We hebben 191 gasten online

Van Kaapkolonie tot een democratisch Zuid-Afrika Deel 5

Gepost in Azië en Afrika

 schaken om afrika

Een paar miljoen zwarten mochten wel met hun familie wonen in zwarte woonsteden nabij de blanke steden. Veel comfort was er niet. De bekendste zwarte 'township' is SOWETO, gewoon de afkorting van South Western Townships.

soweto

Vanuit hun woonsteden pendelden ze dagelijks een paar uur naar hun werk. Toch behoorden deze zwarten nog tot de bevoorrechten. Honderdduizend anderen moesten in vrijgezellen barakken verblijven. De familie mocht niet mee, maar vele gezinnen kwamen illegaal en huisden in een krottenwijk.

Crossroads is een bekend voorbeeld van een woonplaats van deze squatters of illegalen. De woonomstandigheden in deze shanty towns waren erbarmelijk. Het misdaadcijfer was (en is) er ontzettend hoog. Op eik moment konden de bewoners opgepakt worden wegens illegaal verblijven in deze gebieden.

De mogelijkheden voor de zwarten waren wel erg beperkt. Zwarte boeren konden nog moeilijk als pachters op blanke landbouwbedrijven werken (in 1979 enkel nog als landarbeider). In de steden konden zij geen huizen meer kopen (1967). Indiërs konden niet meer vrij handeldrijven.

De politiek van influx control was wel verklaarbaar vanuit de idee dat de verstedelijking zware problemen stelde en de toevloed van zwarten naar de steden in goede banen geleid moest worden, maar in de praktijk bezorgde zij veel leed. Dat in 1982 om de 21/2 minuut een zwarte opgepakt werd wegens het overtreden van de pasjeswetten, geeft duidelijk aan dat het onmogelijk was zich aan de regeling te houden.

Wie zonder pasje in stedelijk gebied verbleef, kon naar zijn thuisland gestuurd worden of moest verplicht gaan werken op een blanke boerderij wanneer hij betrapt werd. Zwarten die op de 'verkeerde' plaats bleken te wonen, werden hergevestigd. Blanken moesten zelden verhuizen, kleurlingen soms. De zwarte bevolking was in de eerste plaats het slachtoffer van dit hervestigings beleid. Zwarte pachters mochten niet langer op hun blanke boerderijen blijven; black spots - bezittingen van zwarten binnen blanke gebieden - werden opgeruimd of bewoners verhuisden van één stadsdeel naar het nieuwe voor hen gereserveerde gedeelte. Officieel geeft men toe dat ongeveer twee miljoen mensen tussen 1960 en 1980 verplaatst werden, waaronder zo'n 75 % zwarten. Tegenstanders van het regime spreken van 3,5 miljoen mensen. Wel dient gezegd dat vele nieuwe woonwijken veel beter waren dan de vroegere woonplaatsen. De krotten werden opgeruimd en in de plaats kwamen uniforme woonwijken met water, elektriciteit en een voortuintje. Die wijken waren evenwel niet talrijk genoeg om de steeds groeiende stroom legale en illegale zwarte immigranten op te vangen.

Op het vlak van de arbeidersreglementering werden eveneens apartheidswetten goedgekeurd. Al in de negentiende eeuw moesten niet-blanken dwangarbeid verrichten. Een actuele vorm hiervan waren de 'arbeidsbureau' s' in de thuislanden die de werknemers volgens de economische behoeften voor een beroep indeelden. De zwarten konden hun arbeidskracht dus niet vrij verkopen aan de belangstellende werkgever. Uiteraard beperkten ook de woon - plaatswetten de economische activiteit. De overheid reserveerde daarenboven bepaalde beroepen voor blanken. De loonachterstand van de zwarten is voor een deel hieraan te wijten dat zij het ongeschoolde werk opgedragen kregen. In de mijnen verdiende de gemiddelde zwarte ongeveer één twintigste van een gemiddelde blanke in de jaren '50. In de nijverheid was de verhouding één tegen vijf. De zwarten mochten niet toetreden tot vakbonden met blanke leden en zwarte vakorganisaties werden niet geregistreerd. Daardoor konden zij niet deelnemen aan de officiële onderhandelingen.

De schoolopleiding bepaalt in belangrijke mate de sociale positie van een individu in een geïndustrialiseerde samenleving. In Zuid-Afrika bleef de organisatie van het onderwijs lange tijd in handen van de kerken (dit was in de Franse, Britse en Belgische kolonies ook zo). In 1953 bracht de overheid het onderwijs onder staatscontrole en werkte zij een onderwijswet voor Bantoes uit. Voor haar zwarte schooljeugd gaf de regering veel minder geld uit dan voor de blanke leerlingen. Het onderwijs, ook op universitair vlak, werd volledig gescheiden. In de zwarte scholen zaten meer leerlingen per klas, de leraren waren minder goed opgeleid en er was geen schoolplicht.

Een van de belangrijkste oorzaken van de veelvuldige agressieve uitbarstingen bij de zwarten ligt ongetwijfeld in hun scherp verzet tegen de politieke onmondigheid. De blanken wisten dat het invoeren van het algemene stemrecht voor hen de doodsteek zou betekenen. De Afrikaners, die nergens anders naartoe kunnen, zouden hun historische erfenis verliezen. Daarom kregen de zwarten nergens stemrecht. De Kleurlingen uit de Kaapprovincie verloren hun kiesrecht in 1954.

Thuislanden

thuislandenDe ontwikkeling van de thuislanden (Bantu Authorities Act in 1951, Promotion of Bantu Self-Government Act in 1959, Bantu Homeland Citizenship Act in 1974) moest het sluitstuk en het 'positieve aspect' van de apartheid worden. De vroegere reservaten werden uitgebouwd tot Bantoestans. In 1913 werd 7,8 % van het grondgebied hiervoor gereserveerd. Uiteindelijk zou het tot 13,7 % uitgebreid worden.

Dit: idee van zelfbestuur van de thuislanden werd door een commissie (Tomlinson, 1954) voorbereid en in gewijzigde vorm door de overheid gerealiseerd. Elk Afrikaans volk zou in zijn eigen thuisland kunnen wonen. Daar zou het ook zijn eigen tradities kunnen bewaren. Achter deze rechtvaardiging zat evenwel de vrees verborgen dat de blanken hun suprematie niet eeuwig zouden kunnen opleggen zoals dat totnogtoe gebeurd was. Door de politiek van gescheiden ontwikkeling konden de zwarten geleidelijk politieke rechten krijgen en zichzelf besturen, maar buiten 'blank Zuid-Afrika'. Eerst konden deze thuislanden zelfbestuur krijgen. Op hun verzoek werden ze later onafhankelijk. Wanneer een thuisland onafhankelijk werd, verloren de zwarte inwoners de Zuidafrikaanse nationaliteit. Vele zwarten werden veronderstelt burgers van een bepaald thuisland te zijn, hoewel ze er nog nooit geweest waren.

In 1976 werd Transkei het eerste autonome thuisland, Bophuthatswana, Venda en Ciskei verwierven hun onafhankelijkheid resp. in 1977, 1979 en 1981. Zuid-Afrika droomde ervan met de confederatie van zwarte bomelands en Rhodesië en ander zuidelijke staten een groot verbond te vormen. Dit ideaal moest opgegeven worden na de overgang naar een zwart rneerderheids regime in Rhodesië.

Het thuislandenbeleid werd in de loop der jaren zwaar bekritiseerd. De zwarten hadden slechts een klein deel van het grondgebied gekregen. De grond was vaak onvruchtbaar en bevatte geen ertsen (maar in Bophuthatswana liggen de grootste platinamijnen ter wereld). De belangrijke demografische groei vergrootte de problemen: teveel mensen moesten op een kleine oppervlakte leven. De mensen leefden er van subsistentie landbouw. Daarenboven deden de zwarte mannen niet graag afstand van het traditionele arbeidspatroon en lieten het zware werk door de vrouwen opknappen. Hoewel de thuislanden formeel onafhankelijk konden worden, bleven ze feitelijk toch volledig van Pretoria afhangen. Sommige thuislanden bestonden uit versnipperde gebieden en waren minder goed bestuurbaar. De homelands hadden weinig inkomstenbronnen en waren ook op dit vlak op de Zuidafrikaanse overheid aangewezen.

Wie zeker voordeel bij het thuislandenbeleid hadden, was Pretoria zelf en een kleine plaatselijke elite. Deze laatste groep omvatte lokale chefs, de nieuwe bureaucraten en enkel middenstanders. De chefs oefenden een grote macht uit en gedroegen zich weinig democratisch. Zuid-Afrika zelf kon de thuislanden gemakkelijk controleren.Tegelijk zouden ze een 'inner ring of buffer states', een soort schokbreker tegen de staten van zwart Afrika kunnen vormen.

Verzet tegen de apartheid en de reactie van de overheid.

Vanaf het begin hebben Zuidafrikaanse burgers zich tegen de uitvoering van de apartheid verzet. De overheid liet telkens wetten goedkeuren of nam besluiten die de ordeverstoring moesten verhinderen of sanctioneren. De reacties van de tegenstanders lokten dan weer strengere overheidsmaatregelen uit.

De eerste belangrijke wet na 1945 had tot doel de communistische organisaties te verbieden (Suppression of Communism Act, 1950). De bepalingen van deze wet waren evenwel zo ruim, dat in feite elke anti - apartheidsactiviteit strafbaar gesteld kon worden. De partij werd verboden en ging ondergronds werken. Vele leden traden toe tot de voornaamste zwarte oppositiebeweging, het African National Congress. Dit ANC werd de motor achter de eerste grote protestactie tegen apart beid: in 1952 verscheurden 8000 vrijwilligers hun pas en boden zich daarna aan in een politiekantoor. Zij hoopten dat de gevangenissen overvol zouden worden, en dat de onleefbaarheid van het systeem hiermee duidelijk zou worden. Maar de overheid onderdrukte deze beweging. Het ANC groeide desondanks tot een massabeweging uit. In 1955 werd een congres georganiseerd waaraan naast het ANC ook niet-zwarten deelnamen. Door de deelnemers werd het Handvest van de Vrijheid opgesteld. De overheid trad weer streng op en veroordeelde vele deelnemers. Het recht op vergadering en vereniging werd uitgehold. Het werd steeds duidelijker dat geweldloos verzet geen resultaten opleverde en dat openbare kritiek op het regime repressief beantwoord werd door de overheid.

De stichting van het Panafricanist Congress in 1958 was een reactie tegen het ANC: de initiatiefnemers verdedigden het panafrikanisme en verzetten zich tegen samenwerking van het ANC en de zwarten in het algemeen met blanken. Zij keurden ook de communistische invloeden in het ANC af. Maar zoals het ANC, kozen zij nog voor geweldloze actie.

In 1960 organiseerden het ANC en het PAC een pasjesactie. Het Panafricaans Congress had zijn leden opgeroepen om de pasjes in te leveren op het politie kantoor en zich dan te laten arresteren. Toen de betogers bij het politie kantoor kwamen, werd er op hen geschoten. Dit incident in Sharpeville dat aan 69 zwarten het leven kostte,verhitte de gemoederen. Het ANC en het PAC werden verboden. De fase van het geweldloos verzet was voorbij en beide zwarte verzetsorganisaties vormden een gewapende groep, die aanslagen en sabotagedaden moest uitvoeren. Nelson Mandela, leider van het Transvaalse ANC, werd de leider van deze militaire organisatie. De regering spoorde de ondergrondse leiders op. In 1963 werd de top van het ANC opgepakt en in de gevangenis opgesloten. Daaronder bevonden zich Waller Sisolu, de voorzitter,en Nelson Mandela.

Het werd enkele jaren rustiger in Zuid-Afrika. De harde regeringsrepressie en de economische successen van de nationalistische regeringen herleidden de blanke oppositie tot een machteloze minderheid en maakten de zwarte verzetsorganisaties vleugellam. Steeds meer Engelstaligen sympathiseerden met de Nationale Partij. De Nationalisten van hun kant begonnen te begrijpen dat ze alleen maar konden winnen bij een samenwerking met de Angelsaksische landgenoten. De Afrikaners waren naar de top doorgestoten via hun greep op de overheid. Deze sociale stijging bracht hen dichter bij de Engelstalige sociaal-economische elite. De idee dat samenwerking tussen beide groeperingen de blanke heerschappij kon bestendigen, haalde het van de vroegere strak - nationalistische overtuigingen over het Afrikanervolk. Een deel van de basis van de NP had het er evenwel moeilijk mee deze verandering te begrijpen.

Anderzijds had de onafhankelijkheid van vele Afrikaanse staten in de naoorlogse tijd, en de troebelen die hiermee soms gepaard gingen - bijvoorbeeld in Belgisch Kongo - de Engelssprekenden ongerust gemaakt en werd de psychologische kloof tussen Afrikaners en henzelf gedicht. In 1961 bezette de Nationalistische Partij al twee derde van de parlements zetels. In datzelfde jaar werd een oude Afrikanerdroom werkelijkheid. Op 31 mei 1961 ontstond de Republiek van Zuid-Afrika. De laatste politieke handen met Groot-Brittannië werden verbroken.

Omstreeks, deze periode was de dekolonisatie van Afrika volop aan de gang. Overal kwamen zwarte politici aan de macht. Zuid-Afrika, de Portugese kolonies en Rhodesië waren weldra 'blanke enclaves' op het zwarte continent. Dat isolement verontrustte de blanken evenwel nog niet al te zeer. Ook voor Zuid-Afrika waren de jaren zestig 'The Golden Age'. De welvaart - maatschappij en het consumentisme vonden hun uitdrukking in de blanke wijken aan de zuidpunt van Afrika. De blanken hadden werk, waren meestal geschoold en hadden een behoorlijk inkomen. De verregaande mechanisatie in de blanke landbouw, mijnbouw en industrie maakte evenwel veel ongeschoolde zwarte arbeiders werkloos. Werkloze zwarten werden naar hun thuislanden gestuurd, maar velen keerden illegaal terug naar de steden.

Maar al aan het begin van de jaren zeventig namen de problemen voor de blanken weer gevoelig toe. De Portugezen trokken zich in 1974 terug uit Angola en Mozambique. De hele wereld stak een vermanende vinger op naar Zuid-Afrika, dat niet meer aan internationale bijeenkomsten mocht deelnemen en in de UNO zwaar aangevallen werd. Ook het binnenlandse verzet werd weer sterker. In 1973 begonnen zwarte arbeiders met massa - stakingen (Durban) om hun lage tonen op te krikken. Ze konden niet meer vervangen worden door rekruten uit de thuislanden, want ze waren te talrijk en te geschoold. De werkgevers gaven toe. De lonen stegen voor de eerste keer sedert vele jaren. De oppositie-beweging van de jaren zeventig uitte zich in de vorm van de Black Consciousness- beweging. Zij vond haar oorsprong in een zwarte studentenorganisatie SASO, die eerst geleid werd door Steve Biko. De BC verzette zich tegen de mindere kwaliteit van het onderwijs voor zwarten, maar ook ruimer tegen de hele apartheid. In tegenstelling tot het ANC was de Black Consciousness - beweging tegen samenwerking met blanken. De zwarten moesten de kracht tot opstand uit zichzelf putten. Voor een deel kwam het voorbeeld uit de Verenigde Staten. Het communisme werd als on-Afrikaans afgewezen en de beweging streefde geweldloze acties na. Er bestonden dus duidelijke overeenkomsten met het PAC. Het politieke orgaan van de BC was de Black People's Convention.

In 1976 kwamen duizenden woedende leerlingen op straat in Soweto.

opstand soweto

De rechtstreekse aanleiding was het invoeren van het Afrikaans in het onderwijs. De zwarte jongeren beschouwden deze taal als instrument van hun 'onderdrukkers'.

De Zuldafrikaanse politie trad hard op. Na afloop waren er honderden doden.

25 jaar herdenking

Vanuit Soweto verspreidden de incidenten zich naar andere zwarte voorsteden. In 1977 werd de Black Consciousness beweging verboden. Ook nu weer sloten vele leden zich aan bij het ANC, dat nu vanuit een gunstiger positie kon handelen. Het richtte basissen op in de onafhankelijke zwarte staten Zambia en Mozambique. Honderden jongeren staken de grens over en leerden daar de guerillatechnieken. Het ANC begon met een bommencampagne.

Het pragmatische beleid haalt het van de doctrine (1978 - 1986)

De laatste jaren van Vorsters regering en vooral de regering van P. W. Botha (vanaf 1978) gaven een koersverandering te zien. De ideologie van de apartheid werd stilaan opzij gezet. De nieuwe aanpak stond onder het teken van het pragmatisme. De regering zag in dat ze een andere weg moest inslaan, wanneer ze de blanke positie wilde handhaven. Toegevingen aan de zwarten maakten deel uit van deze nieuwe politiek. Voor de zwarten ging deze evolutie veel te traag; zij betwijfelden of de regering wel efficiënte verbeteringen wou doorvoeren. De meeste blanken daarentegen vreesden dat belangrijke toegevingen aan de zwarten het land in een anarchie zouden storten. Daarenboven vonden ze het nog steeds vanzelfsprekend dat zij hun voor- rechten konden behouden.

Het gemakkelijkst van allemaal verdween geleidelijk de kleine apartheid. Dat was niet toevallig. In de eerste plaats tastte deze toegeving de blanke supprematie het minst aan. Tegelijk werd de kleine apartheid door de niet-blanken zeer gehaat, omdat ze zo zwaar ingreep in het persoonlijke leven. Bovendien lokte deze vorm van apartheid in het buitenland veel verzet uit. Theaters, bioscopen, cafés, restaurants en banken schaften de segregatie af. Dat gebeurde niet overal en niet op hetzelfde ogenblik. Zo haalde men in de Kaapprovincie de strandbordjes die de segregatie aanduidden in 1986 weg, maar rond Durban is nog 1/3 van de stranden gescheiden. De competitiesport werd voortaan gemeenschappelijk beoefend, maar de apartheid bleef bestaan in de recreatiesport. De zwarte komt misschien wel als stickdrager op het golfterrein, maar niet als clublid.

Ook de grote apartheid werd op sommige punten afgebouwd. Een moderne economie heeft behoefte aan veel hooggeschooide werknemers. Daarom deed de overheid toegevingen op het vlak van de economische apartheid (na onderzoek van de commissies Riekert en Wichahn). In 1979 werd bepaald dat zwarte vakbonden voortaan geregistreerd kunnen worden en dus als volwaardige onderhandelingspartners aan de tafel mogen zitten. De lonen voor de zwarten stegen ook geleidelijk. In 1970 verdiende een blanke vijf tot zes keer meer dan een zwarte, nu nog drie keer meer. Vele multinationals gingen betrekkingen voor niet-blanken reserveren en gelijk loon voor gelijk werk betalen. Nu werd het mogelijk dat een blanke een zwarte baas tegenover zich vond, maar door hun gebrekkige scholing bleef dit voor de meeste zwarten een mooie droom.

Een categorie van de bevolking heeft het echter nog altijd dubbel moeilijk: de zwarte vrouw. Miljoenen zwarte vrouwen worden gediscrimineerd omdat zij vrouw en zwart zijn. Vele zwarte mannen, zeker in de thuislanden en op de boerderijen, zijn niet de aktiefsten. Hun traditionele bezigheden waren krijg voeren, jagen en vissen en die zijn niet langer meer mogelijk. Ze laten de harde landbouwarbeid over aan de vrouwen. Een miljoen andere zwarte vrouwen werken als huishoudster bij een blank gezin. Veelal krijgen ze kost, inwoon en een zeer laag loon. Dikwijls hebben ze slechts een dag vrij per drie weken. Ze voeden met veel liefde de blanke kinderen op en zien nauwelijks hun eigen kinderen, die het op hun eentje moeten rooien in de een of andere zwarte sloppenbuurt.

In overheidsdienst vielen wel veel rassenbarrières weg. Eind 1986 verdienden leraren en verplegers al evenveel, ongeacht hun huidskleur. 50 % van de politiemannen zijn vandaag al zwart. Een zwarte agent kan nu gerust een blanke beboeten. 10 % van de militairen zijn zwarten. Het leger nam al Aziatische en Kleurlingenofficieren in dienst. Een Indiër is ambassadeur bij de Europese gemeenschap geworden. Anderzijds stelt men vast dat het rassenonderscheid wordt vervangen door een klassenonderscheid: de blanke wint door zijn betere opleiding en studieniveau, zodat de beter betaalde jobs nog vaak in zijn handen blijven.

Toch genoten nog maar 4,5 miljoen zwarte werknemers in de moderne economie van deze verbeteringen. Een miljoen zwarte landbouwarbeiders wordt nog altijd zeer slecht betaald. Voor 11miljoen zwarten in de thuislanden is de situatiezeker niet beter dan voor de bewoners van vele andere straatarme Afrikaanse staten.

De Zuidafrikaanse economie is door de jaren steeds meer beheerst door een kleiner aantal privé-staatsbedrijven. Die zijn alle in blanke handen. Een blanke commissie gaf toe dat de meeste zwarten het vrije marktsysteem bekijken als een onderdrukkingsmiddel in de handen van de blanken. Ze zijn dan ook gevoelig voor de ANC-propaganda die een onduidelijk socialisme belijdt. De blanke overheid probeerde daarom de laatste jaren( 1980 –1986) zwarten aan te moedigen kleine bedrijven of fabriekjes op te richten in de hoop hen bij het regime te betrekken.

Wel heeft Pretoria inspanningen gedaan om aan de grenzen van de thuislanden nieuwe nijverheden in te planten, maar deze pogingen bleven beperkt en zonder veel succes. Enkel in de buurt van de al bestaande economische centra (Kaaps schiereiland, Port Elisabeth-Uitenbage, Durban-Pinetown-Pietermaritzburg, Pretoria-Witwatersrand-Vereeniging) zijn er resultaten geboekt. De Zuidafrikaanse overheid maakte het ook mogelijk dat blanke ondernemers in de homelands zelf industriële bedrijvigheden kunnen ontwikkelen.

In het algemeen heeft Zuid-Afrika zich met zijn thuislandenpolitiek in een uiterst moeilijke situatie gemanuvreert. Het streven naar 10 onafhankelijke zwarte staten werd opgeheven. Venda weigerde in 1986 zijn onafhankelijkheid en Pretoria heeft zich daar voorlopig bij neergelegd. Wat zal evenwel gebeuren niet de vier al bestaande onafhankelijke staten? Moet Zuid-Afrika hun zelfstandigheid blijven erkennen, hoewel geen andere staat ter wereld dit voorbeeld gevolgd heeft'? Of moeten deze gebieden weer gewoon deel uitmaken van Zuid-Afrika. Een voorlopige oplossing is dat de Zuidafrikaanse overheid aan de burgers van deze onafhankelijke homelands opnieuw het Zuidafrikaanse burgerschap toekent.

Ook op andere vlakken is er een versoepeling gekomen in liet beleid van ruimtelijke segregatie. De gehate pasjeswetten werden afgeschaft en vervangen door identieke identiteitsdocumenten voor iedereen, hoewel een ingewijde met behulp van het codenummer van elk document toch weer de huidskleur van een persoon kan opsporen. De overheid aanvaardt ook dat zwarten permanent in de steden zullen blijven wonen. Ze zullen ook eigendommen kunnen verwerven. Het hervestigingsbeleid wordt niet meer voortgezet: het was niet enkel sociaal onaanvaardbaar (de betrokkenen] moesten wegtrekken uit hun vertrouwde omgeving en werden ver van hun werkplaats gevestigd), maar ook onbetaalbaar.

Zie verder deel 6 Van Kaapkolonie tot een democratisch Zuid-Afrika Deel 6