We hebben 218 gasten online

Van Kaapkolonie tot een democratisch Zuid-Afrika Deel 4

Gepost in Azië en Afrika

schaken om afrika

Deel 2 Een ‘aparte’ staat 1902-1986

1) De Unie van Zuid-Afrika

De oprichting van de Unie

De Britten pompten geld in het herstel van de nieuwe kolonies: ze breidden de mijnindustrie uit en lokten Britse emigranten naar Zuid-Afrika in een poging het land te verengelsen. Die hele situatie veranderde op nauwelijks een paar maanden. Een nieuwe liberale regering probeerde zich met alle Afrikaners te verzoenen en gaf hun dadelijk het recht om politieke partijen te vormen. In Transvaal, Oranje - Vrijstaat, maar ook in de Kaapkolonie haalden door Afrikaners opgerichte of gesteunde partijen de meerderheid. Alleen in Natal was dat niet het geval.

De twee vroegere Boerenstaten kregen al vlug zelfbestuur. De vertegenwoordigers van de vier kolonies kwamen in 1908 bijeen in een Nationale Conventie. Na besprekingen werd eengrondwet opgesteld, die door het Britse parlement goedgekeurd werd.

De vier kolonies smolten samen tot de Unie van Zuid-Afrika, een eenheidsstaat en een zelfbesturend dominion in het Britse Rijk. De Unie was samengesteld uit vier provincies, de vroegere kolonies. Een gouverneur-generaal vertegenwoordigde de Engelse vorst en was het hoofd van de uitvoerende macht. Hij benoemde de leden van de regering.

De wetgevende macht was samengesteld uit een Kamer van Volksvertegenwoordigers en een Senaat. Pretoria werd de hoofdstad, maar het Parlement zetelde in Kaapstad en het Hooggerechtshof kwam samen in Bloemfontein.

De drie protectoraten van Groot-Brittannië bleven buiten de Unie en werden later onafhankelijk: Swaziland, Basoetoland (Lesotho) en Beetsjoeanaland (Botswana) werden ondanks hun economische onderontwikkeling door Groot-Brittannië bij de onafhankelijkheid aan hun lot overgelaten.

In Zuid-Afrika verliep het politieke en maatschappelijke leven langs twee conflictlijnen: de verhouding tussen Groot-Brittannië en Engels gezinden aan de ene kant en de Afrikaners aan de andere kant; en de relatie tussen de blanke bevolking en de niet-blanken. Bij de vorming van de Unie werd bepaald dat Nederlands en Engels de officiële talen werden. De politieke situatie van de kleurlingen en de zwarten bleef ongewijzigd: enkel in de Kaap kregen ze actief (geen passief) stemrecht. Blanken zouden deze bevolkingsgroepen in het parlement vertegenwoordigen. De regeling kon slechts gewijzigd worden door een tweederde meerderheid in Kanier en Senaat.

De Unie tot 1948

Hoewel de haat tegen de Engelssprekenden tijdens de Boerenoorlog opge- laaid was en de Boeren een verbeten strijd gevoerd hadden, bleken de Afrikaners zich in de nieuwe Unie snel te integreren.

In de eerste verkiezingen voor het nationale parlement haalde de South African Party een overwinning. In deze partij waren Engelstaligen en gematigde Afrikaners vertegenwoordigd. De SAP had een absolute meerderheid behaald en vormde de eerste regering. Twee vroegere Boerengeneraals namen de leiding: Louis Botha werd de eerste premier. De tweede belangrijke man was Jan Smuts. In die eerste regering zat evenwel ook James Hertzog. Hij was de leider van die Afrikaners die van geen verzoening wilden weten en die met heimwee aan de verdwenen Boerenrepublieken bleven denken.

Verzoening was nu net het hoofddoel van de regering Botha. Zij liet de vijf miljoen niet-blanken wel de prijs betalen voor de eendracht onder het miljoen blanken. Deze regering nam een aantal beslissingen die lang gevolgen zou hebben. De onderwerping van de niet-blanken en de vorming van lokaties en reservaten waren de eerste vormen van apartheid in Afrika. De zwarten mochten zich al lang niet meer vrij in het land bewegen; zij moesten een 'pas' bij zich dragen. Daarnaast werden zij met verschillende middelen verplicht voor de blanken te werken.

Zo maakten de blanken zich evenwel afhankelijk van de zwarte arbeid. Daarom kon de segregatie ook nooit totaal zijn: men moest de zwarten immers voortdurend bij de hand hebben. De Britten hebben dit systeem van dwang arbeid net zo goed toegepast als de Boeren. Zo werden de reservaten in de buurt van de mijnstreken echte reservoirs van arbeidskrachten. Hier werd het stelsel van verplichte werkgelegenheid op grote schaal toegepast. Geleidelijk werd nu de bestaande segregatie en de aparte behandeling van de niet-blanken in de wetgeving verankerd. Botha's ministerie verdeelde het grondgebied van de Unie tussen blanken en zwarten; de diverse rassen mochten voortaan elkanders grond niet meer kopen of verkopen. Het gebied van de zwarten werd min of meer 'bevroren' tot de bestaande reservaten.

De zwarten kregen aanvankelijk nauwelijks 8 % van de grond, terwijl 92 % van de bodem voor de blanken gereserveerd bleef. Deze maatregelen beperkten wel de verdere afbrokkeling van zwarte woongebieden door blanke indringing, maar bestendigden ook de toestand, dat de meerderheid van de bevolking met een klein deel van de grond genoegen moest nemen. De economische toestand van Zuid-Afrika evolueerde gunstig. De goud - en diamantindustrie had het karakter van Zuid-Afrika fundamenteel gewijzigd: de inbreng van kapitaal en de toenemende transportbehoeften leidden tot de ontwikkeling van een verkeersnet waardoor het hele binnenland opengebroken werd. De kapitaalvorming ten gevolge van de bloeiende mijnnijverheid lag aan de oorsprong van investeringen in andere sectoren. Ook de landbouwstructuur wijzigde zich. De goud - en diamantveldén trokken massaal arbeiders aan, zodat de agrarische productie marktgeoriënteerd werd. De Act of Union (1910) stimuleerde de handel doordat er nu een gemeenschappelijke markt gevormd werd, waarin in - en uitvoerrechten en andere belemmeringen wegvielen.

De zwarten droegen wezenlijk bij tot dit succes. In Transvaal en Oranje -Vrijstaat woonden nog honderdduizenden zwarten op blanke boerderijen. Ze pachtten een stuk grond en concurreerden vaak met de boeren om de mijnen te bevoorraden. De nieuwe wetgeving bepaalde dat maar een beperkt aantal zwarte families op elke boerderij mocht wonen. Ze moesten daarenboven in dienst van de blanke boeren treden. De Afrikanerboeren konden op die manier moderne arbeidsintensieve boerderijen oprichten.Tienduizenden zwarte pachterfamilies werden van de blanke grond verdreven. Voor ben bleef geen andere weg over dan de mijnbouw, die een schrijnend tekort aan ongeschoolde arbeidskrachten had. Vooral de Engelstalige mijnbazen hadden daar belang bij. Tegen die wetgeving werd verwoed geprotesteerd door een nieuwe organisatie: het African National Congress (ANC). In het ANC zetelden geschoolde zwarten uit de Kaapprovincie en enkele traditionele chefs. Ze eisten gelijke rechten met de blanken voor zichzelf, niet voor de andere zwarten die op traditionele manier leefden. Ze zonden zelfs een delegatie naar de Britse koning, maar zonder resultaat.

De vijandigheid tussen Afrikaners en Engelssprekenden verdween niet op enkele jaren. Generaal Hertzog verliet de regering in 1913 en stichtte de Nationale Partij. Deze partij verzamelde de Afrikaners die niet met de Britten wilden samenwerken. Een jaar later verklaarde Groot-Brittannië de oorlog aan Duitsland. De Britten verwachtten dat de dominions hetzelfde deden. Eerste minister Botha en Jan Srnuts gedroegen zich loyaal tegenover de Britten. Ze gingen in op de Britse uitnodiging om de Duitse kolonie Zuidwest - Afrika te veroveren, een enorm woestijnachtig gebied dat nu beter bekend is als Namibië.

Een deel van het Zuidafrikaanse leger rebelleerde evenwel en wilde niet tegen de bevriende Duitsers vechten. Ex-Boerengeneraals als Christiaan de Wet en Koos de la Rey leidden een rebellie tegen de oorlogsinspanningen. Botha onderdrukte deze rebellie en veroverde aan het hoofd van een Zuidafrikaans leger de Duitse kolonie.

Na de oorlog kreeg Zuid-Afrika een mandaat van de pas gestichte Volkenbond om Zuidwest-Afrika te besturen.

De Unie tot 1948

De economische gevolgen van de Eerste Wereldoorlog waren belangrijk voor de Unie. Na de 'boom' tijdens de oorlog kwam de landbouw door het teruglopen van de vraag in een crisis terecht. Duizenden Afrikanerboeren gingen failliet en moesten met hun familie naar de industriesteden verhuizen waar evenwel ook steeds minder jobs waren. Deze 'poor whites' voelden zich vervreemd in hun nieuwe omgeving. De stad dacht en voelde anders dan het platteland: in de steden was het Engels de voertaal; de waarden van de landbouwers verschilden ook fundamenteel van die der stedelingen.

In de steden botsten deze Afrikaners op tienduizenden ongeschoolde zwarten, die tijdens de oorlog naar de mijnen gelokt waren om er het zware en gevaarlijke werk te doen. De slechte en armzalige hygiënische toestanden in de steden veroorzaakten in 1918 een dodelijke griepepidemie. Om hun lot te verbeteren, eisten de arme blanken dat de overheid hen in bescherming zou nemen tegen de zwarten, die hun werk inpikten en die in hun buurt woonden. Daarom nam het parlement een wet aan, die bepaalde dat de zwarten alleen in eigen wijken mochten wonen. Ze mochten maar zolang in de blanke steden verblijven, als hun arbeid gewenst was.

In het begin van de jaren twintig werden de scheidingslijnen tussen blanken en zwarten nog hoger. De mijnmaatschappijen hadden de geschoolde jobs steeds voor de blanken gereserveerd, maar nu begonnen ze de veel goed -kopere zwarte arbeiders op te leiden. De blanke arbeiders gingen in 1922 in staking om dat te verhinderen. Het verzet liep uit op een openlijke opstand. De blanke arbeiders gingen zelfs de Zuidafrikaanse industrie - en mijn - gebieden, de Rand, bezetten. In deze opstand speelde de communistische partij - die toen nog enkel de belangen van de blanken verdedigde - een belangrijke rol. De toenmalige premier Smuts zette het leger in en 150 mensen stierven gedurende de acties. Deze repressieve maatregel maakte de eerste minister niet populairder.

De regering probeerde haar blazoen nog op te poetsen met een 'buitenlands' succes, namelijk de toetreding van Zuid - Rhodesië tot de Unie, maar deze federatie werd door de blanke Rhodesiérs afgewezen. De sociaal-economische problemen van de Afrikaners - samen met het ongenoegen van sommigen over de deelname van de Unie aan de oorlog - deden de aanhang van de Nationale Partij groeien.

Smuts verloor in 1924 de verkiezingen. Hij werd opgevolgd door wat bij de 'onzalige alliantie' noemde. Die bestond uit de Nationale Partij van James Hertzog, die de belangen van de harde Afrikaners verdedigde, en uit de Labour Party die op de Engelstalige arbeiders steunde. Deze regering nam belangrijke maatregelen, die het latere gezicht van Zuid-Afrika mee zouden bepalen. De beslissingen waren bedoeld om tegemoet te komen aan de kiesbasis van de regerende partijen, niet name van de lagere klassen.

Zuid-Afrika moest haar economische activiteit divercifiseren. De staat schoot kapitaal voor, waarmee nieuwe nijverheden gevormd konden worden. De staatsbetrekkingen namen in aantal toe. Geschoolde jobs gingen steeds naar blanken (job reservation). In sommige bedrijven, zoals de staatsspoorwegen, werden de zwarten aan de deur gezet. De positieve discriminatie - maatregelen kwamen niet alleen goed uit voor de blanke werknemers, maar ook voor de industriëlen. De werkgevers kregen of behielden zo goedkope en gehoorzame zwarte of gekleurde arbeidskrachten.

Hertzog speelde ook in op het Afrikaner nationalisme en de afkeer voor Groot-Brittannië. Voor Hertzog gold de stelregel 'Zuid-Afrika eerst'. Nu was de status van het dominion Zuid-Afrika niet erg duidelijk vastgelegd. Terwijl Groot-Brittannië haar verhouding tot de vroegere kolonies liever pragmatisch bepaalde, wilde Hertzog de onafhankelijkheid van de Unie expliciet bevestigd zien.

Anderzijds was bij ook voorstander van een 'twee stromen'-beleid. Hoewel Afrikaners en Engelstaligen in één nationale eenheid opgenomen waren, mochten zij hun eigen identiteit niet laten verloren gaan. Deze standpunten werden weerspiegeld in enkele overheidsbeslissingen. In 1925 werd het Nederlands als officiéle taal vervangen door het Afrikaans. Iets later liet Hertzog voor de eerste keer een eigen Zuidafrikaanse vlag naast de Union Jack hijsen. 'Die Stem van Suid-Afrika' werd het nationale volkslied in plaats van 'God save the King'.

Op een Imperial Conference in Londen (1926) kreeg Hertzog ook voldoening op een ander vlak: in de Balfourverklaring werd vastgelegd dat Groot-Brittannië en zijn dominions dezelfde status hadden en op geen enkel vlak ondergeschikt waren aan elkaar. Hun lidmaatschap van de Commonwealth was vrijwillig, en de deelnemers waren enkel verbonden door hun trouw aan de Kroon.

De crisis van de jaren dertig trof Zuid-Afrika zwaar. Weer gingen vele kleine boerderijen over de kop en de bewoners trokken naar de steden. Zoals elders in crisistijden ook gebeurde, werd een regering van nationale eenheid gevormd. Dit ministerie werd geleid door Hertzog en Smuts. Hun partijen fusioneerden zelfs tot de Verenigde Partij. Maar ook nu weer scheurden een aantal onverzettelijke Afrikaners zich af en vormden een nieuwe Nationale Partij die vanaf 1948 het politieke leven in Zuid-Afrika zou gaan beheersen.

Hertzog en Smuts probeerden nochtans ook deze Afrikaners tevreden te stellen. Ze ontnamen bijvoorbeeld het stemrecht aan de zwarten in de Kaapprovincie. Voortaan werden alle stemgerechtigde zwarten op een aparte lijst geplaatst. Ze mochten drie blanke vertegenwoor - digers in het parlement kiezen. Ook de bepalingen voor landaankoop werden nog eens strenger gemaakt, al breidde de regering het voor de zwarten gereserveerde land uit tot 14 % van het grondgebied.

In die zwarte reservaten was het leven erg armzalig voor de vijf miljoen zwarten. Een regeringscommissie stelde vast dat er onvoldoende land was voor de stijgende bevolking. De erosie veranderde grote oppervlakten in woestijnachtige gebieden. De hygiëne en de geneeskundige zorgen stonden op een veel lager peil dan in blank gebied. Het onderwijs bleef beperkt tot een aantal initiatieven van de missies.

Steeds meer zwarten trokken naar de steden om er werk te zoeken. In 1939 werkten al 900.000 zwarten in de mijnen en de industrie tegen lonen die veel lager waren dan de blanke arbeidsvergoedingen. De zwarten woonden in vreselijke sloppenwijken rond de blanke steden. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog behoorden maar 60.000 van de 8 miljoen zwarten tot de kleine burgerij. Ze woonden bijna allemaal in de Kaapprovincie en waren bedrijvig als handelaars of ambachtslui.

Vele zwarten zochten troost in het christelijk- geloof'. Honderden zwarte kerken en kerkgenootschappen scheurden zich al van de blanke moederkerken. Deze onafhankelijke zwarte kerken waren de etage niet-traditionele verenigingen met uitsluitend zwarte leden en leiders. Ze zijn vandaag uitgegroeid tot 3000 genootschappen met meer dan 5 miljoen leden. Net vóór de Tweede Wereldoorlog doken de problemen uit de Eerste Wereldoorlog weer op. De Engelstaligen stonden achter Groot-Brittannië en wilden tegen het Hitler-regime vechten. De Afrikaners waren verdeeld-, velen wensten dat Zuid-Afrika zich neutraal opstelde. Eerste minister Hertzog was een voorstander van een neutrale houding, maar het parlement steunde Groot-Brittannië. Hertzog nam dan ontslag en ruimde plaats voor Jan Smuts. Hertzog keerde terug naar de Nationale Partij, maar niet voor lang. De nieuwe NP koesterde immers zeer radicale plannen. Zij wilde Zuid-Afrika tot een Republiek omvormen en zich volledig losmaken van Groot-Brittannië. Een Afrikanerorganisatie, de Stormjagers, pleegde sabotagedaden om de oorlogsdeelnarne te verhinderen. Leden die opgepakt werden, gingen de gevangenis in.

Zuid-Afrika werd een trouwe bondgenoot van de geallieerden. Het land nam ook 120.000 niet-blanken in dienst, die evenwel geen wapens mochten dragen. De oorlog had belangrijke gevolgen voor de eigen economie. De Zuidafrikaanse industrie breidde zich uit: scheikundige bedrijven" autofabrieken, produceerden voor de wereldmarkt. De industrie betaalde vrij hoge salarissen. Daarvan profiteerden ook de kleurlingen en de zwarten. Voor het eerst verenigden deze zwarten zich in militante zwarte vakbonden. Voor het eerst sedert tientallen jaren stegen hun lonen.

Tegen die achtergrond gingen de blanken in 1948 naar de stembus. De Verenigde Partij van Jan Smuts verloor de verkiezingen. Smuts - premier van 1939 tot 1948 - had een lange politieke carrière achter de rug. In het buitenland had bij veel aanzien verworven door zijn inspanningen aan de zijde van de geallieerden. Hij zette zich in voor de vorming van wat de UNO zou worden. Deze belangrijke bijdrage tot de internationale politiek kon hem bij de verkiezingen niet redden.

De Nationale Partij van Daniel Malan nam de macht over. Zij had daarbij geprofiteerd van het verkiezingssysteem waarin de landelijke kiesomschrijvingen/zwaar doorwogen. Voor het eerst zou een radicale Afrikanerpartij het land besturen.

2. Zuid-Afrika onder de hoede van de Nationale Partij (1948-1986)

In 1948 kwam de Nationale Partij aan de macht. Zij zal de geschiedenis ingaan als de stichter van de 'apartheidsstaat', al heeft zij in de eerste plaats slechts de vele bestaande voorschriften, wetten en gebruiken tot één samenhangend stelsel omgevormd: de apartheid werd nu in de hele Unie systematisch doorgevoerd.

Apartheid: ontstaan en begripsafbakening

Hoewel de term apartheid ingeburgerd is en overal ter wereld gebruikt wordt om het bevolkingsbeleid en het staatsstelsel van Zuid-Afrika aan te duiden, zijn vele synoniemen beschikbaar. De Zuidafrikaanse overheid heeft andere begrippen geïntroduceerd die een positiever beeld moeten geven; aanduidingen als gescheiden ontwikkeling of (later) multinationale ontwikkeling moeten de indruk wegwerken dat 'apartheid' discrimineert. Daarnaast hoort men spreken over baasskap, cooperatieve coëxistentie, geïnstitutionaliseerd racisme ... Deze begrippen verraden onmiddellijk het standpunt van de gebruiker. De ideologie van de apartheid is het product van de Nationale Partij die sedert 1948 het land had bestuurd. Deze doctrine was evenwel niet in het luchtledige ontstaan. Zij was de resultante van verschillende maatschappelijke ontwikkelingen en van langzaam gegroeide opvattingen binnen de Afrikanergemeenschap. Apartheid was de opvolger van segregatie, een term die vooral op de territoriale scheiding slaat. De Nationale Partij wilde deze scheiding evenwel op vele andere vlakken doorvoeren. De praktijk van de apartheid heeft altijd bestaan in Zuid-Afrika. Zij vond haar oorsprong in het 'natuurlijk meerderwaardigheids gevoelen' en het fysiek materiële overwicht van de blanken enerzijds en de economische noodwendigheden anderzijds. De blanken bekleedden een machtspositie en van daaruit dwongen zij de zwarten, de kleurlingen en de Aziaten in een ondergeschikte positie.

De Afrikaners gaven onomwonden toe dat zij dit 'baasskap' als vanzelfsprekend beschouwden. Gesteund door hun geloof, zagen zij de niet-blanken als minderwaardigen die de leiding van de christenen moeten aanvaarden. Maar ook de Engelssprekende Afrikanen hadden de zwarte bevolking al aan hun eigen doeleinden ondergeschikt gemaakt.

De Nationale Partij, die in 1948 de verkiezingen won, werd geleid door leden van de Afrikaner kleine burgerij die hun aanhang verwierven onder de arme blanken in de steden en de boerenbevolking. De verarmde blanken voelden zich ontworteld en waren niet alleen op zoek naar werk in de geürbaniseerde streken, maar ook naar een houvast in het leven. Zoals de plattelanders hadden zij weinig intellectuele vorming genoten.

In de jaren veertig was er inderdaad niet alleen een taal - en cultuur onderscheid tussen Afrikaners en Engelstaligen. Ook de sociaal-economische kloof was erg groot. 40 % van alle Afrikaners waren arbeiders tegenover maar 10 % Engelstaligen. 40 % van de Afrikaner kinderen was min of meer ondervoed. De Afrikaners bezaten nauwelijks 1 % van de mijnen, 3 % van de fabrieken en 5 % van de financiële middelen. De Nationale Partij slaagde erin deze lagere klassen te mobiliseren op basis van een eenvoudig ideeëngoed waarin de waarde van het Afrikanervolk beklemtoond werd. Het Volk was door God uitverkoren en moest zijn zending door de staat vervullen. (De Civil Religion of burgerlijke godsdienst kon de handelingen van de staat verrechtvaardigen vanuit een 'hoger' doel en moest de bevolking rond één ideaal verenigen.) De discriminerende behandeling van de niet-blanken werd uitgelegd met de oud - testamentische uitspraak over de vervloeking van de zonen van 'Cham'. De ongelijkheid van de volkeren werd uit de bijbelse Babelhistorie afgeleid.

De klemtoon kwam ook te liggen op het roemrijke verleden van de Boeren die hun Uittocht gekend hadden (de grote Trek) en tegen zwarten en Britten een heldhaftige strijd gevoerd hadden. De officiële geschiedschrijving zou het eigen verleden in deze zin beschrijven, al had de werkelijkheid er minder ideaal uitgezien. De Afrikaner moest zich bewust zijn van zijn unieke plaats op het Afrikaanse continent.

In het spoor van de Nationale Partij bevonden zich een aantal groeperingen die het succes van de partij meebewerkten en waaruit leden voor de Nationalistische Partij gerekruteerd werden. De Nederduits Gereformeerde Kerk, de grootste kerk met calvinistische inslag was voorstander van de uitbouw van een christelijke staat onder leiding van de blanken.

Daarnaast waren geheime genootschappen actief, zoals de Broederbond (1918). Dit was een protestants - Afrikaander - elitebeweging die was opgericht om effectief steun te kunnen geven aan de logeleden. Ook vandaag nog speelt deze Broederbond, waartoe een groot deel van de Afrikanerelite behoort, achter de schermen mee.

Ossewa-Brandwag, gesticht in 1938, was een andere ultra - nationalistische organisatie; zij was para - militair gestructureerd. De sympathie van deze organisatie en haar leden voor nazi-Duitsland kan niet ontkend worden, al werd zij openlijk gedesavoueerd door de Nationale Partij.

De uitvoerder van het niet-blankenbeleid vanaf 1948 was Dr. Hendrik Verwoerd. Vóór de tweede wereldoorlog was hij met een aantal collega -hoogleraren aan de overheid gaan vragen dat ze joodse vluchtelingen de toegang tot het land zou ontzeggen. In Transvaal mochten joden vóór 1951 geen lid van de Nationale Partij worden. Toch zou het wat te simplistisch zijn de NP en haar leiders als pure nazi's af te schilderen en haar beleid zuiver fascistisch te noemen. De ideeën van de NP zaten geworteld in het koloniale verleden. Zuid-Afrikanen redeneerden zoals de andere blanken in de Britse, Franse en Belgische Afrikaanse kolonies. Daar vond men het ook van -zelfsprekend dat de laagste blanke steeds een trap hoger stond dan de belangrijkste zwarte. In de grootste democratie ter wereld, de Verenigde Staten, leefden en werkten 90 % van de zwarten in een volledig ondergeschikte positie tot diep in de jaren zestig. Daar leefden blank en zwart ook gescheiden in eigen wijken.

Eigen aan de Zuidafrikaanse situatie is dat deze rassenrelaties in een ideologie verpakt werden. De apartheidsdoctrine werd vanaf 1950 door het SA BRA (instituut voor raszaken) uitgebouwd. Onder leiding van Eiselen en Donges werd het 'positieve aspect' van de apartheid uitgewerkt, dat wil zeggen de Bantoestans of de eigen staten voor de zwarten. De persorganen Die Burgeren Die Transvaaler werden de verspreiders van die politiek. Aan de Afrikaner-universiteiten vond de ideologie haar verdedigers.

Hoewel een deel van de Afrikaners het rassenonderscheid beklemtoonde en de regeringspolitiek in de praktijk zeer discriminerend was voor niet-zwarte inwoners, legde de overheid er de klemtoon op dat zij de zwarten niet ondergeschikt wilde maken.

In haar beleidsverklaring formuleerde de regering Malan het zo: " Het apartheidsbeleid van de Regering beoogt niet de onderdrukking van de inboorlingen. Ze beoogt de ontwikkeling van blanken en niet-blanken naast elkaar en niet door elkaar. In blanke gebieden moeten de belangen van blanken de dominerende factor zijn. In de inboorlingengebieden moeten de belangen van de inboorlingen de overheersende factor zijn. De ontwikkeling van blanken en niet-blanken door elkaar kan alleen tot stremmingen, wrijvingen, onrecht en moeilijkheden leiden."

De regering Malan wilde het segregatiebeleid van haar voorgangers systematisch uitbouwen: dit werd apartheid genoemd. De niet-blanken zouden inderdaad 'aparte' woonplaatsen, 'aparte' politieke rechten, 'aparte' scholen krijgen. De totale scheiding was het einddoel van de regeringspolitiek.

Al vlug zou blijken dat deze doctrine en dit beleid onuitvoerbaar waren. Wat wél steeds zou blijven was de idee dat de Afrikaners en alle blanken hun dominerende invloed in Zuid-Afrika moesten behouden. De doctrine zou later in dit perspectief aangepast worden

De opeenvolgende Nationalistische regeringen van Malan, Strijdom en Verwoerd maakten eerst een einde aan de discriminatie van de Afrikaners in de overheidsdiensten en in het leger. Daar werden nu vooral Afrikaners aangesteld. Overheidsbestellingen gingen bij voorkeur naar Afrikaner - firma's. Het geld van de regering, van provincies en gemeenten werd beheerd door banken en verzekeringsfirma's die door Afrikaners geleid werden.

De regeringen kregen bij het uitvoeren van deze politiek een belangrijk steunmiddel.De economische boom van de jaren vijftig en zestig vergrootte immers haar mogelijkheden. De overheid richtte zelf enkele enorme bedrijven op in de energie - en de scheikundesector. De steenkolenlagen en de minerale rijkdommen werden rendabel gemaakt. Fabrieken, mijnen en bedrijven rationaliseerden en mechaniseerden. De buitenlandse kapitalen, vooral de Britse en Amerikaanse, stroomden naar Zuid-Afrika en maakten enorme winsten, want het land beschikte over een reusachtig en goedkoop zwart arbeidsleger dat volledig onmondig was.

Bevolkingswet en 'kleine apartheid'

Vooraleer de scheiding tussen de verschillende bevolkingsgroepen systima - tisch doorgevoerd kon worden, moest elke inwoner geclassificeerd worden. De Population Registration Act (1950) deelde de bevolking volgens bepaalde criteria in: 'uiterlijk, algemene aanvaarding en prestige' (later door de 'afkomst' vervangen). Zo werd elke inwoner van Zuid-Afrika gerangschikt in de groep van de 'blanken', 'zwarten' of 'kleurlingen'. Deze indeling werd later gespecificeerd en de kleurlingencategorie werd opgesplitst in Kleurlingen en Aziaten.

De onderverdeling van de zwarten gebeurde in acht subklassen (later 10): North, Solo, South, Soto, Tswana, Zulu, Swazi, Xhosa (2), Tsonga en Venda.

De overheid ging dus van het standpunt uit dat deze zwarte volkeren verschillend van elkaar waren en dat ze van elkaar gescheiden dienden te worden. Tegenstanders van het systeem wezen erop dat dit een middel van de blanken was om de zwarte meerderheid te verdelen en het ontwikkelen valt een solidariteitsgevoelen onder de zwarten te verhinderen. De blanke bevolkings - groep werd evenwel niet opgedeeld, hoewel hierin toch ook een duidelijk verschil bestond tussen Afrikaans sprekenden en Engelstaligen.

Vanzelfsprekend stelde deze indeling heel wat praktische problemen. Hoe moest men bijvoorbeeld beslissen over de vraag of iemand naar zijn uiterlijk 'Kleurling' was? Deze moeilijkheden gaven aanleiding tot betwistingen. Het gebeurde dat een persoon van de ene klasse naar de andere overging. Soms werden leden van één gezin tot verschillende categorieën gerekend. Dit leidde tot sociale problemen en persoonlijke drama's. Vooral het verlies van het blankenstatuut, met alle voorrechten die daaraan verbonden waren, had zware gevolgen. Tenslotte leggen sommige critici het verband tussen deze rassenindeling en de nazistische ideeën over raszuiverheid.

Deze bevolkingsregistratiewet was een hoeksteen van het apartheidsbeleid. Op basis van hun lidmaatschap tot een bepaalde groep werd het mensen verboden in bepaalde gebieden te wonen of van bepaalde diensten gebruik te maken. Daar het systeem er in de praktijk toe leidde dat de niet-blanken minderwaardige en beperktere rechten en mogelijkheden kregen, werd het apartheidsbestel wel 'geïnstitutionaliseerd racisme' genoemd. De voorstanders beweerden dan weer dat deze regeling alle bevolkingsgroepen nu net de mogelijkheid zou bieden zich op hun eigen niveau volledig te ontplooien.

Het uiteindelijke doel van het apartheidsbeleid was de bevolkingsgroepen volledig van elkaar te scheiden. In de praktijk leek dit om verschillende redenen onmogelijk en ongewenst.

bevolkingsgroepen kaart

De kleine apartheid regelde het dagelijkse maatschappelijke verkeer tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Al lang voor 1948 waren er wetten die de omgang tussen blanken en zwarten beperkten. In het verleden was het vaak voorgekomen dat blanke mannen geslachtsverkeer met slavinnen en Khoi vrouwen hadden. Hieruit was de Kleurlingenbevolking ontslaan en ook vele boeren hadden 'onzuiver bloed' in de aderen. Vanaf 1902 werd seks tussen een zwarte man en een blanke vrouw door de Britten met 7 jaar gevangenis gestraft. Na de tweede Wereldoorlog werd een wet aangenomen, die de eerder opgeleg - de beperkingen nog verzwaarde. Voortaan mochten blanken geen seksuele contacten meer hebben met niet-blanken. 'Gemengde' huwelijken waren eveneens niet toegestaan (Immorality Amendment Act, 1950; Prohibtion of Mixed Marriages Act, 1949).

De bekende Zuidafrikaanse auteur Breyten Breytenbach die in Parijs met een Vietnamese getrouwd was, kon om die reden niet naar zijn land terug. Bioscopen, cafés, hotels en restaurants waren naar Britse koloniale gewoonte al lang gescheiden. Ook voor het openbaar vervoer gold de segregatie regeling. Nu werd dit systeem evenwel uitgebreid tot alle openbare voorzieningen (Reservation of Separate Amenities Act,1953).

whites non whites

Een bordje duidde aan op welke plaatsen in het park de niet-blanken mochten wandelen. Ook de badplaatsen werden ingericht voor de afzonderlijke bevolkingsgroepen. De wet voorzag niet dat de faciliteiten voor elke groep van dezelfde kwaliteit moesten zijn. Vaak kregen de blanken aan het strand veel meer ruimte en op beter gelegen plaatsen dan de talrijkere zwarten. Zwarten werden doorgestuurd, wanneer ze in een ziekenhuis voor blanken binnen- gebracht werden. Hoewel in de ziekenzaal voor de blanken nog plaats was, werden zwarte zieken in de overbevolkte zaal voor zwarten op de vloer gelegd. In treinen, bussen, taxi's..werd de apartheid systematisch toegepast (o.a. door de Railway and Harbour Acts).

De grote apartheid heeft de niet-blanken zeker erger gediscrimineerd, maar de emotionele gevolgen van de kleine apartheid zijn niet te schatten. Generaties lang zijn niet-blanke mensen vernederd en tot op het bot gekwetst.

Grote apartheid.

De grote apartheid was veel ingrijpender. Met deze vorm van apartheid werd in de eerste plaats de segregatie in de ruimte bedoeld: zwarten mochten niet langer wonen waar ze wilden. Het sluitstuk van deze segregatie was de oprichting van zwarte thuislanden die zelfstandig en onafhankelijk moesten worden. Daarnaast werd de economische apartheid uitgebouwd die haar uitingen onder andere vond in de arbeidswetgeving. Ook wilde men de zwarten voorgoed politiek rechteloos maken. Voorts werd de apartheid op onderwijs gebied doorgevoerd.

Zuid-Afrika is geen 'vrij' land, al zijn er kapitalistische ondernemingen gevestigd, is er voor de blanken een democratisch bestel en een rechtsstaat. De overheid regelt evenwel veel sectoren van de economische en maatschappelijke activiteit, die in West - Europa en zeker in de Verenigde Staten tot de uitsluitende sfeer van het individu behoren.

Al in 1913, met de eerste Landwet werden de gebieden voor zwarten afgebakend, 'inboorlingen' mochten enkel grond van 'inboorlingen' verwerven en blanke gronden moesten in blank bezit blijven. De grenzen van de zwarte gebieden werden toen vastgelegd - zij kwamen min of meer overeen met de 'reservaten' waarin de zwarten in de negentiende eeuw woonden en die door blanke infiltratie steeds kleiner dreigden te worden. In 1936 werd dit gebied voor zwarten uitgebreid en geconsolideerd.

Hiermee was de basis gelegd voor de thuislanden (efr. infra). De blanke overheid wilde van alle zwarten buiten deze gebieden 'tijdelijke gasten' maken. Deze werknemers zouden in hun homelands leven en er hun politieke en andere rechten uitoefenen en gastarbeiders worden in blank Zuid-Afrika.

Dit beeld stond evenwel ver af van de werkelijkheid. Vele zwarten woonden in blank gebied. De wet werd dan ook nooit volledig toegepast en er bleven enclaves van zwarten en Aziaten binnen blank gebied. Toch werd de ruimtelijke scheiding op vele vlakken doorgezet. Vanaf 1950 werden alle steden ingedeeld in blanke, gekleurde, Aziatische en zwarte wijken. De zwarte wijken werden nog eens per volk ingedeeld. Iedereen moest handel drijven in zijn eigen wijken. Vooral de Indiërs leden onder deze regeling: zij leefden immers vaak in de gemengde wijken en verloren hun broodwinning

Niet-blanken werden nog wel geduid in blank gebied, maar enkel voor een beperkte periode en met een bepaald doel. Om deze instroming effectief te kunnen controleren werd de pasjes - wetgeving uitgebreid. Elke zwarte moest nu een pas dragen. Deze pasjes waren identiteitskaart én werkboekje tegelijk. Alles stond in dit pasje: de woonplaats, de naam van de baas en het werk, de toestemming van de zwarte man aan zijn vrouw om ergens naartoe te gaan. De politie kon nu gemakkelijk controleren of een zwarte ergens thuishoorde, of hij werk had enz. Tussen 1948 en 1980 werden zo'n 12 miljoen arrestaties verricht in verband met de pasjeswetten.    

Zie verder deel 5   Van Kaapkolonie tot een democratisch Zuid-Afrika Deel 5