Ontwikkeling

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Rechtspraak Opmerkelijke rechtszaken Puttense moordzaak Moord op Christel Amrbosius Deel 18 A

Puttense moordzaak Moord op Christel Amrbosius Deel 18 A

E-mail Afdrukken PDF

favicondrs J.W.Swaen Historicus www.blikopdewereld.nl favicon

graf christel ambrosius

Puttense zaak – vijftien jaar gevangenisstraf
Zutphen, 9 oktober 2009 - De rechtbank Zutphen heeft vandaag uitspraak gedaan in de Puttense zaak. In het vonnis is verdachte P. veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar wegens de verkrachting van en moord op Christel Ambrosius.
Toedracht
Op basis van het sporenmateriaal heeft de rechtbank de conclusie getrokken dat het slachtoffer eerst is verwurgd. Daarbij is het slachtoffer al zwaar verwond en vervolgens buiten bewustzijn geraakt. Daarna heeft seksuele gemeenschap plaatsgevonden. Geweldadig seksuele gemeenschap afdwingen is iemand verkrachten. Na de verkrachting is het slachtoffer op vitale plaatsen van het lichaam gestoken. Het doden van het slachtoffer is dus het onmiskenbare doel van de dader geweest, hoewel niets hem verhinderde om na de daad weg te gaan. Dit leidt tot het oordeel dat sprake was van moord.
Dader
Op het slachtoffer is sperma van P. aangetroffen. Op de spijkerbroek van het slachtoffer bevindt zich een bloedvlekje van P. Onder haar nagels is zijn celmateriaal gevonden. Er is vastgesteld dat het sperma op zondag 9 januari 1994, de dag van het delict, op het slachtoffer is achtergebleven. Deze vaststelling rechtvaardigt de conclusie dat P. de dader is van de verkrachting van en moord op Christel Ambrosius op die dag.
Verdediging
De verweren van de verdediging zijn verworpen. Er is geen enkele aanwijzing gevonden voor een maandenlange geheime liefdesrelatie. Serieuze aanknopingspunten die in een andere richting dan P. wijzen, ontbreken.
Straf
Het gaat om zeer ernstige feiten. P. heeft blijk gegeven van een meedogenloze en gewetenloze opstelling. Aan P. is een gevangenisstraf opgelegd van vijftien jaar, zoals ook door het openbaar ministerie was verzocht.

LJN: BJ9770, Rechtbank Zutphen , 06/580197-08Print uitspraak
Datum uitspraak:09-10-2009
Datum publicatie:09-10-2009
Rechtsgebied:Straf
Soort procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie:Verdachte in de Puttense moordzaak is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar wegens de verkrachting van en moord op slachtoffer.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer

Parketnummer 06/580197-08
Uitspraak d.d. 9 oktober 2009
tegenspraak / dip

                    
VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],
geboren te [plaats] op [1975],
wonende te [plaats],
thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te Nieuwegein.
Raadsman: mr. R.D.A. van Boom.


Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 september 2008, 21 november 2008, 4 december 2008, 5 februari 2009, 12 februari 2009,
5 maart 2009, 11 mei 2009, 12 mei 2009, 18 mei 2009, 20 mei 2009, 25 mei 2009,
26 mei 2009, 8 juni 2009, 9 juni 2009, 11 juni 2009, 16 juni 2009, 18 juni 2009,
19 juni 2009, 24 juni 2009, 29 juni 2009, 8 juli 2009, 26 augustus 2009, 4 september 2009, 11 september 2009 en 25 september 2009.


De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 21 november 2008 is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 januari 1994, in de gemeente Putten, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg (telkens) opzettelijk gewelddadig de keel van die [slachtoffer] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, althans eenmaal in het lichaam en/of in de hals en/of in de keel, van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge, althans mede ten gevolge, van welke handelingen, althans enkele of een daarvan, voornoemde [slachtoffer] is overleden;
art. 289 Wetboek van Strafrecht

althans, dat

hij op of omstreeks 09 januari 1994, in de gemeente Putten, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk gewelddadig de keel van die [slachtoffer] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de hals en/of in de keel althans in het lichaam, van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge, althans mede tengevolge, van welke handelingen, althans enkele of een daarvan, voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van (enig) strafba(a)r(e) feit (en), te weten
- verkrachting van die [slachtoffer] door verdachte gepleegd
en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
art. 288 Wetboek van Strafrecht

althans, dat

hij op of omstreeks 09 januari 1994, in de gemeente Putten, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk gewelddadig de keel van die [slachtoffer] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen, althans eenmaal in het lichaam en/of in de hals en/of in de keel, van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge, althans mede ten gevolge, van welke handelingen, althans enkele of een daarvan, voornoemde [slachtoffer] is overleden;
artikel 287 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 09 januari 1994, in de gemeente Putten, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens) opzettelijk gewelddadig en/of dreigend
-   die [slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of vastgepakt en/of vastgehouden en/of
-   meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of tengevolge waarvan [slachtoffer] ten val is gekomen en/of
-   die [slachtoffer] tegen de grond heeft getrokken en/of gewerkt en/of ten val heeft gebracht en/of
-   en/of die [slachtoffer] de keel en/of hals heeft dichtgedrukt (gehouden) en/of
  gestranguleerd, waardoor zij het bewustzijn verloor en/of onmachtig was en/of
-   de boven- en/of onderbroek, althans kleding, van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken
-   en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
art 242 Wetboek van Strafrecht


Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Inleidende overwegingen

De gewelddadige dood van [slachtoffer] is al lange tijd onderwerp van verschillende strafrechtelijke procedures en van maatschappelijke aandacht.

Twee mannen zijn eerder veroordeeld voor dit feit, maar uiteindelijk na herziening in 2002 vrijgesproken.

Het openbaar ministerie houdt de verdachte die nu terecht staat, voor het feit verantwoordelijk. Deze verdachte ontkent bij het delict betrokken te zijn geweest.

Het moet voor de nabestaanden en andere betrokkenen moeilijk zijn geweest om opnieuw geconfronteerd te worden met het feit en de gruwelijke details die daarin een rol spelen.

Sporenmateriaal en forensisch onderzoek spelen een grote rol in deze strafzaak.
In de strafzaak tegen deze verdachte springt bovendien in het oog dat inzichten uit eerdere procedures, zoals de betekenis van het spermaspoor, nieuw leven is ingeblazen.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is uitgebreid ingegaan op het nu nog aanwezige sporenmateriaal, op (nieuwe) onderzoeksresultaten naar dat materiaal en op de vraag welke bewijskracht daaraan toegekend kan worden. Verder zijn door de verdediging gevoerde verweren onderwerp van onderzoek geweest.

Deze uitspraak houdt het oordeel van de rechtbank in de strafzaak tegen deze verdachte in.

A.   Ontvankelijkheid openbaar ministerie

1. De verdediging heeft een aantal stellingen ingenomen die de rechtbank plaatst in het kader van het fair trial-beginsel, zoals ten aanzien van de samenstelling van het procesdossier en de gebruikte verhoormethode. Daaraan heeft de verdediging, die in de gelegenheid is geweest om de "oude" dossiers in te zien, echter geen door de rechtbank te bespreken juridische conclusie of verweer verbonden.

2. Ambtshalve is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is geschonden, dan wel dat daaraan tekort is gedaan. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak in de weg staan. Het openbaar ministerie kan derhalve in de vervolging van de verdachte worden ontvangen.

B.   Standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van het tenlastegelegde

3. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde. Verdachte is de persoon die verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer. Zijn DNA-profiel komt overeen met het aangetroffen DNA-profiel in het op en in het lichaam van [slachtoffer] (hierna ook wel: het slachtoffer) aangetroffen sperma, met het DNA-profiel dat in het celmateriaal onder de nagels van het slachtoffer is gevonden en met het DNA-profiel in een aan de binnenkant van de spijkerbroek aangetroffen bloedvlekje. Het verhaal van verdachte dat hij een geheime relatie met het slachtoffer heeft gehad, en in dat kader seksueel contact met haar heeft gehad op zaterdagavond 8 januari 1994, is ongeloofwaardig en wordt op geen enkele manier ondersteund. Er is geen sperma in de slip aangetroffen. Uit de hoeveelheid sperma, en de plaatsen waar het is aangetroffen, blijkt dat het sperma op de plaats van het delict is aangebracht. Dat het slachtoffer is verkracht, blijkt uit de hoofdwond die bij het slachtoffer is aangetroffen en sporen van verweer onder de nagels, drukplekken op de arm en snijwonden, dit in combinatie met het tijdstip waarop het sperma is gedeponeerd. Er is sprake van moord, gelet op het wurgspoor in de hals en de steek- en snijwonden die bij leven zijn aangebracht. Het slachtoffer is meerdere keren en op verschillende manieren verwond. Er is sprake van welbewust handelen: eerst het onmachtig maken van het slachtoffer, waarna de verkrachting en de moord heeft plaatsgevonden. Uit de aard van het letsel blijkt dat de dader de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en de consequenties daarvan te overzien.

C.  Standpunt van verdachte/de verdediging

4. De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Verdachte ontkent op zondag 9 januari 1994 (en eerder) in de woning van de oma van het slachtoffer aan de [adres te plaats] te zijn geweest. Verdachte betwist niet dat de spermasporen, het onder de nagels van het slachtoffer en het in het bloedvlekje in de spijkerbroek aangetroffen celmateriaal van hem afkomstig zijn. Verdachte voert aan dat hij in 1993/1994 gedurende meerdere maanden een geheime relatie met het slachtoffer heeft gehad. Op zaterdagavond 8 januari 1994 heeft verdachte seks met haar gehad. Een of meer anderen moeten verantwoordelijk zijn voor het verkrachten en doden van het slachtoffer, waarbij het sperma van verdachte naar buiten het lichaam van het slachtoffer is versleept. Er is geen bewijs dat verdachte op 9 januari 1994 op de plaats van het delict is geweest. De sporen onder de nagels van het slachtoffer en het bloedvlekje in de spijkerbroek plaatsen verdachte niet dwingend op de plaats van het delict.
Verder heeft verdachte gewezen op sporen die hem zouden ontlasten: een aanraakspoor op de waxcoat, de schaamharen #22 en #35, de haren #42 en #70, een plukje haar in de hand van het slachtoffer. Gewezen is op een aan elkaar gelijk, maar van verdachte en het slachtoffer afwijkend mtDNA-profiel in het celmateriaal in het spermaspoor bovenbeen en het spermaspoor ingang vagina, alsook in haar #15 en haar #17, welke bevindingen kunnen wijzen in de richting van een andere dader. Volgens de verdediging is sprake van een aantal voor verdachte ontlastende scenario's. Meer in het algemeen heeft de verdediging gewezen op de onvolledigheid van het dossier, data die niet meer te achterhalen zijn, de "chain of custody" die is verbroken, terwijl onderzoek aan meerdere stukken van overtuiging niet meer mogelijk is.

D.   Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

5. De verdediging heeft aangevoerd, dat waarheidsvinding in deze strafzaak niet meer mogelijk is.
De rechtbank overweegt naar aanleiding daarvan dat het tijdsverloop in deze zaak aanzienlijk is. In een aantal gevallen is de zogenaamde "chain of custody" doorbroken, omdat niet alle stukken van overtuiging onafgebroken door justitie zijn bewaard. Andere stukken van overtuiging zijn door de jaren heen onbruikbaar geworden voor nader onderzoek, of zijn daarvoor niet meer beschikbaar. Sommige bemonsteringen zijn zo vaak onderzocht dat daarvan niets meer over is voor eventueel nader onderzoek. Een aantal gegevens met betrekking tot verricht technisch onderzoek is niet of mogelijk niet meer beschikbaar.

6. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat waarheidsvinding in deze strafzaak niet meer mogelijk is.
Het gaat bovendien om omstandigheden die zijn betrokken bij het onderzoek ter terechtzitting. Bij beoordeling en bespreking van de voor verdachte belastende en ontlastende stukken en gegevens zullen die omstandigheden aan de orde komen, indien en voor zover daartoe aanleiding bestaat. Gevolg van het tijdsverloop is overigens ook, dat zich sinds 1994 - in algemene zin - veel ontwikkelingen op het gebied van forensisch technisch onderzoek hebben voorgedaan, die verdergaand onderzoek mogelijk gemaakt hebben.

Ambtshalve ten aanzien van het deskundigenbewijs

7. In deze zaak is het deskundigenbewijs van belang. De rechtbank stelt vast, dat de verdediging terzake het deskundigenbewijs geen betrouwbaarheidsverweer heeft gevoerd. De validiteit en betrouwbaarheid van het beschikbare deskundigenbewijs, in de vorm van rapporten, brieven en verklaringen ter terechtzitting, is door de verdediging niet betwist.

8. De rechtbank heeft zich bij de keuzes die ten aanzien van het deskundigenbewijs zijn gemaakt, rekenschap gegeven van de in het "Schoenmakerarrest"2 geformuleerde vragen. Die vragen hebben betrekking op het beroep, de opleiding en ervaring van de deskundige, de vraag of de deskundigheid zich uitstrekt tot de materie waarover de deskundige zich uitspreekt, de methode die de deskundige heeft gebruikt en de betrouwbaarheid van die methode, alsmede de vraag of de deskundige in staat was die methode vakkundig toe te passen. De informatie die de rechtbank in dat licht heeft verkregen, staat aan het gebruik van het betreffende bewijs niet in de weg.

Accreditatie IFS

9. Hoewel de verdediging in dit verband geen verweer heeft gevoerd, ziet de rechtbank, gelet op het belang dat zal worden gehecht aan de resultaten van het DNA-onderzoek aan de nagels, ambtshalve aanleiding tot de volgende overwegingen met betrekking tot de accreditatie van Independent Forensic Services te Hulshorst (hierna: IFS).

10. De Wet DNA-onderzoek in strafzaken voorziet in de mogelijkheid dat de officier van justitie opdracht geeft DNA-onderzoek te verrichten in een laboratorium van een ander instituut dan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Daarvoor komt volgens die wet - naast het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek te Leiden (hierna: FLDO) - slechts in aanmerking een ander laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd en dat deskundig is op het gebied van forensisch
DNA-onderzoek.

11. In deze zaak heeft IFS, in de persoon van ing. R. Eikelenboom, biologisch sporen- en DNA-deskundige, in opdracht van de officier van justitie een aantal DNA-onderzoeken uitgevoerd. Tijdens de verhoren van de getuige-deskundige Eikelenboom3 is gebleken dat IFS in juli 2008 is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie, alsmede dat IFS al in maart 2008, derhalve voor het verkrijgen van de accreditatie, is begonnen met DNA-onderzoek in deze zaak.

12. Ambtshalve is de rechtbank van oordeel dat aan de omstandigheid dat IFS enige maanden voor het verkrijgen van de accreditatie met het DNA-onderzoek is begonnen, geen gevolgen dienen te worden verbonden voor wat betreft de bruikbaarheid van de resultaten van dit DNA-onderzoek. Daarbij is van belang, dat Eikelenboom heeft verklaard dat de door IFS gehanteerde werkwijzen en procedures (protocollen) in
maart 2008, bij aanvang van de DNA-onderzoeken, gelijk waren aan die in juli 2008, ten tijde van het verkrijgen van de accreditatie, alsmede dat onder meer de onderhavige zaak in het kader van het verkrijgen van de accreditatie door de Raad voor Accreditatie is bekeken (audit) en dat daarbij geen zaaksinhoudelijke of procedurele aanpassingen hebben plaatsgevonden.4

E.   Overwegingen ten aanzien van het bewezenverklaring

Het delict

13. Op zondag 9 januari 1994 is rond 17.45 uur het levenloze lichaam van [slachtoffer] in de woning van haar oma aan de [adres te plaats] aangetroffen.5 Korte tijd daarvoor, rond 16.15 uur, is zij door getuige [getuige A], oom van het slachtoffer, nog gezien, terwijl zij langs zijn woning fietste.6

14. In en rondom de woning is sporenonderzoek7 verricht. Daarbij zijn diverse sporen veiliggesteld. Nadat de groene waxcoat en de spijkerbroek met daarin een slip waren veiliggesteld, zagen de verbalisanten dat het lichaam van het slachtoffer enigszins in een bocht lag en dat het onderlichaam ontkleed was. De rechtervoet lag op het linkeronderbeen, de rechterhand van het slachtoffer lag op haar buik en de linkerhand langs haar lichaam op de vloerbedekking.8 Op het rechterdijbeen, nabij de lies, werd een witte gelei-achtige substantie gelijkend op sperma gezien.9 Verder staat in het
proces-verbaal vermeld dat de woonkamer geheel ordelijk was, met uitzondering van de ligplaats van het slachtoffer en enkele meubels in haar directe omgeving.10

15. Op het lichaam van het slachtoffer is op 10 januari 1994, tussen 12.00 uur en 15.00 uur door dr. R. Visser, patholoog bij het Gerechtelijk Laboratorium (voorloper van thans het NFI), sectie verricht.11 In het rapport worden samenvattend - zakelijk weergegeven - de volgende conclusies verwoord:
Op meerdere plaatsen van het lichaam, maar met name aan het hoofd, werden huidkneuzingen en onderhuidse bloedingen waargenomen welke veroorzaakt zijn door inwerking van uitwendig mechanisch botsend en stomp geweld, zoals kan ontstaan door bijvoorbeeld een slag of stoot. De letsels aan de hals, met plaatselijk huidafschaving, alsmede de breuk van de linker grote hoorn van het strottenhoofd werden veroorzaakt door inwerking van uitwendig mechanisch snoerend geweld aan de hals. Dit ging gepaard met stuwing in het hoofd/halsgebied, met talrijke (stuwings)bloedinkjes in de slijmvliezen van de ogen en de linker slaapspier en stipvormige (zogenaamde verstikkings)bloedinkjes aan het hartoppervlak en het bekkenslijmvlies. Er werden meerdere steek-/snijverwondingen geconstateerd aan de hals, veroorzaakt door uitwendig mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld door het steken dan wel snijden met een mes. Als gevolg hiervan waren er in het halsgebied vitale structuren geperforeerd, zoals de rechter diepe halsslagader en keelholte, waarbij talrijke kleine bloedvaten waren gekliefd. Als gevolg hiervan ontstond een massale bloeding in het hals/keelholtegebied, waarbij veel bloed werd aangetroffen rond de mond, in de mond/keelholte en in de luchtwegen.12

De algehele conclusie van Visser naar aanleiding van de sectie is dat de dood van het slachtoffer kon worden verklaard door inwerking van uitwendig mechanisch, samensnoerend geweld aan de hals en multiple steek-snijverwondingen in het halsgebied, ieder apart en in combinatie, gepaard gaande met tekenen van verstikking, door omsnoerend geweld en inademing van bloed en weefselschade.13

Tussenconclusie
16. De rechtbank neemt de conclusies uit het sectieverslag over. Uit het sectieverslag blijkt dat het slachtoffer om het leven is gekomen door de gevolgen van de verwurging en van de toegebrachte steek- en snijverwondingen in het halsgebied. Deze oorzaken kunnen ieder apart, maar ook in combinatie de dood hebben veroorzaakt.

  Sporen bevatten sperma

17. Tijdens de sectie14 zijn onder meer de volgende sporen veiliggesteld: uitstrijkjes van de vagina op diverse niveaus en van de anus, waarvan het Gerechtelijk Laboratorium later heeft vastgesteld dat zich daarin spermatozoa bevonden.15
18. Op 19 juli 1995 is aanvullend proces-verbaal16 opgemaakt met betrekking tot de vorm en afmeting van de spermadruppel die op het bovenbeen van het slachtoffer is aangetroffen.

19. De bij de sectie aanwezige technisch rechercheur A.B.M. Slot heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij eerst bij aanvang van de gerechtelijke sectie te Rijswijk op maandag 10 januari 1994 de substantie heeft gezien. Deze substantie bevond zich voornamelijk op het rechterbovenbeen nabij de lies en was enigszins platgedrukt doordat het linkerbovenbeen tegen het rechterbovenbeen lag. Deze platgedrukte substantie had een diameter ongeveer ter grootte van een gulden. Slot schat de hoeveelheid van deze substantie op enkele druppels van een kleverige vloeistof."17

Technisch rechercheur M. Benne heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij op zondag 9 januari 1994 bij het eerste sporenonderzoek op de plaats van het delict op het rechterbovenbeen van het slachtoffer nabij de schaamstreek een glimmende gelei-achtige substantie heeft gezien. Hij verklaart dat hij bij het schijnsel van de handlamp zag dat het middengedeelte glom, terwijl de rand dof was. De substantie was iets groter dan een gulden. Hij is het eens met de omschrijving Slot dat het "enkele druppels van een kleverige vloeistof" waren.18 Ter terechtzitting bij het gerechtshof te Leeuwarden in 2002 heeft Benne aan zijn verklaring toegevoegd dat de witte gelei-achtige substantie een ovale vorm had.19

Bij het gerechtshof te Leeuwarden in 2002 heeft J.A. Kroes, coördinator van het technisch sporenonderzoek en om die reden aanwezig op de plaats van het delict, verklaard dat het een druppel betrof, geen veeg. De grootte van die druppel schatte hij tussen een kwartje en een gulden."20

Tussenconclusie
20. Uit het feit dat bij het slachtoffer inwendig sperma is aangetroffen en uit het feit dat op het bovenbeen van het slachtoffer sperma is aangetroffen, leidt de rechtbank af dat op de plaats van het delict seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.





  De toedracht

21. Er is door Eikelenboom van IFS een bloedspoorpatroonanalyse21 verricht aan de hand van foto's van de plaats van het delict. In dit rapport vermeldt hij, voor zover hier van belang, het volgende.
De technische bevindingen ondersteunen een scenario waarbij tussen de dader en het slachtoffer een aanzienlijke hoeveelheid contact is geweest op de plaats van het delict. Indien de strangulatie, het stompe geweld en de seksuele handelingen na het toebrengen van de bloedende verwondingen aan de hals en de linkerpols zouden zijn aangebracht, verwacht men een ander bloedsporenbeeld. Door de krachten, uitgeoefend op de in dat geval aanwezige bloedbronnen liggen bloedspatten, bloedvegen en overdrachtspatronen op meerdere locaties op de plaats van het delict in de lijn der verwachtingen. Dit is niet het geval. Daarom vergroten deze bevindingen de kans dat het slachtoffer eerst is gestranguleerd en verkracht. Vervolgens is zij gestoken en gesneden. De snijverwondingen aan de linkerpols hebben een relatief geringe hoeveelheid bloed op de vloer en de arm achtergelaten. Deze bevinding vergroot de kans dat slachtoffer een geringe bloedcirculatie heeft gehad op het moment dat de verwondingen aan de pols werden toegebracht. Deze bevinding wijst er op dat het slachtoffer mogelijk al stervende was op het moment dat de verwondingen aan de pols zijn toegebracht.22

De conclusie van Eikelenboom luidt dat de bloedspoorpatroonanalyse een scenario ondersteunt waarbij eerst het stompe geweld op het hoofd en de strangulatieverwondingen aan de hals zijn toegebracht, daarna de steek- en snijverwondingen aan de hals en als laatste de snijverwondingen aan de linkerpols. De bevindingen vergroten de kans dat de seksuele handelingen voor het doorsnijden van de hals en de linkerpols hebben plaatsgevonden.23

22. Door de politie is een proces-verbaal opgesteld over de volgorde van handelingen op de plaats van het delict.24 Zakelijk weergegeven houdt dit proces-verbaal, voor zover hier van belang, het volgende in.

Uit het sporenbeeld volgt dat het slachtoffer is gestoken op de plaats waar zij liggend is aangetroffen.25 Haar lichaam is aangetroffen in een onnatuurlijke houding, waarbij het hoofd geheel scheef lag ten opzichte van de romp en de benen. Er werd geen bloedspattenpatroon aangetroffen. Uit het bloedspoorpatroon blijkt dat het bloed vanuit een stil liggend lichaam naar beneden is gevloeid. Het lichaam is na het toebrengen van de steek- en snijverwondingen, met uitzondering van het rechterbeen, niet meer verplaatst. Er zijn namelijk geen schuif- of beweegsporen in het bloedpatroon aangetroffen.26 Bij een bij bewustzijn verkerend slachtoffer zouden er meerdere bloedspatten moeten zijn op en rond het slachtoffer; deze zijn er niet.27
Door het onverstoorde "rustige" bloedpatroon is het zeer aannemelijk dat de donatie van het in de vagina en op het bovenbeen van het slachtoffer aangetroffen sperma vóór het toebrengen van de messteken heeft plaatsgevonden.28
Het uitgestroomde bloed is over de strangulatiesporen in de hals heen gelopen. In het bloed zijn geen veegsporen aangetroffen, die wel verwacht zouden worden als de strangulatie na het steken zou hebben plaatsgevonden.29
De vorm van de strangulatiesporen wijst er verder op dat strangulatie van achteren heeft plaatsgevonden.30

Gezien de plaats van de bij de sectie vastgestelde verwondingen op het voorhoofd en de schouder van het slachtoffer is het zeer aannemelijk dat zij na de val op haar buik terecht is gekomen. Het is zeer aannemelijk dat het lichaam van het slachtoffer vervolgens is gedraaid van de buik naar de rugzijde. De onnatuurlijke houding van het hoofd ten opzichte van de romp geeft aan dat zij hiertoe zelf niet in staat is geweest en mogelijk buiten bewustzijn is geweest op het moment van omdraaien.31

Het spermaspoor op het rechterbovenbeen geeft gezien de vorm, afmeting en plaats van aantreffen niet alleen aan dat de donatie van dit sperma heeft plaatsgevonden terwijl het slachtoffer op haar rug lag, maar ook dat er nauwelijks verplaatsing van het been heeft plaatsgevonden direct dan wel vrij kort na de donatie hiervan. Het slachtoffer kan niet verkracht zijn in de positie waarin zij is aangetroffen, namelijk een ligging met het rechterbeen ter hoogte van de enkels gekruist over het linkerbeen. Aannemelijk is, gezien de onnatuurlijke houding van het slachtoffer, dat na de verkrachting alleen het rechterbeen beheerst verplaatst is. Anders was deze spermadruppel zeer zeker uitgevloeid over een groter gedeelte van het bovenbeen en was ook de vorm van deze druppel veranderd.32

Op grond van het vorenstaande zijn in het proces-verbaal de volgende conclusies getrokken. Het is aannemelijk dat de laarzen en de kleding van het slachtoffer zijn uitgetrokken terwijl zij op haar rug lag.33 Gezien de aangetroffen strangulatiesporen heeft strangulatie van achteren, niet van voren, plaatsgevonden en voordat het slachtoffer liggend op haar rug terecht kwam.34 Nadat het slachtoffer op haar rug lag, is het hoofd van het slachtoffer niet meer verplaatst. De strangulatie heeft voor de seksuele handelingen en voor het steken plaatsgevonden. De volgorde van handelingen is; strangulatie, seks, steken.35 De schuimkraag van bloed rondom hals geeft aan dat het slachtoffer nog leefde toen zij werd gestoken. Het is niet aannemelijk dat zij op dat moment nog bij bewustzijn was.36


Tussenconclusie ten aanzien van de toedracht
23. De rechtbank neemt de conclusies uit het proces-verbaal over de volgorde van handelingen over. Deze conclusies worden immers ondersteund door de verklaringen van Visser bij het gerechtshof te Leeuwarden in 200237 in combinatie met de bevindingen van Eikelenboom naar aanleiding van de bloedspoorpatroonanalyse.38 Visser heeft verklaard, gevraagd naar het letsel in de hals, dat dit zou kunnen passen bij het van achteren hardhandig aantrekken van een kraag. Visser kan zich dit letsel niet voorstellen bij het aan de voorzijde vastgrijpen van de kraag.39 Mede uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat het delict is ingezet met de strangulatie.
Visser heeft verklaard dat het letsel op het voorhoofd is ontstaan door stomp geweld door een massief solide voorwerp met een vlakke kant.40 In deze verklaring past naar het oordeel van de rechtbank een val met het hoofd tegen een tafeltje.
Uit de verklaring van Visser blijkt verder dat de steekwond in de keelholte werd toegebracht van de voorzijde toen het slachtoffer nog leefde, omdat hij in de longen talrijke rode gebieden, karakteristiek voor het inademen van bloed, heeft gezien.41
De rechtbank komt derhalve tot de vaststelling dat het slachtoffer eerst is gestranguleerd, dat vervolgens seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en dat daarna snij- en steekwonden zijn toegebracht.

Biologische sporen

24. Op 9 januari 1994 zijn onder meer de spijkerbroek, een slip42 en nagelvuil43 van de linker- en rechterhand van het slachtoffer veilig gesteld.

25. Het Gerechtelijk Laboratorium heeft op 19 juli 1994 gerapporteerd44 naar aanleiding van de volgende, tijdens de sectie veiliggestelde, spermasporen:
-  een uitstrijkje met materiaal aangetroffen aan de buitenzijde van de vagina op het rechterbovenbeen, ook wel: het spoor op het bovenbeen;
-  een uitstrijkje van materiaal van de ingang van de vagina;
-  een uitstrijkje met materiaal uit de vagina;
-  twee uitstrijkjes van de baarmoedermond;
-  twee uitstrijkjes van de anus.
In deze preparaten werden spermatozoa aangetroffen, die door hun specifieke vorm en afmeting met zekerheid als zodanig werden herkend.45

26. In een door Ir. H.J.T. Janssen, wetenschappelijk onderzoeker bij het NFI, in 2002 opgestelde notitie46 worden de onderzoeksresultaten van door het NFI in 1994 uitgevoerd microscopisch onderzoek opgesomd:
- wattenstaafje (hierna: ws.) buitenzijde vagina: 5 spermakoppen per gezichtsveld,
waarvan 2 met staart,
- ws. ingang vagina: 7 spermakoppen per gezichtsveld, waarvan enkele met staart,
- ws. vagina: 5 spermakoppen per gezichtsveld, waarvan enkele met staart,
- ws. anus I: 10 spermakoppen per gezichtsveld, waarvan enkele met staart en
- ws. anus II: 10 spermakoppen per gezichtsveld, waarvan enkel met staart.
In de twee resterende objectglaasjes zijn zeer veel (25) spermakoppen per gezichtsveld waargenomen, ook met staart.47 Ter terechtzitting is door de getuige-deskundige Janssen bevestigd dat deze resterende objectglaasjes de beide baarmoedermondbemonsteringen betroffen.48

27. De verdediging heeft in algemene termen opgeworpen dat de oorspronkelijke waarnemingsbladen niet meer beschikbaar zijn. Voor zover hij hier beoogt te stellen dat de resultaten van dit onderzoek niet als bewijsmiddel kunnen worden meegenomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Ter terechtzitting heeft Janssen, in dit verband als getuige aan te merken, verklaard dat hij voormelde - getypte - notitie heeft opgesteld aan de hand van het NFI-dossier.49 Ter terechtzitting heeft C.A. de Bruijn, technisch rechercheur, in dit verband eveneens als getuige aan te merken, zakelijk weergegeven verklaard dat de inhoud van de notitie van Janssen, op één typefout na, volledig overeenkwam met de handgeschreven aantekeningen in het NFI-dossier, map 5, onder tab 12.50 Voorts heeft Eikelenboom in zijn rapportage van 30 januari 2009 dezelfde onderzoeksresultaten vermeld, na raadpleging van map 5 op de aangeleverde pdf-files.51 Hij rapporteert dat deze gegevens overeenkomen met "tab 12 handgeschreven onderzoek sperma en ptt verzendformulier tandje".52 Uit de inhoudsopgave van het NFI-dossier, die aan het dossier is toegevoegd, blijkt dat in map 5, onder tab 12, een "labjournaal" d.d. 10-01-1994 tot en met
14-09-1995 is opgenomen.53 Gelet op deze genoemde periode en voorts de door de getuigen Janssen en De Bruijn afgelegde verklaringen ter terechtzitting, heeft de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van de onderzoeksresultaten te twijfelen, wat er verder ook zij van de stelling dat waarnemingsbladen niet meer aanwezig zijn.

28. Het Gerechtelijk Laboratorium heeft in 1994 na onderzoek van de slip van het slachtoffer geconcludeerd dat daarin geen sperma is aangetroffen.54 Het feit dat de slip thans niet meer voor onderzoek beschikbaar is, doet als zodanig niet af aan de uitkomst en de bruikbaarheid van het - niet betwiste - onderzoeksresultaat uit 1994.

29. Naar de nagels van de rechterhand van het slachtoffer is in 2008 nader onderzoek verricht. In de bemonstering onder de nagels is lichaamsvreemd celmateriaal aangetroffen, dat wil zeggen celmateriaal waarvan het DNA-profiel niet overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer.55

30. Aan de binnenzijde van de spijkerbroek is in 2002 ter hoogte van "onderkant bil" een bloedvlekje met een diameter van één millimeter waargenomen.56

DNA-onderzoek

Ambtshalve ten aanzien van de mogelijke verwisseling van sporen

31. In het eindproces-verbaal is melding gemaakt van een mogelijke verwisseling van sporen met de nummers AWA900 en AWA901.57 Die melding leek van belang, omdat het daarbij ging om het spermaspoor op het bovenbeen en om het spermaspoor ingang vagina. Het bovenbeenspoor zou een zogenaamd "schoon" spoor betreffen, omdat daarin geen vrouwelijk celmateriaal zou zijn aangetroffen. Vervolgens werd daaraan in het dossier de gevolgtrekking verbonden dat het sperma uit dit spoor niet in het lichaam van het slachtoffer was geweest en dus ter plaatse, rechtstreeks uit de penis op het been, moest zijn nagedruppeld.

32. De rechtbank heeft ambtshalve hiernaar onderzoek verricht. Uit de verklaringen van de ter terechtzitting gehoorde deskundigen van het NFI58, alsmede uit de foto's van de in Engeland onderzochte DNA-cupjes die door dr. J.I.H. Walker, DNA-deskundige, werkzaam bij het Laboratory of Government Chemists te Teddington (Verenigd Koninkrijk) (hierna: LGC)59 zijn overgelegd, concludeert de rechtbank dat geen sprake is geweest van verwisseling van sporenmateriaal of DNA-extracten, maar dat sprake is van het in 2002 toekennen van een onjuiste omschrijving aan een zegelnummer, hetgeen zonder gevolgen is gebleven voor de beoordeling van de DNA-onderzoeksresultaten terzake die beide spermasporen.

33. Verder is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat geen sprake is geweest van een "schoon" spoor. Uit een overzicht van de DNA-resultaten van het onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium uit 199460 en uit de rapportage van het FLDO uit 200161 blijkt dat van de bemonsteringen van de sporen van ws. ingang vagina en van ws. buitenzijde vagina (ook wel: bovenbeen) ten behoeve van het DNA-onderzoek een zogenaamde spermafractie en een zogenaamde vaginale fractie is gemaakt. Uit de rapportage van het FLDO uit 2001 blijkt dat in de beide vaginale fracties vrouwelijk celmateriaal is aangetroffen. Het is door deze scheiding (differentiële lysis) niet meer mogelijk om de aard van dit vrouwelijk celmateriaal (vaginale epitheelcellen of huidepitheelcellen) vast te stellen. Op basis van deze bevindingen zijn er geen aanwijzingen om aan te nemen dat dit bemonsterde sperma niet in het lichaam van het slachtoffer is geweest. De bevindingen sluiten echter wel uit dat het bovenbeenspoor een "schoon" spoor is, in de hiervoor bedoelde zin.

Resultaten DNA-onderzoek spermasporen en bloedvlekje spijkerbroek

34. Sinds 1994 is veelvuldig DNA-onderzoek verricht door verschillende laboratoria, aanvankelijk door het Gerechtelijk Laboratorium (en haar opvolger het NFI) en het FLDO. In 2008 is nieuw onderzoek door LGC en IFS verricht.62 De resultaten daarvan, voor zover relevant voor de bewezenverklaring, zijn de volgende.

35. Het autosomale DNA-profiel van het in de spijkerbroek aangetroffen bloedvlekje komt overeen met het autosomale DNA-profiel van de donor van de spermabemonstering ws. buitenzijde vagina.63

36. Bij vergelijking door het NFI van het DNA-profiel van verdachte is vastgesteld dat dit volledig overeenkomt met het DNA-profiel van het bloedvlekje aan de binnenzijde van de broek.64 Gelet op de eerder gerapporteerde volledige overeenkomst tussen het
DNA-profiel van het bloedvlekje en het DNA-profiel van de donor van het sperma in de bemonstering ws. buitenzijde vagina, betekent dit dat zowel het bloedvlekje en het sperma in de bemonstering afkomstig kunnen zijn van verdachte. De kans dat het
DNA-profiel van een willekeurige man volledig overeenkomt met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.65

37. Het in 2008 uitgevoerd vergelijkend DNA-onderzoek door LGC bevestigt de volledige overeenkomst tussen de autosomale DNA-profielen van het bloedvlekje in de spijkerbroek en het autosomaal DNA-profiel van de spermabemonstering ws. buitenzijde vagina.66
Uit ditzelfde onderzoek blijkt eveneens dat het Y-chromosomaal DNA-profiel van verdachte volledig overeenkomt met het Y-chromosomaal DNA-profiel van het bloedvlekje in de spijkerbroek en de spermabemonstering ws. buitenzijde vagina.67

38. In 2002 is door het FLDO een autosomaal DNA-profiel gegenereerd uit de spermabemonstering ws. ingang vagina.68 Uit een vergelijking van dit profiel met het autosomale DNA-profiel van verdachte blijkt het op alle onderzochte posities overeen te komen. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige man volledig overeenkomt met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.69

39. In 2004 is door het FLDO van de spermasporen ws. vagina, ws. baarmoedermond70,
ws. baarmoedermond 2, ws. anus1 en ws. anus 2 een Y-chromosomaal DNA-profiel vastgesteld. Het Y-chromosomaal DNA-profiel van deze 5 spermasporen is identiek.71
Uit vergelijkend DNA-onderzoek door het FLDO blijkt dat het Y-chromosomaal
DNA-profiel van de verdachte volledig overeenkomt met het Y-chromosomaal DNA-profiel van de spermasporen ws. vagina, ws. baarmoedermond, ws. baarmoedermond2, ws. anus1 en ws. anus2.72
LGC komt in 2008 voor wat betreft een spermaspoor baarmoedermond tot dezelfde uitkomst.73

40. In het autosomale DNA-profiel van de vaginale fractie van de bemonstering
ws. baarmoedermond is door LGC een hoofdprofiel aangetroffen, dat overeenkomt met het autosomale DNA-profiel van het slachtoffer. Daarnaast zijn zes extra kenmerken aangetroffen die alle overeenkomen met het autosomale DNA-profiel van verdachte.74

Resultaten DNA-onderzoek nagels

41. In 2009 heeft IFS naar aanleiding van het nagelonderzoek gerapporteerd dat een autosomaal DNA-mengprofiel is verkregen van het celmateriaal onder de nagels van het slachtoffer, waarvan het DNA-hoofdprofiel volledig overeenkomt met het autosomale DNA-profiel van verdachte. Verder zijn er zes additionele kenmerken aangetroffen, die overeenkomen met het DNA-profiel van het slachtoffer.
Genoemde resultaten brengen volgens IFS mee dat verdachte celmateriaal kan hebben achtergelaten op of onder de nagels van de rechterhand van het slachtoffer. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige man volledig overeenkomt met dit
DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.75
Het uit het celmateriaal onder deze nagels verkregen Y-chromosomale DNA-profiel komt volledig overeen met het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte.76
Daarnaast is in de bemonstering van de nagels nog een enkel kenmerk aangetroffen dat niet overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte en het slachtoffer. Volgens Eikelenboom is het waarschijnlijker dat dit kenmerk is veroorzaakt door een zogenaamd stotterartefact dan dat een onbekende derde een kleine hoeveelheid celmateriaal aan de bemonstering heeft bijgedragen.77

42. In het rapport van IFS bevindt zich op pagina 18 een foto. Op die foto zijn geknipte nagels zichtbaar met daarbij een notitie waarop onder meer aangetekend is het
NFI-zaaknummer van deze zaak en de woorden "nagels/nagelvuil" en "227".78 Mede op grond hiervan en gelet op de onder 41 genoemde resultaten, concludeert de rechtbank dat de onderzochte nagels van het slachtoffer afkomstig zijn.

43. In een aanvullend rapport rapporteert IFS dat uit het verkregen autosomale DNA-profiel van de bemonstering van de nagels van het slachtoffer blijkt, dat de pieken in het piekenprofiel die overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte, tussen de tien en twintig keer zo hoog zijn als de pieken die overeenkomen met het DNA-profiel van het slachtoffer.79

44. Op zich staan de betrouwbaarheid van dit onderzoek uit 2008 en de daaruit gevolgde resultaten niet ter discussie. Wel heeft de verdediging betoogd dat deze onderzoeksresultaten niet representatief zijn voor wat betreft het celmateriaal dat zich op 9 januari 1994 na het delict onder de nagels van het slachtoffer moet hebben bevonden. In dat verband heeft de verdediging gewezen op het vezelonderzoek dat in 1994 aan de nagels heeft plaatsgevonden en gesteld dat de wijze van bemonstering van de nagels (nagelvuil en/of geknipte nagels) onduidelijk is.
De rechtbank overweegt als volgt. In 2004 is door het NFI vastgesteld dat de envelopjes waarin het nagelvuil zich zou hebben bevonden, leeg waren.80 Of deze envelopjes ooit wel gevuld zijn geweest met nagelvuil is niet meer te achterhalen. Verder is het juist dat het nagelvuil in 1994 door Ing. P.E. de Vreede is onderzocht op vezels.81 Of daarbij celmateriaal verloren is gegaan, is onduidelijk.
Er is echter naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding de resultaten van het in 2008 verrichte vergelijkend DNA-onderzoek aan die nagels buiten beschouwing te laten. Daartoe is redengevend dat in 2008 door IFS uit celmateriaal onder de rechternagels van het slachtoffer, een volledig autosomaal DNA-profiel is verkregen, waarvan het hoofdprofiel overeenkomt met de autosomaal DNA-profiel van verdachte. Eikelenboom heeft voorts ter terechtzitting verklaard, dat hij geen reden heeft om aan te nemen dat de verhoudingen van de aangetroffen profielen zouden zijn veranderd door een eventuele eerdere nagelvuilbemonstering en eerder verricht onderzoek.82 De rechtbank ziet, mede gelet daarop, geen aanleiding om te twijfelen aan de door IFS gerapporteerde verhouding tussen de hoeveelheid celmateriaal van verdachte ten opzichte van de hoeveelheid DNA-materiaal van het slachtoffer.

Tussenconclusie met betrekking tot DNA-resultaten
45. Het autosomale DNA-profiel van een persoon is uiterst zeldzaam, nagenoeg uniek. De kans dat een andere persoon over exact hetzelfde autosomale DNA-profiel beschikt is extreem klein, statistisch kleiner dan één op één miljard. Dit betekent dat de bewijswaarde van een autosomale match zeer groot is.
  De bewijswaarde van een Y-chromosomale DNA-match is veel lager dan die van volledig overeenkomende autosomale DNA-profielen, omdat alle mannen die in de directe mannelijke lijn aan elkaar verwant zijn (en enkele niet-verwanten) over hetzelfde Y-chromosomale DNA-profiel beschikken. De bewijswaarde van een Y-chromosomale DNA-match neemt echter toe in combinatie met autosomale DNA-matches die aangetroffen zijn.83

46. Het voorgaande leidt de rechtbank, mede gelet op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het feit in Putten woonachtig was84, tot de conclusie dat verdachte de donor is van het in en op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen sperma, van het celmateriaal dat (in grotere relatieve hoeveelheden dan dat van het slachtoffer zelf) is aangetroffen onder de nagels van het slachtoffer en van het bloedvlekje op de spijkerbroek.

Overigens wordt door de verdediging ook niet betwist dat de sporen van verdachte afkomstig zijn.

F.   Bewijsredenering

47. Op 9 januari 1994 is het levenloos, gedeeltelijk ontklede lichaam van [slachtoffer] in de woning van haar oma gevonden. Er waren sporen van geweld zichtbaar. In en op het lichaam bevonden zich spermasporen.
Verdachte is de verkrachting van en moord op het slachtoffer ten laste gelegd. Verdachte ontkent: hij stelt op 9 januari 1994 niet in de woning te zijn geweest en heeft niets met het delict te maken.

48. De rechtbank moet een oordeel geven over de vraag of verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd. Nu het slachtoffer zelf niet meer in staat is om te vertellen wat er op 9 januari 1994 is gebeurd, zullen de sporen voor haar moeten spreken. De vraag die moet worden beantwoord is of de aangetroffen sporen dat voldoende duidelijk kunnen.

49. De rechtbank komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewijs aanwezig is, dat verdachte het slachtoffer heeft verkracht en vermoord. Dit oordeel is gebaseerd op het onderzoek ter terechtzitting en volgt na weging van alle bewijsmiddelen, zowel zelfstandig als in onderling verband beschouwd. De rechtbank hecht in het bijzonder, maar niet alleen, belang aan de bevindingen op de plaats van het delict, de bevindingen tijdens de sectie, het biologisch sporenmateriaal, de resultaten van het DNA-onderzoek van de spermabemonsteringen, de nagels en het bloedvlekje in de spijkerbroek, de bloedspoorpatroonanalyse en het proces-verbaal van politie over de volgorde van handelingen.
De vaststelling van de toedracht en de rol van verdachte daarin worden als volgt toegelicht.

De toedracht

50. Uit de beschrijving van het strangulatiespoor, het proces-verbaal over de volgorde van handelingen op de plaats van het delict en de verklaring van Visser in 2002, leidt de rechtbank af dat het slachtoffer is overmeesterd doordat van achteren een verwurging is aangezet. Uit de verwondingen van het slachtoffer blijkt dat het slachtoffer zich tegen dit geweld heeft verzet. Dit volgt uit de verklaring van Visser in 1995 bij het gerechtshof te Arnhem, inhoudend dat sommige van de verwondingen op de schouder, de hand en de pols bij de verdediging zullen zijn ontstaan.85 Bovendien is onder de nagels van het slachtoffer celmateriaal aangetroffen van een ander dan van haar zelf, waarbij van die ander veel meer celmateriaal is aangetroffen dan van het slachtoffer zelf. Volgens de deskundige prof. dr. A.D. Kloosterman is het bijzonder dat een volledig profiel van een andere persoon onder iemands nagels wordt gevonden. Volgens Kloosterman duidt dit erop dat verweer of geweld is uitgeoefend met die nagels op een ander lichaam.86 Dit wordt ook onderschreven door de deskundige Eikelenboom.87
Door het stranguleren is het slachtoffer letsel toegebracht. Omdat het bloed over het strangulatiespoor is gestroomd, kan de conclusie worden getrokken dat het slachtoffer eerst moet zijn gestranguleerd en dat daarna de steek- en snijverwondingen zijn toegebracht. In het langs de hals gestroomde bloed zijn namelijk geen sporen aangetroffen die er op wijzen dat strangulatie ná het toebrengen van de steek- en snijverwondingen heeft plaatsgevonden.

51. Er is een worsteling ontstaan, die kort maar heftig moet zijn geweest. De woonkamer vertoont namelijk slechts een paar tekenen van een worsteling, zoals een omgevallen tafeltje, lamp, vaasje en bloempot. Die voorwerpen bevonden zich, zo is te zien op de foto's 64 en 6688, in de directe omgeving van het hoofd van het slachtoffer. Het bankje, waar de voeten van het slachtoffer vlakbij lagen, was een paar centimeter naar achteren geschoven; een daarvoor liggend kleedje was verschoven. De situatie in de - niet grote - woonkamer was verder onverstoord. Ook de nabije stoel van de eethoek stond nog overeind; de elleboog van de rechterarm van het slachtoffer lag tegen de poten van die stoel aan, zoals is te zien op foto 64.89
Dat de worsteling heftig is geweest, blijkt uit het sectierapport. Tijdens de sectie is namelijk vastgesteld dat op meerdere plaatsen van het lichaam, met name aan het hoofd, maar ook aan de schouders, hand en pols, huidkneuzingen en onderhuidse bloedingen zijn waargenomen. Deze verwondingen zijn veroorzaakt door inwerking van uitwendig mechanisch botsend en stomp geweld, zoals bijvoorbeeld een slag of stoot. De rechtbank leidt hieruit af dat de dader het slachtoffer meermalen tegen het lichaam heeft geslagen en haar hardhandig heeft vastgepakt.

52. Het slachtoffer moet vervolgens, enigszins voorover, op de grond zijn terechtgekomen en met haar hoofd het bewuste tafeltje hebben geraakt. Uit de verklaring van Visser uit 2002 leidt de rechtbank af dat het letsel op het voorhoofd van het slachtoffer daardoor kan zijn ontstaan. Vervolgens moet het slachtoffer van haar buik naar haar rug gedraaid zijn. Dat heeft zij niet zelf gedaan. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat het hoofd van het slachtoffer in een door zijn onnatuurlijkheid bijzonder opvallende knik lag ten opzichte van de rest van haar lichaam, zoals ook te zien is op foto 6490. Het omgevallen tafeltje lag tegen de rechterbovenzijde van het hoofd van het slachtoffer aan en het hoofd lag in een knik zijwaarts in de richting van de linkerschouder. Het is niet aannemelijk dat het slachtoffer deze onnatuurlijke houding zelf - na het omdraaien - heeft aangenomen of dat zij daarin zou zijn blijven liggen tijdens de daarop volgende seksuele handelingen. De woonkamer laat verder weinig tekenen zien van een worsteling. Zo is immers niet gebleken dat de meubels van de eetkamerhoek, waar het slachtoffer zeer dichtbij lag, tijdens het delict zijn verplaatst of omgevallen. Dit gevoegd bij de onnatuurlijke houding waarin het slachtoffer is aangetroffen, leidt de rechtbank verder tot de conclusie dat het slachtoffer op dat moment niet of niet volledig bij bewustzijn moet zijn geweest.

53. Toen het slachtoffer naar haar rug gedraaid was, moet zij gedeeltelijk zijn ontkleed en is de dader met zijn penis bij haar naar binnengedrongen. Het slachtoffer is immers op de grond, op haar rug liggend aangetroffen, terwijl haar onderlichaam was ontkleed. In de vagina zijn spermacellen aangetroffen; op het bovenbeen van het slachtoffer ook. Deze substantie op het bovenbeen is door technisch rechercheurs beschreven als een spermadruppel met een ovale vorm, geen veeg.
Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat het seksueel binnendringen heeft plaatsgevonden, terwijl het slachtoffer (steeds) op haar rug lag. Immers, zou het slachtoffer daarbij niet op haar rug hebben gelegen, dan is niet verklaarbaar dat op het bovenbeen van het slachtoffer een spermadruppel is aangetroffen. De situatie op de plaats van het delict, waaronder de bijzondere positie van het hoofd en het lichaam van het slachtoffer, geven geen aanwijzingen dat het slachtoffer op dat moment haar bewustzijn (volledig) had herkregen.
Verder concludeert de rechtbank dat het slachtoffer, aan wie door de strangulatie zwaar letsel was toegebracht en die als gevolg van de worsteling fors geweld op het voorhoofd moest incasseren, ook na de seksuele handelingen niet veel meer heeft bewogen. Zou zij nog veel bewogen hebben, dan is immers zeer aannemelijk dat de spermadruppel onder invloed van die bewegingen en de zwaartekracht zijn ovale vorm zou hebben verloren.

54. De steek- en snijverwondingen moeten zijn toegebracht nadat de seksuele handelingen waren verricht. In het bloedspoorpatroon zijn immers geen "vegen" zichtbaar. Dat zou wel te verwachten zijn geweest als na het toebrengen van de snijverwondingen nog
- seksueel - fysiek contact zou hebben plaatsgehad tussen de dader en het slachtoffer.
Uit het bloedpatroon waarover IFS en de politie hebben gerapporteerd, blijkt dat het slachtoffer bij het toebrengen van die steek- en snijverwondingen nog steeds op haar rug op de grond lag. Dit wordt bevestigd door de verklaring van Visser in 2002, dat de steek- en snijwonden van voren zijn toegebracht.91
Het bloed dat uit de steek- en snijverwondingen in de halsstreek is gevloeid, is langs de hals naar de vloer gevloeid, waar een bloedpoel is ontstaan. Een soortgelijk beeld is ontstaan bij de snijverwondingen aan de pols van de linkerhand. Het onverstoorde beeld van deze bloedpatronen geeft bovendien aan dat het slachtoffer niet of nauwelijks heeft bewogen tijdens het toebrengen van deze specifieke verwondingen.92 Dat zij op dat moment nog ademde en dus nog leefde, blijkt uit de conclusie van Visser dat de intreding van de dood gepaard is gegaan met de inademing van bloed.

De verkrachting

55. In de tenlastelegging wordt verdachte verweten dat hij door geweld of andere feitelijkheden het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. Voor het bewijs van de verkrachting is het dus noodzakelijk dat komt vast te staan of de dader geweld heeft gebruikt en, zo ja, welk geweld, met de bedoeling seksuele handelingen te verrichten. In de tenlastelegging wordt verdachte ook de moord op het slachtoffer verweten. Uit het sectieverslag blijkt dat de strangulatie en de snij- en steekverwondingen zowel zelfstandig als gezamenlijk tot de dood van het slachtoffer hebben kunnen leiden. Daarom moet onderscheid gemaakt worden tussen de vraag of er sprake was van geweld, gericht op de verkrachting en van geweld, gericht op het doden van het slachtoffer en waar dat geweld dan uit heeft bestaan.

56. Dat geweld is gebruikt tegen het slachtoffer, staat vast. Uit de sectie op het lichaam van het slachtoffer is gebleken dat sprake was van veel letsel.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het niet anders kan, dan dat de dader met het stranguleren en het vastgrijpen van het slachtoffer, de bedoeling heeft gehad het slachtoffer te verkrachten.

57. Hiervoor onder 50 is vastgesteld dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verwurging van achteren is aangezet. Het aanzetten van de verwurging van achteren is naar het oordeel van de rechtbank een actieve (aanvals)handeling die opzettelijk en doelgericht is verricht en die gericht is geweest op het onderwerpen van het slachtoffer aan de macht van haar belager. De verwurging is daarbij zo krachtig aangezet, dat daardoor fors letsel is ontstaan.
Nadat het verzet van het slachtoffer was gebroken, heeft de dader het slachtoffer naar de rug gedraaid, heeft hij haar gedeeltelijk ontkleed en is hij haar vervolgens seksueel binnengedrongen. Uit de volgorde van deze handelingen concludeert de rechtbank dat het niet anders kan, dan dat het eerste geweld gericht was op de onderwerping van het slachtoffer met het doel om seksuele handelingen te verrichten.
  
De moord

58. Gelet op het korte tijdsbestek waarin het delict zich heeft afgespeeld en de aangetroffen situatie op de plaats van het delict, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verkrachter ook degene is geweest die het slachtoffer heeft gedood. Voor de vraag of sprake is van moord, moet beoordeeld worden of sprake is van voorbedachten rade. Van belang is dus of de verkrachter tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te bezinnen op zijn voornemen om het slachtoffer om het leven te brengen. De verdediging is op deze vraag niet ingegaan.

59. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen aanwijzingen verkregen voor de conclusie dat de verkrachter van het begin af aan van plan is geweest het slachtoffer te doden. Dat het geweld dat bij de verkrachting is gebruikt, achteraf gezien, zelfstandig tot de dood had kunnen leiden, maakt dit niet anders. Om die reden kan het onderdeel dichtdrukken en dichtgedrukt houden van de keel, zoals onder 1 primair tenlastegelegd, niet bewezen worden.

60. Verder overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de bewijsmiddelen vloeit voort dat het slachtoffer na de verkrachting nog steeds niet of nauwelijks bij bewustzijn was. Niets verhinderde de verkrachter om na die daad weg te gaan. Hij heeft kennelijk besloten om na de verkrachting op de plaats van het delict te blijven en het slachtoffer steek- en snijwonden toe te brengen.
Uit het sectieverslag blijkt dat de verkrachter het slachtoffer meerdere snijwonden in de hals heeft toegebracht, meerdere snijwonden aan haar pols en een 6 centimeter diepe steekwond in haar keel, vlak boven het strottehoofd. Algemeen bekend is dat het daarbij gaat om vitale plaatsen van het lichaam. Het doden van het slachtoffer is dus het onmiskenbare doel van de verkrachter geweest. Zelfs indien dat besluit in een opwelling na de verkrachting zou zijn genomen, sluit dit voorbedachten rade niet uit.
Met het meermalen snijden in de hals, het steken in de keel en het meermalen snijden in de pols is tijd gemoeid geweest: tijd om te kiezen op welke vitale plaatsen en hoe de dader het slachtoffer fataal zou gaan verwonden en tijd om de verwondingen achter elkaar, op verschillende plaatsen van het lichaam, maar steeds heel doelgericht toe te blijven brengen; dit getuigt van koelbloedig handelen. De dader heeft daarmee dus tijd én gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarom bewezen dat de dader het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Om die reden is in de strafzaak tegen deze verdachte sprake van moord en niet van een (gekwalificeerde) doodslag.

De dader

61. Verdachte is de donor van het in en op het lichaam van slachtoffer aangetroffen sperma, van het celmateriaal onder de nagels van het slachtoffer en het bloedvlekje op de spijkerbroek.

62. De verdediging heeft aangevoerd dat niet verdachte de dader is van het delict, maar een ander of anderen. Verdachte stelt dat hij op zaterdagavond 8 januari 1994, tussen ongeveer 20.30 uur en 22.30 uur seksueel contact met het slachtoffer heeft gehad, en daarbij één keer heeft geëjaculeerd. Het uitwendig aangetroffen sperma, onder meer op het bovenbeen, zou op 9 januari 1994 zijn versleept door iemand anders, namelijk de dader van het delict. Deze zogenaamde "sleeptheorie" komt er op neer dat een onbekende derde door in de vagina van het slachtoffer binnen te dringen, het sinds die zaterdagavond nog in de vagina aanwezige sperma (of spermacellen) van verdachte naar buiten zou hebben gesleept en buiten de vagina van het slachtoffer op haar been zou hebben achtergelaten.

63. Dit betoog van de verdediging stelt de rechtbank voor de vraag of aan de hand van de in en op het lichaam gevonden spermasporen vastgesteld kan worden of het sperma in de avond van 8 januari 1994 in het lichaam van het slachtoffer is achtergelaten, dan wel op de middag van het delict.
Anders dan de verdediging heeft gesteld, plaatsen de sporen naar het oordeel van de rechtbank verdachte wel degelijk op de plaats van het delict. Daartoe is het volgende van belang.

64. De rechtbank stelt voorop dat het aantreffen van één of meerdere sporen die sperma bevatten, op en in het lichaam van een slachtoffer van levens- en zedendelict, op zichzelf al een incriminerende omstandigheid is en naar de dader kan leiden.

65. Gelet op het verweer van de verdediging acht de rechtbank de samenstelling van het aangetroffen sperma in de verschillende bemonsteringen en de forensische betekenis daarvan, in samenhang met de "schone slip", van belang.

66. Uit de door de Janssen in 2002 op basis van het NFI-dossier opgestelde notitie93 (zie hierboven onder 26) blijkt dat in 1994 door het NFI tijdens het microscopisch onderzoek is geconstateerd dat zich in elk van de 7 verschillende (inwendig en uitwendig afgenomen) spermamonsters tussen de 5 tot 25 spermakoppen per gezichtsveld zijn waargenomen. In al deze waarnemingen bevonden zich ook spermakoppen waar de staart nog aan vast zat. Eikelenboom heeft ter terechtzitting aanvullend verklaard dat bij het NFI forensisch niet verder dan 25 koppen per gezichtsveld wordt geteld.94

67. Uit de verklaringen van de deskundigen Janssen en prof. dr. A.D. Kloosterman, biologisch sporen- en DNA-onderzoeker bij het NFI, alsmede uit de verklaring van Eikelenboom, die ieder voor zich hebben verklaard ervaring te hebben in talloze zedenzaken95, en van de deskundige drs. H.N. Bauer, wetenschappelijk onderzoeker bij het NFI, blijkt dat deze waargenomen hoeveelheden sperma binnen de forensische context gekwalificeerd kunnen worden als "heel veel" sperma96.

68. Janssen heeft ter terechtzitting verklaard: "In de meeste gevallen- wat ik me zo herinner- kom je 0 tot 2 koppen per gezichtsveld tegen. En wanneer je inderdaad veel meer vindt, 5 of zelfs, wat we hier ook gezien hebben, 10, (...) dan vinden wij dat een behoorlijke hoeveelheid sperma." 97. Ook heeft hij verklaard: "25 koppen per gezichtsveld is toch heel heel erg veel."98.
Voorts heeft Janssen verklaard dat hoe meer koppen met staarten men aantreft, hoe beter dat past bij een recente gemeenschap, omdat spermastaarten door wrijving loslaten. De kans dat je nog staarten aantreft, wordt steeds kleiner naarmate de gemeenschap langer geleden is.99 Naar zijn indruk passen de waargenomen aantallen spermacellen al of niet met een staart per gezichtsveld, meer bij een recente donatie van sperma. Een dergelijk beeld verwacht hij niet bij een geslachtsgemeenschap die de avond voor het delict zou hebben plaatsgevonden.100 Hij verklaart in deze conclusie gesterkt te worden door het ontbreken van spermasporen in de slip, mede afgezet tegen de waargenomen hoeveelheden spermakoppen in de spermamonsters, die hij verwacht zou hebben als de gemeenschap de avond te voren zou hebben plaatsgevonden.101

69. Kloosterman heeft ter terechtzitting verklaard naar aanleiding van de resultaten van het microscopisch onderzoek naar de spermasporen: "(...)Ik wil even naar onze technieken van het NFI toe vertalen: dit is heel veel sperma. Als je dit aan een gynaecoloog zou vragen dan zal hij zeggen: dit is heel weinig sperma. Maar die is gewend aan fertiliteitstesten."102. Ook heeft Kloosterman verklaard dat het aantal waargenomen spermakoppen uitzonderlijk veel is voor een uitstrijkje van de vagina en dat dat kan wijzen op een recente gemeenschap.103 Voorts verklaart hij op grond van zijn ervaring als onderzoeker, dat in zedenzaken een positief schede-uitstrijkje in heel veel gevallen gepaard gaat met een positief resultaat in het ondergoed van het slachtoffer.104

70. Ook Eikelenboom heeft verklaard dat, in de forensische context, sprake is van heel veel sperma105 en dat het waarschijnlijk een geconcentreerd ejaculaat betreft106.

71. Bauer heeft verklaard dat het niet vaak voorkomt in een zedenzaak dat men 10 of 15 of zelfs 25 koppen per gezichtsveld aantreft.107 Ook heeft zij over de in deze zaak aangetroffen hoeveelheid spermakoppen verklaard: "Ik vind dit behoorlijk veel koppen per gezichtsveld."108.

72. De verklaringen die deze deskundigen ter terechtzitting hebben afgelegd, komen er op neer dat in een forensische context, gelet op deze hoeveelheden waargenomen spermakoppen, al dan niet met staarten, per gezichtsveld het waarschijnlijker is dat de aangetroffen spermasporen van een recent gedeponeerd ejaculaat afkomstig zijn, dan dat het sperma op de avond voor het delict in de vagina van het slachtoffer is achtergelaten.109

73. De rechtbank neemt, gelet op de grote forensische ervaring in zedenzaken van deze deskundigen, deze conclusies over. Zij vindt voor deze conclusies tevens bevestiging in de brief van 21 augustus 1995 van dr. H.C. Lee, forensisch deskundige. Volgens Lee, zo blijkt uit zijn brief, is de hoeveelheid sperma in een gegeven monster en de conditie en de morfologie daarvan belangrijk voor de vaststelling van het tijdstip van de lozing.110 Ook vinden zij bevestiging in de verklaring van getuige-deskundige prof. dr. T.K.A.B. Eskes, emeritus hoogleraar, afgelegd op 25 april 2001 ter gelegenheid van een verhoor bij de raadsheer-commissaris van de Hoge Raad. Hij heeft verklaard dat als hij zich in 1994 en 1995 had gerealiseerd dat ook op andere plekken dan het bovenbeen sperma was aangetroffen, hij had geconcludeerd dat de druppel op het bovenbeen afkomstig is van degene die kort voor of ten tijde van het misdrijf een zaadlozing in de vagina van het slachtoffer heeft gehad.111

74. De door de verdediging gememoreerde verklaringen bij het gerechtshof te Leeuwarden in 2002 van Van Seumeren en Barten leiden niet tot een ander oordeel. Zij doen als respectievelijk uroloog en gynaecoloog met een ander doel en volgens een geheel andere werkwijze waarnemingen met betrekking tot spermacellen, dan binnen een forensische context het geval is.112

75. De verdediging heeft nog een rapport van dr. M.J. Blom113, forensisch adviseur, naar voren gebracht, waarin verwezen wordt naar een tabel uit een publicatie van Allard114. Op grond van deze tabel worden door de verdediging conclusies getrokken met betrekking tot de tijd die verstreken is sinds de ejaculatie, op basis van de hoeveelheid aangetroffen spermacellen.
De rechtbank overweegt dat zij de conclusies die de verdediging trekt, niet zonder meer kan teruglezen in die publicatie. Naar het oordeel van de rechtbank is de betreffende tabel onvoldoende concreet. Daarbij komt dat Janssen ter terechtzitting, ook nadat hij geconfronteerd was met de door de verdediging overgelegde publicatie, is gebleven bij zijn conclusie dat de in deze zaak aangetroffen hoeveelheden sperma(koppen al dan niet met staart) meer passen bij een recente donatie van sperma, dan bij een geslachtsgemeenschap de avond voor het delict.115

76. De verdediging heeft verder nog aangevoerd dat niet duidelijk is wat de samenstelling van de vlek op het bovenbeen was. Volgens de verdediging is dit relevant voor de betekenis die aan de waarneming en beschrijving van het spoor moet worden toegekend, rekening houdend met factoren als vervloeiing en droogtijd.
Naar het oordeel van de rechtbank stuiten deze verweren af op het volgende. Op de vraag waaraan de hoeveelheid sperma wordt afgemeten, is het antwoord van Janssen: "Maar wij baseren het puur en alleen op het aantal spermakoppen of volledige spermatozoa die wij zien in een microscooppreparaat. Zien wij er veel, dan noemen wij dat wij veel sperma hebben. Zien wij er maar enkele, dan hebben we weinig sperma."116 En: "Ik denk dat het aantal spermacellen wat je waarneemt, dat dat toch voornamelijk afhangt van het tijdstip tussen de gemeenschap en het moment van monstername. Hoe langer je wacht, hoe meer de verhouding gaat schuiven; van veel sperma en weinig vaginale cellen naar meer vaginale cellen en minder spermacellen."117.
Hieruit vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat de samenstelling van de vloeistof waarin de spermacellen worden waargenomen, niet relevant is voor het vaststellen van het tijdstip van donatie. Daarvoor is het aantal waargenomen spermakoppen, al dan niet met staarten, van belang. Onder die omstandigheden behoeft de door de verdediging opgeworpen discussie over de samenstelling van de vlek op het rechterbovenbeen (zaadvloeistof en/of vaginaal vocht met spermacellen) en de mogelijke consequenties daarvan voor de droogtijd, geen zelfstandige bespreking meer.

77. De verdediging heeft aangevoerd dat de bemonstering op het bovenbeen niet representatief zou zijn, nu niet de gehele vlek is bemonsterd, maar slechts het "glimmende" binnendeel daarvan. Daarom zouden geen uitspraken gedaan kunnen worden over het gehele spoor.
Ook dit verweer stuit af op de verklaring van Janssen over de wijze waarop de hoeveelheid sperma wordt gemeten. Voorts gaat de verdediging er naar het oordeel van de rechtbank in dit verband geheel aan voorbij dat niet slechts in de spermadruppel op het bovenbeen spermacellen zijn aangetroffen, maar dat in alle bemonsteringen, naar uit de verklaringen van de deskundigen blijkt, forensisch gezien grote hoeveelheden sperma(koppen al dan niet met staarten) zijn aangetroffen.

78. Naar aanleiding van de verklaringen van genoemde deskundigen op basis van het concreet in deze zaak aangetroffen hoeveelheid sperma(koppen al dan niet met staarten), in combinatie met het ontbreken van spermasporen in de slip van het slachtoffer, komt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is geweest van een ejaculatie op zondag 9 januari 1994. Nu het sperma in de sporen afkomstig is van verdachte, luidt tevens de conclusie dat verdachte de dader is van de verkrachting van en moord op het slachtoffer.

79. De resultaten van het nagelonderzoek ondersteunen de conclusie dat verdachte op zondagmiddag 9 januari 1994 op de plaats van het delict is geweest. Immers, in de profielen van het onder de nagels aangetroffen celmateriaal is geen enkele aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van een onbekend persoon, die dan volgens de stelling van de verdediging tijdens de verkrachting het sperma van de verdachte naar buiten zou hebben gesleept. Zo'n aanwijzing op de actieve aanwezigheid van een derde zou, gelet op de hoeveelheid toegepast geweld en het verzet daartegen door het slachtoffer, te verwachten zijn geweest.

80. Onder de nagels van het slachtoffer is daarbij zoveel celmateriaal van verdachte aangetroffen dat een volledig profiel van verdachte kon worden verkregen, terwijl slechts enkele kenmerken van het slachtoffer zijn gevonden. Bovendien zou men volgens Eikelenboom de in het DNA van de nagels aangetroffen verhouding tussen het DNA van verdachte (volledig profiel met hele hoge pieken) en dat van het slachtoffer (slechts enkele kenmerken, met 10 tot 20 keer lagere pieken dan die van verdachte) niet verwachten als het celmateriaal van verdachte de avond voor het delict op haar nagels zou zijn terechtgekomen. De hoeveelheid celmateriaal zou in dat geval aanzienlijk verminderd moeten zijn.118

Conclusie bewijsredenering
81. De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is die op zondag 9 januari 1994 [slachtoffer] in Putten heeft verkracht en vermoord, zoals onder 1 primair en 2 ten laste gelegd. Daaraan doet niet af wat door de verdediging nog verder aan verweren is opgeworpen. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

 

Wie is online

We hebben 70 gasten online

Zoekfunctie

Thrillers & fantasy boeken (234x60)

De Dood als Machtsmiddel

cover boek

Dit boek gaat over de Dood als Machtsmiddel, Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Het proces tegen Lucia de Berk, de Haagse verpleegkundige die tot levenslang werd veroordeeld, zonder directe bewijzen, leidde ertoe dat ik een onderzoek startte naar het voorkomen van Moord en Doodslag door verpleegkundigen. Dit onderzoek betreft een vijftal strafzaken in Nederland en een aantal strafzaken in Duitsland, België, Oostenrijk/Zwitserland en Engeland. Uitgeverij Boekscout ISBN 9789088346798 prijs € 17,95. Men kan het ook bij mij bestellen.