link op een gegeven moment door tijdsverloop verloren gaat. Ik sluit niet uit dat er grenzen zijn aan de bereidheid van het Hof om het karakter te respecteren dat de levenslange straf volgens het nationale recht van de betrokken lidstaat heeft. Ik sluit ook niet uit dat de bereidheid van het Hof op dit punt mede afhankelijk is van de vraag of de betrokken lidstaat differentieert. Een staat die (zoals Engeland of Frankrijk) alleen in exceptionele gevallen een whole life term hanteert, wordt wellicht anders behandeld dan een staat die de Resoluties en Aanbevelingen van de Raad van Europa eenvoudig aan zijn laars lapt. Maar meer dan speculatie is dit niet. Ik merk daarbij op dat het Hof meer stokken heeft om de hond te slaan. Denkbaar is, zoals aanstonds duidelijk moge worden, dat het Hof in een dergelijk geval de verdragsschending niet op basis van art. 5 EVRM zal construeren, maar op basis van art. 3 EVRM.

7.3 Art. 5 lid 4 EVRM

7.3.1 Ik kom nu toe aan de vraag of art. 5 lid 4 EVRM wordt geschonden als een vorm van review ontbreekt. Het artikellid luidt als volgt:

"Everyone who is deprived of his liberty by arrest or detention shall be entitled to take proceedings by which the lawfulness of his detention shall be decided speedily by a court and his release ordered if the detention is not lawful."

7.3.2 In de zaak De Wilde, Ooms en Versyp tegen België (EHRM 18 juni 1971, Serie A 12) oordeelde het Hof dat geen aanspraak kon worden gemaakt op toegang tot een rechter als de vrijheidsbeneming haar grond vond in een beslissing van de rechter. In dat geval namelijk zou gelden dat "the supervision required by Article 5 par. 4 is incorporated in the decision". In latere jurisprudentie is het Hof daarop (gedeeltelijk) teruggekomen.(8) Toegang tot de rechter dient er wel te zijn als de rechterlijke beslissing tot vrijheidsbeneming berust op gronden - zoals de gevaarlijkheid van de persoon in kwestie - die in de loop van de tijd kunnen ophouden te bestaan. Dan moet van tijd tot tijd opnieuw worden bezien of er nog steeds grond is voor voortzetting van de vrijheidsbeneming.

7.3.3 Men zou zich kunnen afvragen of een veroordeelde die een tijdelijke (door de ernst van het feit begrensde) gevangenisstraf moet uitzitten, niet aan art. 5 lid 4 EVRM het recht zou kunnen ontlenen om zich tot de rechter te wenden als hij meent dat (verdere) executie onrechtmatig is als gevolg van bijvoorbeeld zijn verslechterde gezondheid in combinatie met de gebrekkige medische faciliteiten in de gevangenis. Die vraag behoeft hier geen beantwoording. Zij mist praktisch belang nu buiten twijfel is dat de veroordeelde daarover naar Nederlands recht een oordeel kan krijgen van de voorzieningenrechter. Bovendien - en daar gaat het mij hier om - raakt zij de kwestie niet die hier centraal staat. De vraag is niet of de veroordeelde zich tot een rechter kan wenden (dat kan altijd), maar wat hij aan hem kan voorleggen. Hoever kan de rechter gaan in de beoordeling van de rechtmatigheid van de detentie? De gevangene die een straf van zeven jaar uitzit, kan zich niet na drie jaar tot de voorzieningenrechter wenden met de vraag of de opgelegde straf gezien alle omstandigheden van het geval nog steeds passend geacht kan worden. In die vraag mag de voorzieningenrechter niet treden. Op een herbeoordeling (review) van de gronden waarop de strafoplegging berust, geeft art. 5 lid 4 EVRM in zijn geval geen recht.

7.3.4 Het antwoord op de vraag of de tot levenslang veroordeelde na verloop van tijd recht heeft op een review, kan zogezien niet zijn dat hij zich altijd tot de voorzieningenrechter kan wenden. De vraag waarom het gaat, is namelijk of de voorzieningenrechter mag beoordelen of de gronden die destijds tot de strafoplegging hebben geleid, de verdere tenuitvoerlegging van de straf kunnen rechtvaardigen. Die vraag valt samen met de hierboven beantwoorde vraag of het tijdsverloop kan maken dat de causal link met de oorspronkelijke gronden verloren gaat omdat die gronden "susceptible to change" zijn. Beslissend is dus ook hier het karakter van de levenslange gevangenisstraf. Zoals wij zagen lijkt het Europese Hof het nationale recht daarbij bepalend te achten. Op grond van de bestaande jurisprudentie kan in elk geval niet geconcludeerd worden dat het anders is. Dat zou betekenen dat er geen recht is op een review als de levenslange gevangenisstraf naar nationaal recht een absoluut karakter heeft.

7.3.5 De vraag aan welke eisen de rechtsgang moet voldoen als de levenslange gevangenisstraf gemengd van karakter is en de veroordeelde derhalve recht heeft op een geregelde review (en meer in het bijzonder de vraag of dan de mogelijkheid om naar de voorzieningenrechter te stappen toereikend is vanuit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming) kan hier blijven rusten.(9) Dat het hier om een aparte vraag gaat, is intussen wel van belang. Het maakt duidelijk dat de vraag of art. 5 lid 1 aanhef en onder a EVRM is geschonden, niet naadloos samenvalt met de vraag of art. 5 lid 4 EVRM is geschonden. De uitkomst in Straatsburg kan zijn dat er nog steeds een causal link is (geen schending van art. 5 lid 1 EVRM), maar dat de nationale procedure niet deugt (wel schending van art. 5 lid 4 EVRM).(10) Dat ligt ook voor de hand om de procedure juist dient om vast te stellen of er nog grond bestaat tot voortzetting van de vrijheidsbeneming. Die procedure moet er dus zijn onverschillig of de causal link verloren is gegaan of niet.

7.3.6 Ook het omgekeerde is denkbaar: wel een deugdelijke rechtsgang, maar geen rechtmatige voortzetting van de vrijheidsbeneming. Zover echter zal het niet snel komen. In dit verband kan nogmaals gewezen worden op de zaak Léger tegen Frankrijk. De toetsingsprocedure was hier zoals wij zagen boven elke kritiek verheven. Dat lijkt zwaar te hebben gewogen bij het uiteindelijke oordeel dat art. 5 lid 1 EVRM niet was geschonden. Het EHRM respecteerde de beoordeling door de nationale rechters "regard being had to their margin of appreciation under the Convention" (§ 76).

7.4 Art. 3 EVRM

7.4.1 De derde en laatste vraag is of het ontbreken van een perspectief op vrijlating schending van art. 3 EVRM op kan keveren. Dit verdragsartikel luidt als volgt:

"No one shall be subjected to torture or to inhuman treatment or punishment."

7.4.2 Het EHRM heeft zich in de al eerder genoemde zaak Kafkaris opnieuw en uitvoeriger dan voorheen uitgelaten over de hier bedoelde vraag. Ik citeer hieronder de algemene overwegingen van het Hof.

"95. Article 3 of the Convention enshrines one of the most fundamental values of democratic society. It prohibits in absolute terms torture or inhuman or degrading treatment or punishment, irrespective of the circumstances and the victim's behaviour (see, for example, Labita v. Italy [GC], no. 26772/95, par. 119, ECHR 2000-IV). Ill-treatment must attain a minimum level of severity if it is to fall within the scope of Article 3. The assessment of this minimum depends on all the circumstances of the case, such as the duration of the treatment, its physical or mental effects and, in some cases, the sex, age and state of health of the victim (see Ireland v. the United Kingdom, 18 January 1978, Series A no. 25, p. 65, par. 162).

96. The Court has consistently stressed that the suffering and humiliation involved must in any event go beyond that inevitable element of suffering or humiliation connected with a given form of legitimate treatment or punishment. Measures depriving a person of his liberty may often involve such an element. In accordance with Article 3 of the Convention the State must ensure that a person is detained under conditions which are compatible with respect for his human dignity and that the manner and method of the execution of the measure do not subject him to distress or hardship exceeding the unavoidable level of suffering inherent in detention (see Kudla v. Poland [GC], no. 30210/96, paras. 92-94, ECHR 2000-XI).

97. The imposition of a sentence of life imprisonment on an adult offender is not in itself prohibited by or incompatible with Article 3 or any other Article of the Convention (see, inter alia, among many authorities, Kotälla v. the Netherlands, no. 7994/77, Commission decision of 6 May 1978, Decisions and Reports (DR) 14, p. 238; Bamber v. the United Kingdom, no. 13183/87, Commission decision of 14 December 1988; and Sawoniuk v. the United Kingdom (dec.), no. 63716/00, ECHR 2001-VI). At the same time, however, the Court has also held that the imposition of an irreducible life sentence on an adult may raise an issue under Article 3 (see, inter alia, Nivette v. France (dec.), no. 44190/98, ECHR 2001-VII; Einhorn, cited above; Stanford v. the United Kingdom (dec.), no. 73299/01, 12 December 2002; and Wynne v. the United Kingdom(dec.), no. 67385/01, 22 May 2003).

98. In determining whether a life sentence in a given case can be regarded as irreducible the Court has sought to ascertain whether a life prisoner can be said to have any prospect of release. An analysis of the Court's case-law on the subject discloses that where national law affords the possibility of review of a life sentence with a view to its commutation, remission, termination or the conditional release of the prisoner, this will be sufficient to satisfy Article 3. The Court has held, for instance, in a number of cases that where detention was subject to review for the purposes of parole after the expiry of the minimum term for serving the life sentence, that it could not be said that the life prisoners in question had been deprived of any hope of release (see, for example, Stanford, cited above; Hill v. the United Kingdom (dec.), no. 19365/02, 18 March 2003; and Wynne, cited above). The Court has found that this is the case even in the absence of a minimum term of unconditional imprisonment and even when the possibility of parole for prisoners serving a life sentence is limited (see for example, Einhorn(cited above, paras. 27 and 28). It follows that a life sentence does not become ''irreducible'' by the mere fact that in practice it may be served in full. It is enough for the purposes of Article 3 that a life sentence is de jure and de facto reducible.

99. Consequently, although the Convention does not confer, in general, a right to release on licence or a right to have a sentence reconsidered by a national authority, judicial or administrative, with a view to its remission or termination(see, inter alia, Kotälla and Bamber, both cited above; and Treholt v. Norway, no. 14610/89, Commission decision of 9 July 1991, DR 71, p. 168), it is clear from the relevant case-law that the existence of a system providing for consideration of the possibility of release is a factor to be taken into account when assessing the compatibility of a particular life sentence with Article 3. In this context, however, it should be observed that a State's choice of a specific criminal justice system, including sentence review and release arrangements, is in principle outside the scope of the supervision the Court carries out at European level, provided that the system chosen does not contravene the principles set forth in the Convention (see, mutatis mutandis,Achour v. France [GC], no. 67335/01, par. 51, ECHR 2006-IV)."

7.4.3 Deze overwegingen laten er geen misverstand over bestaan dat het opleggen van een "irreducible life sentence" een probleem oplevert in het licht van art. 3 EVRM. Dat wordt onderstreept door de moeite die het Hof zich getroost om duidelijkheid te verschaffen over de vraag wanneer een levenslange gevangenisstraf "irreducible" moet worden genoemd. Dat is het geval als "any prospect of release" ontbreekt. Daarbij wordt een sterke koppeling gelegd met de vraag of "the national law affords the possibility of review of a life sentence with a view to its commutation, remission, termination or the conditional release of the prisoner". Als er geen mogelijkheid van review is, zo lijkt te mogen worden geconcludeerd, is de straf irreducible. Dat betekent dat onvoldoende is dat de mogelijkheid bestaat dat de veroordeelde wegens diens zorgwekkende gezondheidstoestand al dan niet tijdelijk uit detentie wordt ontslagen of dat de mogelijkheid bestaat dat hij bij de verjaardag van het staatshoofd wordt uitgeloot om te worden gegratieerd. Op een review is de vrijlating dan immers niet gebaseerd.

7.4.4 De conclusie kan derhalve zijn dat een levenslange gevangenisstraf met een absoluut karakter (met een whole life term) als "irreducible" moet worden aangemerkt.

7.4.5 Daarmee is nog niet gezegd dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan een volwassene zonder dat perspectief op vrijlating bestaat, steeds (zonder meer) strijd met art. 3 EVRM oplevert. Het EHRM kiest ervoor om op dit punt een slag om de arm te houden. Die oplegging "may raise an issue under Article 3". In de zaak Léger drukte het Hof zich nog voorzichtiger uit: "in the case of adults the Court has not ruled out the possibility that in special circumstances an irreducible life sentence might also raise an issue under the Convention where there is no hope of entitlement to a measure such as parole". De "special circumstances" zijn in Kafkaris verdwenen, maar daarmee is niet gezegd dat de oplegging van een irreducible life sentence in alle geval met art. 3 EVRM strijdt.

7.4.6 De aarzelingen waarmee het EHRM lijkt te zijn bevangen, komen in de laatst geciteerde paragraaf naar voren. De vraag is hoe wijd hij zijn "scope of supervision" kan trekken. De wijze waarop een lidstaat zijn strafrechtelijk systeem inricht, staat "in beginsel" niet ter beoordeling van het Hof. Een recht op vrijlating of op een review kan "in het algemeen" niet aan de conventie worden ontleend.(11) Daar staat tegenover dat de keuzes die de staat maakt, niet mogen indruisen tegen de "principles set forth in the Convention". Voorlopig komt het Hof niet verder dan dat "the existence of a system providing for consideration of the possibility of release is a factor to be taken into account when assessing the compatibility of a particular life sentence with Article 3".

7.4.7 Onduidelijk blijft daarmee of dit een doorslaggevende factor is. Ik heb mij afgevraagd welke andere factoren relevant zouden kunnen zijn. Als de levenslange gevangenisstraf "irreducible" is, als dus een "system for the consideration of the possibility of release" niet bestaat, waar hangt het dan van af of art. 3 EVRM is geschonden? Een voor de hand liggende factor lijkt "the duration of the treatment" te zijn. Wellicht hangt het van de tijd af die de betrokkene in perspectiefloze opsluiting heeft doorgebracht of de vereiste "minimum level of severity" is bereikt. Daar staat tegenover dat het Hof stelt dat reeds de "imposition" van een niet reduceerbare straf een probleem kan opleveren met art. 3 EVRM.

7.4.8 Daarbij is echter weer de vraag hoe doordacht dit taalgebruik is. In de zaak Léger werd de term "imposition" niet gebruikt; gesteld werd dat een irreducible life sentence een issue kan vormen. Dat is wat anders dan de oplegging daarvan. Van meer gewicht is wellicht de argumentatie waarmee het Hof de klacht verwierp. In § 92 overwoog het Hof:

"The applicant regained his liberty after 41 years' imprisonment, an exceptionally lengthy period resulting from a sentence imposed at a time when minimum terms did not exist. However, from 1979 onwards, after he had spent fifteen years in prison, he had the opportunity to apply for release on licence at regular intervals and had the benefit of procedural safeguards. In those circumstances, the Court considers that the applicant cannot maintain that he was deprived of all hope of obtaining an adjustment of his sentence, which was not irreducible de jure or de facto. It concludes that his continued detention as such, long though it was, did not constitute inhuman or degrading treatment."

De lengte van de detentie lijkt hier dus wel degelijk een rol te spelen bij de afweging. De eerste vijftien jaar was er nog geen enkel perspectief, maar dat was onvoldoende om in dit geval van een onmenselijke of vernederende behandeling te spreken. Waarbij wel moet worden aangetekend dat het Hof die eerste vijftien jaar beoordeelde met de kennis die het achteraf had van de jaren daarna. Hoe de beoordeling zal uitvallen als de situatie op het moment waarop het Hof oordeelt uitzichtloos is, blijft dus een beetje de vraag.(12)

7.4.9 Tot nu toe heeft het Hof zich niet hoeven uitspreken over de vraag in welke gevallen een irreducible life sentence een schending van art. 3 EVRM oplevert. De klacht kon steeds afstuiten op het oordeel dat van een irreducible life sentence geen sprake was. Dat het Hof het antwoord op de bedoelde vraag voor zich uitschuift, is intussen niet geheel onbegrijpelijk. Mogelijk verwacht het Hof dat de dreigende veroordeling wegens schending van art. 3 EVRM voldoende zal zijn om verdragsluitende partijen die vasthouden aan whole life terms in het gareel te krijgen van de Resoluties en Aanbevelingen van de Raad van Europa.

7.4.10 Mijn conclusie is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat een levenslange gevangenisstraf waarbij de veroordeelde geen perspectief wordt geboden op vrijlating ("levenslang is levenslang"), hetzij reeds bij de oplegging daarvan, hetzij eerst na verloop van tijd, in strijd komt met art. 3 EVRM.

8. De ontwikkeling in de Nederlandse situatie

8.1 Sinds 1999 - het jaar waarin HR 9 maart 1999, NJ 1999, 435 werd gewezen - heeft zich met betrekking tot de tenuitvoerlegging van levenslange gevangenisstraffen in Nederland een ontwikkeling voorgedaan die de vraag actueel heeft gemaakt of de praktijk van die tenuitvoerlegging nog wel in overeenstemming is met de eisen van het EVRM. Van belang daarbij is niet alleen de law, maar ook de practice. Zo zagen wij reeds dat het EHRM in het kader van art. 3 EVRM niet alleen beziet of er de jure een mogelijkheid tot invrijheidstelling bestaat, maar ook of dat de facto het geval is. Het gaat dus ook - en eigenlijk vooral - om de vraag of en in hoeverre feitelijk gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden tot review en vrijlating die het Nederlandse recht biedt.

8.2 De jure is er niet zo vreselijk veel veranderd. Ook thans nog bepaalt art. 2 lid 2 van de Penitentiaire Beginselenwet dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf met handhaving van het karakter ervan "zoveel mogelijk wordt dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij". Een uitzondering voor levenslanggestraften wordt daarbij niet gemaakt.

8.3 Ook art. 2 Gratiewet in niet gewijzigd. Dit artikel luidt:

"Gratie kan worden verleend
a. op grond van enige omstandigheid, waarmede de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan; dan wel
b. indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend."

8.4 ln de Memorie van Toelichting wordt over de grond voor het verlenen van gratie zoals opgenomen in art. 2 onder b Gratiewet het volgende opgemerkt.

"Daarnaast wordt de tenuitvoerlegging van straffen ook op haar doelmatigheid getoetst. Met name bij langere vrijheidstraffen kan zich een situatie ontwikkelen waarin met de verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend, zodat verkorting van de straf door middel van gratie verantwoord wordt geacht. "
(...)
"Met de strafrechtstoepassing wordt niet slechts één doel nagestreefd doch uiteenlopende doelen. Tot die doelen behoren conflictoplossing, vergelding, inprenting van normbesef en boetedoening, generale preventie, en beveiliging van de maatschappij, resocialisatie. Welk doel in het concrete geval wordt nagestreefd zal allereerst afhankelijk van zijn van de aard van het gepleegde delict, maar voorts ook van de fase van strafrechtspleging waarin de afdoening van de zaak zich bevindt. Bij veroordelingen tot geldboeten komen de twee laatstgenoemde doelen in het geheel niet in beeld. Die doelen spelen vooral bij de tenuitvoerlegging van lange gevangenisstraffen een voorname rol. Kortom, men zal zich bij de toetsing aan deze grond voor gratieverlening ervan moeten gewissen of de motieven, die de rechter tot de keuze van de opgelegde straf of maatregel hebben gebracht nog gelden en of de functie die de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van die beslissing is toegedacht nog kan worden waargemaakt." (13)

8.5 Wel is verandering opgetreden in de lagere regelgeving. Van belang is vooral de afschaffing van de 'volgprocedure langgestraften' waaraan de RSJ in zijn na te noemen rapport aandacht besteedt. Deze volgprocedure was vervat in de Richtlijnen voor de selectie- en detentiebegeleiding van langgestraften (enz.), nr. 133/378, van 7 juni 1978. Bij art. 35 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, Stcrt. 12 september 2000, nr. 176, p. 9, is deze regeling ingetrokken.

8.6 Voor de situatie zoals die de facto bestaat, is onder meer het antwoord van belang dat de toenmalige minister van Justitie Donner op 20 juli 2004 gaf op vragen die waren gesteld door het kamerlid Griffith en waarvan de strekking was dat voorkomen moest worden dat levenslanggestraften in vrijheid worden gesteld.(14) De minister stelde onder meer dat levenslang in beginsel levenslang duurt (zodat de rechter bij de strafoplegging geen termijn hoeft te bepalen). De mogelijkheid van gratie voor levenslanggestraften wilde de minister evenwel niet uitsluiten.(15) Hij verzekerde daarbij dat het Nederlandse recht voldoende garanties kende om te voorkomen dat "een tot levenslang gestrafte in vrijheid wordt gesteld, zonder dat het recidiverisico door behandeling tot een voor de samenleving aanvaardbaar niveau is teruggebracht". Voorts gaf de minister enig cijfermatig inzicht:

"Sinds 1960 zijn veertien mensen onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Eén van hen is veroordeeld in de jaren zestig, de overige veroordelingen dateren van na 1 januari 1980. Naast deze onherroepelijke veroordelingen, lopen op dit moment vijf zaken in hoger beroep en zes in cassatie, waarbij door de rechtbank c.q. het gerechtshof een levenslange gevangenisstraf is opgelegd. Deze nog niet onherroepelijke veroordelingen zijn uitgesproken in 2003 en 2004. Van de veertien personen die sinds 1960 onherroepelijk tot een levenslange gevangenisstraf zijn veroordeeld, zitten dertien personen nog vast. Deze dertien personen zijn allen na 1 januari 1980 onherroepelijk veroordeeld. De langstzittende is bijna 24 jaar gedetineerd. Alleen de persoon die in de jaren "60 tot levenslang werd veroordeeld, is eind jaren "80 gegratieerd. Zijn straf werd toen omgezet in een tijdelijke gevangenisstraf. Hij is uiteindelijk vervroegd in vrijheid gesteld na feitelijk circa 23 jaar in detentie te hebben verbleven. Jaarlijks worden zeer vele gratieverzoeken ingediend. Van deze verzoeken wordt niet systematisch in geautomatiseerde bestanden vastgelegd of het gaat om een gratieverzoek van een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde. Van de onherroepelijke veroordelingen na 1960 is de executie van geen enkele zaak beëindigd naar aanleiding van een civiele procedure."

8.7 Van bijzonder belang is voorts het advies dat de RSJ op 1 december 2006 uitbracht (Levenslang; perspectief op verandering). Met betrekking tot de zojuist genoemde afschaffing van de volgprocedure langgestraften houdt het advies het volgende in:

"2.2.4 Toetsing op gronden voor ambtshalve gratieverlening
Een ander - en voor levenslang gestraften belangrijk - aspect van de bovengenoemde volgprocedure was dat in de periodieke onderzoeken tevens werd getoetst op het bestaan van gronden voor het ambtshalve verlenen van gratie. Een belangrijk doel van de onderzoeken was immers om "na te gaan welke resultaten de penitentiaire behandeling heeft gehad, welke prognose vanuit penitentiair en reclasseringsoogpunt kan worden gesteld en welke aanbevelingen op grond daarvan kunnen worden gedaan"8. Deze aanbevelingen konden zijn: geïntensiveerde opvang binnen de inrichting, overplaatsing naar een andere inrichting, plaatsing in een tbs-inrichting of vervroeging van (voorwaardelijke) invrijheidstelling via een gratieprocedure. Met het wegvallen van deze periodieke toetsing is zodoende een belangrijke pijler onder de invulling van het Nederlandse gratiebeleid weggevallen."

8.8 De Raad constateert in zijn advies dat de huidige wijze van tenuitvoerleggen van de levenslange gevangenisstraf erop neerkomt dat "levenslang letterlijk wordt opgevat als detentie 'tot de dood erop volgt'".(16) In het advies wordt met betrekking tot de huidige praktijk het volgende opgemerkt:

"In Nederland kan beëindiging van de levenslange straf alleen worden gerealiseerd door gratiëring. Het gratiebeleid, dat justitieel werd ondersteund door de periodieke toetsing in het kader van de volgprocedure en tot eind jaren zeventig politieke steun genoot van de achtereenvolgende ministers van Justitie, blijkt echter kwetsbaar doordat het wordt beïnvloed door politieke en beleidsmatige ontwikkelingen. Met het wegvallen van de periodieke toetsing en van de politieke steun is dit beleid dan ook behoorlijk uitgehold: sinds de jaren zeventig is aan levenslang gestraften slechts twee maal gratie verleend. In Nederland wordt de levenslange straf momenteel ingevuld als detentie 'tot de dood erop volgt'. Deze afwijking van de Europese praktijk heeft deels te maken met het bestaan van de tbs-maatregel naast de gevangenisstraf. Veel van de delinquenten die in omringende landen zouden worden veroordeeld tot zeer lange of levenslange gevangenisstraf, wordt in Nederland tbs opgelegd. De tenuitvoerlegging van de tbs kent wel een periodieke toets met het oog op voortzetting van de maatregel. Het gemis van een dergelijke toets bij de levenslange gevangenisstraf - waarmee Nederland dus een uitzonderingspositie inneemt - roept onder strafrechtsdeskundigen in toenemende mate kritiek op13. Onder verwijzing naar Europese regelgeving wordt veelal gepleit voor invoering van een in de wet vastgelegde periodieke toetsing. Ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt het bestaan van een periodieke toetsing een belangrijk criterium in de vraag of de bepalingen van het EVRM worden geschonden. De HR acht de levenslange gevangenisstraf als zodanig niet in strijd met het EVRM, mits de gedetineerde het recht heeft op regelmatige toetsing op gronden voor vrijlating. Dit blijkt uit onder andere uit een arrest uit 1999 (levenslange gevangenisstraf voor moord) waarin de Hoge Raad oordeelde dat aan art. 5 lid 4 van het EVRM in Nederland is voldaan door het bestaan van de gratiemogelijkheid in combinatie met de volgprocedure'

8.9 Naar aanleiding van dit advies werd op 6 maart 2008 een congres georganiseerd ('De jaren tellen') waarin staatssecretaris Albayrak in haar toespraak het volgende met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf naar voren bracht:

"Om te beginnen de levenslange gevangenisstraf. Een onderwerp dat vaak en veel beschreven is, ook door de RSJ. Bijna altijd wordt daarbij dan bepleit - en ook de RSJ doet dat - om de straf op een bepaald moment in tijd te beperken. Of, in ons jargon, "op jaren" te stellen. Levenslang is in beginsel levenslang. Soms is een misdrijf zo ernstig en is het risico dat iemand gevaarlijk blijft zo groot, dat uitsluiting uit de maatschappij noodzakelijk is. Of dat een tijdelijke gevangenisstraf wordt of levenslang, die keuze is aan de rechter. Zeker nu de rechter tegenwoordig gevangenisstraf tot 30 jaar kan opleggen, kunnen we veronderstellen dat hij een zeer weloverwogen beslissing neemt als zijn vonnis levenslang luidt. De gevolgen van zo'n beslissing liggen niet voor altijd vast. Via gratie kan de levenslange straf veranderd worden, zelfs kwijtgescholden. Op basis van de individuele omstandigheden van de levenslanggestrafte wordt hierover beslist. Het advies van de rechter die de straf heeft opgelegd is het uitgangspunt. Ook de mening van het openbaar ministerie wordt gevraagd. Verder is er de mogelijkheid om naar de civiele rechter te stappen, al of niet in kort geding. In mijn ogen zijn dat voldoende toetsingsmogelijkheden. Ik zie geen dringende noodzaak om de levenslange gevangenisstraf tussentijds te toetsen, bijvoorbeeld na vijftien jaar. Wel ga ik kijken of de huidige gratieprocedure bij levenslanggestraften voldoet en of bijvoorbeeld een advies van de inrichting waar zo iemand verblijft, aanvullende informatie kan opleveren. Op dit moment zitten er 38 levenslanggestraften vast. Dat aantal is gegroeid maar het is nog steeds een relatief kleine groep,waarvan ongeveer de helft op zorgafdelingen verblijft en de andere helft op reguliere afdelingen. Bij de modernisering van het gevangeniswezen waar we nu mee bezig zijn, besteden we ook aandacht aan de levenslang gestraften, en met name aan hun verblijf in gevangenissen. Dat verblijf is uiteraard niet gericht op terugkeer in de samenleving. Maar dat wil niet zeggen dat alles wat nuttig is voor terugkeer in de samenleving, zoals onderwijs, bij hen helemaal achterwege kan blijven. Het is belangrijk om inhoud te geven aan hun verblijf in de gevangenis. In plaats van de vraag: "Wat heeft iemand nodig om na detentie in de samenleving te kunnen functioneren?" komt een andere, namelijk: "Wat heeft iemand nodig om de jarenlange detentie zo goed mogelijk te ondergaan?" Hoe kunnen we hier het beste van maken? Het antwoord hierop wordt ook bepaald door de plaatsing van levenslanggestraften. Zo komen straks diegenen die extra zorg nodig hebben op een van de zorgcentra in het gevangeniswezen,waar ze behandeld kunnen worden. Later dit jaar komt er een beleidsverkenning en daarin komt deze plaatsingsproblematiek aan de orde."

8.10 De discussie op het congres gaf de RSJ aanleiding voor het uitbrengen van een vervolgadvies, waarin zijn standpunt als volgt onder woorden is gebracht:(17)

"De Raad is van oordeel dat Nederland door het ontbreken van een tussentijdse toets, noch door de rechter, noch in het kader van een ambtshalve gratie, op de grens kan komen, of daarover heen, van hetgeen het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op grond van het bepaalde in de artikelen 3 en 5 van (het) EVRM voor acceptabel acht."

8.11 Op 20 augustus 2008 trad het Forum Levenslang naar buiten met een oproep tot een meer humane tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, waarbij het voorstel van de RSJ voor een verbeterde toetsingsprocedure werd ondersteund en waarbij erop werd gewezen dat een beleid dat is gebaseerd op het principe dat levenslang letterlijk levenslang is, op gespannen voet staat met het EVRM. De reacties vanuit politiek Den Haag waren overwegend negatief.(18)

8.12 Over een eventuele vrijlating van tot levenslang gestraften is de afgelopen jaren een enkele keer geprocedeerd. In een zaak die aan de Nationale Ombudsman werd voorgelegd ging het -kort gezegd- om het volgende. De raadsman van betrokkene (in 1989 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf) had een gratieverzoek ingediend, welk verzoek onder meer was gebaseerd op de zeer slechte psychische toestand van betrokkene. In het kader van de gratieprocedure diende het gerechtshof advies uit te brengen aan de Minister van Justitie. Het Hof bracht een negatief advies uit ten aanzien van de gratieverlening en overwoog daarbij dat "slechts indien uit een nieuw en geheel onafhankelijk deskundigenonderzoek zou blijken dat de aard van de psychische stoornis bij veroordeelde zodanig is, dat binnen het kader van de detentie geëigende hulp niet kan worden verleend, terwijl voorts aannemelijk zou zijn dat het verergeren van die stoornis niet in overwegende mate aan de eigen keuzes van veroordeelde te wijten is, zou het hof aanleiding zien om het thans gegeven advies te heroverwegen." De Minister van Justitie heeft het gratieverzoek afgewezen. De betrokkene klaagde er bij de ombudsman over dat de Minister zijn gratieverzoek had afgedaan zonder een nieuw en onafhankelijk deskundigenonderzoek uit te laten voeren. De ombudsman concludeerde tot gegrondheid van de klacht.(19)

8.13 In een andere zaak ging het om een betrokkene die in 1984 werd veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Gedurende zijn detentie werd duidelijk dat plaatsing van betrokkene in een TBS-kliniek wenselijk zou zijn. Hiertoe werd onder andere afgesproken dat betrokkene bij overplaatsing beschouwd zou worden als patiënt die recht zou hebben op behandeling conform het beleid zoals dat op dat moment in een TBS-kliniek gold. Daarbij is opgemerkt dat dit zou kunnen betekenen dat betrokkene op termijn in aanmerking zou komen voor verlof. Een en ander werd vastgelegd in een memo. Betrokkene werd op 31 augustus 2001 overgeplaatst. Nadat betrokkene enige tijd in de TBS-kliniek verbleef, werd op 13 september 2001 door de Minister van Justitie een machtiging tot begeleid verlof afgegeven. Deze machtiging tot begeleid verlof is door de Staatssecretaris van Justitie ingetrokken.

"Bij brief van 24 augustus 2007 heeft de Staatssecretaris medegedeeld dat volgens de Minister vooralsnog geen sprake is van een situatie waarbij gratie wordt overwogen. Bij de plaatsing van klager (in de TBS-kliniek; toevoeging Kn) vormde de mogelijkheid van gratie een belangrijk element. In het verlofbeleid dat gold tot de inwerkingtreding op 1 juli 2007 van het huidige verloftoetsingskader bestond de mogelijkheid om in dit soort gevallen resocialisatieverlof te verlenen. Conform het geldende verloftoetsingskader komt klager als levenslanggestrafte inmiddels niet meer in aanmerking voor resocialisatieverlof. De beleidsvoornemens van klagers behandeling zijn vastgelegd in het eerdergenoemde Memo. In het kader van het gewijzigd beleid kan de in de Memo uitgezette koers verlaten worden. Aan klager is een levenslange gevangenisstraf opgelegd en geen tbs. Indien gratieperspectief komt te vervallen is er geen reden meer om klager te resocialiseren." (20)

Bij de Rechtbank Den Haag wordt de betrokkene, die het niet eens is met de intrekking van de machtiging, niet-ontvankelijk verklaard. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, waartoe betrokkene zich ook heeft gericht komt tot de conclusie dat de intrekking van de machtiging tot het begeleid verlof als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt.(21)

8.14 In Hoge Raad 14 maart 2006, NJ 2007, 345 (de zaak Lucia de B.) was onder meer aan de orde of de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in combinatie met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging mogelijk is. De Hoge Raad overwoog hieraangaande als volgt (r.o. 9.8).

"Wat betreft de hiervoor onder (a) bedoelde vraag geldt dat het opleggen van terbeschikkingstelling met dwangverpleging naast een levenslange gevangenisstraf weliswaar in de wet niet met zoveel woorden is uitgesloten, maar die straf en maatregel niet met elkaar te verenigen zijn. Met het opleggen van een levenslange gevangenisstraf beoogt de rechter te voorkomen dat de veroordeelde nog terugkeert in de samenleving, zodat een op die terugkeer gerichte behandeling van een geestelijke stoornis van de veroordeelde niet aan de orde is. Daarentegen strekt de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging er (mede) toe de veroordeelde na een verpleging die tot het gewenste resultaat heeft geleid, te doen terugkeren in de maatschappij. Door naast de levenslange gevangenisstraf de onderhavige maatregel op te leggen heeft het Hof dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting."

In deze overweging zou gelezen kunnen worden dat de Hoge Raad van oordeel is dat gratieverlening in geval van een levenslange gevangenisstraf in beginsel uitgesloten is omdat het karakter van die straf een levenslange verwijdering uit de samenleving zou impliceren.(22)

8.15 Daar staat misschien tegenover dat in HR 8 juli 2008, NJ 2008, 429 werd overwogen:
"3.3. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in een geval als het onderhavige, waarin de verdachte voor een eerder gepleegd feit is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en die straf op grond van gratieverlening nog niet is beëindigd of "op jaren is gesteld", hem voor een nieuw gepleegd feit geen vrijheidsbenemende straf, laat staan voor de tweede maal een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd.
3.4. Die opvatting is echter onjuist omdat zij, behoudens in het geval bij de nieuwe berechting art. 63 Sr van toepassing is, geen steun vindt in de wettelijke regeling van de oplegging van vrijheidsstraffen."

8.16 Opvallend is dat de Hoge Raad, sprekend van "een geval als het onderhavige", abstraheert van het feit dat het in casu ging om een door de Engelse rechter opgelegde levenslange gevangenisstraf. Daarmee maakte de Hoge Raad duidelijk dat hij de opvatting van mijn ambtgenoot Machielse - die meende dat het anders lag indien het om een door de Nederlandse rechter opgelegde straf ging - niet deelde. Tegelijk echter impliceert het feit dat de Hoge Raad het geval vertaalde naar de Nederlandse situatie, dat hij van oordeel is dat een geval waarin een levenslange gevangenisstraf nog niet is beëindigd of op jaren is gesteld, zich hier te lande kan voordoen. Het woordje "nog" is daarbij veel betekenend: dat suggereert dat de straf in het normale geval op een gegeven moment wordt beëindigd of op jaren gesteld.

8.17 Kan uit dit alles nu de conclusie worden getrokken dat de law and practice in Nederland zodanig is dat een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde geen perspectief op vrijlating heeft? Ik meen dat het voor het trekken van die conclusie nog te vroeg is, al komt dat misschien ook omdat ik moeilijk kan wennen aan de idee dat Nederland zou thuis horen op de zwarte lijst van landen waaraan uitlevering of overlevering kan worden geweigerd. Voorlopig zou ik het erop willen houden dat er een zorgwekkende kloof aan het ontstaan is tussen de law en de practice, of iets preciezer geformuleerd, tussen het recht en de politieke wil om dat recht in de praktijk te brengen. Het antwoord op de vraag wat het karakter van de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht is, kan niet, althans niet zonder meer, worden gevonden in de opvattingen van de verantwoordelijke bewindspersonen daarover. Eerst als die opvattingen in de rechtspraak - in procedures die door levenslanggestraften tegen de Staat worden gevoerd - zouden worden gesanctioneerd, kan mijns inziens gezegd worden dat de levenslange gevangenisstraf in Nederland een absoluut karakter heeft gekregen. Ik licht dat hieronder toe.

8.18 Tot in elk geval 1986 gold in Nederland dat de levenslange gevangenisstraf een gemengd karakter had. Communis opinio was dat levenslang geen levenslang is. Dit kwam in het gevoerde gratiebeleid tot uitdrukking.(23) Sinds 1986 is geen gratie meer verleend, maar dat zegt weinig omdat er geen levenslanggestraften waren die daarvoor in aanmerking kwamen. Zoals uit het cijfermatig overzicht dat minister Donner de Kamer verstrekte (hiervoor, onder 8.6) kan worden afgeleid, dateren alle veroordelingen tot levenslang die momenteel worden uitgezeten, van na 1980. Daarbij gaat het om drie straffen die vóór 1990 werden opgelegd.(24) Dat in deze drie gevallen gratieverlening tot nu toe is uitgebleven, behoeft niet te betekenen dat het gratiebeleid is gewijzigd. Aan het uitblijven van gratieverlening kunnen immers ook de bijzonderheden van het individuele geval debet zijn. Anders gezegd: het is wellicht nog te vroeg voor de conclusie dat de vigerende politieke opvattingen in Den Haag zijn omgezet in gerealiseerd beleid. Of de practice is veranderd, is dus onduidelijk.

8.19 Daarbij komt dat de wetgeving in formele zin, voor zover relevant (art. 10 lid 1 Sr, art. 2 lid 2 Penitentiaire Beginselenwet, art. 2 Gratiewet) niet is gewijzigd. Het argument dat levenslang de iure levenslang is (zodat gratie of proefverlof rechtens uitgesloten is) is voor zover ik weet door de Staat in door levenslanggestraften aangespannen procedures niet ingeroepen en in elk geval niet door een rechter in hoogste instantie geaccepteerd. Gelet op de waarde die de rechterlijke macht pleegt toe te kennen aan de Resolutie en Aanbevelingen van de Raad van Europa en de op basis daarvan door het EHRM uitgezette koers (zie hiervoor, onder 7.1) acht ik het voorshands ook weinig aannemelijk dat dit argument zou worden gehonoreerd.

8.20 Ik merk daarbij op dat in de onder punt 8.14 geciteerde overweging uit HR 14 maart 2006, NJ 2007, 345 mijns inziens niet gelezen hoeft te worden dat de Hoge Raad zich op het standpunt stelt dat de levenslange gevangenisstraf een absoluut karakter heeft zodat voor gratieverlening geen plaats is. Ik houd het er voorlopig op dat de Hoge Raad, zij het in minder gelukkige bewoordingen, tot uitdrukking heeft willen brengen dat de levenslange gevangenisstraf niet met een tbs met dwangverpleging kan worden gecombineerd omdat beëindiging van de levenslange gevangenisstraf door middel van gratieverlening impliceert dat er geen onacceptabel recidiverisico meer is, zodat in dat geval ook aan een aansluitende tbs met dwangverpleging de grond is ontvallen. Daarbij zal de Hoge Raad mogelijk in aanmerking hebben genomen dat de levenslange gevangenisstraf in een tbs-kliniek kan worden tenuitvoergelegd, zodat de onmogelijkheid om de maatregel van tbs op te leggen niet met zich meebrengt dat terugkeer in de samenleving door het ontbreken van een adequate behandeling wordt geblokkeerd.

8.21 Ik merk ook op dat de constatering van de RSJ dat in Nederland de levenslange gevangenisstraf momenteel wordt ingevuld als een 'detentie tot de dood erop volgt' (hiervoor, 8.8), bezwaarlijk kan worden gezien als een oordeel over het rechtskarakter van die straf. De Raad bepleit immers juist een revitalisering van het gratiebeleid, hetgeen impliceert dat het karakter van de levenslange gevangenisstraf zich daartegen naar het oordeel van de Raad niet verzet. Wat de Raad constateert is een groeiende kloof tussen het karakter dat de levenslange gevangenisstraf naar zijn oordeel de jure heeft en de invulling die daaraan op dit moment de facto gegeven wordt.

8.22 De opstelling van de verantwoordelijke bewindspersonen lijkt te bevestigen dat de zorg die door de RSJ in niet mis te verstane bewoordingen naar buiten bracht, gefundeerd is. Het meest opvallende is misschien wel dat niet weersproken wordt dat in Nederland de levenslange gevangenisstraf wordt ingevuld als detentie die met de dood van de veroordeelde eindigt. Daar komt bij dat de staatssecretaris in haar toespraak (hiervoor, onder 8.9) stelde dat het verblijf van de levenslanggestrafte in de gevangenis "uiteraard niet gericht is op terugkeer in de samenleving". Daar staat misschien tegenover dat de staatssecretaris ook stelde dat de levenslange gevangenisstraf door middel van gratie kan worden veranderd, "zelfs kwijtgescholden". Welke gevallen zij daarbij op het oog had, is evenwel onduidelijk. Het kan zijn dat zij de gratie enkel reserveert voor exceptionele situaties die ook tot beëindiging van de tenuitvoerlegging moeten leiden als het om een tijdelijke gevangenisstraf gaat (zoals detentieongeschiktheid wegens een verslechterende gezondheid). Als dat zo is, dan moet de conclusie zijn dat de staatssecretaris de levenslanggestrafte geen perspectief wenst te bieden.(25)

8.23 De RSJ vervult zogezien met zijn oproep tot verandering de functie van de roepende in de woestijn. Tegelijk echter kan in dat roepen een teken van hoop worden gezien (in het kader van de toepassing van art. 3 EVRM zoals wij zagen een sleutelbegrip). Dat roepen houdt de hoop op verandering levend, de hoop dat de woestijn eens, om met het bekende gezang te spreken, weer zal bloeien als een roos.

8.24 Voor het EHRM is zoals wij zagen niet alleen van belang wat de jure het karakter van de levenslange gevangenisstraf is, maar ook wat de facto de situatie is. Maar de verhouding tussen die twee is minder eenduidig dan misschien op het eerste gezicht lijkt. Of een levenslanggestrafte momenteel de facto geen reële kans op vrijlating heeft, is een vraag die niet alleen afhankelijk is van de (beleids)opvattingen waardoor de thans verantwoordelijke bewindspersonen zich laten leiden, maar ook van de wijze waarop de op basis van die opvattingen genomen beslissingen in rechte worden beoordeeld. En die test moet nog komen. Het moet nog blijken hoe de Nederlandse rechter zal oordelen in door levenslanggestraften tegen de Staat aangespannen procedures waarin de rechtmatigheid wordt aangevochten van de aanhoudende weigering om gratie te verlenen. Eerst als mocht blijken dat de levenslanggestraften telkens nul op het rekest krijgen, als moet worden geconstateerd dat de rechterlijke macht het beleid van het ministerie tot in hoogste instantie sanctioneert, eerst dan staat mijns inziens vast dat de situatie van de levenslanggestrafte in Nederland daadwerkelijk uitzichtloos is. Niet alleen omdat er feitelijk geen kans op vrijlating is, maar ook omdat die kans er de jure niet blijkt te zijn. De nationale jurisprudentie die in dit type procedures wordt gevormd, maakt namelijk door een Straatsburgse bril bezien deel uit van het recht (the law). De keerzijde van deze medaille is dat het nog te vroeg is om te kunnen stellen dat een levenslanggestrafte in Nederland de jure en de facto geen perspectief op vrijlating heeft. Zolang de civiele rechter niet heeft gesproken, is er hoop.

8.25 Daarmee is niet gezegd dat het huidige beleid met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf (of het gebrek aan dergelijk beleid) niet problematisch is in het licht van de eisen die te dien aanzien uit art. 3 en art. 5 EVRM voortvloeien. Reeds het gegeven dat dit beleid, gebaseerd als het lijkt te zijn op de gedachte dat levenslang letterlijk levenslang is, zich - naar ik voorlopig meen staande te kunnen houden - slecht verdraagt met het gemengde karakter dat de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht nog steeds heeft, vormt een potentiële verdragsschending. De lawfulness van de vrijheidsbeneming wordt daardoor aangetast. Het is daarbij vooral de onduidelijkheid die er op dit moment bestaat over de vraag of een levenslanggestrafte in Nederland een perspectief op vrijlating heeft, die een verdragsschending dichtbij brengt. Het ontbreken van duidelijke criteria en van een met waarborgen omklede toetsingsprocedure, kan leiden tot het oordeel dat art. 5 lid 4 EVRM is geschonden. De onduidelijkheid kan in een individueel geval ook bijdragen aan het oordeel dat art. 3 EVRM is geschonden. Het ontbreken van een met waarborgen omklede procedure waarin de recidivegevaarlijkheid kan worden beoordeeld, kan er ten slotte ook toe leiden dat de bewering van de Staat dat er nog immer een causal link met de veroordeling is, op een gegeven moment in Straatsburg niet meer serieus wordt genomen.

8.26 Hoe het EHRM zal oordelen over een eventuele klacht van een levenslanggestrafte valt in zijn algemeenheid moeilijk te zeggen. Daarvoor zijn er te veel onzekere factoren. Het oordeel zal in de eerste plaats afhangen van de bijzonderheden van het individuele geval. Daarbij valt onder meer te denken aan de duur van de reeds ondergane detentie, de aannemelijkheid van recidivegevaar en mogelijk ook de mate waarin beveiligingsoverwegingen de oplegging van de straf hebben bepaald. In de tweede plaats is onzeker hoe de jurisprudentie van het EHRM zich als gevolg van dynamische verdragsinterpretatie verder zal ontwikkelen. In de derde plaats is van belang hoe de Staat zich tegenover de klacht zal opstellen. Erkent hij de bestaande tekortkomingen of beroept hij zich ijzerenheinig op het principe 'levenslang is levenslang'? In dat laatste geval moet serieus rekening worden gehouden met een veroordeling wegens schending van art. 3 EVRM. In de vierde plaats zal de uitkomst afhangen van de jurisprudentie die zich bij het uitputten van de nationale rechtsmiddelen heeft gevormd. Als daaruit blijkt dat de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht nog steeds een gemengd karakter heeft, kon de Staat, als hij zich blijft beroepen op het principe 'levenslang is levenslang', wel eens een veroordeling wegens schending van art. 5 EVRM over zich afroepen.

8.27 De voorzichtige conclusie uit het voorgaande kan zijn dat de wijze waarop thans in Nederland invulling lijkt te worden gegeven aan de levenslange gevangenisstraf, op gespannen voet staat met het EVRM.

Zie verder deel 3: Arrest Hoge Raad: Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd Deel 3

favicondrs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl favicon 

 

Wie is online

We hebben 86 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.