We hebben 299 gasten online

Van Kaapkolonie tot een democratisch Zuid-Afrika Deel 3

Gepost in Azië en Afrika

schaken om afrika

2. De Kaapkolonie in Britse handen en de Boeren- republieken (1806-1902)

De Kaapkolonie in Brits bezit

In 1795 werd Ie Republiek der Verenigde Provincién een vazalstaat van Frankrijk. Ze werd voortaan Bataafse Republiek genoemd. De periode van de eeuwwisseling kende in Europa een woelig verloop. Frankrijk en Groot-Brittannië stonden herhaaldelijk tegenover elkaar. Stadhouder Willem V, prins van Oranje, zocht een verblijfoord in Groot-Brittannié. Van daaruit stuurde hij een bericht naar de Kaapkolonie: de inwoners moesten zich aan de Britten overgeven.

Wanneer Britse soldaten arriveerden, werden ze evenwel door de Kapenaars bestreden, die de Bataafse Republiek trouw bleven. Een orangistische minderheid wilde de oproep van Willem V opvolgen, maar de meesten verzetten zich tegen de overname. De Britten slaagden er zonder veel moeite in het gebied over te riemen. De zo wat 12000 Europeanen konden zeker niet op tegen de geoefende Britse legermacht.

Voor een korte periode stonden de Britten het gebied weer af aan de Bataafse Republiek. Van 1803 tot 1806 werd een vrij 'liberaal' bestuur ingericht. De Verenigde Oostindische Compagnie" was ondertussen bankroet gegaan. Tengevolge van de concurrentie en haar eigen wanbeleid had ze een hoge schuldenberg opgebouwd. Maar in 1806 nam Groot-Brittannië de Kaap voorgoed in. Enkele jaren later werd de overdracht bekrachtigd. De Bataafse Republiek was vervangen door het Franse vazalkoninkrijk Holland dat een broer van Napoleon als koning kreeg. Na de val van Napoleon werd Nederland een koninkrijk. De zoon van de vroegere stadhouder Willem V werd Nederlands eerste koning onder de naam Willem I. Koning Willem I was tevreden met de uitbreiding van zijn grondgebied naar het zuiden (het latere Belgié) en stond de Kaapkolonie af.

Voor de Britten had de Kaap in de eerste plaats een strategische betekenis. Ze was een punt op de scheepsroute naar lndié. Echte kolonisatieplannen had de Britse regering voor dit 'Gibraltar' van Afrika niet. Ook ontbrak een duidelijke visie over het beleid dat in het gebied gevoerd zou worden. Dat hing vooral samen niet de veelvuldige wisselingen op het Britse ministerie van kolonién

Hierdoor kreeg de Britse gouverneur een behoorlijke speelruimte, die trouwens nog vergroot werd door de afstand tussen Zuid-Afrika en Europa. Een goed bestuur vraagt om vlugge beslissingen, en soms kon de regering van het moederland niet veel meer doen dan de beslissingen van de plaatselijke vertegenwoordigers bekrachtigen. Als er dan al een visie of een lijn in de Britse aanpak zat, was het de pragmatische koers. Groot-Brittannië had al kosten genoeg en wilde zo weinig mogelijk last hebben met de Kaapse bevolking.

De Nederlandse Kaapbevolking was in het algemeen niet ontevreden over de nieuwe voogd: nieuwe belastingen werden niet opgelegd en de binnenlandse handel werd volledig vrij. Toch groeide het ongenoegen bij een deel van de inwoners. Vooral de bevolking in de grensstreek was erg onafhankelijkheids gezind. In 1795 hadden burgers in Graaff-Reinet en Swellendam zich zelfs al afgescheiden om te protesteren tegen de bemoeizucht van de plaatselijke autoriteiten en tegen de politieke onmondigheid van de inwoners. Na de komst van de Britten zouden de ontevredenen een veel verreikender beslissing nemen: ze wilden de Kaapkolonie verlaten en een nieuwe samenleving opbouwen voorbij de Oranje-rivier.

Dat wordt de Grote Trek, een legendarische gebeurtenis in de Zuidafrikaanse geschiedenis. De beslissing om een Grote Trek te ondernemen werd niet onvoorbereid genomen. In tegenstelling tot de Amerikanen hebben de 'Afrikaners' bij hun trektochten geen vast doel voor ogen gehad. Waar ze uiteindelijk zouden terechtkomen was minder belangrijk, als het maar ver genoeg van de betuttelende overheid was. Over de zin en de modaliteiten van de uittocht werd druk gediscussieerd en vergaderd.

Een van de grote verdedigers van het initiatief was Piet Retief. Hij schreef een manifest dat in 1837 gepubliceerd werd in de Graham's Town Journal, ondertekend door 366 Voortrekkers. Hierin verwoordde bij de grieven en wensen van de Boeren: " We verlaten deze kolonie met de zekerheid dat de Engelse Overheid niets meer van ons kan eisen, en dat ze ons de toestemming zal verlenen onszelf te besturen zonder zich voortaan nog met onze zaken te bemoeien”.

Onder die ongewenste inmenging kon men heel wat verstaan. De Afrikaners waren zo al niet gezagstrouw, en nu moesten ze zich aanpassen aan heersers die een heel ander denken hadden meegebracht uit Europa. In de achttiende eeuw was in Europa inderdaad een nieuw denkklimaat gegroeid. Hier lag de klemtoon op de waarde van het individu, op de vrijheid van de burger en de gelijkwaardigheid van alle mensen. Deze opvattingen stonden natuurlijk haaks op de calvinistische ideeën van de Afrikaners, die geloofden in de predestinatie en die in hun isolement trouw gebleven waren aan de overtuiging dat de mensen ongelijk waren.

Het Britse bestuur breidde ook de gewetens - en godsdienstvrijheid uit. Daarmee verdween de bevoorrechte positie van de Nederduits Gereformeerde Kerk. De Kaap werd opengesteld voor zendelingen. Aan het calvinistische godsdienstmonopolie kwam een einde. De Britten probeerden dan ook een einde te maken aan de totale onderwerping van de niet-blanke Kaapbewoners. De Afrikaners begrepen helemaal niet hoe 'Hottentotten' en 'Kaffers " die in hun interpretatie al in de bijbel als minderwaardig bestempeld werden, dezelfde rechten zouden krijgen als de vrome burgers van Europese oorsprong. Op verschillende vlakken beschermde de Britse overheid de niet-blanken.'Zij stond hierbij onder invloed van de filantropische beweging die, als exponent van de Verlichting, het lot van onderdrukte volkeren wilde verbeteren.

Met de komst van Dr. John Philip van de London Missionary Society (1819) kreeg de humanitaire stroming aan de Kaap een hardnekkige vertegenwoordi - ger, die zelfs de Britse overheid wel eens tot wanhoop bracht met voortdu - rende aanklachten. Al in 1809 vaardigde de overheid een proclamatie uit die de Khoi wilde beschermen. Dit charter verplichtte de blanken hun Khoikhoi een arbeidscontract te geven.

Een Afrikaner die aangeklaagd werd wegens de slechte behandeling van een knecht, weigerde gewoon voor de rechtbank te verschijnen. Hij vond het onaanvaardbaar dat zijn zelfbeschikkingsrecht werd aangetast. Tijdens zijn arrestatie werd hij wegens verzet gedood. Een aantal gelijkgezinde Afrikaners reageerde hierop met geweld. De opposanten werden evenwel opgepakt en enkelen kregen de doodstraf.

Deze rebellie van Slachtersnek kreeg weliswaar niet de steun van de meeste omwonenden, maar ze illustreert de woede van de Afrikaners: hoe kon men ervan uitgaan dat een 'Hottentot' het recht had zich te beklagen over de behandeling van de ‘meester'? Een andere verordening verbeterde de arbeids- en leefomstandigheden van de niet-blanken gevoelig: voortaan mochten ze vrij grond bezitten en zich vrij bewegen; dwangarbeid werd verboden en de blanke meester mocht geen lijfstraffen meer geven (Hottentot Charter). De Afrikaners beklaagden zich erover dat hierdoor de misdadigheid en de landlopers zouden toenemen.

Ook de positie van de slaven verbeterde voortdurend. In 1807 werd de slavenhandel afgeschaft en in 1833 werd de slavernij zelfs helemaal verboden in het Britse Imperium. De Afrikaners eigenaars werden theoretisch vergoed maar in de praktijk kregen ze geen cent want de vergoeding werd alleen in Londen uitbetaald.

cape town

Cape Town rond 1833

De grootste tegenstanders van alle emancipatie - maatregelen waren echter de grensboeren. Ze hadden weinig slaven. Zij leden dan ook minder onder het verlies van goedkope arbeidskrachten. Ook hier speelde weer hun totaal onbegrip over de toegevende houding tegenover de niet-blanken een grote rol in het verzet. Vooral de grensboeren in het oosten waren nog het minst over het Britse optreden te spreken. Zij waren voortdurend in geschillen met Xhosa's verwikkeld. De overheid probeerde een grenslijn op te leggen, maar dat zinde de op expansie gerichte Afrikaners niet. Naar hun mening deed men daarbij te veel toegevingen aan de 'kaffers'. Zij begrepen niet waarom de overheid niet gewelddadiger optrad tegen zwarten die de grens wilden oversteken.

De Britten namen ook enkele maatregelen die de culturele eenheid en de eigenheid van de Afrikaners aantastten. In 1827 werd Engels de enige officiële taal; de taal van de Afrikaners werd brutaal opzijgeschoven. De homogeniteit van de bevolking werd daarenboven doorbroken door de komst van 5000 Engelse immigranten.

ontwikkeling bevolking

Ontwikkeling van de bevolking van de agglomeratie Cape Town

bevolkingsgroepen

Bron: Myriam Houssay-Holzschuch : Mother City : une géographie historique de Cape Town (1652-1900) Universiteit van de Provincie

Zo probeerden de Britten de kolonie te verengelsen. Tenslotte werden ook nog de populaire plaatselijke bestuursorganen (Landdrost en Heemraden) vervangen. Ongunstige economische omstandigheden waren dan de druppel die de spreekwoordelijke emmer deden overlopen.

De Grote Trek en de vestiging van de Boerenrepublieken

Het manifest van Piet Retiet', de 'Thomas Jefferson' van de Grote Trek, vertolkte de mening van velen in de Kaapkolonie. Toch trok maar een minderheid echt weg. Vooral aan de oostgrens, waar de toestand gespannen bleef, was de belangstelling groot. In totaal namen ongeveer 6000 Afrikaners deel aan de trek. Ze worden voortaan 'Boeren' genoemd om hen te onderscheiden van de andere Afrikaans - sprekenden die in de Kaap achterbleven. Ze vertrokken, uitgewuifd door vrienden en buren, onzeker over hun toekomst. Zij vreesden dat de Engelsen hun initiatief zouden kelderen, maar die wisten nog niet meteen wat er gebeurde.

Eerst vertrokken enkele verkenners groepen. Onder de wegbereiders bevonden zich Louis Tregardt en Hans van Rensburg. Hoe gevaarlijk de onderneming wel was, zouden ze al vlug ondervinden. Eén groep verdween spoorloos, wellicht gedood door zwarten. Andere Voortrekkers kwamen uitgeput in Portugees gebied aan. Toch werden de Boeren, die deze gevaren zeker vermoed moeten hebben, niet afgeschrikt. Ze namen hun kudden mee en trokken met ossenwagens, bespannen met 12, 14 of 16 dieren, langzaam voort. De verkenners hadden ben meegedeeld dat in het Afrikaanse binnenland belangrijke veranderingen op til waren door de daden van een sterk herders volk, de Zoeloes.

Al een generatie lang was Zoeloeland overbevolkt. De weiden waren te klein geworden voor de talrijke Zoeloekudden. De nieuwe Zoeloekoning Shaka nam die gelegenheid te baat om een echte revolutie van bovenuit te creëren. Hij organiseerde de Zoeloes in regimenten per leeftijd en mililariseerde zijn hele rijk. De Zoeloes werden getraind om ontzagwekkende afstanden te voet te kunnen overbruggen. Zij verschenen met hun regimenten altijd veel vlugger en talrijker dan de tegenstanders verwachtten. Deze tactiek geleek perfect op Napoleons wijze van oorlogvoeren. Niet voor niets wordt Shaka de Afrikaanse Napoleon genoemd.

Shaka voerde nog een Europese gewoonte in. De traditionele manier van ritueel vechten zonder veel bloedverlies verdween. De legers van Shaka vernietigden zonder medelijden alle tegenstanders. Ze maakten slaven van de vrouwen en kinderen en namen het vee mee. Uit angst voor de Zoeloes vluchtten allerlei zwarte volkeren in diverse richtingen; ze verscholen zich in rotsvestingen of onderwierpen zich. Tientallen zwarte volkeren spraken van 'de grote vernietiging', de Mfecune. Hierdoor waren grote gebieden vruchtbare grond in het Hoogveld dunbevolkt wanneer de boerentrek begon.

boerentrek

Een klein deel van de trekkers ging dadelijk die richting uit. De meeste boeren trokken evenwel de Drakensbergen over en kozen de oostelijke richting, recht het Zoeloegebied in. De blanken noemden dit gebied Natal, omdat het op kerstdag (Natalis) ontdekt werd. Met toestemming van de Zoeloes woonden daar Engelse missionarissen en handelaars. Er lag zelfs een haventje: Port Natal, het huidige Durban. De eerste trekkers vestigden zich in Natal.

Piet Retief ging met de Zoeloekoning Dingaan, Shaka's opvolger, onderhande- len om toestemming te krijgen voor de Boerenvestigingen. Retief kon met de koning een verdrag sluiten, maar werd tesamen met 70 ongewapende boeren tijdens de afscheidsviering door Zoeloes doodgeknuppeld. Waarom had Dingaan tot deze onverwachte wending besloten? Misschien was hij vertoornd over het feit dat vele trekkers zich al in zijn gebied gevestigd hadden, vooraleer bij hiervoor zijn akkoord gegeven had?

Het lijkt waarschijnlijk dat de Zoeloevorst ook uit angst gehandeld heeft. De Boeren in het noorden hadden immers de Matabele verslagen en verjaagd. Hendrik Potgieter had de Matabele-krijgers onder leiding van Moselikatsi bij Vechtkop verslagen. Met zijn daad wilde Dingaan de blanken een lesje leren en ben afschrikken.

De positie van de Boeren in Natal was na deze gebeurtenis alles behalve veilig. De Zoeloes vielen onmiddellijk de kampeerplaatsen van de groepjes voortrekkers aan. Honderden blanken en hun zwarte dienaren stierven. De redding kwam met de aankomst van Andries Pretorius, die ondertussen ook uit de Kaap weggetrokken was. Pretorius leidde een Afrikaner - leger van 470 mannen, dat voor één keer gedisciplineerd optrad. De Afrikaners bonden hun ossenwagens aan elkaar in de vorm van een laager. Ze plaatsten hun laager tegen de Bloedrivier zodat de Zoeloes alleen frontaal konden aanvallen. I De voortrekkers beloofden dat zij in geval van overwinning deze dag altijd zouden gedenken. De Zoeloes vielen aan en werden afgeslacht. 3500 onder hen sneuvelden. 16 december is daarom nog steeds één van de belangrijkste nationale feestdagen in de Republiek van Zuid-Afrika. Eik jaar hebben grote plechtigheden plaats aan het Voortrekkers Monument dat in 1949 in de vorm van een laager werd gebouwd. De huidige Afrikaners herdenken dan het verleden en leggen tevens de plechtige belofte af hetgeen zij als hun historische erfenis zien met hand en tand te verdedigen. Na de slag bij de Bloedrivier verloren de Zoeloes hun controle op dit deel van 'hun' land. In de andere helft van Natal en rondom het Veld bleven ze evenwel nog lange tijd de baas. Na de overwinning op de Zoeloes stichtten de trekkers een eerste Boerenrepubliek. Ze noemden haar Natalia. De onafhankelijkheid van de Boeren in Natal was van korte duur. Zogezegd omdat de zwarte bevolking er slecht behandeld werd, maar in de eerste plaats uit vrees voor de invloed van de Boeren, die nu over een zeehaven zouden beschikken, maakten de Britten een einde aan deze zelfstandigheid. Natal werd eerst bij de Kaapkolonie geannexceerd en werd later een afzonderlijke Britse kolonie. Veel Boeren trokken uit Natal weg: sommigen gingen in het gebied tussen Oranje en Vaal wonen, anderen trokken over de Vaal, in een reusachtig gebied dat zij Transvaal doopten. Maar ook nu konden ze niet gerust zijn: de Britse gouverneur van de Kaap hechtte op 3 februari 1848 ook de Oranjerivier - Souvereiniteit (tussen Oranje en Vaal) aan. De Britten slaagden er gemakkelijk in een aantal opstandige Boeren te verslaan. Toch zou deze toestand vlug veranderen. De troebelen in het zuiden van Afrika verontrustten de Britse minister van kolonién: in de Kaap duurde de grensoorlog voort, terwijl het Basoeto - volk (in het huidige Lesotho) in Oranje - Vrijstaat heel wat problemen schiep voor de blanken. Daarenboven was de aanwezigheid van Boeren in Transvaal een factor die men niet uit het oog mocht verliezen.

Met hun pragmatische ingesteldheid verkozen de Britten zich met de onafhankelijkheid van de twee Boerenstaten te verzoenen. Een effectief bestuur van het geannexeerde gebied zou alleen maar veel geld en moeite kosten. De Zandrivier - Conventie (1852) en de Bloemfontein - Conventie (1854) legden de erkenning van respectievelijk Transvaal en Oranje - Vrijstaat vast. Hier werden de Boeren weer heer en meester.

ovrijstaat

Omstreeks 1850 was de structuur van het huidige Zuid-Afrika met zijn vier provincies dus al gevormd. Op economisch gebied waren er geen grote verschillen; de landbouwactiviteit overheerste. In de Britse Kaapkolonie nam wol de plaats van wijn in als voornaamste export produkt. De Britse kolonie Natal introduceerde de suikernijverheid die geleidelijk voor het grootste deel van de uitvoer zou zorgen.

Omdat de zwarten voor het werk op de rietsuikervelden minder geschikt bevonden werden, liet men Indische koelies naar Natal overkomen. Over hun werk was men zeer tevreden, maar de Indiërs werden minder geliefd toen velen zich na het aflopen van hun contract in de kolonie vestigden als handelaars of kleine ambachtslui. De beslissing van de Britten om deze Indiërs naar Natal te halen, verklaart de huidige aanwezigheid van de zowat 800.000 Zuid-Afrikanen van Indische afkomst.

Op politiek gebied waren er wel grote verschillen. In de Kaapkolonie bezaten alle inwoners, ook de niet-blanken, in principe dezelfde rechten. In 1853 kreeg de kolonie een eerste parlement. 19 jaar later mocht de Kaap een eigen regering aanstellen. Het stemrecht hing niet af van huidskleur, maar van rijkdom. In de praktijk waren parlements - en regeringsleden bijna uitsluitend rijke Britten.

De Afrikaners waren burgers van tweede rang: economisch behoorden ze tot de zwakste en hun prestige was laag. Zij hadden evenmin een vooraanstaan - de politieke plaats en lieten zich veelal door Engelstaligen vertegenwoordigen. Engels was de enige officiële taal. De elite sprak ook Engels. Kinderen die op school geen Engels praatten, werden gestraft. Geleidelijk zou bij de Afrikaners het bewustzijn van de eigen waarde groeien. Deze evolutie leidde naar het ontstaan van een taal- en cultuurbeweging..

Natal verleende zijn burgers ook stemrecht en in principe hadden ook niet - blanken medezeggenschap. De voorwaarden waren evenwel zo opgesteld dat deze gelijkheid enkel theoretisch bestond.

In Transvaal (vanaf 1853 Zuidafrikaanse Republiek genoemd) en Oranje - Vrijstaat was het Nederlands de officiële taal, al was de omgangstaal Afrikaans. De calvinistische gereformeerde kerken hadden er een bevoorrechte plaats. Enkel de blanken bezaten politieke rechten. De burgers waren vertegenwoordigd in de Volksraad. In de praktijk had de president veel macht. Oranje - Vrijstaat kon beter bestuurd worden dan Transvaal, al leefde tussen de Oranje - rivier en de Vaal een heterogene bevolking van Engelsen, Boeren, zwarten en kleurlingen.

De verstandhouding tussen Oranje - Vrijstaat en de Kaap was behoorlijk. De Volksraad had in 1858 zelfs voorgesteld een federatie met de Kaap te vormen. De Boerenrepubliek zag daar op dat ogenblik een middel in om haar interne moeilijkheden op te lossen. Maar de Britse overheid voelde hier nog niets voor.

De situatie in Transvaal was verward. Eensgezindheid en solidariteit was niet de sterkste zijde van de Boeren. Iedereen was overtuigd van zijn eigen gelijk; conflicten over gezag en leiderschap hadden ook al tijdens de Trek doorgewogen en zouden een constante worden in de Boerengeschiedenis. De Boeren hielden niet van gezag en aan belastingen betalen hadden ze een broertje dood. . Zeer vlug ontstonden er in de Boerenstaten moeilijkheden niet allerlei verspreide zwarte volkeren die na de nederlaag van de Zoeloes naar hun vroegere woonplaatsen wilden terugkeren. De blanken hadden door de verschuivingen van deze zwarte volkeren tijdens de 'Mfecane' dit gebied vrij gemakkelijk tot hun woonplaats kunnen maken. De zwarten wilden hun gebied beschermen of terugwinnen. Voor deze tegengestelde belangen zochten blanken en zwarten soms een oplossing door onderhandelingen en overeenkomsten. Blanken kochten gronden af', maar omdat ze geen antropologen waren, begrepen ze niet dat de zwarte 'verkopers' deze overeenkomsten heel anders interpreteerden. Die beschouwden zon acte vaak maar als een voorlopige toestemming om op een plaats te wonen.

Vaak liep het op geweld uit. De Boeren sloegen terug, of ze schuwden zich er niet voor verdragen met bepaalde zwarte volkeren tégen andere zwarten te sluiten, als dat in hun kraam paste. (De zwarten zouden trouwens, ook de bescherming van Boeren tegen Engelsen zoeken of 'vise versa, de relaties tussen de volkeren waren erg ingewikkeld).

Geleidelijk konden de Boeren hun suprematie vestigen. Zij gebruikten hierbij nooit de Amerikaanse weg, namelijk de ongenadige uitroeiing van de inheemse volkeren. De Boeren waren hiervoor ook te weinig talrijk (25.000 mensen in Oranje - Vrijstaat, 30.000 in Transvaal). Ze hadden daarenboven zwarten nodig als arbeidskrachten. Die zwarten waren ook taaier dan de Indianen. Tenslotte verhinderde het diepchristelijke geloof van de Boeren massale mensenslachtingen.

De Boeren hadden geschikte gronden gezocht en daarop boerderijen gevestigd, die gemiddeld ongeveer 3000 ha groot waren. De zwarte volkeren die op deze gronden woonden, mochten blijven op voorwaarde dat ze de Boeren als hun bazen erkenden. De zwarte chefs moesten mannen afstaan om de landbouwers en veetelers te helpen. Iedere boerderij voorzag in haar eigen behoeften en het verschil in leefwijze tussen blank en zwart was zeker niet groot. Maar de blanke boer was koning op zijn bedrijf, met het recht op leven en dood. Toch koesterden de Boeren een gezonde eerbied voor de nog altijd onafhankelijke zwarte volkeren als de Swazi's, de Zoetoes of de Venda's, die aan hun grenzen woonden en die ze niet konden verslaan.

Imperialisme en de kolonisatie van de Boerenrepublieken

Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw begon het tijdperk van het imperialisme. Men kent de gevolgen van deze politiek: de wereld werd opgedeeld onder een beperkt aantal landen. De kolonies werden onderworpen en gebruikt als grondstoffenreservoirs en afzetgebieden. Afrika werd volledig opgedeeld. Groot-Brittannië nam ook deel aan deze evolutie die onder andere veroorzaakt werd door de economische depressie in Europa en het daaruit voortvloeiende protectionisme. De Britten concentreerden zich op hun kolonies. De Britse handel met het Imperium nam dan ook gevoelig toe. De ontdekking van waardevolle ertsen in zuidelijk Afrika zou de machtshonger van de Britten in deze regio doen toenemen. Afrika werd nu wél interessant. Alle Europeanen , ook de Britten, vergaten gemakshalve het principe van de gelijkheid van alle Volkeren en mensen. In de eerste plaats kwam de superioriteit van het blanke ras. De blanken moesten minder ontwikkelde volkeren beschermen, ze optillen uit 'het moeras van hun onwetendheid'. Toevallig vond een Griqua-jongen in 1867 aan de Oranje-rivier een merkwaardig steentje. Een buurman die belangstelling toonde voor deze vondst, liet een expert onderzoeken of zijn vermoeden juist was. Die expert bevestigde de indruk: de knaap had een diamant gevonden. Al vlug vertrokken uit Europa duizenden Britse delvers op schattenjacht.Dit werd een nieuwe 'trek'. Die fase van individuele diamantzoekers maakte na een tijdje plaats voor meer collectief georganiseerde activiteiten. Een 30- jarige Engelsman, Cecil Rhodes, kocht geleidelijk de ene na de andere diamantmaatschappij op. Tenslotte richtte hij de 'De Beers Company' op die een quasi diamantmonopolie verwierf De betekenis van de diamantstreek was overduidelijk. Groot-Brittannië zocht dan ook een middel om deze streek in haar bezit te krijgen. Maar niet alleen de Kaap, ook de Griqua’s, Transvaal en Oranje-Vrijstaat hadden hun argumenten klaar om hun eigendomsrecht over de betwiste gebieden te rechtvaardigen. Uiteindelijk werd de 'streek van Kimberley aan de Griqua’s toegewezen, maar de Britse Kaapkolonie oefende hierover indirect invloed uit, zodat Groot-Brittannië zijn doel bereikte. In 1871 werden de diamantvelden door de Kroon geannexeerd.

De diamantproductie steeg snel. De maatschappij De Beers Company gaf de toon aan. De arbeiders kwamen uit de door de Britten veroverde zwarte gebieden, die nu zwarte reservaten en arbeidersreservoirs werden. Op allerlei wijzen werden de zwarten gedwongen om inde mijnen te gaan werken. Zolang hun contract duurde, woonden ze in een verblijfplaats van het bedrijf. Ze mochten deze tijdelijke woonplaats niet verlaten. Elke avond moesten ze zich uitkleden, opdat gecontroleerd kon worden of ze geen diamanten gesmokkeld hadden. Deze voorzorgsmaatregelen gingen erg ver: enkele dagen vóór ze hun contract beëindigden, werden maatregelen genomen om ook de diamanten op te sporen die de arbeiders ingeslikt hadden...

In de Zuidafrikaanse Republiek (Transvaal) was de politieke en economische situatie uitzichtloos. De politieke leiders waren concurrenten van elkaar, terwijl de Boeren niet de burgerzin opbrachten om hun belastingen te betalen. Ook de keuze van de president was niet steeds gelukkig geweest. Zo kregen de Britten het gebied bijna als een rijpe appel in de schoot geworpen, toen ze Transvaal in 1868 annexeerden.

Ze legden hier en daar enkele kleine garnizoenen en hezen de Britse vlag in Pretoria, de hoofdstad van Transvaal. Zij verscholen zich achter argumenten als 'de verdediging van de zwarten' en 'het gevaar voor de Britten dat door de onzekere toestand van de buurstaat veroorzaakt werd'. In werkelijkheid was het machtsstreven de drijvende kracht. Oranje - Vrijstaat was nu ook volledig geïsoleerd. De Transvaalse overheid zocht steun in het buitenland om de annexatie ongedaan te maken, maar tevergeefs. Tenslotte verklaarde ze de oorlog. Een paar duizend boeren vormden een leger en zetten de Britten aan de deur. Een Brits legertje dat Transvaal binnentrok, werd op de Amajuba - berg over de kling gejaagd. De Boeren hadden geluk dat in die tijd Gladstone eerste minister was in Groot - Brittannië. Deze liberale premier was geen groot voorstander van de aanhechting en hij voelde er niets voor meer soldaten in te zetten. Een compromis werd bereikt met de Conventie van Pretoria (1881). Transvaal kreeg zijn onafhankelijkheid terug, maar moest beperkingen op het gebied van de buitenlandse politiek aanvaarden. De Conventie van Londen (1884) hief deze beperkingen op. De Boerenstaten bleven dus onafhankelijk. Maar via een andere weg kregen de imperialistische Britten toch succes. Ze probeerden de twee Boeren republieken in te sluiten. Groot-Brittannië vreesde vooral dat de Boeren een uitweg naar zee zouden vinden. Hierdoor waren ze dan niet meer op de Britse havens aangewezen en verloren de Britse regering en het Kaapbestuur hun indirecte controle. Hoewel heel wat pogingen ondernomen werden om de doorgang naar de kust uit te bouwen, zouden de Boeren hierin nooit slagen.

Ook het Duitse imperialisme vormde een gevaar. De Britten hadden in het Zuidwesten van Afrika enkel de omgeving van Walvisbaai ingepalmd. In 1884 bouwden de Duitsers hier echter hun kolonie Zuidwest - Afrika uit. De Boeren konden in het Duitse rijk op behoorlijk wat sympathie rekenen. Een eventuele samenwerking kon niet uitgesloten worden en zou de Britten zeer ongelegen komen. De Engelse regering vreesde ook een uitbreiding van de Duitse kolonie of van de Boerenrepublieken die de doortocht van Groot-Brittannië naar het noorden onmogelijk zou maken. In Londen droomde men van een Afrikaanse noord - zuid-verbinding onder Britse controle.

De Engelsen maakten zwarte gebieden, met wie ze vroeger een verdrag gesloten hadden, tot Britse protectoraten: Basoetoland of het latere Lesotho in 1868, Beetsjoeanaland - nu Botswana - in 1885 en Swaziland in 1884. De Kaap werd uitgebreid met Brits Kafferland, Transkei, Oost-Griqualand, Tongo-, Zoeloe- en Pondoland. ln het noorden had diamantbaas Cecil Rhodes een koloniale maatschappij gesticht, die een enorm gebied veroverde dat naar hem genoemd werd: Rhodesië (het omvatte het huidige Zambia en Zimbabwe). In 1886 werden in Transvaal voor het eerst goudvelden geëxploiteerd. De Traasvaalse regering had de ontdekking van de goudlagen geheim willen houden om de komst van vreemdelingen te verhinderen. Dat lukte natuurlijk niet lang. Voor de ontginning van de mijnen was veel geld nodig, zodat individuele delvers hier minder aan bod kwaaien. lndustriëlen met voldoende kapitaal om de dure machines te kunnen aanschaffen hadden betere kansen. Industriëlen uit de diamantstreek werden al vlug aangetrokken.

De bedrijvigheid was vooral het initiatief van buitenlanders, in de eerste plaats van Britten. Uiteraard stroomden ook tienduizenden vooral Britse gelukzoekers naar Transvaal. Geleidelijk kwam er orde in de chaos. Zwarte arbeiders werden massaal aangeworven of uit hun dorpen gejaagd om het harde en ongeschoolde werk te doen. Op 20 jaar tijd steeg het aantal blanke werknemers tot 23.000, het aantal zwarte arbeider.steeg tot 200.000. Hier ontwikkelden Britse mijneigenaars, en niet de Transvaalse Boeren, de verschillende aspecten van de latere apartheid. Om de zwarten te kunnen controleren, werd hen een verplichte verblijfplaats opgelegd en moesten ze een pasje bij zich dragen. Voor de blanken werden bepaalde jobs gereserveerd.

De ontdekking van dit erts was ook figuurlijk een goudmijn. De financiële mogelijkheden van Transvaal werden daardoor beduidend verbeterd. Maar de president van de Republiek bekeek de ontwikkeling met argwaan. Paul Kruger en zijn volk waren meer vertrouwd met hun geloof, de stille ruimtes en de eenzaamheid. Hun ideologie was gevormd door het landbouwbestaan en hun geïsoleerde positie.

Paul Kruger probeerde wel vat te krijgen op de buitenlandse industriëlen, onder andere door monopolies toe te kennen. Vertrouwen in de buitenlanders of 'Uitlanders' had de president evenwel nooit. Het was onvermijdelijk dat ook avonturiers, gelukzoekers en dieven of bedriegers hun kans in de Rand - het goudveld - kwamen wagen. Maar dat betekende niet dat men alle buitenlanders over dezelfde kam mocht scheren. Dat deed Kruger nochtans, toen bij de Uitlanders in een toespraak als "dieven, moordenaars, ... " verwelkomde.

De Transvalers vreesden dat ze in hun staat een minderheid zouden gaan vormen. Deze angst leidde tot vreemdelingenhaat. Het dient gezecht dat de buitenlanders ook weinig sympathie voor de Transvalers hadden. Ze vonden de Boeren ongecultiveerd.

De Uitlanders hadden grote economische belangen in Transvaal en droegen bij tot de welvaart. Ze eisten politieke inspraak en de erkenning van het Engels. Ze vroegen voorts economische tegemoetkomingen voor het bedrijfsleven. Deze ontevredenheid van de Uitlanders zou Cecil Rhodes uitbuiten. Rhodes, diamantbaas en veroveraar van Rhodesië, verwierf ook rijkdom in de goudmijnen. Hij zou in zuidelijk Afrika het imperialistisch streven vertegenwoordigen. Cecil Rhodes stond de totale hegemonie van Groot-Britlannië voor in heel zuidelijk Afrika. In 1890 werd Cecil Rhodes premier in de Kaapkolonie. Deze positie zou bij uit - buiten om zijn invloed in Transvaal te vestigen. Met zijn medewerker Jameson bedacht hij een ingenieus plan. Jameson zou zich klaarmaken om met een troepenmacht Transvaal binnen te vallen om de Uitlanders te helpen bij een 'opstand'. Deze ambitieuze onderneming was evenwel gegrondvest op de idee dat de Uitlanders de Boeren in aantal overtroffen. De realliteit was anders. De Britse minister van koloniën, Joseph Chamberlain, was van het opzet op de hoogte. Toen het zover was, stelden de Uitlanders hun actie evenwel uit. Jameson trok toch op en moest zich al vlug overgeven aan de Boeren. Groot-Brittannië had geen andere keuze dan de inval af te keuren, maar leed gezichtsverlies. Cecil Rhodes werd tot ontslag gedwongen. De morele Britse nederlaag zou de verhouding tot Transvaal niet verbeteren, terwijl de Transvalers zelf nog meer op hun hoede waren voor de Britten. Hier was een tweede Anglo - Boerenoorlog in aanleg. De gebeurtenis schrikte ook de gematigde Afrikaners buiten Transvaalop. Het eenheidsgevoelen tussen de Boeren werd erdoor versterkt. Transvaal en Oranje - Vrijstaat kwamen overeen elkaar in een eventuele oorlog te steunen.

Over de positie van de Uitlanders werd tussen Transvaal en de Britse Hoge Commissaris onderhandeld, maar zonder veel resultaat. President Kruger was slechts tot beperkte toegevingen bereid. De Britten bleken trouwens maar een voorwendsel te zoeken om de Boerenrepublieken te kunnen aanvallen. In oktober 1899 verklaarde Chamberlain dat zijn regering niet enkel de eigen landgenoten in de streek van Johannesburg wilde beschermen, maar:

" Het tweede principe is dat, in het Wang van Zuid-Afrika en van het Britse Rijk, Groot-Brittannié de opperste macht moet blijven in zuidelijk Afrika."

De tweede oorlog tussen Britten en Boeren begon op 11 oktober 1899. De winstkansen van de Boeren waren gering. David vocht tegen Goliath. In het buitenland konden de Boeren wel op veel sympathie rekenen, maar geen enkele staat was bereid openlijk hun zijde te kiezen. De Boeren waren schitterende individuele soldaten, maar ze kenden geen discipline. Ze vochten dikwijls wanneer en hoe het hen paste. In de eerste maanden van de oorlog verloren ze kostbare tijd omdat ze de zwakke Britse garnizoenen in Natal en de Kaapkolonie omsingelden en belegerden in plaats van de Britse aanvoerhavens te bezetten. Ze maakten geen gebruik van de gelegenheid om de talrijke sympathiserende Afrikaners in de Kaapkolonie in opstand te brengen. De eerste Britse legers die tegen hen in het veld traden, leden de ene nederlaag na de andere zoals in de veldslag bij de Spionkop, een naam die sindsdien gemeengoed werd. Dan kwam de reusachtige Britse oorlogsmachine op gang. Ontzaglijke hoeveelheden soldaten en oorlogsmateriaal werden naar Zuid-Afrika verscheept en geleidelijk veroverden de Britten grote delen van de Boerenrepublieken. Kruger reisde naar Europa om er voor de Boeren, die aan de verliezende hand waren, hulp te zoeken. Dat leverde niet veel op. Zelfs toen de zaak uitzichtloos werd, wilden ze niet opgeven. 'Bittereinders' voerden een guerillastrijd, toen de Britten het gebied van de Boeren al controleerden. In kleine commando's traden de Boeren op, tot wanhoop van de vijand, die een gewonnen oorlog niet kon afronden. De Britten reageerden met grove middelen: de hoeven van de Boeren werden verbrand, de oogsten vernield en het vee weggehaald. Overal richtten de Britten concentratiekampen op voor de Boeren en hun families. Voor vrouwen en kinderen waren de levensomstandigheden vaak onmenselijk. 20.000 onder hen stierven er. Sommige Afrikaners waren zo onder de indruk van het Britse optreden dat ze met de vijand collaboreerden om aan deze nachtmerrie vlug een einde te maken. Ook in Groot - Brittannié werd het optreden van het eigen leger bekritiseerd.

In 1902 werd dan uiteindelijk het vredesverdrag getekend. De Boerenstaten kregen de status van kolonie. Meer dan 440.000 soldaten hadden aan de zijde van Groot Brittannié gevochten, 22.000 Britten verloren hun leven. Aan de zijde van de Boeren sneuvelden zowat 7000 van de ongeveer 87.000 soldaten. Bijna drie vierde van de Boeren werd krijgsgevangen gemaakt of in kampen opgesloten.

De oorlog heeft alleszins gevolgen gehad tot op de dag vandaag. De Boeren die onverzettelijk in hun uitverkiezing en eigen gelijk geloofden, voelden zich nog meer versterkt in hun overtuiging. Ze hadden tegen de halve toenmalige wereld gevochten en verloren, maar velen gingen liever volledig ten onder dan hun levenswijze, gedachtengoed en taal te laten aantasten, laat staan op te geven. Die ervaring heeft hen getekend en die mentaliteit hebben zij aan de meeste van hun nazaten meegegeven.

De Boerenoorlog heeft ook lang zijn stempel gezet op het imago van Zuid-Afrika. Vooral in Vlaanderen en Nederland was de sympathie voor de miserie van het 'broedervolk' zeer groot. Elke grote stad of gemeente gaf de namen van enkele populaire Boerengeneraals of van Paul Kruger aan straten en pleinen. Tientallen jaren lang waren schijnbaar authentiek Zuidafrikaanse liedjes zoals'Sarie Marijs', 'Rij maar an, ossewa', 'Bobbejaan beklom die berg' de echte tophits tijdens de zanguurtjes in de scholen en de jeugdbewegingen.

Zelfs nu is een deel van het begrip voor de situatie van de Afrikaners nog te verklaren door dat jeugdsentiment.