Hoofdstuk 16: Foltering
1. De rechtbank zal in dit hoofdstuk nagaan of de door verdachte begane misdrijven zijn te kwalificeren als foltering.
Wettelijk kader en volkenrechtelijke rechtsbronnen
2. De internationale basis voor strafbaarstelling van foltering en de vestiging van universele rechtsmacht voor dit misdrijf is het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (verder: Folteringverdrag).(978) De relevante bepalingen van dit Verdrag luiden - in de Nederlandse vertaling - als volgt:
Artikel 1
1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder "foltering" verstaan iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht aan een persoon met zulke oogmerken als om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht deze te hebben begaan, of hem of een derde te intimideren of ergens toe te dwingen dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie van welke aard ook, wanneer zulke pijn of zulk leed wordt toegebracht door of op aanstichten van dan wel met de instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een offici�le hoedanigheid handelt. Foltering omvat niet pijn of leed slechts voortvloeiend uit, inherent aan of samenhangend met wettige straffen.
2. Dit artikel laat onverlet internationale akten of nationale wetgevingen die bepalingen met een ruimere werkingssfeer omvatten of kunnen omvatten.
Artikel 4
1. Iedere Staat die Partij is, draagt er voor zorg dat alle vormen van foltering strafbaar zijn krachtens zijn strafrecht. Hetzelfde geldt voor poging tot foltering en voor handelingen van personen die medeplichtigheid of deelneming aan foltering opleveren.
2. Iedere Staat die Partij is, stelt deze delicten strafbaar met passende straffen, waarbij rekening wordt gehouden met de ernstige aard ervan.
3. Deze bepalingen zijn ge�mplementeerd in de Nederlandse rechtsorde door de UFV. Deze wet is in werking getreden op 20 januari 1989. De relevante bepalingen daarvan luiden als volgt:
Artikel 1
1. Mishandeling gepleegd door een ambtenaar of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie aan iemand die van zijn vrijheid is beroofd, met het oogmerk om inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen, hem of een ander vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden, of uit minachting voor diens aanspraken op menselijke gelijkwaardigheid, wordt, zo deze gedragingen van dien aard zijn, dat zij het beoogde doel kunnen bevorderen, als foltering gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met mishandeling wordt gelijkgesteld het opzettelijk teweegbrengen van een toestand van hevige angst of een andere vorm van ernstige geestelijke ontreddering.
3. Indien het feit de dood tengevolge heeft wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of met tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 2
Met gelijke straffen als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten, wordt gestraft:
a. de ambtenaar of anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon die door een der in artikel 47, eerste lid, onder 2�, van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen tot de in artikel 1 bedoelde vorm van mishandeling uitlokt of die opzettelijk toelaat dat een ander die vorm van mishandeling pleegt;
b. hij die de in artikel 1 bedoelde vorm van mishandeling pleegt, indien een ambtenaar of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie zulks door een der in artikel 47, eerste lid, onder 2�, van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen heeft uitgelokt of zulks opzettelijk heeft toegelaten
Artikel 5
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan een van de in de artikelen 1 en 2van deze wet omschreven misdrijven schuldig maakt.
Artikel 6
1. De uitdrukking ambtenaar heeft in deze wet dezelfde betekenis als in het Wetboek van Strafrecht.
2. Voor de toepassing van de Nederlandse strafwet wordt onder ambtenaar mede begrepen degene die ten dienste van een vreemde staat een openbaar ambt bekleedt.
4. De UFV is met de inwerkingtreding van de WIM op 1 oktober 2003 ingetrokken.(979) Foltering is thans strafbaar gesteld in artikel 8 van de WIM. In de WIM wordt voor de definitie van foltering niet meer aangesloten bij de term 'mishandeling', zoals dat het geval is in artikel 1 UFV, maar bij de omschrijving van marteling in artikel 1, lid 1, sub d WIM. Foltering wordt in artikel 1, lid 1, sub e WIM gedefinieerd als marteling met een specifiek oogmerk. Daarnaast is de maximumstraf voor foltering, ook indien zich niet voordoet de strafverzwarende omstandigheid dat deze tot de dood leidt, verhoogd naar een tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaar dan wel levenslange gevangenisstraf in plaats van de maximumstraf van 15 jaar zoals in de UFV.
5. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 lid 2 Sr dient de rechtbank daarom te onderzoeken of sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van het misdrijf foltering. Indien dat het geval is, dient de rechtbank vast te stellen welke strafbepaling voor verdachte een gunstiger bepaling oplevert.
6. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de WIM moet de gewijzigde omschrijving van het strafbare feit niet worden opgevat als een gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid van het misdrijf foltering die tot toepassing van artikel 1 lid 2 Sr zou verplichten.(980) De rechtbank onderschrijft de uitleg van de wetgever dat de veranderde wijze van strafbaarstelling van foltering in de WIM geen blijk geeft van een gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid van deze gedraging. Dit ligt echter anders voor wat betreft de strafbedreiging. De strafbedreiging is verhoogd in die zin dat voor alle gevallen van foltering - ongeacht of zich een strafverzwarende omstandigheid voordoet - de maximaal op te leggen tijdelijke straf 20 jaar of levenslang is geworden. Deze substanti�le verhoging van de maximale strafbedreiging getuigt uiteraard wel van een gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid van foltering zonder deze strafverzwarende omstandigheid. Nu de WIM in dit opzicht ongunstiger is voor verdachte dan de UFV ligt het toepasselijk wettelijk kader uitsluitend in de UFV, aangevuld met de destijds van toepassing zijnde bepalingen van het Wetboek van Strafrecht.
7. De strafbaarstelling van foltering is in een aparte wet opgenomen en niet in het Wetboek van Strafrecht om de volgende in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp UFV genoemde redenen.
'Hiervoor pleit dat, gezien de uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen, aan sommige bepalingen van het algemeen deel wordt gederogeerd met name op het punt van de omvang van de werking der strafwet en de daaruit voortvloeiende noodzaak een speciale, op de interpretatie van het begrip ambtenaar toegesneden 'transpositieregel' te introduceren(981), als mede op het punt van de inroepbaarheid van strafuitsluitingsgronden.'(982)
De wetgever heeft in de UFV wel aansluiting gezocht bij enkele in het Wetboek van Strafrecht voorkomende begrippen als 'mishandeling' en 'ambtenaren'.(983)
8. Ingevolge het bepaalde in artikel 91 Sr zijn, voorzover de UFV niet anders bepaalt, de titels I-VII IA van boek I van het Wetboek van Strafrecht van toepassing op de UFV. Dit betekent dat aan het begrip uitlokking in de UFV dezelfde betekenis toekomt als in het Wetboek van Strafrecht.
9. Voor de interpretatie van de bestanddelen van het delict foltering in de UFV richt de rechtbank zich op het Folteringverdrag, de Goedkeuringwet van het Folteringverdrag, de wetsgeschiedenis die heeft geleid tot de invoering van de UFV en de Nederlandse rechtspraak terzake. Daarnaast zoekt de rechtbank aansluiting bij de conclusies van het Comit� tegen Foltering (het toezichthoudend orgaan op de naleving van het Folteringverdrag) en de bespreking van landenrapportages door dit Comit� . Dit is gerechtvaardigd vanuit het perspectief van de UFV, welke immers tot doel heeft de correcte implementatie van de verplichtingen van Nederland ingevolge het Folteringverdrag. Jurisprudentie van andere internationale organen, zoals het VN Mensenrechtencomit�, is eveneens richtinggevend, voor zover zij relevante overwegingen omtrent foltering bevat.
10. Hieronder bespreekt de rechtbank de afzonderlijke bestanddelen van het misdrijf foltering (artikel 1 UFV). Per bestanddeel zal zij eerst aangeven wat daaronder dient te worden verstaan en vervolgens onderzoeken of bewijs voorhanden is dat het bestanddeel is vervuld.
Deze bestanddelen zijn:
(1) mishandeling in de zin van de UFV;
(2) de kwaliteit van de dader als een ambtenaar of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon;
(3) vrijheidsberoving van het slachtoffer;
(4) de aanwezigheid van een bijzonder oogmerk.
11. Vervolgens worden de deelnemingsvormen 'uitlokken' en 'opzettelijk toelaten' (art. 2 UFV) besproken (5). Ook hier zal de rechtbank eerst het juridisch kader uiteenzetten en daarna de door verdachte gepleegde misdrijven toetsen aan dat kader.
(1) Mishandeling in de zin van de UFV
Juridisch kader
12. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp UFV benadrukt dat alleen zeer ernstige vormen van mishandeling als foltering worden aangemerkt, maar dat aansluiting bij het begrip 'zware mishandeling' ontoereikend is. Foltering kan volgens deze memorie van toelichting vormen aannemen die zeer hevige pijnen of geestelijke kwellingen teweeg kan brengen, zonder dat dit sporen van fysiek of psychisch letsel achterlaat.(984) In artikel 1 lid 2 UFV wordt daarom met mishandeling gelijk gesteld het opzettelijk teweegbrengen van een toestand van hevige angst of een andere vorm van ernstige geestelijke ontreddering. De folteringshandeling moet daarnaast van dien aard zijn dat het beoogde doel kan worden bevorderd.(985)
13. De in art. 1 UFV opgenomen omschrijving van foltering sluit aan bij de definitie van foltering in art. 1 Folteringverdrag. Het moet gaan om handelen dat hevige pijn of leed van fysieke of geestelijke aard ('severe pain of suffering, whether physical of mental') toebrengt. Uit de conclusies van het Comit� tegen de Foltering blijkt dat voor foltering sprake moet zijn van een handelen of nalaten dat leidt tot pijn of leed van een zekere ernst. Het lijden kan ook van geestelijke aard zijn, zoals het Comit� tegen Foltering bij herhaling heeft vastgesteld.(986) Het valt niet in algemene zin vast te stellen wat de intensiteit van de pijn of het geestelijk leed moet zijn. De conclusies van het Comit� kenmerken zich op dit punt door een casu�stische benadering waarbij zonder verdere motivering bepaalde situaties wel of niet als foltering worden aangemerkt. Voorts worden in de conclusies van het VN Mensenrechtencomit� ernstige vormen van dreiging met foltering en/of de dood eveneens beschouwd als geestelijke foltering.(987)
14. Het doden van personen levert niet onder alle omstandigheden het misdrijf van foltering op. De Hoge Raad heeft in zijn arrest in de zaak-Bouterse geoordeeld dat de tekst van art. 1 UFV geen ruimte laat voor de opvatting dat het doden van iemand zonder dat dit is voorafgegaan door of vergezeld van mishandeling in de zin van art. 1 als foltering kan worden aangemerkt.(988)
15. Het opzet van de pleger van de in de UFV bedoelde mishandeling moet zijn gericht op het gevolg van de handeling.
Feitelijke toetsing
16. De rechtbank stelt vast dat bij de slachtoffers van de misdrijven welke verdachte heeft gepleegd sprake is geweest van hevig geestelijk lijden. Deze slachtoffers waren op de vlucht geslagen voor het geweld tegen de Tutsi-bevolking, of verleenden bijstand in deze vluchtpoging, in een tijd waarin genocide plaatsvond in Rwanda, en zij bevonden zich dientengevolge in een kwetsbare positie. In die situatie van grote spanning en doodsangst is hun door de gedragingen van verdachte en zijn mededaders geestelijk lijden toegebracht van een buitengewoon grote intensiteit welke zonder enige twijfel het niveau van een toestand van hevige angst en ernstige geestelijke ontreddering heeft bereikt.
17. Weliswaar heeft de heer [getuige 4] niet voor zijn eigen leven hoeven te vrezen, maar de doodsbedreiging ten opzichte van zijn partner en zijn zoon heeft zonder enige twijfel ook bij hem een hevige angst en een ernstige geestelijke ontreddering teweeg gebracht.
18. Daarnaast is aan de inzittenden van de ambulance, met uitzondering van [getuige 1] en [getuige 2], hevige lichamelijke pijn toegebracht. Deze slachtoffers zijn op een afschuwelijke wijze met machetes en knuppels gedood. Er bestaat geen twijfel dat hun dood is voorafgegaan door en vergezeld van hevige pijn en verminking.
19. De rechtbank stelt tenslotte vast dat het opzet van verdachte gericht was op zowel het toebrengen van hevige fysieke pijn als geestelijk leed bij de slachtoffers.
(2) De kwaliteit van de dader als ambtenaar of anderszins ten dienste van overheid werkzame persoon
Juridisch kader
20. Foltering is een kwaliteitsdelict. Een wezenlijk kenmerk van foltering is het misbruik van overheidsbevoegdheden.(989) De dader moet op basis van art. 2 sub a UFV een ambtenaar zijn of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie ('overheidsfunctionaris').(990) Eveneens is op grond van artikel 2 sub b UFV strafbaar degene die tot de foltering is uitgelokt door een ambtenaar (of anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon) door een van de in artikel 47 lid 1, onder 2 Sr vermelde middelen of indien deze laatstgenoemde de foltering opzettelijk heeft toegelaten. Op grond van deze laatste bepaling is derhalve ook de niet-ambtenaar die door de overheidsfunctionaris in staat is gesteld tot het plegen van de foltering strafbaar.(991)
21. Ook art. 1 Folteringverdrag beperkt zich niet tot de 'overheidsfunctionaris' maar geeft een uitbreiding voor die personen die op instigatie of met toestemming van een overheidsfunctionaris de foltering begaan dan wel omdat een overheidsfunctionaris dit gedoogt ('at the instigation of or with the consent or acquiescence of a public official').
22. Samen met het vereiste oogmerk beoogt de kwaliteit van ambtenaar de mishandeling te onderscheiden van uitsluitend willekeurig of in de particuliere sfeer toegebracht geestelijk leed en pijn. Het gaat om praktijken waarvoor personen die met publiek gezag bekleed zijn op enigerlei wijze verantwoording dragen.(992)
23. De beschuldiging in de tenlastelegging houdt niet in dat verdachte zelf als ambtenaar of anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon pijn of leed heeft toegebracht, maar dat hij dit heeft gedaan, terwijl deze gedragingen door overheidsfunctionarissen werden uitgelokt en/of opzettelijk werden toegelaten.
24. Onderzocht dient dan ook te worden of de in de tenlastelegging vermelde personen die de foltering zouden hebben uitgelokt en/of hebben toegelaten, ambtenaren waren of anderszins ten dienste van de overheid werkzame personen. Dit zal bij buitenlandse functionarissen veelal niet getoetst kunnen worden op basis van aanstellingsbesluiten of andere formele gegevens, maar zal mogen en moeten worden afgeleid uit hun functies in de offici�le gezagsstructuur van de overheid, zoals die feitelijk kan worden vastgesteld.
Feitelijke toetsing
25. In de tenlastelegging worden met name genoemd:
- E�n of meer leden van de regering, waaronder Jean Kambanda als premier en Eli�zer Niyitegeka als minister van Informatie;
- Cl�ment Kayishema als prefect van Kibuye;
- Charles Sikubwabo als burgemeester van Gishyita;
- Mikaeli Muhimana als conseiller van Gishyita.
Al deze personen bezaten ten tijde van de bewezen verklaarde pleegdata de kwaliteit van Rwandees ambtenaar of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon. De rechtbank stelt dit vast op basis van uitspraken van het Rwanda-tribunaal in de zaken tegen Jean Kambanda, Eli�zer Niyitegeka, Cl�ment Kayishema en Mikaeli Muhimana.993 Voor wat betreft Charles Sikubwabo verwijst de rechtbank naar haar vaststelling met betrekking tot de door verdachte gepleegde misdrijven ten aanzien van mevrouw [getuige 3] en de heer [getuige 4] (zie hoofdstuk 8), onder meer inhoudende dat Sikubwabo in die periode burgemeester van Gishyita was.
26. In de tenlastelegging wordt het uitlokken en toelaten ook toegeschreven aan niet met name genoemde (leden van) de strijdkrachten van Rwanda, burgemeesters, prefecten en overige overheidsvertegenwoordigers. Deze personen zijn uiteraard per definitie ambtenaren of anderszins ten dienste van de overheid werkzame personen geweest.
(3) Vrijheidsberoving van het slachtoffer
Juridisch kader
27. Artikel 1 lid 1 UFV stelt de eis dat het slachtoffer van zijn vrijheid is beroofd. Het moet, aldus de memorie van toelichting, gaan om personen die zich in de fysieke macht van de dader, althans van de overheidsdienst waartoe de dader behoort, bevinden.(994) Het is irrelevant of die vrijheidsberoving rechtmatig of onrechtmatig is.(995)
28. In art. 1 Folteringverdrag is de voorwaarde van vrijheidsberoving van het slachtoffer niet gesteld. De Raad van State heeft in zijn advies over het wetsvoorstel UFV gesignaleerd dat de eis van vrijheidsberoving in het wetsvoorstel een niet door het Folteringverdrag voorgeschreven beperking inhield en zich op het standpunt gesteld dat deze niet in de wet zou moeten worden opgenomen. De Minister van Justitie heeft in het nader rapport erkend dat het Folteringverdrag dit element inderdaad niet uitdrukkelijk noemt, maar tevens gesteld dat deze voorwaarde wel kan worden afgeleid uit de artikelen 10 en 11 Folteringverdrag. Daaraan heeft hij toegevoegd dat niet valt in te zien hoe de delictsomschrijving kan worden vervuld zonder dat het slachtoffer daarbij van zijn vrijheid is beroofd.(996)
29. Ten aanzien van de in de memorie van toelichting geformuleerde eis dat het moet gaan om een vrijheidsberoving waarbij het slachtoffer zich in de fysieke macht van de overheid bevindt, overweegt de rechtbank dat de Minister van Justitie hierbij kennelijk het oog heeft gehad op het bepaalde in artikel 1 lid 1 UFV, namelijk indien een overheidsfunctionaris rechtstreeks deelneemt aan de foltering. Niet kan zijn bedoeld dat de persoon die geen overheidsfunctionaris is, maar wel van overheidswege is uitgelokt tot vrijheidsbeneming en mishandeling van het slachtoffer, dan wel handelt met toestemming van de overheid, zich niet aan foltering zou kunnen schuldig maken, indien hij - en niet een overheidsfunctionaris - het is die het slachtoffer zijn vrijheid ontneemt.
Feitelijke toetsing
30. De rechtbank stelt vast dat de inzittenden van de ambulance en het gezin [getuigen 3 en 4] zich in de fysieke macht bevonden van hun daders. Deze mensen zijn tegen gehouden op de openbare weg en konden hun weg niet meer vervolgen, omdat dit onmogelijk werd gemaakt door verdachte en zijn mededaders. Deze verhindering bestond niet alleen uit directe en concrete dreigingen met geweld, maar ook uit de algehele context van de Rwandese genocide.
31. Weliswaar heeft de heer [getuige 4] toestemming gekregen samen met zijn zoon verder te reizen. In de gegeven omstandigheid waarin het leven van zijn (Tutsi-)vrouw, tevens de moeder van zijn zoon, direct gevaar liep, kan de conclusie geen andere zijn dat het hele gezin [getuigen 3 en 4] van zijn vrijheid was beroofd en zich bevond in de macht van verdachte en zijn mededaders.
(4) De aanwezigheid van een bijzonder oogmerk
Juridisch kader
32. Artikel 1 lid 1 UFV stelt de eis dat de 'mishandeling' plaatsvindt met het oogmerk inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, het slachtoffer te bestraffen, het slachtoffer of een ander vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden, of uit minachting voor diens aanspraken op menselijke gelijkwaardigheid.
33. Op deze wijze zijn in de UFV de in art. 1 lid 1 Folteringverdrag vermelde en voor foltering vereiste oogmerken ge�mplementeerd. De Nederlandse wetgever heeft er uiteindelijk voor gekozen, in afwijking van de tekst van artikel 1 lid 1 van het Verdrag en in het belang van de rechtszekerheid, de oogmerken limitatief te codificeren.(997)
34. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp UFV noemt een tweetal innerlijke 'motieven' van de dader, waarvan er tenminste ��n vervuld moet zijn. Het ene motief is gericht op het misbruiken van de lichamelijke of geestelijke integriteit van het slachtoffer teneinde iets van hem of van een derde gedaan te krijgen of om hem te doen lijden voor zijn of andermans concrete gedrag (afdwingen van een bekentenis of verklaring, bestraffing, intimidatie) en het andere motief is gericht op discriminatie van de medemens.(998)
35. Het vereiste oogmerk van foltering heeft als doel dit misdrijf te onderscheiden van de mishandeling als uiting van pure willekeur.(999) Het oogmerk veronderstelt een direct verband met de belangen of het beleid van de staat en zijn organen en/of ambtenaren, zoals twee gezaghebbende commentaren op het Folteringverdrag aangeven.(1000)
Feitelijke toetsing
36. De rechtbank verwijst voor het verloop en de aard en omvang van de genocide in Rwanda naar hoofdstuk 3 van dit vonnis. Onmiskenbaar is dat de Rwandese overheid op alle niveaus binnen haar bestuurlijke en militaire apparaat leiding heeft gegeven aan de planning en uitvoering van de genocide op de Tutsi's, de ultieme vorm van minachting van de menselijke gelijkwaardigheid.
(5) Uitlokken en opzettelijk toelaten
Juridisch kader
37. Het Folteringverdrag stelt in artikel 1 lid 1 strafbaar het toebrengen van pijn of leed 'door of op aanstichten van dan wel met de instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris.' Bij instemmen of gedogen gaat het om foltering door een persoon, zonder dat deze persoon in dienst is van de overheid of in een offici�le hoedanigheid handelt.
38. De Nederlandse wetgever heeft het 'aanstichten, instemmen en gedogen' uit art. 1 lid 1 Folteringverdrag in artikel 2 UFV ge�mplementeerd als uitlokken door een van de in artikel 47, lid 1, onder 2, Sr vermelde middelen en als het opzettelijk toelaten. Op grond van art. 2 lid 2 onder a respectievelijk onder b UFV is in gelijke zin als de ambtenaar die direct foltering pleegt, strafbaar (a) de ambtenaar die uitlokt of opzettelijk toelaat en (b) de persoon die ernstige pijn of leed toebrengt, indien een ambtenaar zulks heeft uitgelokt of opzettelijk heeft toegelaten. Hierna zullen deze twee deelnemingsvormen worden besproken.
39. Van uitlokking is sprake, indien aan de volgende vereisten is voldaan:
(1) De opzet van de uitlokker is gericht op (a) het uitlokken en (b) op alle bestanddelen van het uitgelokte delict.
(2) Een ander (de uitgelokte) is aangezet het strafbare feit te plegen. Vereist is dat de uitlokker bij verdachte het 'wilsbesluit' heeft doen ontstaan de door hem gepleegde misdrijven te plegen.
(3) E�n of meer uitlokkingsmiddelen zijn gebruikt.
(4) Het uitgelokte delict is gevolgd.
(5) De uitgelokte moet deswege strafbaar zijn.
40. De Nederlandse strafwet kent geen andere bepaling waarin de deelnemingsvorm 'opzettelijk toelaten' strafbaar is gesteld. De memorie van toelichting op het wetsontwerp UFV implementeert met deze deelnemingsvorm het in art. 1 lid 1 Folteringverdrag vermelde 'instemmen of gedogen' van een overheidsfunctionaris.(1001) Deze deelnemingsvorm vereist dat bij enige overheidsfunctionaris wetenschap bestaat dat foltering wordt gepleegd en dat deze overheidsfunctionaris opzettelijk niet ingrijpt om daaraan een halt toe te roepen.
Feitelijke toetsing uitlokking
41. (ad 1) De rechtbank heeft vastgesteld dat de Rwandese overheid jarenlang en op systematische wijze de Hutu's heeft aangezet tot haat tegen hun Tutsi-landgenoten. De rechtbank heeft ook al vastgesteld dat de genocide geen spontane uitbarsting van etnisch geweld was, maar een door de overheid georganiseerde massamoord op een deel van de eigen bevolking.
42. In de tenlastelegging worden personen genoemd die - zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld - 'overheidsfunctionarissen' zijn geweest ten tijde van de door verdachte gepleegde misdrijven. Zij dienen te worden beschouwd als uitlokkers, gelet op de (leidende) rol die zij in hun functie van overheidsfunctionaris op centraal, regionaal of op lokaal niveau in die periode hebben gehad bij het bedenken, organiseren en/of uitvoeren van de genocide.
43. De toenmalige premier Kambanda heeft in die tijd een sleutelrol gespeeld in de genocide. Niyitegeka was Minister van Informatie en ��n van de hoofdverantwoordelijken voor de organisatie en uitvoering van de genocide in de prefectuur Kibuye.(1002) In de omgeving van Mugonero zijn belangrijke gezagsdragers geweest: prefect Kayishema, conseiller Muhimana en burgemeester Sikubwabo. De belangrijke en leidinggevende rol in de genocide in dat gebied vindt ten aanzien van Muhimana en Kayishema bevestiging in de uitspraken van het Rwanda-tribunaal.(1003) Voor wat betreft Sikubwabo verwijst de rechtbank in het bijzonder naar hetgeen is vastgesteld over zijn betrokkenheid bij de door verdachte gepleegde strafbare feiten met betrekking tot het gezin [getuigen 3 en 4].
44. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij de uitlokkers het opzet aanwezig is geweest om anderen, waaronder verdachte, uit te lokken tot het plegen van foltering. Tevens leidt het hierboven overwogene tot het oordeel dat de uitlokkers opzet hebben gehad op de foltering waaraan de inzittenden van de ambulance, mevrouw [getuige 3] en de heer [getuige 4] zijn onderworpen. De uitlokkers hebben daarbij gehandeld uit minachting voor de aanspraak van de Tutsi's op menselijke gelijkwaardigheid. Dit discriminatoire oogmerk is een vaststaand gegeven dat direct verband houdt met de door de Rwandese overheid georganiseerde en uitgevoerde genocide in april t/m juli 1994.
45. (ad 2) De rechtbank heeft hiervoor (hoofdstuk 3) reeds vastgesteld dat in Rwanda sprake is geweest van een stelselmatig van overheidswege gevoerde giftige anti-Tutsi propaganda. In het door deze propaganda uitgedragen gedachtegoed werden de Tutsi's als vijanden van de Hutu's neergezet. De overheid riep op grof geweld tegen de Tutsi's te gebruiken uitmondend in hun dood. De overheid mobiliseerde daarbij voor de noodzakelijke uitvoering van haar genocidale plan de Hutu-bevolking.(1004) Het lijdt geen twijfel dat ook verdachte dit gedachtegoed aanhing en, hierdoor ge�nspireerd, is bewogen om de slachtoffers die in de ambulance zaten, mevrouw [getuige 3] en de heer [getuighe 4] te folteren.
46. (ad 3) De uitlokkers hebben de volgende uitlokkingsmiddelen gebruikt.
(i) De Rwandese autoriteiten hebben de Hutu's, en ook verdachte, door misleiding uitgelokt tot het plegen van foltering op de Tutsi-bevolking. Zij hebben in de hiervoor genoemde langdurige en systematische propaganda waarin de Tutsi's gedemoniseerd werden en vereenzelvigd met het RPF, de militaire vijand, een onjuist maar hardnekkig beeld gecre�erd van de gehele Tutsi-bevoking die tot grote angst voor de Tutsi's bij de Hutu-bevolking heeft geleid. Hiermee is de basis gelegd voor het etnische geweld tegen de Tutsi's waaronder ook de inzittenden van de ambulance, mevrouw [getuige 3] en de heer [getuige 4].
(ii) De Rwandese autoriteiten hebben door misbruik van hun gezag de Hutu's, en ook verdachte, uitgelokt tot het plegen van foltering. De ambtenaren op nationaal, regionaal of lokaal niveau hebben de hun op grond van hun functie ter beschikking staande macht(1005) en invloed misbruikt om de Hutu's op te roepen tot de jacht op en het uitroeien van de Tutsi's, het mobiliseren en organiseren van burgers voor dit doel en tot slot door zelf in sommige gevallen ook mee te doen aan de aanvallen op de Tutsi's.
(iii) De Rwandese autoriteiten hebben de Hutu's, en ook verdachte, uitgelokt tot het plegen van de foltering op de Tutsi's door het verschaffen van middelen. Zij hebben wapens aan de Hutu-bevolking gegeven, zodat zij daarmee hun Tutsi-naasten konden mishandelen, verminken en doden. Door de deskundige Des Forges is beschreven dat een groot deel van de bevolking wapens rechtstreeks van overheidsmedewerkers of van militairen kreeg als onderdeel van het burgerzelfverdedigings-programma (kort voor/na 6 april 1994). De distributie was officieel en goed georganiseerd.(1006)
(iv) De Rwandese autoriteiten hebben de Hutu's, en ook verdachte, uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid voor het plegen van de foltering op de Tutsi's. Zij riepen op tot de jacht op hun Tutsi-medeburgers. In het verlengde hiervan ligt het onbestraft laten van de aanvallen op Tutsi's(1007) als verdere bijdrage aan de normalisering van geweld tegen Tutsi's en het straffen van Hutu's die weigerden daaraan mee te doen.(1008)
47. De rechtbank spreekt vrij van de overige in de tenlastelegging genoemde uitlokkingsmiddelen, omdat de in het dossier vervatte bewijsmiddelen daarvoor geen steun bieden.(1009)
48. (ad 4). De uitgelokte delicten zijn gevolgd gelet op de door verdachte gepleegde misdrijven.
49. (ad 5) Verdachte is strafbaar voor de door hem gepleegde delicten waartoe hij is uitgelokt. Alle bestanddelen van de delictsomschrijving - zoals hierboven omschreven - zijn vervuld en ten aanzien van hem is ook geen schulduitsluitingsgrond van toepassing.
Feitelijke toetsing opzettelijk toelaten
50. De Rwandese autoriteiten hebben zelf opgeroepen tot massaal geweld tegen een deel van hun eigen burgerbevolking en hebben in die oproepen volhard. Onder die omstandigheden is per definitie sprake van een opzettelijk toelaten van de foltering. Het is daarbij niet nodig dat de overheid van elk afzonderlijk geweldsincident op de hoogte is geweest.
Foltering de dood ten gevolge hebbend
51. De rechtbank heeft thans vastgesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan foltering zowel ten aanzien van de inzittenden van de ambulance als ten aanzien van het gezin [getuigen 3 en 4]. Zij zal nu nog onderzoeken of bewezen is dat de foltering van de inzittenden van de ambulance, met uitzondering van [getuige 1] en [getuige 2], de dood tot gevolg heeft gehad. Ook hier wordt weer eerst het juridisch kader geschetst en feitelijk getoetst.
Juridisch kader
52. In het Folteringverdrag zijn geen specifieke bepalingen opgenomen over (de aard en de hoogte van) de strafbedreiging of eventuele strafverzwarende omstandigheden.
53. De in artikel 1 lid 3 UFV toegevoegde strafverzwarende omstandigheid 'indien het feit de dood ten gevolge heeft' is een keuze van de Nederlandse wetgever. De vraag rijst wanneer bij het misdrijf van foltering de dood als gevolg kan worden toegerekend aan de door verdachte begane daad. De rechtbank overweegt dat foltering een bijzondere vorm van mishandeling is en zal daarom aansluiting zoeken bij de uitleg die in de rechtspraak is gegeven aan het causaliteitsvereiste ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheid, de dood ten gevolge hebbende, zoals bepaald in de artikelen 300 lid 3, 301 lid 3, 302 lid 2 en 303 lid 2 Sr.
54. De rechtbank wijkt hiermee dus af van het standpunt van het Openbaar Ministerie dat heeft betoogd dat aansluiting gezocht kan worden bij bijvoorbeeld de jurisprudentie inzake het misdrijf van gijzeling de dood ten gevolge hebbend (art. 282a lid 1 jo. lid 2 Sr), waarbij niet bepalend is of de handeling die de dood veroorzaakt zelfstandig is aan te merken als gijzeling.(1010) Gijzeling is nu eenmaal een wezenlijk ander delict dan mishandeling.
55. Net zoals bij mishandeling de dood ten gevolge hebbend, kent foltering de dood ten gevolge hebbend een tweevoudige causaliteit. De eerste betreft het oorzakelijk verband tussen de aan verdachte verweten gedraging en de pijn of het leed bij het slachtoffer. De tweede betreft het oorzakelijk verband tussen de foltering en de dood.
56. De rechtbank is van oordeel dat het - net zoals bij mishandeling - de folteringshandeling moet zijn die de dood ten gevolge heeft en dat daarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen vormen van foltering waarbij toerekening van de dood wel of niet redelijk is. Strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de ingetreden dood bij de slachtoffers volgt alleen, indien folteringshandelingen redelijkerwijs de dood veroorzaakt kunnen hebben. Er kan niet mee worden volstaan dat, zoals het Openbaar Ministerie voorstelt, sprake moet zijn van '��n ononderbroken samenstel van (bedreigings- en) geweldshandelingen dat zowel foltering oplevert als de dood veroorzaakt'.(1011) Hiermee zou aan de tweede causaliteitseis - in de zin van redelijke toerekening aan de dader - onvoldoende zelfstandige betekenis toekomen.
57. Bij mishandeling de dood ten gevolge hebbend is voor het voldoende verband doorslaggevend dat het gevolg - de dood - redelijkerwijs aan de dader kan worden toegerekend. In geval van folteringshandelingen die zeer ernstige fysieke pijn en leed toebrengen en waarbij het gehanteerde geweld bestaat uit het hakken en slaan met machetes op de slachtoffers, is de dood die daarop volgt, een gevolg dat - zonder enig voorbehoud - redelijkerwijs aan de dader kan worden toegerekend.
Feitelijke toetsing
58. De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat Dativa en haar kinderen en Brigitte en haar kinderen met knuppels zijn geslagen en met machetes zijn neergehakt, tengevolge waarvan deze slachtoffers zijn overleden. Zij heeft ook reeds vastgesteld dat verdachte de opdracht hiertoe heeft gegeven. De dood van deze slachtoffers kan zonder enige twijfel ten volle aan verdachte worden toegerekend.
59. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte samen met anderen ook de volgende feitelijke handelingen heeft gepleegd. Hij heeft:
- 'de inzittenden van de ambulance, althans een auto waaronder [getuige 1] en [getuige 2] en of Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en/of ��n of meer van haar kind(eren) en of Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en/of ��n of meer van haar kind(eren), bij Birogo tot stoppen te dwingen en/of ;
- te dwingen althans opdracht te geven zich naar Mugonero te begeven en/of;
- tijdens de rit van Birogo naar Mugonero deze ambulance/auto te omsingelen en/of omsingeld te houden en/of (daarbij) wapens (vuurwapens en/of machete(s) en/of knuppel(s)) te tonen en/of (dreigend) op de buitenkant van de ambulance/auto te slaan en/of (dreigend) te schreeuwen en/of (dreigend) te schelden (met woorden als Inkotanyi/kakkerlakken) en/of
- (vervolgens) de inzittenden van deze ambulance/auto in Mugonero tot uitstappen te dwingen, althans opdracht te geven om uit te stappen en/of
- (dreigend) (voor [getuige 1] hoorbaar) te zeggen: "voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden" en/of "We zijn blij dat we deze vrouwen hebben gevonden; we gaan deze mooie vrouwen in de open lucht vermoorden", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- (vervolgens) hen te dwingen, althans opdracht te geven, op een rij te gaan staan (terwijl zij omsingeld werden (gehouden)) en/of
- hen (aldus) in een situatie te brengen waarin zij langdurig voor hun leven en/of het leven van hun familie en/of vrienden en/of bekenden hebben moeten vrezen.'
60. Deze omstandigheden kunnen tezamen - en in sommige gevallen ook afzonderlijk - worden beschouwd als door verdachte gepleegde vormen van geestelijke foltering. Maar de daaruit voortvloeiende toestand van hevige angst en ernstige geestelijke ontreddering hebben de dood van de slachtoffers niet ten gevolg gehad. De dood als gevolg van de foltering kan derhalve niet bewezen worden voor deze door verdachte gepleegde feitelijke handelingen.
Slotsom
61. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte samen met anderen [getuige 1] en [getuige 2] heeft gefolterd. Samen met anderen heeft hij ook [getuige 3] en [getuige 4] gefolterd. Samen met anderen heeft hij Dativa, de vrouw van Gerard Muhutu, en Brigitte, de vrouw van Anaclet Munyanziza, en ten minste vier van hun kinderen gefolterd met dodelijk gevolg.(1012)
Hoofdstuk 17: Strafbaarheid en wettelijke voorschriften
1. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
2. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
3. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 1 en 2 van de Uitvoeringswet Folterverdrag, zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Hoofdstuk 18: De vorderingen van de slachtoffers
1. [Getuige 4/beledigde partij 1], [getuige 3/beledigde partij 2] en A. Harorimana hebben zich (ieder voor zich) als beledigde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, elk tot een bedrag van � 680,67. Zij allen werden bijgestaan door mr. L. Zegveld, advocaat te Amsterdam.
Bevoegdheid van de rechtbank om over de vordering te oordelen
2. Met betrekking tot de ingediende vorderingen zijn (voor zover op dit moment van belang) de volgende artikelen van toepassing:
- artikel 332 tot en met 337, artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze artikelen luidden voor de inwerkingtreding van de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten, Stb. 1993, 29 (hierna: Wet-Terwee),
- artikel 56 (oud) van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO).
3. De rechtbank heeft hiertoe vastgesteld dat de Wet-Terwee voor het arrondissement 's-Gravenhage op 1 april 1995 in werking is getreden. Uit het overgangsrecht van deze wet(1013) blijkt dat een aantal met name genoemde artikelen, waaronder artikel III dat de artikelen 51a, 51b, 51c, 51d, 51e, 51f toevoegt en (onder meer) artikel 332 en verder, alsmede artikel 361 Sv wijzigt, niet van toepassing is op strafbare feiten die zijn begaan voor het tijdstip van inwerkingtreding.
4. Dit oude, in deze zaak toepasselijk, recht limiteerde de mogelijkheid tot civiele voeging tot vorderingen van tamelijk geringe omvang. Deze bedragen, die vermeld staan in artikel 56 RO, zijn bij de Wet van 10 oktober 1978 (Stb. 1978, 528) voor de laatste keer verhoogd. Het van toepassing zijnde artikel 56 (oud) RO hield het volgende in:
1. De arrondissementsrechtbanken (...):
(...)
6. (Zij) nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de beledigde partij, wanneer die vorderingen geen f 1500 te boven gaan. Wanneer die vorderingen f 1500 te boven gaan, moeten dezelve bij een afzonderlijke burgerlijke actie vervolgd worden.
5. Nu elk van de vorderingen van de beledigde partijen zich beperkt tot een bedrag van � 680,67 is de rechtbank bevoegd om over deze vorderingen te oordelen.
Ontvankelijkheid van de beledigde partij
Eenvoudig van aard
6. De raadsvrouw van de beledigde partijen heeft ter terechtzitting van 20 oktober 2008 ten aanzien van de vorderingen van [getuige 4/beledigde partij 1] en [getuige 3/beledigde partij 2] en ter terechtzitting van 23 oktober 2008 ten aanzien van de vordering van A. Harorimana aangevoerd dat - anders dan het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft geoordeeld in de zaak Van A. (1014) - eenvoud van de vorderingen voor invoering van de Wet-Terwee geen wettelijk vereiste was. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij de rechtbank later bij brief geattendeerd op de op 18 november 2008 door Advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, mr. Machielse genomen conclusie in deze zaak.
7. In bedoelde conclusie heeft de Advocaat-generaal geschreven dat hij neigt tot de conclusie dat een kwantitatief criterium is vervangen daar een kwalitatief criterium. De wetgever lijkt er volgens hem voor de inwerkingtreding van de Wet-Terwee vanuit gegaan te zijn dat het stellen van een plafond aan de vordering van de beledigde partij zou verhinderen dat de strafrechter zich zou moeten bezighouden met allerlei ingewikkelde civiele kwesties. Hij heeft dan ook geconcludeerd dat het hof zich een bevoegdheid heeft aangemeten die op basis van het oude recht hem niet gegeven was en dus ten onrechte de beledigde partijen niet ontvankelijk heeft verklaard.
8. Voor wat betreft de vraag of de vordering van eenvoudig van aard dient te zijn wil deze zich kunnen lenen voor behandeling in het strafgeding, merkt de rechtbank op dat de Wet-Terwee dit kwalitatief criterium als eis stelt. Het oude, in deze zaak toepasselijk, recht stelde deze eis niet (expliciet). Wel werd, zoals hiervoor is vermeld, de mogelijkheid tot civiele voeging gelimiteerd tot vorderingen van tamelijk geringe omvang. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet-Terwee wordt over de invoeging van dit kwalitatieve criterium onder meer het volgende door de Minister opgemerkt:
'De beperking die het huidige recht stelt aan de hoogte van de vordering van de beledigde partij wordt doorgaans verdedigd met een verwijzing naar het accessoire karakter van deze vordering. (...) Zoals uit de hiervoor beschreven legitimatie van de voegingsprocedure blijkt onderschrijf ik het accessoire karakter van de vordering van de benadeelde partij ook thans nog. (...) Het stellen van een limiet aan de hoogte van de vordering beschouw ik echter niet als de aangewezen weg om het gevaar te voorkomen dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij de behandeling van de strafzaak gaat overschaduwen. Een dergelijke limitering veronderstelt namelijk dat er een correlatie is tussen de hoogte van de vordering en de complexiteit van het geschil. Dat is lang niet altijd het geval. De complexiteit van het geschil is veelal van geheel andere factoren afhankelijk dan van de hoogte van de vordering.
(...)
Dit neemt niet weg dat het doel dat met deze limitering wordt beoogd, namelijk het accessoire karakter van de vordering te waarborgen, wordt onderschreven. Dit oogmerk kan echter beter worden bereikt door de vordering te onderwerpen aan een kwalitatief criterium in plaats van aan kwantitatief criterium'
(Kamerstukken II, 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 9-11)
9. De rechtbank is op grond van hiervan van oordeel dat voor wat betreft de vraag of de beledigde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding de vraag of deze vorderingen van eenvoudige aard zijn geen enkele rol kan spelen.
Toepasselijk recht
10. Met betrekking tot het toepasselijke materi�le recht geldt dat verdachte en de beledigde partijen op de terechtzitting van 23 oktober 2008 hebben meegedeeld dat zij geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de op grond van artikel 6 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (hierna: Wcod) geboden mogelijkheid om toepasselijk recht te kiezen. Gelet op artikel 3 Wcod(1015) is dan ook het recht van de Staat op welks grondgebied de daad heeft plaatsgevonden van toepassing, in casu: Rwanda.
Voor de beoordeling van de vordering is op grond van artikel 7 Wcod(1016) het Rwandese recht onder meer van toepassing op: de gronden voor en de omvang van de aansprakelijkheid; het bestaan en de aard van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt; de omvang van de schade en de wijze van vergoeding ervan; en de termijn voor verjaring.
11. De raadsvrouw van de beledigde partijen heeft ter onderbouwing van de vorderingen en het toepasselijk recht stukken gevoegd van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI).
De termijn voor verjaring
12. De raadsman heeft ter terechtzitting van 18 november 2008 (niet nader onderbouwd) aangevoerd dat de vorderingen krachtens de artikelen 613-621 van de Code des Contrats ou des Obligations Conventionelles van 30 juli 1888 (hierna: Codes des Contrats) zijn verjaard.
13. De raadsvrouw van de beledigde partijen heeft ter terechtzitting van 19 november 2008 onder verwijzing naar een stuk van het IJI gesteld dat de vorderingen niet zijn verjaard. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat niet de artikel 613-621 maar de artikelen 645 tot 648 van de Codes des Contrats van toepassing zijn en dat daaruit blijkt dat civiele vorderingen verjaren na een periode van 30 jaar.
14. De rechtbank stelt vast dat uit de door de raadsvrouw ingebrachte stukken van het IJI onder meer blijkt dat op grond van artikel 116 van het Wetboek van Strafrecht van Rwanda van 18 augustus 1977(1017) civiele vorderingen die voortkomen uit een strafbaar feit verjaren op basis van regels van het civiele recht. De relevante regels van het civiele recht zijn, zo blijkt uit het rapport van het IJI, de artikelen 645 tot en met 647 van de Code des Contrats. In artikel 647(1018) van deze wet staat dat civiele vorderingen verjaren na een periode van 30 jaar.
15. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat op grond van het Rwandese recht de vordering tot schadevergoeding niet is verjaard.
Ten aanzien van de vordering van A. Harorimana
16. De rechtbank zal, nu verdachte wordt vrijgesproken van feit 1a van dagvaarding II deze beledigde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
Ten aanzien van de vorderingen van [getuige 4/beledigde partij 1] en [getuige 3/beledigde partij 2]
17. Nu verdachte voor feit 3 op dagvaarding I wordt veroordeeld, zijn deze beledigde partijen ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding. De rechtbank zal hierna onderzoeken of deze vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen.
Gegrondheid van de vordering
18. Zoals hiervoor is vermeld, zijn voor de gronden voor en de omvang van de aansprakelijkheid; het bestaan en de aard van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt; en de omvang van de schade en de wijze van vergoeding ervan de Rwandese bepalingen van toepassing.
19. Uit het rapport van het IJI blijkt dat de aansprakelijkheid voor een onrechtmatige daad is neergelegd in artikel 258 en verder van de Code des Contrats. Deze artikelen luiden voor zover relevant (in Nederlandse vertaling):
Artikel 258:
Hij, die aan een derde als gevolg van een handeling schade toebrengt, is verplicht deze schade te vergoeden.
Artikel 259:
Een ieder is aansprakelijk voor de schade die hij heeft veroorzaakt, hetzij als gevolg van een handeling, hetzij als gevolg van nalatigheid of onachtzaamheid.
20. Uit het rapport van het IJI blijkt verder dat de Code des Contrats geen nadere invulling geeft van de aard van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt en dat mitsdien gekeken dient te worden naar de algemene bepalingen. E�n van deze algemene bepalingen is artikel 43 dat als volgt luidt (in Nederlandse vertaling):
Artikel 43
In geval van een verbod is de overtreder, als gevolg van de overtreding, al een schadevergoeding schuldig.
21. Daarnaast geldt voor de plegers van genocide een speciale rechtsgang in Rwanda. Hiertoe is op 30 augustus 1996 de 'Organic Law No. 08/96 on August 30, 1996 on the Organization of Prosecutions for Offences constituting the Crime of Genocide or Crimes against Humanity committed since October 1, 1990' aangenomen. Deze wet is op 19 juni 2004 ingetrokken en vervangen door de 'Organic Law No. 16/2004 Establishing the organisation competence and functioning of gacaca courts charged with prosecuting and trying the perpetrators of the crime of genocide and other crimes against humanity, committed between October 1, 1990 and December 31, 1994'.
22. De rechtbank is zich terdege bewust van het feit dat verdachte zich niet in rechte heeft te verantwoorden voor genocide, nu Nederland hiertoe geen rechtsmacht heeft. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit echter onverlet dat, nu het Rwandese recht van toepassing is en de beledigde partijen vallen onder de in laatstgenoemde wet gegeven definitie van slachtoffer,(1019) ook deze wetten op de beoordeling van de vorderingen van toepassing zijn.
23. Uit het rapport van het IJI blijkt dat artikel 96 van de Organic Law No 16/2004 (in Engelse vertaling) het volgende inhoudt:
Other forms of compensation the victims receive shall be determined by a particular law.
24. Uit dit artikel blijkt dat het de bedoeling is geweest van de Rwandese wetgever om andere vormen van schadevergoeding onder te brengen in een aparte wet. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen of er ook een aparte wet van kracht is, waarin zulks is geregeld, blijkt uit het rapport van het IJI dat rechters in het Rwanda slachtoffers van genocide immateri�le schadevergoeding hebben toegekend. In dit verband heeft het IJI verwezen naar de uitspraak van het Hof van Beroep van Kigali van 13 april 1999 in de zaak Namahirwe. In deze uitspraak is de verdachte onder meer veroordeeld tot betaling van 800.000 FRW als 'dommages moreaux'.
25. Op grond van het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat verdachte naar Rwandees recht een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat dit hem kan worden toegerekend. De omstandigheid dat Rwanda geen partij is bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing maakt niet dat verdachte door zijn handelen (dat in Nederland te kwalificeren valt als foltering) geen onrechtmatige daad zou hebben gepleegd.
26. Namens verdachte is aangevoerd dat het tenlastegelegde feit niet ten grondslag ligt aan de door de beledigde partijen gevorderde schade; de schade is het gevolg van andere traumatische ervaringen welke niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Gelet op de door de raadsvrouw gevoegde medische attesten van zowel [getuige 4/beledigde partij 1] als [getuige 3/beledigde partij 2], de toelichting op de vorderingen en de inhoud van het dossier is de rechtbank van oordeel dat de door de beledigde partijen gestelde schade rechtstreeks zijn oorzaak vindt in het bewezenverklaarde feit. De stelling van de raadsman dat er sprake is geweest van eigen schuld van [getuige 3/beledigde partij 2] nu zij zelf haar reisdocumenten heeft kwijt gemaakt, miskent elke realiteit, is onnodig kwetsend en verdient dan ook geen verdere bespreking.
27. Nu deze schade ook naar Rwandees recht voor vergoeding in aanmerking komt en verdachte op grond van deze wetgeving ook aansprakelijk is voor deze schade, is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen van de beledigde partijen gegrond zijn en dienen te worden toegewezen.
Verwijzing in de kosten die door de beledigde partijen [beledigde partij 1] en [beledigde partij 2] en de verdachte zijn gemaakt
28. Namens verdachte is aangevoerd dat de proceskosten naar Rwandees recht dienen te worden beoordeeld. Zoals hiervoor is vermeld, bepaalt artikel 7 Wcod een aantal aspecten waarop in het bijzonder het toepasselijke (buitenlandse) recht op toepassing is. In deze opsomming, zoals hiervoor al weergeven, worden de proceskosten niet genoemd. Deze proceskosten passen, naar het oordeel van de rechtbank, ook niet in de systematiek van de opsomming. Bovendien is ook niet voor de hand liggend dat deze kosten op grond van het toepasselijke buitenlandse recht zouden moeten worden beoordeeld. Immers, de kosten die door de beledigde partij zijn gemaakt zijn nauw verbonden met het Nederlandse strafproces dat is gevoerd. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.
29. Nu de vorderingen van de beledigde partijen [beledige partij 1] en [beledigde partij 2] zullen worden toegewezen, behoort verdachte verwezen te worden in de kosten door hen gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op � 9.378,93 (voor beide beledigde partijen gezamenlijk) als kosten voor rechtsbijstand en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.








