| LJN: BH0323, Rechtbank Haarlem , 15/035751-04 | |
|  | | Datum uitspraak: | 20-01-2009 | | Datum publicatie: | 20-01-2009 | | Rechtsgebied: | Straf | | Soort procedure: | Eerste aanleg - meervoudig | | Inhoudsindicatie: | Veroordeling tot 20 jaren gevangenisstraf voor onder meer: 1) medeplegen van moord op een broer van veroordeelde; 2) doodslag op zijn ex-echtgenote wier lichaam nooit is gevonden. Ad 1) bewijsvoering gebaseerd op technisch bewijs (gevonden lijkdelen) en verklaringen van getuigen; Ad 2) bewijs in hoofdzaak gevormd door verklaringen van getuigen “de auditu”. Verwerping van het verweer strekkende tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie: niet zodanig ernstige fouten bij de verhoren van een getuige; geen misleiding van deze getuige; geen onjuiste voorlichting van deze getuige en geen toezeggingen omtrent het verkrijgen van getuigenbescherming; geen meinedige processen-verbaal en verklaringen van de officier van justitie en de verbalisanten; geen doelbewuste misleiding van de rechtbank en de verdediging door de officier van justitie of de verbalisanten; verbaliseringsplicht geschonden, volstaan wordt met de vaststelling dat een onherstelbaar verzuim is begaan; stelling van veroordeelde inzake een complot tegen hem niet aannemelijk geworden. Verwerping van de overige (bewijs)verweren: Ad 1) geen sprake van onrechtmatig verkregen getuigenverklaringen; getuigenverklaringen betrouwbaar geoordeeld; alibi van veroordeelde en alternatief scenario niet aannemelijk geworden. Ad 2) verwerping van het verweer dat ‘unis testis’-regel is geschonden, bewijs afkomstig uit meer dan één bron; getuigenverklaringen betrouwbaar geoordeeld; mogelijkheid dat ex-echtgenote nog in leven is kan in redelijkheid worden uitgesloten. Strafoplegging: bewezenverklaarde feiten kunnen volledig worden toegerekend; levenslange gevangenisstraf in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd; het vóór 1 februari 2006 geldende strafmaximum (tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaren) is van toepassing. Deze straf wordt opgelegd. |
|  |  | | | RECHTBANK HAARLEM Sector strafrecht
Parketnummer: 15/035751-04 (P) Datum uitspraak: 20 januari 2009 TEGENSPRAAK
VONNIS van de rechtbank Haarlem, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het
OPENBAAR MINISTERIE
tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Amsterdam, Huis van Bewaring ‘Het Schouw’.
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 maart 2007, 5 juni 2007, 12 juli 2007, 28 en 29 augustus 2007, 8 en 9 oktober 2007, 18 december 2007, 18 februari 2008, 13 mei 2008, 9 en 30 juni 2008, 22 september 2008, 10, 13, 17, 20, 25 en 27 november 2008, 1 en 4 december 2008 en 6 januari 2009.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadslieden van de verdachte mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam, mr. H.O. den Otter, advocaat te Almere en mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na een ter terechtzitting van 13 december 2006 toegelaten aanpassing omschrijving tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd, dat
1. hij op of omstreeks 11 november 1997, althans in de maand november 1997 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben de verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag), een schrijlings zittende positie op die [slachtoffer 1] aangenomen (zodat die [slachtoffer 1] zich niet kon verplaatsen) en vervolgens met een ijzeren hamer en/of met een hakmes, althans met een hard en/of zwaar voorwerp een of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
2. hij in of omstreeks de periode van 22 november 2002 tot en met 2 december 2002, althans in de maand november 2002 en/of de maand december 2002 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben de verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 2] gewurgd en/of verstikt en/of doen stikken (- al dan niet door de keel en/of de hals van die [slachtoffer 2] (met kracht) met (de) (beide) hand(en) samen te knijpen en/of (vervolgens) samen geknepen te houden -), althans een of meer handeling(en) verricht die, die [slachtoffer 2] het ademen onmogelijk heeft/hebben gemaakt, in elk geval opzettelijk zodanig geweld op die [slachtoffer 2] heeft uitgeoefend (en/of zodanige geweldshandeling(en) tegen die [slachtoffer 2] verricht), ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;
3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 december 2001 tot en met 12 november 2004 te Haarlem en/of te Amsterdam en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een aanvraagformulier voor een rijbewijs en/of (een aanvraagformulier voor) een paspoort en/of een registratieformulier echtscheidingsakte en/of een verblijfsvergunning (allen op naam van [X]), - (elk) (telkens) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft de verdachte (telkens) valselijk zijn, de verdachtes, pasfoto(`s) en/of zijn, de verdachtes, handtekening op voornoemd aanvraagformulier voor een rijbewijs (op naam van [X]) en/of (aanvraagformulier voor) een paspoort (op naam van [X]) en/of een registratieformulier echtscheidingsakte (op naam van [X]) en/of een verblijfsvergunning (op naam van [X]) gezet en/of laten zetten en/of afgegeven, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3.De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De verweren: De raadslieden hebben namens de verdachte gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Zij hebben daartoe de volgende verweren gevoerd:
1) getuige [getuige 1] ten onrechte niet als verdachte aangemerkt
Verweer: [getuige 1] is door de politie op 19 en 30 november 2004 als getuige verhoord, terwijl er op het moment van die verhoren jegens haar een redelijk vermoeden van schuld was ten aanzien van het schijnhuwelijk tussen haar en [X] en haar betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1]. Door haar niet als verdachte aan te merken zijn haar rechten onthouden, met name het recht op rechtsbijstand, dat tot doel heeft haar voor te lichten over het zwijgrecht en de consequenties van haar eventuele verklaringen. (blz. 16, 17, 18 en 22 van de pleitnotities)
[getuige 1] is door de politie bovendien misleid over het onderwerp van het onderzoek, aangezien niet onmiddellijk is verteld dat men onderzoek deed naar de vermissing van [slachtoffer 2]. Het vorenstaande moet leiden tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige 1] onrechtmatig zijn verkregen (blz. 16 van de pleitnotities) en dat het belang van de verdachte bij een integere strafrechtspleging zeer ernstig is geschonden (blz. 9 dupliek).
De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. [getuige 1] is op 19 en 30 november 2004 als getuige gehoord. Het is juist dat zij onder meer is verhoord over het schijnhuwelijk tussen haar en de verdachte, die zich bediende van de valse identiteit [X] en dat zij met betrekking tot dit onderwerp niet is gewezen op haar zwijgrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van een verzuim, aangezien het aangaan van een schijnhuwelijk niet strafbaar is en er geen enkele concrete verdenking bestond dat [getuige 1] betrokken was bij strafbare feiten met betrekking tot dit huwelijk. Overigens kan de vraag of [getuige 1] met betrekking tot het schijnhuwelijk op haar zwijgrecht had moeten worden gewezen hier verder onbesproken blijven, aangezien de officier van justitie [getuige 1] hiervoor niet heeft vervolgd en op de terechtzitting van 20 november 2008 uitdrukkelijk heeft toegezegd dat zij haar hiervoor ook niet zal vervolgen. Maar indien er al sprake zou zijn van een verzuim, raakt dit niet een rechtens te respecteren belang van de verdachte.
Van meer belang is het verwijt dat [getuige 1] tijdens de verhoren van 19 en 30 november 2004 niet op haar zwijgrecht is gewezen terwijl er al een zodanig compleet beeld bestond van haar rol bij de mogelijke moord op [slachtoffer 1], dat er bij die verhoren al sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. De verdediging noemt in dit verband de verklaringen van [getuige 8], [getuige 4] en [getuige 5]. Ook wijst de verdediging op het afgeluisterde telefoongesprek van 30 november 2004. In dit gesprek zegt [getuige 1] tegen haar vriendin [vriendin van getuige 1] dat de verhorende politieambtenaren tegen haar hebben gezegd dat zij al ‘wisten hoe het zat’ (blz.14 t/m 17 pleidooi en blz. 8 dupliek).
Nadere bestudering van die verklaringen leert dat vóór 30 november 2004 alleen [getuige 8] op 5 november 2004 en [getuige 5] op 29 november 2004 de naam van [getuige 1] hebben genoemd in verband met de dood van [slachtoffer 1]. Deze verhoren vonden plaats in het kader van een onderzoek naar de verdwijning van [slachtoffer 2]. De vermissing of de dood van [slachtoffer 1] was nog geen voorwerp van onderzoek, aangezien [slachtoffer 1]illegaal in Nederland verbleef en niemand zijn vermissing had gemeld. De op 19 november 1997 gevonden lijkdelen waren ook nog niet geïdentificeerd als de stoffelijke resten van [slachtoffer 1]. De stelling van de verdachte dat de dood van [slachtoffer 1] op dat moment al wel voorwerp van onderzoek was, is niet aannemelijk geworden. Ook het afgeluisterde telefoongesprek tussen [getuige 1] en [vriendin van getuige 1] is geen bevestiging voor deze stelling.
Dat er bij de verhoren van 19 en 30 november 2004 nog geen sprake was van een gericht onderzoek naar de dood van [slachtoffer 1] wordt ook bevestigd door het feit dat [getuige 1] als getuige in haar tweede verhoor van 30 november 2004 op de vraag waarom zij zo bang is voor de verdachte, spontaan verklaart dat zij bang voor hem was omdat de verdachte haar had verteld dat hij zijn broer [slachtoffer 1] had vermoord en dat hij daarbij tegen haar had gezegd: ‘Als jij dit ooit tegen iemand vertelt, dan maakt het niet uit met wie je bent of waar je bent, maar dan ben jij zeker de volgende.’ (blz. 2779). Bij die spontane verklaring heeft zij al vrij gedetailleerd verklaard hoe, waar en waarom de verdachte [slachtoffer 1] had vermoord. In haar tweede verhoor op 3 december 2004 heeft zij als getuige, maar nadat zij op haar zwijgrecht was gewezen, verteld dat zij bij de moord aanwezig was geweest. Pas in haar laatste verklaring van 3 december 2004 heeft zij als verdachte uitgebreid verklaard over haar eigen rol bij de moord op [slachtoffer 1].
Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat er bij de verhoren van 19 en 30 november 2004 nog geen dwingende reden was om [getuige 1] als verdachte met betrekking tot de moord op [slachtoffer 1] aan te merken. Er is bovendien op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de officier van justitie [getuige 1] toen al wel als verdachte zag, maar er bewust voor koos haar nog niet als verdachte aan te merken.
Het tweede deel van het verweer houdt in dat [getuige 1] is misleid over het onderwerp van het onderzoek doordat de politie haar niet onmiddellijk heeft verteld dat men onderzoek deed naar de vermissing van [slachtoffer 2]. Dit verweer wordt verworpen, aangezien geen rechtsregel de politie dwingt een getuige bij aanvang van het verhoor te vertellen over welk onderwerp hij of zij wordt gehoord. Voorts blijkt op geen enkele wijze dat hierdoor enig belang van [getuige 1], laat staan van de verdachte, is geschonden.
Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat aan [getuige 1] geen rechten zijn onthouden en dat er geen vormen zijn verzuimd.
2) voorlichting en toezeggingen aan [getuige 1] door de officier van justitie
Verweer: De officier van justitie heeft een gesprek gehad met [getuige 1]. Dit gesprek heeft volgens de verdediging plaatsgevonden op 30 november 2004. Dit wordt afgeleid uit het telefoongesprek dat [getuige 1] op de avond van 30 november 2004 heeft gehad met haar vriendin [vriendin van getuige 1], waarin [getuige 1] vertelt dat de officier voor haar naar het bureau is gekomen om te vertellen over getuigenbescherming. In dat gesprek heeft de officier van justitie [getuige 1] voorgelicht over haar positie, terwijl de officier van justitie per definitie niet degene is die dergelijke voorlichting kan en mag geven. Voorts heeft de officier van justitie [getuige 1] in dat gesprek onjuist voorgelicht over getuigenbescherming en voorlopige hechtenis en heeft zij aan [getuige 1] over deze onderwerpen toezeggingen gedaan. De officier van justitie is die toezeggingen niet nagekomen. Volgens de getuige [getuige 1] zijn die toezeggingen de reden geweest om te verklaren zoals zij heeft gedaan. Bij dit gesprek is [getuige 1] rechtsbijstand onthouden. Dit moet leiden tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige 1] onrechtmatig zijn verkregen. (blz. 7, 18, 19, 22 en 25 van de pleitnotities)
De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Vaststaat dat er een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de officier van justitie en [getuige 1], maar de datum ervan is niet volstrekt duidelijk geworden. Volgens [getuige 1] heeft dat gesprek op dinsdag 30 november 2004 plaatsgevonden, volgens de officier van justitie en de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] op vrijdag 3 december 2004. De rechtbank acht het meest waarschijnlijk en neemt aan dat het gesprek op dinsdag 30 november 2004 heeft plaatsgevonden. Dit leidt de rechtbank af uit het hierboven genoemde afgeluisterde telefoongesprek tussen [getuige 1] en haar vriendin [vriendin van getuige 1] op de avond van 30 november 2004. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] bij gelegenheid van haar voorgeleiding bij de rechter-commissaris in haar eigen strafzaak. Op maandag 6 december 2004 verklaart [getuige 1]: ‘Vorige week dinsdag toen ik voor verhoor op het bureau Koudenhorn was, heeft een mevrouw, van wie ik denk dat zij officier van justitie is, tegen mij gezegd dat ik maandag zou worden voorgeleid en dat zij dan meteen schorsing voor mij zou vragen.’ De rechtbank acht het waarschijnlijk dat [getuige 1] op maandag 6 december 2004 nog zeer goed in staat was onderscheid te maken tussen dinsdag 30 november en vrijdag 3 december 2004. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat [getuige 1] op dat moment enig belang had om onjuist over de datum van het gesprek te verklaren.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het tijdstip van dit gesprek van belang is voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. Op grond van het hierna volgende beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend.
De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat er nog geen noodzaak was om [getuige 1] tijdens de verhoren op 30 november 2004 als verdachte aan te merken. Daarmee vervalt het verwijt dat de officier van justitie [getuige 1] niet had mogen voorlichten over haar positie zonder dat zij werd bijgestaan door een advocaat.
Met betrekking tot de stelling dat [getuige 1] door de officier van justitie onjuist is voorgelicht over de mogelijkheden van getuigenbescherming en schorsing uit de voorlopige hechtenis zijn de volgende passages uit processen-verbaal van belang:
-- De officier van justitie heeft in haar proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2006 gerelateerd: ‘[getuige 1] gaf mij aan bang te zijn voor represailles van [verdachte] als zij een verklaring zou afleggen. Ik heb [getuige 1], zakelijk weergegeven, uiteengezet dat als er concreet sprake zou zijn van een bedreiging er wellicht mogelijkheden zouden zijn om haar als getuige te beschermen. Ik heb verder uitgelegd dat als haar ouders feitelijk zouden worden bedreigd, zij contact zouden moeten opnemen met het rechercheteam. Tevens heb ik, zakelijk weergegeven, gezegd dat de politie pas iets voor haar ouders zou kunnen doen als er sprake zou zijn van een concrete bedreiging waarover zij met de politie zou willen spreken. Ik heb verder uiteengezet, zakelijk weergegeven, hoe een opsporingsonderzoek als het onderhavige in zijn werk gaat en hoe het verloop van een strafproces is. (…) Het gesprek duurde in totaal ongeveer 15 minuten. (…) Later heb ik met de teamleider gesproken over de ouders van [getuige 1]. Op ons beider verzoek zijn teamleden bij de ouders langsgegaan. Men heeft de ouders van [getuige 1] gemeld dat altijd contact kon worden gezocht met het team als er sprake mocht zijn van bedreigingen. Van bedreigingen richting de ouders van [getuige 1] is echter nooit gebleken.’
-- De officier van justitie heeft op 21 november 2006 als getuige bij de rechter-commissaris het volgende verklaard: ‘Ik heb in grote lijnen aan mevrouw [getuige 1] verteld wat politie en justitie kunnen doen om getuigen te beschermen. Ik heb in zijn algemeenheid uitgelegd wat de bandbreedte is daarin; een paar dagen slapen in een hotel op kosten van justitie tot het getuigenbeschermingsprogramma. In de hoop haar verklaringsbereidheid te vergroten heb ik mevrouw [getuige 1] uitgelegd hoe een strafproces in elkaar steekt. Ik heb haar bijvoorbeeld verteld over ernstige bezwaren en het verloop van het voorarrest. (...) Ik heb verder uiteen gezet hoe ik dacht dat het verloop van het voorarrest van [verdachte] zou zijn. Ik heb haar mijn inschatting voorgehouden over hoe ik dacht dat de rechters over het voorarrest zouden denken. Ik heb er nadrukkelijk bij gezegd dat dit een inschatting was. Ik heb verder gesproken over schorsing of opheffing. Ik heb haar gezegd dat ik hierover niet ging. Ik heb voor haar een inschatting gemaakt over de ernstige bezwaren in de zaak van [verdachte] ter geruststelling van haar van het feit dat hij niet binnenkort op vrije voeten zou komen. We hebben het verder over haar ouders gehad. Zij maakte zich daar grote zorgen over. Ik heb haar verteld dat de politie wat kon doen in het geval er sprake zou zijn van een concrete bedreiging. (…) Ik heb absoluut niet gezegd dat als zij vast zou komen te zitten zij na drie dagen zou worden geschorst. Dat kan ik ook niet gezegd hebben omdat ik daar helemaal niet over ga. Bovendien was zij toen nog getuige. Ik weet niet of ik het met haar erover gehad heb dat als zij belastend zou verklaren zij eventueel als verdachte zou worden aangemerkt. Het klopt dat mevrouw [getuige 1] gevraagd heeft of haar familie kon worden beveiligd. Mevrouw [getuige 1] kwam erg angstig over. Het was voor mij duidelijk dat zij de veiligheid van haar familie heel hoog had en dat zij erover in zat. Ik heb in het kader van mijn algemene uitleg aan haar gesproken over het feit dat een nacht in het hotel op kosten van justitie één van de mogelijkheden was. Ik heb haar aangegeven dat wij voor haar familie alleen iets konden betekenen als er sprake zou zijn van een concrete bedreiging. Het kan goed zijn dat ik tegen haar heb gezegd dat ze mij mocht bellen als er iets zou zijn. Zij heeft dat overigens nooit gedaan. (…) U vraagt mij wat ik heb uitgelegd over het getuigenbeschermingsprogramma. Ik weet dat ik in grote lijnen heb verteld over het scala van de hotelnacht op kosten van het OM tot het getuigenbescherming-programma. Ik weet wel dat ik uitgelegd heb dat een dergelijk programma een moeilijk uitvoerbaar fenomeen in Nederland is. Ik weet niet meer of ik de procedure aan mevrouw [getuige 1] heb uitgelegd. Ik denk dat ik gezegd heb dat het betekent dat je ergens anders onder een andere identiteit een leven moet opbouwen en dat dat heel zwaar is. U vraagt mij of ik heb overwogen mevrouw [getuige 1] te adviseren zich te laten bijstaan door een raadsman of raadsvrouw met betrekking tot de uitleg over het getuigenbeschermingsprogramma. Neen, dat heb ik niet overwogen. (…) Ik ben vanaf het begin van deze zaak zaaksofficier. U vraagt mij naar het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2006 waaruit blijkt dat de politie bij de ouders van mevrouw [getuige 1] zouden zijn geweest en vraagt mij of de teamleider dat nog aan mij had teruggekoppeld. De teamleider heeft mij verteld dat de ouders hadden aangegeven dat zij niets hadden gemerkt van bedreigingen. Verder is hen meegedeeld dat als ze daar wel iets van zouden merken zij contact zouden moeten opnemen.’
-- [getuige 1] heeft op 18 september 2006 als getuige bij de rechter-commissaris verklaard: ‘De officier van justitie zei verder dat als ik vast zou komen te zitten, ik na drie dagen zou worden geschorst. Ik heb haar gevraagd om beveiliging van mij en mijn familie. Zij heeft mij aangeboden om in een hotel te slapen. Mijn familie mocht niet mee. Daarom heb ik het aanbod niet geaccepteerd. (…) Ik heb keer op keer verteld dat mijn familie gevaar loopt. Dat heb ik in dit gesprek met de officier van justitie ook gezegd. Daar is nooit iets mee gedaan. (…) Ik heb in dat gesprek met de officier van justitie gevraagd om beveiliging. Er is niets geregeld. De officier van justitie is tijdens dit verhoor maar even langs geweest.’
-- [getuige 1] heeft op 12 juli 2007 als getuige op de terechtzitting verklaard: ‘De officier van justitie heeft gezegd dat zij er persoonlijk voor zou zorgen dat ik getuigenbescherming zou krijgen en dat het veilig voor mij zou zijn om te verklaren. Als ik al vast zou komen te zitten, zou het niet langer dan drie dagen zijn. Daarom heb ik verklaard. Ik heb uitgebreid verklaard. Ik heb daarbij mijn eigen rol niet achterwege gelaten. (…) Op 30 november 2004 is er gebeld met officier van justitie Oudendijk. Die is laat in de avond langs geweest. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren daarbij aanwezig. De officier van justitie heeft mij bescherming en strafvermindering aangeboden. (…) Ik heb de officier van justitie duidelijk gemaakt hoe bang ik was voor [verdachte] en dat ik, als ik zou verklaren, zelfmoord zou plegen. Omdat de officier van justitie toezegde dat ze zou zorgen voor bescherming voor mij en mijn familie, ben ik gaan verklaren. Ik heb daarbij eerlijk verteld wat mijn rol is geweest, ik heb niet alleen over [verdachte] verklaard. Mr. Jonk vraagt mij of de mededelingen door de officier van justitie zijn gedaan voordat ik had verteld hoe bang ik was of daarna. Ik heb een paar keer aangegeven dat ik niet kon verklaren omdat ik bang was. Daarop kwam de officier van justitie met allerlei opties met betrekking tot bescherming. (…) Ik heb tegen de rechercheurs gezegd: ‘Ik heb met de officier van justitie afgesproken dat ik bescherming zou krijgen, daarom ga ik van A tot Z verklaren. (…) Het is inderdaad zo dat de officier van justitie heeft gezegd dat, als ik zou verklaren, zij er persoonlijk voor zou zorgen dat ik binnen drie dagen vrij zou zijn en dat er bescherming zou komen voor mij en mijn familie, zodat het veilig zou zijn om te verklaren.’
-- [getuige 1] heeft als getuige op de terechtzitting van 20 november 2008 verklaard: ‘De officier van justitie begon op een gegeven moment te praten over de mogelijkheid van getuigenbescherming. Niet alleen voor mij, maar ook voor mijn ouders en zusje. We zouden een andere naam krijgen, in een andere plaats gaan wonen en een ander uiterlijk krijgen. Ook zouden wij begeleiding krijgen bij het vinden van een andere baan. De officier van justitie bood mij aan die avond in een hotel te overnachten. Mijn ouders en zus mochten niet mee. Ik heb besloten niet in een hotel te overnachten en bij mijn ouders te blijven. Ik wilde niet als enige in een hotel slapen, omdat mijn ouders en zus nog gewoon thuis waren en [verdachte] heeft gedreigd mijn ouders en zus te vermoorden. Dat gevaar lopen wij nog steeds. Ik heb besloten mijn verklaring af te leggen na de belofte van getuigenbescherming. De officier van justitie heeft mij ook gezegd dat ik binnen drie dagen zou worden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Dit kwam ter sprake toen ik vroeg of ik vast zou komen te zitten. Mijn ouders en zus wisten nog van niets, dus die zou ik die avond moeten inlichten.’
Uit de verscheidene verklaringen die [getuige 1] heeft afgelegd blijkt dat zij tot 20 november 2008 vaag is gebleven over wat de getuigenbescherming zou inhouden. Er zou sprake zijn van de mogelijkheid om een of meer nachten in een hotel te slapen. Pas op 20 november 2008 antwoordt zij op een vraag van de voorzitter dat zij, haar ouders en haar zusje een andere naam en een ander uiterlijk zouden krijgen en in een andere plaats zouden gaan wonen en dat zij begeleiding zouden krijgen bij het vinden van een andere baan. De rechtbank acht deze laatste verklaring volstrekt ongeloofwaardig. De officier van justitie verklaart dat er slechts in het algemeen is gesproken over de mogelijkheden van getuigenbescherming, maar dat er nimmer concrete toezeggingen zijn gedaan op dit gebied.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat de officier van justitie [getuige 1] heeft toegezegd dat zij na drie dagen zou worden geschorst uit de voorlopige hechtenis. De officier van justitie heeft als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat zij met [getuige 1] heeft gesproken over de volgende onderwerpen: over ernstige bezwaren en het verloop van het voorarrest; over hoe zij dacht dat het verloop van het voorarrest van [de verdachte] zou zijn; over wat haar inschatting was over hoe de rechters zouden denken over het voorarrest; over schorsing en opheffing van de voorlopige hechtenis. Volgens de officier van justitie heeft zij duidelijk tegen [getuige 1] gezegd ‘dat zij daarover niet ging’. De officier heeft in dat verhoor uitdrukkelijk ontkend dat zij aan [getuige 1] heeft toegezegd dat zij ervoor zou zorgen dat, indien [getuige 1] zou komen vast te zitten, de voorlopige hechtenis zou worden geschorst.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [getuige 1] door de officier van justitie onjuist is voorgelicht over de mogelijkheden van getuigenbescherming, noch dat haar enige toezegging is gedaan omtrent het verkrijgen van getuigenbescherming, anders dan het aanbod om in een hotel te overnachten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schorsing uit de voorlopige hechtenis. De rechtbank acht het waarschijnlijk dat deze herinneringen van [getuige 1] in de loop van de tijd vorm hebben gekregen onder invloed van het belang dat de verdediging in haar eigen strafzaak aan deze aspecten heeft gehecht.
Tenslotte heeft de verdediging gesteld dat de door de officier gedane toezeggingen voor [getuige 1] reden zijn geweest om te verklaren zoals ze heeft verklaard. In dit verband merkt de rechtbank op dat in de visie van de verdediging de twee verhoren van 30 november 2004 zijn afgerond vóór de avondmaaltijd en dat het gesprek met de officier van justitie heeft plaatsgevonden in de avond van 30 november 2004 (blz. 7, 8 en 10 pleidooi). De rechtbank stelt vast dat de getuige [getuige 1] al in haar tweede verhoor op 30 november 2004, dus vóór het gesprek met de officier van justitie, heeft verklaard dat de verdachte haar heeft verteld dat hij zijn broer [slachtoffer 1]heeft gedood en dat hij het lijk nadat het in stukken was verdeeld heeft weggegooid en dat [slachtoffer 2] deze informatie tegenover haar heeft bevestigd (blz. 2779 ev). Dat betekent dat [getuige 1] de verdachte al heeft beschuldigd van de moord op [slachtoffer 1]voordat het gesprek met de officier van justitie had plaatsgevonden en dat deze beschuldiging niet gedaan kan zijn onder invloed van dat gesprek.
3) schending van de verbaliseringsplicht
Verweer: De officier van justitie en de verbalisanten hebben in strijd met de in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde verbaliseringsplicht geen proces-verbaal opgemaakt van het gesprek dat tussen de officier van justitie en [getuige 1] heeft plaatsgevonden (blz. 6, 19 en 20 van de pleitnotities). Bij dupliek heeft de verdediging nog aangevoerd dat het gerechtshof te Amsterdam in het arrest van 21 november 2008 in de zaak van [getuige 1] heeft gesteld dat dit gesprek moet worden aangemerkt als een verhoor. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Vaststaat dat de officier van justitie een gesprek heeft gehad met [getuige 1]. Dat gesprek vond plaats in een verhoorkamer op het politiebureau in aanwezigheid van twee rechercheurs die op die dag bezig waren [getuige 1] als getuige te horen. Volgens de officier van justitie in haar proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2006 en in haar verklaring als getuige bij de rechter-commissaris op 21 november 2006, had dit gesprek tot doel de verklaringsbereidheid van de getuige [getuige 1] in het onderzoek naar strafbare feiten van de verdachte te vergroten. Naar het oordeel van de rechtbank moet dit gesprek worden aangemerkt als een verhoor dat opsporing van een strafbaar feit tot doel had. Van een dergelijk verhoor moet krachtens artikel 152 Sv ten spoedigste proces-verbaal worden opgemaakt. Het doel van de verbaliseringsplicht is immers dat duidelijk en toetsbaar is wat tot opsporing is verricht.
Dat dit in het onderhavige geval niet is gebeurd, moet worden beschouwd als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Dit vormverzuim is niet herstelbaar gebleken. Weliswaar heeft de officier van justitie op 18 oktober 2006 alsnog proces-verbaal opgemaakt met betrekking tot dit gesprek, maar dit bijna twee jaar later opgemaakte proces-verbaal heeft niet volledige duidelijkheid gebracht. Ondanks de verhoren van de verbalisanten en de officier van justitie is een aantal vragen blijven bestaan over het tijdstip en de precieze inhoud van het gesprek.
Met betrekking tot de ernst van het verzuim overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat doelbewust is getracht het verhoor met de officier van justitie verborgen te houden. Zoals hierboven al is overwogen, gaf de inhoud van het gesprek, voor zover dat gereconstrueerd is kunnen worden, daartoe geen aanleiding. Het verzuim heeft geleid tot veel tijdverlies, aangezien door middel van getuigenverhoren alsnog geprobeerd is te achterhalen wanneer het gesprek heeft plaatsgevonden en wat er precies is besproken. De rechtbank is echter van oordeel dat door het verzuim het belang van verdachte niet ernstig is geschaad en dat kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar verzuim is begaan.
4) onjuiste meinedige processen-verbaal en verklaringen
Verweer: Volgens de verdediging hebben zowel de officier van justitie als de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] later, in strijd met de waarheid, als getuigen verklaringen afgelegd. De officier heeft op 18 oktober 2006 een proces-verbaal opgemaakt over de datum van het gesprek. Volgens de verdediging zijn de verklaringen van de verbalisanten op de terechtzittingen meinedig en is het proces-verbaal van de officier van justitie leugenachtig. Daarmee hebben zij de rechtbank en de verdediging misleid. (blz. 10, 20, 22, 23 en 25 van de pleitnotities)
De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Er is sprake van meineed indien een getuige opzettelijk een valse verklaring onder ede aflegt, dus in de wetenschap dat de inhoud van zijn verklaring onjuist is. Een inhoudelijk onjuiste verklaring levert geen meineed op als de getuige te goeder trouw meent dat de inhoud van zijn verklaring juist is. Het is algemeen bekend dat het voor de meeste mensen moeilijk is om zich na bijna twee jaar nog te herinneren op welke dag een bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden, tenzij er een speciale relatie is tussen die gebeurtenis en die dag of het een bijzondere dag betrof. Uit het verhoor van de officier van justitie blijkt dat zij bij gebrek aan een schriftelijke vastlegging van het gesprek aanknopingspunten heeft gezocht met haar gebruikelijke bezigheden op bepaalde dagen van de week. De verbalisanten hebben gezocht naar aanknopingspunten met de wel geverbaliseerde verhoren. Het is zeer wel mogelijk dat deze reconstructies tot een onjuist resultaat hebben geleid. Voorts is de kans zeer groot dat, als deze herinnering zich eenmaal in het brein heeft vastgezet, het vrijwel onmogelijk is om deze nog te vervangen door een andere.
Het feit dat de mededelingen van de officier van justitie en de verbalisanten met betrekking tot de datum van het gesprek (zeer waarschijnlijk) onjuist zijn, betekent niet dat ze ook leugenachtig of zelfs meinedig zijn. Er is immers niet aannemelijk geworden dat zij opzettelijk onjuist hebben verklaard.
In dit verband is ook nog van belang dat de verdediging op blz. 20 van de pleitnotities suggereert dat de officier van justitie opzettelijk de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken, waaronder het telefoongesprek van 30 november 2004, buiten het dossier heeft gelaten en dat de rechtbank naar aanleiding van de verklaringen van [getuige 1] op de terechtzitting zelfstandig onderzoek heeft gedaan en daarbij het uitgewerkte telefoongesprek heeft gevonden. Deze suggestie is onjuist. De rechtbank heeft steeds de beschikking gehad over een groot aantal uitgewerkte telefoongesprekken van verscheidene afgeluisterde telefoons die zijn neergelegd in de zg. C-dossiers en daarmee deel uitmaakten van het dossier. In een van die ordners (C8) is het bovengenoemde gesprek van 30 november 2004 aangetroffen. In het methodieken-proces-verbaal (blz. 172 ev) is een overzicht opgenomen van de afgeluisterde telefoons. Kennelijk zijn deze processtukken niet aan de verdediging verstrekt, maar waren zij voor hen op aanvraag ter inzage of in kopie verkrijgbaar. Dat gebeurt dikwijls in zaken waarin er veel afgeluisterde gesprekken zijn en deze niet onmiddellijk van belang lijken voor de beoordeling van de zaak. Ook in dit geval gaat het om meer dan tien ordners en werd het belang van het gesprek van de officier van justitie met [getuige 1] pas kenbaar doordat het gesprek door de verdediging op de terechtzitting, dus na het aanbrengen van de zaak, ter sprake werd gebracht.
Er is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de officier van justitie of de verbalisanten de rechtbank en de verdediging doel-bewust hebben willen misleiden.
5) gevolgen voor de zaak van de verdachte
Verweer: De hierboven genoemde onrechtmatigheden met betrekking tot [getuige 1] moeten ook gevolgen hebben voor de zaak van de verdachte, ze hebben immers plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek in de zaak van de verdachte en waren erop gericht een verklaring te verkrijgen die de verdachte zodanig zou belasten dat een bewezenverklaring zou volgen. Zonder die verklaring van [getuige 1] zou een bewezenverklaring niet mogelijk geweest zijn. Daarom is de verdediging van mening dat deze onrechtmatigheden ook gevolgen moeten hebben voor de strafzaak van de verdachte. (blz. 22 en 25 van de pleitnotities)
De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Aangezien er bij bovenvermelde gedragingen van politie en justitie, voor zover deze vaststaan of aannemelijk zijn geworden, geen sprake is van onrechtmatig handelen, kan dit handelen ook geen gevolgen hebben in de strafzaak van de verdachte. Dit geldt evenzeer voor de geconstateerde schending van de verbaliseringsplicht, gezien de betrekkelijk geringe ernst ervan.
6) onderzoek dat niet uit het dossier blijkt
Verweer: Namens de verdachte is aangevoerd dat hij ervan overtuigd is dat direct na aanvang van het onderzoek naar de verdwijning van [slachtoffer 2] ook al een verdenking op hem rustte dat hij zijn broer [slachtoffer 1] zou hebben vermoord. In het vervolg van het onderzoek is echter stelselmatig gedaan alsof dat niet zo was. De verdachte is ervan overtuigd dat er buiten het onderzoek om informatie tegen hem is verzameld, op een wijze die voor de verdediging en de rechtbank niet controleerbaar is. In een aantal getuigenverhoren was al in een vroeg stadium verklaard dat de verdachte zijn broer [slachtoffer 1] had vermoord. De verdachte wijst op de verhoren en contacten met [getuige 4] (op 25 oktober, 4 november en 1 december 2004) en de verhoren van [getuige 9] (op 2 december 2004), [getuige 5] (op 3 en 29 november 2004) en hun moeder [getuige 8] (op 5 november 2004). Het is de verdachte opgevallen dat in die verhoren op geen enkel moment kritisch is doorgevraagd over de mededelingen met betrekking tot de dood van [slachtoffer 1] en dat de verkregen informatie niet gebruikt is in verhoren met andere getuigen. (blz. 14, 15 van de pleitnotities)
De verdachte heeft meermalen schriftelijk en mondeling aangevoerd dat hij ervan overtuigd is dat ook [getuige 2] al in het gesprek met de politie op 28 september 2004 zijn naam heeft genoemd als de man die hem vertelde dat hij zijn broer had vermoord en in stukken gesneden. Het is de rechtbank duidelijk dat de verdachte geen geloof hecht aan het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisanten] (blz. 820) waaruit kan worden opgemaakt dat [getuige 2] bij dat gesprek geen namen heeft genoemd.
De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Uit de verklaringen van de verdachte op de terechtzittingen en uit de door de verdachte geschreven stukken is de rechtbank duidelijk geworden dat de verdachte twijfelt aan de procedure zoals deze in de processen-verbaal is beschreven. Hij lijkt uit te gaan van een complot van de officier van justitie, de politie en een aantal getuigen dat er op gericht is hem onschuldig te veroordelen. Deze stelling van de verdachte is echter op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
De stelling van de verdachte strookt niet met hetgeen omtrent de aanleiding en het verloop van het onderzoek is beschreven in het ‘Hoofdproces-verbaal’. Hieruit blijkt dat het onderzoek is aangevangen met een verzoek van het bevolkingsregister van de gemeente Haarlem aan het Bureau Opsporing & Vreemdelingentoezicht van de politie om een adrescontrole te verrichten op, onder meer, het adres [adres 1]. De aanleiding hiervoor was het gerezen vermoeden dat de verdachte een schijnrelatie voerde met [persoon 1]. Tijdens de op 18 juni 2004 uitgevoerde adrescontrole bleek dat de twee kinderen van de verdachte alleen in de woning waren. Naar aanleiding van de mededeling van de kinderen dat hun moeder was weggelopen en het feit dat in de woning geen teken werd gezien dat daar een vrouw woonachtig was, heeft de politie nader onderzoek verricht via het zogenoemde Bedrijfs Processen Systeem. Uit dit systeem kwam naar voren dat de verdachte op 16 april 2003 bij de politie had gemeld dat zijn ex-echtgenote [slachtoffer 2] vermist was en dat de verdachte toen geen aangifte van de vermissing had gedaan. Tevens kwam naar voren dat de verdachte zich op 16 juni 2003 wederom bij het politiebureau had vervoegd in verband met de kinderbijslag voor zijn twee kinderen en dat hij toen had aangegeven dat hij nog niets van zijn ex-vrouw had vernomen. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de politie een onderzoek ingesteld dat gericht was op de vermissing van [slachtoffer 2]. Op 29 juli 2004 is een zogenoemde persoonssignalering opgemaakt. Vervolgens is besloten [getuige 4], de zuster van [slachtoffer 2], als getuige te horen met het doel meer informatie omtrent de vermissing van [slachtoffer 2] te verkrijgen. Naar aanleiding van haar verklaringen, afgelegd op 7 oktober 2004, heeft de politie op 19 oktober 2004 een Team Grootschalige Opsporing (TGO) opgericht. Doelstelling van dit onderzoek was vast te stellen of de vermiste [slachtoffer 2] nog in leven was en opgespoord kon worden en zo niet, om vast te stellen of zij door een misdrijf om het leven was gekomen. In het kader van dit onderzoek zijn verschillende getuigen gehoord, waaronder andere familieleden van [slachtoffer 2], de familie van de verdachte en derden.
De rechtbank overweegt dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de in het ‘Hoofdproces-verbaal’ beschreven gang van zaken. Uit het proces-verbaal blijkt dat het onderzoek in juli 2004 uitsluitend was gericht op de vermissing van [slachtoffer 2]. Voor de stelling van de verdachte dat de politie hem meteen al verdacht van de moord op zijn broer [slachtoffer 1] en dat het onderzoek naar de vermissing van zijn ex-vrouw diende als ‘dekmantel’ voor het onderzoek naar de moord op [slachtoffer 1], heeft de rechtbank geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden. Uit de stukken blijkt daarentegen dat het vermoeden dat de verdachte bij de moord op [slachtoffer 1] betrokken zou zijn, is ontstaan naar aanleiding van de diverse getuigenverkla-ringen die in het kader van het onderzoek inzake de vermissing van [slachtoffer 2] werden afgelegd.
Uit de processen-verbaal van verhoor kan worden afgeleid dat de politie bij de mededelingen van de getuigen over de dood van [slachtoffer 1] niet onmiddellijk alle aandacht heeft gericht op dit feit. Maar dat rechtvaardigt nog niet de conclusie van de verdachte dat men die mededelingen bewust heeft genegeerd omdat men bezig was met een geheim onderzoek naar de dood van [slachtoffer 1].
De rechtbank is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat de later als getuige in het onderzoek gehoorde [getuige 2] al op 28 september 2004 aan twee politieagenten had verteld dat hij kennis had over een moord die zou zijn gepleegd door een man die in Haarlem woonde, louter op toeval berust. Voor de stelling van de verdachte dat [getuige 2] al vóór zijn verhoor op 11 januari 2005 aan de politie zou hebben verteld dat de door hem genoemde man [verdachte] was en dat de politie dit zou hebben verzwegen, heeft de rechtbank geen enkel aanknopingspunt gevonden. De rechtbank verwerpt dan ook de conclusie van de verdachte dat sprake is van een complot tegen hem.
7) Conclusie:
Verweer: Volgens de verdediging vormt de onder 1 tot en met 6 geschetste gang van zaken een ernstige inbreuk op de beginselen van goede procesorde waarmee doelbewust en op grove wijze de belangen van de verdachte en zijn recht op een eerlijk proces zijn veronachtzaamd. Gelet op artikel 359a Sv en gelet op de ernst van de niet herstelbare vormverzuimen moet het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard worden.
De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Aangezien niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van ernstige inbreuken op de goede procesorde, is er geen reden de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de ontvankelijkheid in de weg zouden kunnen staan.
4. De bewezenverklaring.
De rechtbank acht op grond van na te noemen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat de verdachte
1.
op 11 november 1997 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben de verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, een schrijlings zittende positie op die [slachtoffer 1] aangenomen, zodat die [slachtoffer 1] zich niet kon verplaatsen en vervolgens met een ijzeren hamer meermalen met kracht op het hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
2.
in de maand november 2002 te Haarlem opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet die [slachtoffer 2] gewurgd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;
3.
op tijdstippen in de periode van 13 december 2001 tot en met 12 november 2004 in Nederland een aanvraagformulier voor een rijbewijs en een registratieformulier echtscheidingsakte (‘persoonlijke volmacht’) en een verblijfsvergunning (‘verblijfsdocument’) alle op naam van [X], - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft de verdachte valselijk zijn pasfoto’s afgegeven en zijn handtekening gezet op voornoemd aanvraagformulier voor een rijbewijs, op naam van [X], en een registratieformulier echtscheidingsakte (‘persoonlijke volmacht’), op naam van [X], en een verblijfsvergunning (‘verblijfsdocument’), op naam van [X], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. De bewijsmotivering
Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3:
Namens de verdachte is aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1], voor zover afgelegd na 30 november 2004, moeten worden uitgesloten van het bewijs op grond van de argumenten die hierboven onder ‘ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie’ zijn aangevoerd. Zoals hierboven al is uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van ernstige inbreuken op de goede procesorde. De door de rechtbank geconstateerde schending van de verbaliseerplicht heeft geen relaties met de door [getuige 1] afgelegde verklaringen. Er is dan ook geen sprake van onrechtmatig verkregen verklaringen en er is geen reden om de verklaringen van [getuige 1] uit te sluiten van het bewijs.
Met betrekking tot feit 1
A. De vaststaande feiten Op 19 november 1997 werden delen van een menselijk lichaam aangetroffen in de berm van de Rijksweg A15. Het betrof een menselijk hoofd met een gat in de schedel, een romp en armen en benen.
De menselijke resten zijn diezelfde dag tijdens een lijkschouwing onderzocht door de forensisch geneeskundige. In zijn verslag heeft de forensisch geneeskundige vermeld dat de lijkresten bestaan uit een romp, twee bovenbenen, twee onderbenen zonder voeten en twee armen zonder handen. Geconstateerd is dat lichaamsdelen van elkaar waren losgesneden dan wel losgezaagd en dat de huid was verwijderd. De penis was eveneens verwijderd.
Op 19 en 20 november 1997 zijn de lijkdelen onderzocht door de patholoog. In zijn rapport heeft de patholoog aangegeven dat sprake is van een schedel van een waarschijnlijk kortgeleden overleden persoon met daarin uitgebreide breuken en bloedingen. Er bleken bij uitwendig en inwendig onderzoek van de overige lijkdelen slechts zeer beperkte postmortale veranderingen; derhalve is de dood waarschijnlijk recentelijk ingetreden. De lichaamsdelen vertoonden geen andere letsels dan het ontbreken van huid en het klieven van de verschillende delen. De botten waren gedeeltelijk gezaagd, gedeeltelijk gebroken. Op grond van DNA typering is vastgesteld dat de lijkdelen en het hoofd van dezelfde persoon afkomstig zijn. Volgens de patholoog zijn de bevindingen aan het hoofd het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch geweld, hetwelk – gezien de bloedingen – bij leven is opgelopen. Op grond van een dergelijke geweldsinwerking kan dermate uitgebreid hersenletsel zijn ontstaan, dat daardoor het overlijden kan hebben plaatsgevonden.
De deskundige dr. C.J. Bruijning- van Dongen heeft DNA-onderzoek en een DNA-verwantschapsonderzoek verricht met betrekking tot een referentiemonster bloed van [slachtoffer 1] (geboren 21 juni 1969, identiteitszegel B2589/RCD772), een referentiemonster spierweefsel, hersenweefsel en bot van een hoofd van het ongeïdentificeerde slachtoffer (sectienummer 97-947, identiteitszegel ACG250) en een referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte. In haar rapport heeft de deskundige geconcludeerd dat het DNA-profiel van het ongeïdentificeerde slachtoffer overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer 1] en dat dit betekent dat het ongeïdentificeerde slachtoffer [slachtoffer 1] kan zijn. Tevens is aangegeven dat de kans dat een willekeurig gekozen mannelijk individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het onderzochte spierweefsel minder dan één op één miljard bedraagt. Met betrekking tot het DNA-verwantschapsonderzoek heeft de vaste gerechtelijk deskundige geconcludeerd dat er een zeer sterke aanwijzing is dat het slachtoffer [ACG250] een broer is van de verdachte.
De deskundigen Prof. Dr. G.J.R. Maat en Drs. R.R.R. Gerretsen hebben nader onderzoek verricht aan de schedel met sectienummer 1997.247. In hun rapport van 27 maart 2008 hebben beide deskundigen geconcludeerd dat de letsels aan de schedel zijn ontstaan door perimortaal stomp geweld, met uitzondering van het ontbrekend os zygomaticum links. De voorwerpen die daarbij zijn gebruikt zijn vermoedelijk niet scherprandig en van benodigde massa. De beschadigingen zijn niet spontaan ontstaan. Benodigde massa en snelheid zijn vereist, zoals door het slaan met een knuppel, hamer of stang. Het geweld is ten minste twee maal toegepast, namelijk Arcus zygomaticus rechts en Os pariëtale rechts dorsaal (impressiefractuur met ringvormige fractuurrand). Er zijn rupturen geweest van de arteria meningia media rechts, de sinus sagittalis superior (twee keer) en de sinus rectus links. Bij een functionerende bloedcirculatie leidt dit tot levensbedreigend bloedverlies, aldus de deskundigen.
Op 21 april 2008 heeft de deskundige F.R.W. van de Goot, als arts-patholoog werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, met betrekking tot de aangetroffen schedel het volgende verklaard: ‘Ik heb in deze zaak overleg gehad met de heer Torenbeek nadat ik begon aan de onderzoeken. Hij noemde toen een markant fenomeen, waar verder destijds geen aandacht aan is besteed. Hij merkte op dat de hersenen dieper in de schedel lagen. Het is een merkwaardig fenomeen, dat zou kunnen optreden bij het excessief verhitten van het hoofd. Dat is een interpretatie van mijn collega Torenbeek en mijzelf. (…) Op een vraag van de heer Den Otter antwoord ik dat voor zover ik weet er geen wetenschappelijk onderzoek is verricht naar het krimpen van hersenen onder invloed van excessieve hitte. Wel is bekend dat hersenen krimpen onder invloed van hoge temperatuur.’
Bij brief van 9 mei 2008 heeft deskundige Van de Goot aanvullend nog het volgende bericht: ‘Gevraagd werd: er lijkt een grote discrepantie te bestaan tussen de mate van skeletteren van het hoofd in vergelijking met de overige lichaamsdelen, wat zou hieraan ten grondslag kunnen liggen? Dit is temeer daar uit verhoor van voren komt dat gebruik gemaakt kan zijn van een snelkookpan. Beantwoording: voor het beantwoorden van deze vraag werd een mapje met hierin een vijftal kleurenfoto’s verkregen. Tevens werden uitdraaien gemaakt van PD-foto’s en sectiefoto’s van de sectie van destijds. (…) Aangaande de vraagstelling: het is opmerkelijk dat de mate van skeletteren van het hoofd beduidend verder is voortgeschreden dan de overige delen van het lichaam. Bij forensisch antropologisch onderzoek aan botstukken wordt gebruikgemaakt van zogenaamde maceratie (het uitkoken van botten in een daarvoor bestemd uitkookapparaat). De uiterlijke kenmerken van deze schedel (…) doet sterk denken aan een dergelijke uitkookproces. Algemeen kan derhalve worden gesteld dat de veronderstelling dat deze schedel thermisch bewerkt is met bijvoorbeeld een snelkookpan, gezien het grote verschil in de mate van skeletteren een zeer plausibele verklaring zou kunnen zijn. Een andere verklaring kon, ook na intern overleg met collegae niet worden opgesteld.’
Daarnaast heeft de deskundige Van de Goot het volgende verklaard: ‘Ik heb de foto’s van de schedel gezien. (…) De letsels aan deze schedel kunnen wel overeenkomen met het scenario dat het slachtoffer met zijn hoofd op de grond ligt en van boven wordt geraakt.’
B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
B 1. Bewezenverklaring medeplegen moord
Wettig en overtuigend bewezen acht de officier van justitie dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord op [slachtoffer 1]. Bewijsmiddelen hiervoor zijn de verklaringen van [getuige 1], [getuige 4], [getuige 8], [getuige 2], [getuige 6], [getuige 9], [getuige 5], [getuige 3], [medegedetineerden van getuige 1] en [vriendin van getuige 1] alsmede het sectierapport, de rapportages naar aanleiding van de exhumatie van de lichaamsdelen van [slachtoffer 1], het DNA-rapport van het NFI en de brief van 9 mei 2008 van F. van de Goot en R. Gerretsen van het NFI. Op grond van deze bewijsmiddelen acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte met [getuige 1] en [slachtoffer 2] op 11 november 1997 [slachtoffer 1] zoals gepland en geoefend de schedel heeft ingeslagen.
B 2. Kenmerken van de aangetroffen lijkdelen van [slachtoffer 1]
- De inhoud van de verklaringen van de getuigen over wijze waarop het lichaam van [slachtoffer 1] is toegetakeld, te weten het lichaam onthoofd, het hoofd uitgekookt in een snelkookpan, de huid van de romp gevild, de penis eraf gesneden, de handen en voeten van de armen en benen gesneden, komt tot in detail overeen met aangetroffen lijkdelen. De gevonden romp was gevild, de benen en armen zijn zonder voeten en handen gevonden, terwijl enkele kilometers verwijderd het hoofd werd gevonden, met een gat in de schedel. - Blijkens de brief van dhr. F. van de Goot, patholoog anatoom bij het NFI, en R. Gerretsen, arts en antropoloog bij het NFI, van 9 mei 2008 zou het grote verschil in de mate van skeletteren van de diverse aangetroffen lichaamsdelen zeer plausibel verklaard kunnen worden door de veronderstelling dat de aangetroffen schedel thermisch is bewerkt.
B 3. Betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen
De officier van justitie benadrukt, naar de rechtbank begrijpt ter onderbouwing van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen, dat de belastende verklaringen niet allemaal uit dezelfde hoek komen. [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] hadden onderling geen of nauwelijks contact en kenden de [familie slachtoffer 2] niet of nauwelijks. Voorts valt de omstandigheid dat de [familie slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 2] niet eerder melding hebben gemaakt van dit feit te verklaren door de grote angst voor de verdachte en raakt dit, anders dan de verdachte meent, niet aan hun geloofwaardigheid.
B 4. Motief van de verdachte voor de moord op [slachtoffer 1]
- Volgens [getuige 1] heeft [slachtoffer 1] haar tegen haar wil seksueel benaderd. Volgens [getuige 2] was verkrachting van [getuige 1] reden voor de verdachte om [slachtoffer 1] te vermoorden. Ook [getuige 9] noemt als motief iets dat op seksueel gebied zou zijn gebeurd met zijn zus. - Een tweede motief voor de moord op [slachtoffer 1] wordt genoemd door [getuige 1], te weten dat [slachtoffer 1] gedreigd had [getuige 15] en diens gezin iets aan te doen.
B 5. Alibi
Geconcludeerd moet worden dat onjuist is de stelling van de verdachte dat hij ten tijde van het feit (11 november 1997) in Turkije verbleef. Van de 14 getuigen die hierover zijn gehoord, heeft alleen [getuige 10] verklaard dat dat het geval was en dat de verdachte tot eind november 1997 bij hem in huis heeft verbleven. Deze [getuige 10] is echter een vriend van de verdachte, terwijl voorts zijn verklaring onderbouwd wordt weersproken door de verklaring van zijn echtgenote, [getuige 11]. Zij verklaart goed te weten dat de verdachte in 1997 niet bij hen verbleef omdat zij toen gingen verhuizen. Uit de overige getuigenverklaringen valt niet meer op te maken dan dat de verdachte wellicht in de zomer van 1997 voor de verloving van een zus van de verdachte in Turkije was, maar niet in november 1997.
B 6. Alternatieve pleegplaats in Den Haag
De officier van justitie meent dat de stelling van de verdediging, inhoudende dat indien luminol-onderzoek geen positieve reacties geeft er geen bloed is geweest, door de deskundigen expliciet wordt tegengesproken. Dat er geen positieve reactie optreedt, wil juist niet zeggen dat er geen bloed is geweest. In het onderhavige geval geldt dit temeer omdat het bronmateriaal al 7 jaar oud was, omdat er met bleekmiddel is schoongemaakt en omdat er tussen het feit en het sporenonderzoek twee keer opnieuw gestuukt is. Voor de suggestie van de verdachte dat het feit in Den Haag gepleegd zou kunnen zijn, zonder daarbij een adres te kunnen noemen, is geen enkele bevestiging te vinden na uiteenlopende onderzoeksverrichtingen terzake.
C. Het standpunt van de verdachte, de verdediging
C 1. Onrechtmatig verkregen bewijs
Overeenkomstig het hiervoor onder het niet-ontvankelijkheidsverweer aangevoerde, dienen volgens de verdediging alle verklaringen van [getuige 1] van na 30 november 2004 van bewijs te worden uitgesloten omdat deze door de aldaar genoemde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek onrechtmatig zijn verkregen.
C 2. Alibi
De verdachte dient te worden vrijgesproken omdat hij een alibi had voor de periode waarin zijn broer [slachtoffer 1] is vermoord. De verdachte stelt in november 1997 in Turkije te zijn geweest. Hij beroept zich hiertoe op de volgende verklaringen: de schriftelijke verklaring van [getuige 10] dat de verdachte in het najaar 1997 2 à 3 maanden bij hem heeft verbleven in Turkije, de verklaring van [getuige 10] ten overstaan van de Turkse autoriteiten dat de verdachte in november 1997 tot het einde van november bij hem thuis in Turkije verbleef, voorts de verklaring van [getuige 12], vader van juistgenoemde [getuige 10], die zulks bevestigt, en tot slot de verklaringen van de [een Turkse familie], inhoudende dat de verdachte najaar 1997 in Turkije was.
C 3. Het politieonderzoek in 1997 is niet goed uitgevoerd
Ten gevolge van niet goed uitgevoerd politieonderzoek in 1997 is niet toen al, maar eerst in 2005, bekend geworden dat de in 1997 gevonden lichaamsdelen van [slachtoffer 1] waren. Ter ontlasting van de verdachte dient ermee rekening gehouden te worden dat als er in 1997 juist was gehandeld, men met het beschikbare DNA van [slachtoffer 1]uit 1995 de gevonden lichaamsdelen binnen enkele maanden had kunnen herleiden tot [slachtoffer 1]. Dan had de verdachte nog exact kunnen aangeven waar hij in november 1997 verbleef, terwijl hij nu op dit punt substantieel bemoeilijkt wordt in zijn verdediging.
C 4. Onbetrouwbaarheid van de getuigenverklaringen
De verklaringen van [getuige 2], de [familie slachtoffer 2] en [getuige 1] leveren geen overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de moord op [slachtoffer 1]. Ter onderbouwing hiervan wijst de verdediging in de pleitnotities en in de schriftelijke stukken van de hand van de verdachte op punten in de verschil-lende verklaringen per getuige alsmede in de verklaringen van de getuigen over en weer, waarop naar de visie van de verdediging sprake is van tegenstrijdigheden, althans ongerijmdheden. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen die beweren dat de verdachte jegens hen zou hebben gezegd [slachtoffer 1] vermoord te hebben, meent de verdediging dat een dergelijke bekentenis door de verdachte ongeloofwaardig is. Voorts heeft de verdediging ten aanzien van individuele getuigen het volgende aangevoerd: -Voor [getuige 2] geldt dat zijn verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten vanwege de onbetrouwbaarheid ervan door niet te melden wat hem destijds is verteld en vanwege de vele onjuistheden en innerlijke tegenstrijdigheden erin. De ongeloofwaardigheid ervan wordt voorts versterkt door het gegeven dat [getuige 2] nimmer melding heeft gemaakt van de bedreigingen door de verdachte aan zijn adres. -Ten aanzien van de [familie slachtoffer 2] is opvallend dat niemand naar de politie is gegaan met de kennis die zij zeggen te hebben gehad. Afgezien van de ongeloofwaardige verklaring omtrent een bekentenis van de verdachte, is de bron van hun verklaringen telkens [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] was aantoonbaar onbetrouwbaar en manipulatief, waarmee ook de van haar afkomstige verklaringen onbetrouwbaar zijn. Verder is goed mogelijk dat binnen de [familie slachtoffer 2] een en ander is besproken over de moord op [slachtoffer 1]. -De verklaringen van [getuige 1] zijn onbetrouwbaar omdat zij op 30 november 2004 – minstgenomen – zich inbeeldde dat zij wellicht op vrije voeten zou kunnen blijven ook al zou zij een moord bekennen. Evident is dat [getuige 1] zelf is betrokken bij de moord op [slachtoffer 1]. Maar wat zij heeft verklaard over de rol van de verdachte is ongeloofwaardig. De sterke, dominante en berekenende persoonlijkheid van [getuige 1], zoals die blijkt uit de bevindingen van het Pieter Baan Centrum en de verklaringen van haar medegedetineerden, past bij een andere rol voor haar in de moord op [slachtoffer 1] dan zij zelf heeft geschetst. Voorts is haar verklaring omtrent de datum van de moord onjuist en onbetrouwbaar, daar de lijkschouwer dhr. Woldman op 19 november 1997, de dag van de vondst, concludeert dat het lijk 1 à 2 dagen daarvoor was overleden, derhalve niet op 11 november. Dit klemt temeer daar niet is bewezen dat het lijk in de vriezer heeft gelegen. Ook haar verklaring omtrent de toedracht van de moord door enkele harde klappen is gezien het ontbreken van klachten van geluidsoverlast onjuist. Nog verder bevat de woning aan de [adres 1] anders dan [getuige 1] verklaart geen verwarming of radiator en is die niet ruim genoeg voor een toedracht als door haar beschreven.
C 5. Aangetroffen lijkdelen van [slachtoffer 1]
Weliswaar is het lichaam van [slachtoffer 1] gevonden, maar de verklaringen van de [familie slachtoffer 2] zijn onvoldoende om daaruit te destilleren dat juist de verdachte bij de moord op [slachtoffer 1] betrokken is geweest.
C 6. Alternatief scenario te Den Haag
Volledig reëel is het alternatieve scenario dat [slachtoffer 1] is vermoord door [getuige 1] en [slachtoffer 2]. [getuige 1]’s motief voor de moord is het feit dat [slachtoffer 1] haar in [adres 2] heeft aangerand. Tevens bevat het dossier de suggestie dat ook [slachtoffer 2]door [slachtoffer 1] zou zijn aangerand of verkracht, waarmee ook zij een motief voor moord op [slachtoffer 1] had. Daartegenover leveren deze omstandigheden juist geen (geloofwaardig) motief op voor de verdachte. Het is goed mogelijk dat de beschuldiging van de verdachte door [getuige 1] voortkomt uit de vurige haat, naar eigen zeggen voortgekomen uit angst, die zij jegens hem koesterde en de wens hem uit haar omgeving weg te halen. Daarbij is onaannemelijk dat de verdachte het lijk van [slachtoffer 1]zou hebben behandeld zoals is gebeurd, aangezien hij wist dat er DNA van [slachtoffer 1] uit 1995 beschikbaar was en daarmee lijkdelen altijd tot [slachtoffer 1] te herleiden zouden zijn. Het is meer dan reëel te veronderstellen dat alle informatie via [getuige 2] en de [familie slachtoffer 2] afkomstig is van [getuige 1] en [slachtoffer 2]. Daarbij komt dat deskundigen het erover eens zijn dat het bijna niet mogelijk is dat luminol-onderzoek op oppervlakken met structuur geen positief resultaat geeft indien daarop bloedsporen zitten. De verdediging stelt dat er geen bloedsporen zijn indien luminol-onderzoek geen positieve resultaten oplevert. Voor zover er positieve resultaten voor bloedsporen zouden zijn, zijn deze vals positief overeenkomstig de verklaringen van de deskundigen mw. Bruijning-van Dongen en dhr. Eikelenboom. De afwezigheid van bloedsporen in de [adres 1] betekent dat de moord daar niet gepleegd is.
D. Beoordeling van de tenlastelegging
De rechtbank geeft hieronder allereerst de overige bewijsmiddelen weer, die zij naast de hierboven onder A. weergegeven bewijsmiddelen aan haar beslissing omtrent de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit ten grondslag legt. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de relevante standpunten van de officier van justitie en de verdediging, in het bijzonder de door de verdediging gevoerde bewijsverweren, zoals hiervoor onder C 1. tot en met C 6. weergegeven.
D.1. De overige bewijsmiddelen
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastgelegde feit heeft begaan op de wijze zoals weergegeven in de rubriek ‘Bewezenverklaring’ van dit vonnis. Naast de bewijsmiddelen, zoals hierboven onder A. als vaststaande feiten weergegeven, bezigt de rechtbank hiertoe de volgende bewijsmiddelen:
-[getuige 1] heeft op 3 december 2004, omstreeks 21.46 uur, verklaard dat [verdachte] een vooropgezet plan had om [slachtoffer 1] te vermoorden. Dit plan heeft [verdachte] dagen lang met [slachtoffer 2] en [getuige 1] gerepeteerd. Op de avond van Sint Maarten, 11 november, zijn [slachtoffer 2] en [getuige 1] met de kinderen langs de deuren gelopen. [slachtoffer 1] en [verdachte] bleven in de woning. Bij terugkomst na het feest van Sint Maarten zijn de kinderen in de slaapkamer die aan de keuken grenst gaan slapen. [slachtoffer 2] heeft de slaapkamerdeur van de kinderen op slot gedraaid. Op een gegeven moment trok [slachtoffer 1] zijn shirt uit en ging hij op zijn buik op de grond liggen ter hoogte van de kachel. [verdachte] had [slachtoffer 1] wijs gemaakt dat hij een supermiddel had gevonden tegen de ongewenste haargroei op de rug van [slachtoffer 1]. [getuige 1] is bij het stuitje van [slachtoffer 1] gaan zitten en heeft de rug van [slachtoffer 1] met een crème ingesmeerd. [getuige 1] is [slachtoffer 1]gaan masseren. [slachtoffer 2] is volgens afspraak met [verdachte] ter verzwaring achter [getuige 1] gaan zitten. Toen kwam [verdachte] met een grote ijzeren hamer in zijn hand de slaapkamer uitgelopen. [getuige 1] heeft haar ogen dicht gedaan om maar niet te zien hoe afschuwelijk het zou zijn. [verdachte] heeft met die hamer meermalen op het hoofd van [slachtoffer 1] geslagen. Na de eerste klap zei [verdachte]: ‘handdoek’. [getuige 1] voelde de eerste klap via het lichaam van [slachtoffer 1] in haar eigen lichaam doordreunen. [slachtoffer 2] is van [slachtoffer 1] afgestapt en heeft een handdoek over het hoofd van [slachtoffer 1] gelegd. Op een gegeven moment zei [slachtoffer 2] dat het allemaal voorbij was. Toen [getuige 1] naar [slachtoffer 1] keek zag zij dat de handdoek doordrenkt was met bloed. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] naar de slaapkamer van [slachtoffer 2] en [verdachte] gesleept. [slachtoffer 2] heeft vervolgens de bloedsporen opgeruimd en heeft de woonkamer en de badkamer met puur bleekmiddel schoongemaakt.
-[getuige 1] heeft op 8 december 2004, omstreeks 10.07 uur, verklaard er zeker van te zijn dat [slachtoffer 1] in november 1997 is vermoord en dat zij dit herleidt uit het feit dat zij ten tijde van de moord net 18 jaar was geworden en in het laatste jaar van haar studie was, schooljaar 1997/1998.
-[getuige 1] heeft op 3 december 2004, omstreeks 22.51 uur, verklaard dat zij het volgende van [slachtoffer 2] heeft gehoord. [slachtoffer 2] en [verdachte] hebben het lichaam van [slachtoffer 1] met een hakmes in stukken gesneden of gehakt. Van daaruit hebben ze die stukken verspreid over Nederland. Het hoofd van [slachtoffer 1] hebben ze in een snelkookpan gekookt. [slachtoffer 2] heeft van de rest van het lichaam de huid gesneden. [getuige 1] heeft voorts in deze verklaring verteld dat zij daar zelf niet bij was omdat ze van [slachtoffer 2] en [verdachte] op de kinderen moest passen en bij hen moest blijven.
-[getuige 1] heeft op 9 december 2004 verklaard op de vraag wat haar reactie was op het feit dat een getuige van [slachtoffer 2] had gehoord dat de penis van [slachtoffer 1] is afgesneden, dat dit klopte en dat zij dat verhaal ook van de verdachte had gehoord. Zij verklaarde dat de verdachte had gezegd ‘ik heb zijn pik eraf gehaald en door het toilet gespoeld’.
-[getuige 2] heeft verklaard dat [verdachte] hem het volgende heeft verteld. [verdachte] heeft zijn broertje [slachtoffer 1] vermoord. [verdachte] had het allemaal van tevoren bedacht. [slachtoffer 1] is in de woning voor de gashaard op de grond gaan liggen om gemasseerd te worden. Toen [slachtoffer 1] op de grond lag, heeft [verdachte] zijn broer met een ijzeren voorwerp op zijn kop geslagen. Er was overal bloed. [verdachte] vertelde ook dat hij zijn broer in stukken heeft gehakt of gesneden. Voorts heeft [getuige 2] in deze verklaring verklaard dat [slachtoffer 2] het verhaal van [verdachte] tegen hem heeft bevestigd.
-[getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] haar heeft verteld dat [verdachte] zijn broer in stukken heeft gehakt en hem heeft gedumpt langs de snelweg.
-[getuige 4] heeft verklaard dat zij van zowel de verdachte als haar zus [slachtoffer 2] heeft gehoord over de dood van [slachtoffer 1]. Zij verklaart van de verdachte in antwoord op haar vraag waar [slachtoffer 1]was gehoord te hebben dat hij zei dat [slachtoffer 1] nooit meer terug kon komen en dat hij [slachtoffer 1] had doodgeschoten. Zij verklaart kort nadien van haar zus [slachtoffer 2] een ander verhaal over de dood van [slachtoffer 1] te hebben gehoord. Volgens [slachtoffer 2] ging [slachtoffer 1] liggen voor de kachel in de woonkamer om gemasseerd te worden door [getuige 1]. [getuige 1] ging bovenop [slachtoffer 1] zitten. Op dat moment ging [verdachte] naar zijn slaapkamer waar hij een voorwerp heeft gepakt en daarmee heeft hij [slachtoffer 1] vermoord. Vervolgens hebben ze [slachtoffer 1] naar de slaapkamer, direct grenzend aan de woonkamer, gesleept. Dit alles vond naar de woorden van [slachtoffer 2] plaats op 11 november 1997. Nadat zij [slachtoffer 1] in de slaapkamer hadden gelegd, heeft [verdachte] de penis van [slachtoffer 1] afgesneden. De penis is door [verdachte] door het toilet gespoeld. [verdachte] en [slachtoffer 2] hebben de handen en voeten van het lichaam afgehakt, opdat het lichaam niet geïdentificeerd zou kunnen worden. Ook de rest van zijn lichaam is in stukken gedeeld.
-[getuige 4] heeft in haar verklaring bij de rechter-commissaris bevestigd dat zij in haar verklaringen bij de politie de waarheid heeft verteld, inhoudende dat zij van haar zus [slachtoffer 2] het volgende heeft gehoord. [slachtoffer 1] zou gemasseerd worden en hij was voor de kachel gaan liggen. [getuige 1] was bovenop hem gaan zitten. [verdachte] heeft het geslachtsdeel van [slachtoffer 1]door het toilet gespoeld. Het hoofd van [slachtoffer 1] werd afgehakt en uitgekookt. Dit was gebeurd zodat het lichaam niet zou kunnen worden geïdentificeerd volgens [verdachte]. [slachtoffer 2] heeft gezegd dat het de datum van Sint Maarten was.
-[getuige 5] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] haar heeft verteld dat [verdachte] zijn eigen broer [slachtoffer 1] had vermoord in hun eigen huis aan de [adres 1].
-[getuige 6] heeft verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat hij, [verdachte], zijn broer [slachtoffer 1] had doodgemaakt.
|
|