Arrest Hoge Raad: Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd Deel 3
9. Beoordeling van het middel
9.1 Het middel klaagt erover dat het Hof het gevoerde verweer op onjuiste dan wel ontoereikende gronden heeft verworpen. Wat direct opvalt bij de lezing van de door het Hof gegeven motivering is de formele benadering die daaruit spreekt. Gekeken wordt uitsluitend naar de situatie de jure. Of er voor de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde de facto perspectief op vrijlating bestaat, komt niet aan de orde. Dat de situatie in dit opzicht minst genomen zorgelijk is, wordt in de overwegingen van het Hof niet tot uitdrukking gebracht.
9.2 Maar er is meer. Het Hof ontkent dat er strijd kan ontstaan met art. 5 lid 4 EVRM. Deze bepaling mist volgens het Hof toepassing "nu de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf reeds berust op een rechterlijk vonnis. De tenuitvoerlegging van deze straf is in het onderhavige geval niet afhankelijk van nadere voorwaarden, op welker naleving slechts in administratief toezicht is voorzien". Volgens het Hof is er in zoverre "een fundamenteel verschil" met de veroordeling tot vormen van vrijheidsbeneming met een meer onbepaalde duur waarop de uitspraken van het Europese Hof betrekking hadden. Ik kan hierin niet anders lezen dan dat het Hof aan de gevangenisstraf zoals het Nederlandse recht die kent, een absoluut karakter toekent. Dat wordt alleen maar onderstreept door het feit dat het Hof de desbetreffende overweging zelf als "ten overvloede" gegeven bestempelt. In de daaraan voorafgaande overweging - waarin het Hof stelt dat de Nederlandse wet oplegging van een levenslange gevangenisstraf mogelijk maakt en dat het EVRM die oplegging niet verbiedt - ligt voor het Hof kennelijk besloten dat levenslang letterlijk levenslang is, zodat de vraag naar vrijlating buiten de orde is.
9.3 Als de gevangenisstraf naar Nederlands recht inderdaad een absoluut karakter heeft, snijdt de argumentatie van het Hof hout. Dan kan op grond van de bestaande jurisprudentie van het EHRM staande gehouden worden dat art. 5 lid 4 EVRM een vorm van periodieke controle op de noodzaak van voortgezette vrijheidsbeneming niet eist (hiervoor, onder 7.3). Het is echter sterk de vraag óf de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht een absoluut karakter heeft. Erkend kan worden dat daarover enige onduidelijkheid bestaat. Naar ik heb pogen aannemelijk te maken is er echter onvoldoende reden om aan te nemen dat de levenslange gevangenisstraf een ander karakter heeft gekregen dan zij, zoals tot de jaren tachtig van de vorige eeuw uit de law en de practice bleek, altijd had (hiervoor, 8.17 e.v.). Ik meen derhalve dat het oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
9.4 Het karakter dat het Hof aan de levenslange gevangenisstraf toedicht, zet ook de verwerping van het beroep op art. 3 EVRM op losse schroeven. Volgens het Hof kan de mogelijkheid dat in de verre toekomst de vraag rijst naar de rechtmatigheid van de voortzetting van de detentie "thans geheel theoretisch" genoemd worden. Dat is inderdaad de consequentie van 's Hofs rechtsopvatting. Een perspectief op vrijlating bestaat er dan niet. Hoe dat zich verhoudt tot hetgeen het Hof overweegt met betrekking tot instrument van gratie, is daarbij niet helemaal duidelijk. Als ik het goed begrijp ziet het Hof voor dat instrument alleen een functie weggelegd als het gaat om "uitzonderlijke omstandigheden, gelegen in de persoon van de verdachte, die de detentie verzwaren tot een niveau dat onmenselijk genoemd zou moeten worden".(26) Dat voortzetting van de vrijheidsbeneming alleen in dergelijke uitzonderingsgevallen kan worden beëindigd, lijkt te bevestigen dat opsluiting zonder enige hoop op vrijlating door het Hof niet als een onmenselijke en vernederende behandeling wordt beschouwd. Dat is in het licht van de jurisprudentie van het EHRM een aanvechtbare opvatting.
9.5 De conclusie kan zijn dat de klacht op zich gegrond is. Tot cassatie hoeft dat evenwel niet te leiden. Het Hof heeft het verweer namelijk terecht verworpen. Dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd kan komen met het EVRM, wil namelijk niet zeggen dat de oplegging daarvan in strijd is met dat verdrag. Ik zal dat toelichten.
9.6 Indien als juist wordt aangenomen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf kan strijden met art. 5 lid 1 aanhef en onder a EVRM omdat de vereiste causal link ontbreekt, geldt dat die strijd zich pas voordoet vanaf het moment waarop die causal link wegvalt. Dat kan eerst na verloop van lange tijd het geval zijn. Tot die tijd levert de tenuitvoerlegging van de straf dus geen strijd op met art. 5 lid 1 EVRM. Dat betekent dat ook de oplegging van de straf niet in strijd met dat artikellid kan zijn. Het feit dat in de (verre) toekomst een schending van het verdrag dreigt, maakt niet dat het verdrag reeds nu wordt geschonden.
9.7 Een vergelijkbare opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot een eventuele schending van art. 5 lid 4 EVRM. Van het ontbreken van een adequate toetsingsprocedure kan de levenslanggestrafte pas het slachtoffer zijn vanaf het moment waarop zijn straf redelijkerwijs voor een review in aanmerking komt. Gelet op de door de Raad van Europa aanbevolen termijn van 8 - 14 jaar (hiervoor onder 7.1.2), valt niet te verwachten dat het Europese Hof een schending van art. 5 lid 4 EVRM zal aannemen als nog geen acht jaar van de straf is uitgezeten. Dat schending van art. 5 lid 4 dreigt, betekent weer niet dat die schending zich al bij de oplegging van de straf realiseert.
9.8 Daar komt nog het volgende bij. Zolang er nog een causal link met de veroordeling is, is het meest voor de hand liggende gevolg van schending van art. 5 lid 4 EVRM niet dat de veroordeelde in vrijheid wordt gesteld. Het EVRM dwingt daartoe in elk geval niet.(27) Art. 5 lid 5 EVRM geeft een recht op schadevergoeding. Daarnaast geldt dat waar mogelijk rechtsherstel moet worden geboden: aan de verdragsschending moet een eind worden gemaakt. Dat kan door alsnog te voorzien in een - op gezette tijden te herhalen - herbeoordeling van de straf. Een andere mogelijkheid is dat de levenslange straf door middel van gratie wordt omgezet in een tijdelijke straf van aanzienlijke duur. Het paardenmiddel van de onmiddellijke invrijheidsstelling komt pas als allerlaatste optie in beeld. Een en ander vormt een extra reden waarom art. 5 lid 4 EVRM zich niet tegen de oplegging van de levenslange gevangenisstraf verzet. De (voortzetting van de) detentie zelf is als regel niet in strijd met dit artikellid.
9.9 Vergelijkbare opmerkingen kunnen met betrekking tot een eventuele schending van art. 3 EVRM worden gemaakt. Zoals wij zagen is het enkele feit dat de veroordeelde op het moment van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf geen hoop op vrijlating kan koesteren, vermoedelijk onvoldoende om van een onmenselijke en vernederende behandeling te kunnen spreken. De duur van de detentie lijkt een factor van belang (hiervoor, onder 7.4). Daar komt bij dat onmiddellijke invrijheidstelling weer niet de meest voor de hand liggende mogelijkheid is om aan de verdragsschending een einde te maken. Aan de verplichting tot rechtsherstel wordt voldaan als de veroordeelde alsnog een perspectief op vrijlating wordt geboden.
9.10 In dit verband wijs ik op de zaak Sawoniuk v. UK (EHRM 29 mei 2001, appl. no. 63716/00). In deze zaak werd er onder meer over geklaagd dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd was met art. 3 EVRM vanwege de gevorderde leeftijd van klager, zijn slechte gezondheid en het ontbreken van een perspectief op vrijlating. Het Hof verklaarde de klacht niet-ontvankelijk, waarbij het onder meer overwoog:
"Furthermore, there is no indication in the present case that the term of life imprisonment imposed has removed from the applicant any prospect of release. The Court notes that the Lord Chief Justice has recommended a tariff of five years. While the Home Secretary has not reached his decision on a tariff, any unreasonable decision on his part would be amenable to judicial review in the courts, where, again, the applicant would now be able to rely on the provisions of the Convention."
9.11 Het Europese Hof achtte dus van belang dat de veroordeelde tegen een eventuele onredelijke tenuitvoerlegging van de straf kon opkomen in gerechtelijke procedures waarbij hij zich (zoals ook in Engeland sinds de inwerkingtreding van de Human Rights Act 1998 het geval is) op het EVRM kan beroepen. Het bestaan van een toereikende remedy op nationaal niveau maakt dus dat de oplegging van de levenslange straf niet snel in strijd met het verdrag zal zijn.(28)
9.12 In Nederland kan de veroordeelde die meent dat de tenuitvoerlegging van zijn straf strijdt met de artt. 3 en 5 EVRM, zijn zaak aan de burgerlijke rechter voorleggen. Daarbij kan hij zich op het EVRM beroepen, maar uiteraard ook op het nationale recht zoals dat in het licht van de verdragen en de internationale "standards to be achieved" moet worden uitgelegd. Dat maakt het mijns inziens - in elk geval vooralsnog(29) - verantwoord om de strijd met het EVRM die bij de tenuitvoerlegging dreigt, niet op het bord van de strafrechter te leggen, maar op dat van de civiele rechter. Ik merk daarbij op dat de civiele rechter in een betere positie verkeert om de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging te beoordelen dan de strafopleggende rechter. De civiele rechter kan immers de omstandigheden die zich na de strafoplegging hebben voorgedaan (waaronder de duur van de ondergane detentie) in zijn oordeel betrekken. Bovendien pleit ook het beginsel van hoor en wederhoor voor een civiele procedure. Daarin is de Staat immers partij, hetgeen in een strafprocedure niet het geval is.
9.13 Daarmee is niet gezegd dat voor de Hoge Raad in deze strafzaak geen rol is weggelegd. Een belangrijk punt in de hele discussie is wat het karakter van de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht is. Dat is een abstracte rechtsvraag die in cassatie kan worden beantwoord. De strafkamer van de Hoge Raad lijkt mij daarbij de eerst aangewezene om die vraag te beantwoorden. De wijze waarop het Arnhemse Hof het beroep op strijd met art. 5 EVRM heeft verworpen, geeft alle aanleiding om op dit punt duidelijkheid te verschaffen. Het misverstand dat een levenslange gevangenisstraf rechtens met de dood van de veroordeelde dient te eindigen, is wellicht onbedoeld door de Hoge Raad zelf in de hand gewerkt met zijn overwegingen in HR 14 maart 2006, NJ 2007, 345. Het is van het grootste belang dat de Hoge Raad dat misverstand rechtzet.
9.14 Als de Hoge Raad zou uitspreken dat een tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde naar geldend Nederlands recht perspectief op vrijlating moet worden geboden door middel van gratie en dat dit meebrengt dat na verloop van tijd periodiek moet worden bezien of er nog grond voor voortgezette vrijheidsbeneming bestaat, zou al veel gewonnen zijn. Die uitspraak geeft houvast bij de civiele procedures die wellicht tegen de Staat zullen moeten worden aangespannen. Die uitspraak geeft ook hoop in de harten van de veroordeelden. Alleen daardoor al wordt iets van de spanning die er bestaat tussen de huidige tenuitvoerleggingspraktijk en art. 3 EVRM weggenomen.
10. Samenvatting en conclusie
10.1 Vanwege het grote maatschappelijke belang van de in de onderhavige strafzaak aan de orde zijnde kwestie, volgt hier een korte en eenvoudig gehouden samenvatting van het voorafgaande. Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van een door de verdediging bij het Hof Arnhem gevoerd verweer. Dat verweer hield in dat de levenslange gevangenisstraf waartoe het Hof de verdachte veroordeelde, in strijd is met de artt. 3 en 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit omdat het tegenwoordige gratiebeleid lijkt te worden beheerst door de gedachte dat levenslang ook letterlijk levenslang dient te zijn, zodat de veroordeeld tot aan zijn dood wordt opgesloten.
10.2 Bij deze klacht spelen twee samenhangende vragen een rol. De eerste vraag is wat het rechtskarakter van de levenslange gevangenisstraf is naar Nederlands recht. Houdt die straf inderdaad in dat zij moet worden tenuitvoergelegd tot de dood volgt? De tweede vraag is of het Nederlandse gratiebeleid - en daarmee de wijze waarop in de praktijk invulling wordt gegeven aan de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf - in strijd is met het EVRM. Beide vragen hangen op een ingewikkelde manier met elkaar samen. Het EVRM maakt deel uit van het Nederlandse recht: de wet moet bij voorkeur zo worden uitgelegd dat geen strijd met dat verdrag ontstaat. Omgekeerd geldt dat de inhoud van het Nederlandse recht door het Europese Hof tot uitgangspunt wordt genomen bij de beantwoording van de vraag of het verdrag is geschonden. Nederland moet zich in elk geval aan zijn eigen recht houden. Dat recht kan bovendien van dien aard zijn, dat een verdragsschending daarin als het ware ligt ingebakken.
10.3 Voor de vraag wat het rechtskarakter van de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht is, zijn de daarover bij de verantwoordelijke bewindspersonen levende opvattingen niet doorslaggevend. Integendeel, die opvattingen (of preciezer: de daaruit voortvloeiende beslissingen) zullen aan het Nederlandse recht moeten worden getoetst. De Nederlandse wetgeving (het Wetboek van Strafrecht, de Penitentiaire Beginselenwet en de Gratiewet) zullen daarbij uitgelegd moeten worden in het licht van zowel de Nederlandse rechtstraditie als de internationale standaard zoals die tot uitdrukking komt in onder meer de rechtspraak van het Europese Hof en de Aanbevelingen van de Raad van Europa. Dat leidt tot de conclusie dat de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht geen absoluut karakter heeft. Op enig moment moet worden bezien of de veroordeelde nog steeds een dermate groot gevaar voor de samenleving oplevert dat vrijlating onverantwoord is. Als het recidiverisico - bijvoorbeeld als gevolg van behandeling - tot aanvaardbare proporties is teruggebracht, is invrijheidstelling, eventueel onder voorwaarden, aangewezen. Dat betekent dat een tenuitvoerleggingsbeleid dat is gebaseerd op de gedachte dat levenslang letterlijk levenslang dient te zijn, met dat recht in strijd is.
10.4 De tweede vraag is als gezegd of de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in Nederland - gezien de wijze waarop die straf wordt tenuitvoergelegd - in strijd is met de artikelen 3 en 5 van het EVRM. Art. 3 EVRM verbiedt een onmenselijke en vernederende behandeling. Art. 5 EVRM heeft betrekking op vrijheidsbeneming. Het artikel geeft aan in welke gevallen vrijheidsbeneming is toegestaan en aan welke voorwaarden daarbij moet zijn voldaan.
10.5 De vraag of de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd komt met art 3 EVRM wordt beheerst door de gedachte dat hoop doet leven. De volkomen uitzichtloosheid van de straf kan de tenuitvoerlegging onmenselijk maken. Het Europees Hof heeft uitgesproken dat het ontbreken van enig perspectief op vrijlating een serieus probleem vormt en onder omstandigheden tot strijd met art. 3 EVRM kan leiden. Aannemelijk lijkt daarbij te zijn dat de duur die al in detentie is doorgebracht, daarbij een factor van belang is. Hoe langer de veroordeelde vastzit, hoe zwaarder de uitzichtloosheid gaat wegen.
10.6 Bij de vraag of de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd komt met art. 5 EVRM staan de eisen centraal die het Europese Hof stelt aan vrijheidsbenemingen die zijn gebaseerd op sancties en maatregelen met een onbepaalde duur. De voortzetting van die vrijheidsbeneming kan na verloop van tijd onrechtmatig worden omdat de gronden die destijds tot het opleggen van de sanctie of het nemen van de maatregel hebben geleid, niet meer aanwezig zijn. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de betrokkene inmiddels geen gevaar meer voor de samenleving oplevert. Of dat nog steeds het geval is moet daarom van tijd tot tijd worden getoetst. Beslissend is zogezien of de levenslange gevangenisstraf een straf van onbepaalde duur is die berust op gronden die aan verandering onderhevig zijn. Dat is de vraag naar het rechtskarakter van die straf. Het Europese Hof heeft op dit punt tot nu toe steeds het nationale recht beslissend geacht. Zoals hiervoor reeds is gesteld, heeft de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht geen absoluut karakter.
10.7 Een en ander leidt tot de voorzichtige conclusie dat een tenuitvoerleggingsbeleid dat gebaseerd is op de idee dat de levenslanggestrafte in de gevangenis dient te sterven, op gespannen voet staat met de artikelen 3 en 5 EVRM. Meer kan daarover in zijn algemeenheid niet worden gezegd. Of de tenuitvoerlegging in een concreet geval in strijd is met het verdrag, hangt namelijk af van de bijzonderheden van het geval. Zoals reeds werd opgemerkt speelt de tijd die de veroordeelde reeds heeft vastgezeten, een belangrijke rol als het om schending van art. 3 EVRM gaat. Die tijdsfactor speelt eveneens bij art. 5 EVRM. Het is immers pas na verloop van (lange) tijd dat de vraag aan de orde komt of de oorspronkelijke grond voor vrijheidsbeneming nog steeds aanwezig is.
10.8 Het gegeven dat de strijd met het verdrag eerst na verloop van tijd ontstaat, betekent dat er op het moment van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf nog geen strijd is met het verdrag. Daarom is de verdachte met zijn klacht dat het EVRM is geschonden, te vroeg. Die klacht zal hij eventueel later aan de civiele rechter moeten voorleggen, die dan moet oordelen of de voortzetting van de vrijheidsbeneming nog steeds rechtmatig is.
10.9 Het cassatieberoep zal derhalve moeten worden verworpen. Daarbij is het wenselijk dat de Hoge Raad zich uitspreekt over het rechtskarakter van de levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht. De onjuiste opvatting daarover die uit het arrest van het Hof Arnhem spreekt, geeft daartoe alle aanleiding.
10.10 Het middel kan niet tot cassatie leiden.
10.11 Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Namens de verdachte, thans gedetineerd, is op 18 april 2007 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 10 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 1 juli 2008 voor de eerste maal behandeld en zal naar het zich laat aanzien niet binnen 16 maanden na het instellen van het cassatieberoep worden afgehandeld. Dit leidt evenwel niet tot strafvermindering omdat de door het Hof opgelegde levenslange gevangenisstraf zich naar haar aard niet voor vermindering leent.(30)
10.12 Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 9 maart 1999, NJ 1999, 435.
2 In Aanbeveling 2003 (22) on conditional release (parole) wordt op deze Resolutie teruggegrepen.
3 Het Hof had overigens ook kunnen verwijzen naar het bij Recommendation REC (2003) 23 behorende rapport waarvan de geciteerde tekst deel uitmaakt.
4 Ik merk op dat ik bewust geen gebruik maak van de Nederlandse vertaling van het woord 'review' (herziening) aangezien dit bij de niet juridisch onderlegde lezer (en misschien ook wel bij de wel juridisch onderlegde lezer) mogelijk voor verwarring met de herzieningsprocedure conform art. 457 Sv kan leiden.
5 Van Hattum schrijft (in: Liber amicorum G. Knigge, p. 249) dat de aparte positie van de whole life tariff die door het Europese Hof lijkt te worden erkend, in de zaak Easterbrook v. UK (EHRM 12 juni 2003, appl. no. 48015/99) wordt gerelativeerd. Ik zie dat niet. De Home Secretary was bevoegd (en mogelijk zelfs gehouden) om een tariff te bepalen. Hij stelde die tariff - overigens in overeenstemming met de gewijzigde opinie van de judiciary zoals verwoord door de Lord Chief Justice - op 12,5 jaar. Het Hof accepteert deze naar nationaal recht toelaatbare gang van zaken eenvoudig als gegeven. Iets anders is dat Ms Snacken in haar in punt 7.1.4 genoemde presentatie stelt dat de whole life tariff na 25 jaar kan worden herzien. Of dat juist is, heb ik niet nagegaan.
6 Die mogelijkheid kent het Franse recht volgens § 34 van het arrest overigens wel.
7 Mogelijk leverde dit schending van art. 5 lid 4 EVRM op, maar de klacht daarover werd om procedurele redenen niet ontvankelijk verklaard.
8 Zo reeds in Winterwerp tegen Nederland, EHRM 24 oktober 1979, NJ 1980, 114 m.nt EAA.
9 In EHRM 26 september 2002, application no. 28212/95 (Benjamin en Wilson tegen het Verenigd Koninkrijk) wordt de jurisprudentie van het Hof nog eens samengevat. Zie voorts EHRM 9 januari 2001, EHCR 2001,105 (Kawka tegen Polen).
10 Zie bijvoorbeeld de zaak Droogenbroeck v. Belgium, EHRM 24 juni 1984, Serie A 50.
11 Dat vormt een ondersteuning van de hiervoor gegeven analyse van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot art. 5 lid 1. Tot nu toe vormt de wijze waarop de nationale staat zijn strafrechtspleging heeft ingericht het uitgangspunt van beoordeling.
12 In een aantal zaken (zoals Nivette v. France, EHRM 3 juli 2001, appl. no. 44190/98) ging het om de vraag of uitlevering aan een land dat de mogelijkheid van een review niet kent, in strijd is met art. 3 EVRM. Hier kan de lengte van de al in detentie doorgebrachte tijd uiteraard geen rol spelen. De vraag is hier of het blootstellen aan het risico van een onmenselijke behandeling een verdragsschending oplevert.
13 Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 1-3, p. 15-21.
14 Aanhangsel handelingen II 2003/2004, nr. 1972.
15 In een recente brief aan de Eerste Kamer erkent de huidige minister van Justitie Hirsch Ballin dat de mogelijkheid bestaat "dat door middel van gratie een levenslange gevangenisstraf wordt omgezet in een tijdelijke waarna voorwaardelijke invrijheidstelling kan plaatsvinden". (Brief van 12 augustus 2008; Kamerstukken I 2007/2008, 23 490, DR, zie de voetnoot op pagina 6).
16 Zie de samenvatting op p. 3. Zie ook paragraaf 2.3: "Op dit moment betekent 'levenslang' in Nederland letterlijk een levenslange gevangenisstraf".
17 Levenslang, vervolgadvies van 29 april 2008, gepubliceerd in de Staatscourant van 10 juni 2008, nr. 109, p. 10.
18 Zie het dagblad Trouw van 20 augustus 2008.
19 Zie voor de volledige tekst van het rapport van de Nationale Ombudsman: www.ombudsman.nl/rapporten, rapport: 2005/233.
20 Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, 31 maart 2008, nr. 07/2372/TR.
21 Zie voor de uitspraak van de Rechtbank: Rechtbank 's Gravenhage, 2 oktober 2007, LJN: BB4626 en die van Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, 31 maart 2008, nr. 07/2372/TR.
22 In die zin C.W. Noorduyn, Levenslang, gratie en art. 5 lid 4 EVRM, Strafblad 2007, p. 221. Zie ook het advies van de RSJ (levenslang, perspectief op verandering), paragraaf 2.4.
23 Zie Van Hattum in: Systeem in ontwikkeling, p. 236 e.v.
24 Idem, p. 232.
25 De resultaten van de beleidsverkenning die de staatssecretaris in het vooruitzicht stelde, zijn nog niet bekend.
26 Het is 'in dit verband" dat de gratie ter sprake komt.
27 Vgl. EHRM 2 september 1998, NJ 1999, 624 m.nt. Kn (Erkalo tegen Nederland).
28 Daarin ligt een belangrijk verschil met zaken waarin het gaat om de voorgenomen uitlevering aan een land dat een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vrijlating kent. Zie bijv. de reeds genoemde zaak Nivette v. France, EHRM 3 juli 2001, appl. no. 44190/98.
29 Als mocht blijken dat een dergelijk beroep op voorhand kansloos moet worden geacht, zodat van een daadwerkelijke remedy geen sprake is, ligt dit mogelijk anders.
30 Hoge Raad 22 maart 2005, LJN: AS5881.
Wie is online
We hebben 59 gasten online