We hebben 271 gasten online

Van Kaapkolonie tot een democratisch Zuid-Afrika Deel 2

Gepost in Azië en Afrika

schaken om afrika

jan van riebeeckIn 1651 werd Jan van Riebeeck door de Oostindische Compagnie uitgestuurd om aan de Kaap een verversingsstation op te richten.

Jan van Riebeeck

Hij moest een fort bouwen en zorgen dat er voldoende water en voedsel voor de bezoekende nl schepen tafelbaaischeepsbemanningen was. Zieke zeelui moesten er kunnen opknappen. Die opdracht was beslist niet eenvoudig. Van Riebeeck kon enkel beroep doen op slecht opgeleid personeel. De Compagnie was immers op eik gebied schraapzuchtig en doordat ze lage lonen uitbetaalde, traden veel ongeschoolde of 'verlopen' lieden in dienst. Van Riebeeck moest al na korte tijd optreden tegen misdadigers en dieven. De VOC werd niet zelden door haar eigen ambtenaren en personeel bestolen. De lage lonen zetten velen aan tot - verboden - particuliere handel en corrupte praktijken.

 

Toen van Riebeeck de Nederlanden verliet in 1651 op weg naar de Kaap, was de bureaucratische bestuurlijke structuur al gevormd. Aan boord van het schip de Dromedans kwam men bij elkaar om en en ander nader vast te stellen. Dit nu is gearchiveerd en het is het eerste bestuurlijke document van Zuid Afrika.

resolutieResolutie van de eerste meeting van de Politieke Vergadering die werd gehouden aan boord van het schip de Dromedaris op 30 december 1651 (ref: Cape Town Archives Repository, C1)

Al onmiddellijk na hun komst aan de Kaap, kwamen de kolonisten in contact met de inheemse bevolking. Deze Khoikhoi, spottend Hottentotten genoemd, werden in het begin hoffelijk behandeld en zij gingen op hun beurt vriendelijk met de blanke vreemdelingen om. Van deze Khoi kochten de blanken vee. Toen de inheemsen inzagen dat deze blanken niet voor een korte reisonderbreking aan land gekomen waren, maar zich permanent wilden vestigen, probeerden ze zich daartegen te verzetten.

Toen de kolonisten zelf al meer vee hadden en het nomadenleven van de Khoi wilden inperken, groeide de vijandigheid. De blanken gingen zich steeds meer als meesters en bezetters gedragen en de zwakkere 'Hottentotten' moesten zich onderwerpen: sommigen bleven aan de Kaap wonen en traden in dienst van de nieuwkomers, anderen trokken met hun kudden weg. De Khoikhoi-bevolking zou verder uitdunnen, ook omdat ze niet bestand was tegen Europese ziektes.

De Khoi behoorden tot de Khoisan, waartoe ook de San of Bosjesmannen gerekend worden. Deze laatste groep was vroeger al door de Khoi verdreven en daarom zouden de blanken ben pas bij hun trek naar het binnenland ontmoeten. Daar ze van jacht en vruchtenpluk leefden, konden ze zich vlugger verplaatsen dan de vee houdende Kboikboi. Toch zouden ze uiteindelijk moeten buigen voor de blanke overmacht. Deze 'Bosjesmannen' hebben zich tot vandaag, maar zeer uitgedund, weten te handhaven in de Kaap en Transvaal. De belangrijkste verblijfplaats van de Khoisan vandaag is Namibië.

Als werkkrachten gebruikten de blanken niet enkel Khoi, die trouwens niet zo gewillig waren. Aan de Compagnie werd om slaven gevraagd. Na nauwelijks vijf jaar aanwezigheid aan de Kaap voerden de Nederlanders al zwarte slaven in. Deze slaven kwamen uit Afrika en Maleisié. Hoewel ze niet bepaald verwend werden, hadden ze over het algemeen toch een draaglijk leven. Slaven kostten geld, tenzij ze als 'buit' veroverd konden worden. Ook de Nederlandse meesters hadden er belang bij dat de slaven gezond en sterk waren. Met hun slavinnen gingen de meesters ook naar bed, zoals dat in de andere kolonies gebeurde. Halfbloedkinderen werden meestal voor de huisdienst opgeleid. landing kaap

 

Uitbreiding van de Kaap

Jan van Riebeeck slaagde er nog niet in de verversingskolonie zelfvoorzienend te maken. Toch deed hij daarvoor heel wat inspanningen. Om de landbouwopbrengst te verhogen, nam bij een belangrijke beslissing: een aantal dienaren mochten voor eigen rekening werken. Zo zouden ze beter gemotiveerd zijn en meer produceren, dacht van Riebeeck. De VOC aanvaardde deze gang van zaken. Toch waren de problemen hiermee nog lang niet opgelost. Vele 'vrijburgers' of vrijgestelde boeren hadden van het landbouwbedrijf maar weinig verstand en schakelden al vlug naar andere activiteiten over. Vooral het openen van een herberg garandeerde een behoorlijk bestaan en schonk de Kaapkolonie een bijnaam: 'de herberg aan de Kaap'

ontwikkeling landbouw

Ontwikkeling van de landbouw op het schiereiland rond 1660

De vrije boeren klaagden erover dat ze door hun bestuur bevoogd werden. Ze rnochten niet produceren wal ze wilden, ze moesten hun produkten aan de Compagnie verkopen en dan nog wel tegen een vaste en laaggestelde prijs. Daarenboven begonnen sommige ambtenaren zelf met een landbouwbedrijf. Dit werd door de Heren XVII wel herhaaldelijk verboden, maar de controle vanuit Europa was uiteraard moeilijk en onvoldoende. Daar de ambtenaren de produkten voor de handelsmaatschappij moesten aankopen, lag het voor de hand dat ze aan hun eigen opbrengst de voorkeur zouden geven. De boeren lieten zich herhaaldelijk kritisch uit over deze oneerlijke concurrentie.

Toch gaf de instelling van het vrijburgerschap de kolonie een nieuwe en belangrijke wending: de stap van 'verversingskolonie' naar 'bevolkingskolonie' werd hier gezet. De zelfstandige boeren zouden al vlug hun grondgebied uitbreiden. De band die hen aan het plaatselijke bestuur en aan de Verenigde Compagnie bond werd losser. Hierdoor groeide een mentaliteit die gevaarlijk kon worden: de onafhankelijkheidsgeest kon immers toenemen. Hoewel de VOC de komst van nieuwe boeren niet verhinderde en ze de economische voordelen inzag (deze migranten produceerden voor de handelsmaatschappij en betaalden belastingen), bleef ze de vrijburgers toch als een 'noodzakelijk kwaad' beschouwen.

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de Kaapkolonie werd gezet onder leiding van Simon van der Stel, die de kolonie uitbreidde en haar zelfvoorzienend maakte. Onder zijn bestuur kwam ook een groep Franse protestanten aan. Na de opheffing van het Edict van Nantes (1685) hadden deze zogenaamde Hugenoten hun land verlaten. Uit de Verenigde Provinciën, waar ze een tijdelijke verblijfplaats gevonden hadden, kwamen ze naar Afrika. Hier vestigden ze zich vooral in Franschhoek. Omdat ze niet meer naar hun vaderland konden terugkeren, beschouwden ze de Kaap al vlug als hun nieuwe thuis. Hun eigen identiteit en cultuur gingen geleidelijk verloren. Na enkele generaties waren ze volledig vernederlandst. Samen met de Duitse immigranten, de Nederlandse groep en enkele anderen vormden deze Hugenoten de basis van de latere blanke 'Afrikaners' aan de Kaap.

Typisch voor deze Hugenoten was hun strenge levenswijze, hun onverzettelijkheid en rotsvaste geloof. Ze leefden erg sober en streng en werkten hard. Hun calvinistisch geloof leerde dat maar een kleine minderheid van de mensen na dit leven gered zou worden. Zij waren overtuigd van hun uitverkiezing. Hun nieuwe land werd gelijkgesteld met het bijbelse land van belofte. Spreken met of maar luisteren naar andersdenkenden was verloren tijd. Deze ideeën droegen ze op de andere Afrikaners over. De herinnering aan de Hugenoten blijft nog altijd bewaard in bekende Afrikaner namen als De la Rey, Fourie, Joubert, de Villiers, enz.

Ondanks de komst van de Franse Hugenoten groeide de Kaapkolonie maar traag. De kolonisten waren niet de gemakkelijkste en ze overstelpten de Compagnie met protesten wanneer het een en ander niet naar hun zin was. Dat zette de VOC er toe aan massa-immigratie af te remmen. Zo bleef de bevolking tot enkele duizenden beperkt. In 1700 waren er ongeveer 1300 blanken aan de Kaap en zowat 800 slaven; vijftig jaar later waren er al meer slaven dan blanken. Van de 5000 blanken die in 1763 aan de Kaap leefden, waren er 3158 mannen. Dit bevorderde natuurlijk de seksuele omgang tussen blanke mannen en Khoi-vrouwen of slavinnen.

ontwikkeling

Ontwikkeling van de kolonie

De immigratie werd ook geremd door de geringe aantrekkingskracht van de Kaap zelf. De VOC had wel gezocht naar waardevolle ertsen, maar zonder resultaat. De landbouwopbrengsten namen steeds toe, maar leidden ook al geregeld tot over produktie. Het was in ieder geval een hard en moeilijk bestaan. De grond was niet erg vruchtbaar en de regen liet soms erg lang op zich wachten. Er werd niet op een meter grond gekeken. Boerderijen van ongeveer 2400 hectaren waren vlug de norm.

Sommige boeren zochten een andere bestaanswijze. Naarmate de kolonie beter georganiseerd werd, was er meer behoefte aan ambachtslui en andere zelfstandigen. Sommige boeren in moeilijkheden schakelden over naar veeteelt. Aan vee was er wel nog behoefte, zeker nadat de Khoi als belangrijke leveranciers begonnen te verdwijnen. Maar omdat voor dit vee steeds nieuwe graasvlakten gevonden moesten worden, verwijderden de veeboeren zich verder van de Kaap. Eerst trokken ze tijdelijk weg, maar velen kwamen niet meer geregeld terug. Het Kaapse bestuur probeerde deze trek wel te controleren, maar dat bleek op den duur onmogelijk. De ambtenaren wisten niet meer welke gronden de Trekboeren zich toegeëigend hadden. Deze Trekboeren werden semi-nomaden en leken in hun leefwijze erg op de 'Hotten- totten'die ze evenwel als minderwaardig beschouwden. De Trekboeren leefden immers met de bijbel-onder de arm!

Door naar het binnenland te trekken, werden de veeboeren ook minder afhankelijk van de overheid. Ze konden bijvoorbeeld vee ruilen met de Khoi, die in dezelfde streek rondtrokken. Maar deze onafhankelijkheid van het Kaapse bestuur had een voornaam gevolg: de Trekboeren werden geïsoleerd van de samenleving. Ze pasten zich aan een primitieve omgeving aan: wilde dieren werden gedood en inheemse nomaden en jagers gepaaid als het kon, onderworpen als het moest. De Trekboer stelde zijn eigen wetten. Hij liet zich leiden door de bijbel, die bij evenwel op een zeer persoonlijke wijze interpreteerde. Nieuwe visies en cultuurvormen gingen aan hem voorbij. Later zullen juist deze grensboeren het grootste verzet tonen tegen de Britten, wanneer die met hun nieuwe denkbeelden het bestuur van de Kaap overnemen.

kaapstad en ommelanden

Trekkend naar het oosten - waar ze geen woestijn en geen vijandige San moesten overwinnen'- stootten de veehandelende boeren na een tijd op de Xhosa's. Dit was hun eerste kennismaking met een zwart volk, dat een Bantoetaal sprak. De Xhosa's waren met hun kudden naar het zuiden afgezakt. De twee partijen ruilden wel vee en verhandelden zelfs grond, maar er was ook sprake van wederzijdse oplichterij en diefstal. De grote cultuurverschillen verklaren deze schermutselingen ten dele. De zwarten kenden geen privé-eigendorn van land en begrepen de koopovereenkomsten slecht. Anderzijds deden de blanken weinig moeite om zich aan de gewoonten van de Xhosa's aan te passen. Boeren noch zwarten waren bereid een grens te erkennen. Dat zou immers betekenen dat ze hun trek moesten beëindigen. Voor de Trekboeren waren de zwarten minderwaardig; ze noemden ze 'kaffers', een Arabisch woord dat ‘ongelovigen' betekent. Deze minachting zou blijven bestaan. Zij verklaart ook waarom de boeren het vanzelfsprekend vonden dat de 'kaffers' voor hen zouden werken. Hoewel de overheid steeds weer zou proberen een oplossing voor deze grensconflicten in het oosten te vinden, bleef de onderlinge strijd tot diep in de negentiende eeuw duren. Hier werd zo ongeveer de Zuidafrikaanse 'Honderdjarige Oorlog' uitgevochten. Dat deze conflicten zo lang duurden, had te maken met de vechterskwaliteiten aan beide zijden. De boeren beschikten weliswaar over betere wapens, maar daar tegenover stond de stevige organisatie van de talrijke zwarten.

Toenemende kloof tussen blanken en niet-blanken en tussen 'Afrikaners' en VOC-bestuur

Oorspronkelijk was het rassenonderscheid in de kolonie niet groot. Huwelijken en verhoudingen tussen blanken, 'Hottentot ‘ vrouwen en zwarte slavinnen kwamen geregeld voor, want het aantal blanke mannen overtrof - zoals vermeld - het aantal blanke vrouwen.

In 1763 waren de zwarte slaven al talrijker dan de blanken. De weinige blanken hadden evenwel steeds meer behoefte aan werkkrachten om de grote boerderijen vruchtbaar te maken of om de veestapels te hoeden. Geleidelijk groeide de gewoonte dat wie voor een meester werkte, een gekleurde huid had. Een blanke daarentegen was bijna altijd een zelfstandige. Een zwarte of gekleurde huid werd gelijkgesteld met een lagere maatschappelijke rang. De blanke maakte het tot een gewoonte te coördineren en bevelen uit te delen. Huwelijken met niet-blanke vrouwen werden daarom vanaf het einde van de achttiende eeuw niet meer aanvaard.

De meesters gebruikten evenwel nog altijd slavinnen of inlandse vrouwen voor hun seksueel plezier, want tegen verhoudingen tussen blank en niet-blank rezen nog geen bezwaren. De talrijke halfbloedkinderen werden daarna meestal opgeleid voor de huisdienst. Zij zijn de voorouders van de meer dan 2,5 miljoen kleurlingen die op dit ogenblik in Zuid-Afrika leven en die voor het overgrote deel ook het Afrikaans als moedertaal gebruiken. Zwarte werkkrach- ten, ook slaven, hadden over het algemeen een draaglijk leven, maar ze stonden uiteraard volledig onderaan de maatschappelijke ladder.

Zoals in alle kolonies, vervreemdde de kolonistenbevolking stilaan van het moederland. In de zeventiende eeuw noemden de blanke bewoners aan de Kaap zich al af en toe 'Afrikaners'. Geleidelijk veranderde hun Nederlands. Het werd Afrikaans.

In 1795 verscheen de eerste gedrukte Afrikaanse tekst. De calvinistische ingesteldheid van de Afrikaners verstevigde hun onafhankelijkheid en hun zelfbewust optreden. Deze evolutie werd argwanend gevolgd door het koloniale bestuur.

Zie verder deel 3 Van Kaapkolonie tot een democratisch Zuid-Afrika Deel 3