We hebben 224 gasten online

De Bondsrepubliek 1949-1998

Gepost in Duitsland

Duitsland 1990

De Bondsrepubliek 1949-1998

De stichting van twee Duitse staten na het einde van de Tweede Wereldoorlog bevestigde de deling van Europa in twee verschillende ideologische blokken geleid door de Sovjet-Unie enerzijds en de USA anderzijds, die streden om wereldleiderschap.

Wat waren de belangrijkste politieke kenmerken van de Bondsrepubliek Duitsland tot 1989, toen het einde van de Duitse deling zich aftekende?

Op de eerste plaats kwam de Koude Oorlog, het vaste kader waarbinnen de ontwikkelingen in West-Duitsland zich afspeelden. Men zag de BRD als de heraut van de westerse vrijheidsgedachte, die in de Koude Oorlog overeind moest blijven. Maar er was meer en niet altijd hetzelfde. De hoofdlijnen, die het profiel van de BRD kenmerken, zijn in de loop van de tijd veranderd. Daarom zal ik de centrale vraagstelling van dit artikel in drie periodes aan de orde stellen.

De eerste periode omvat de jaren veertig en vijftig, waarin de Bondsrepubliek op zoek was naar een 'heile Welt', een perfecte wereld, totaal anders dan de werkelijkheid van die dagen.

De tweede periode wordt gevormd door de jaren zestig en zeventig. De politiek vernieuwde zich. De inmiddels gestabiliseerde democratische structuren werden herzien, en de groep burgers, die invloed kon uitoefenen op de politiek en kans zag te stijgen op de maatschappelijke ladder werd groter, economische, militaire en politieke band van de Bondsrepubliek met West-Europese landen en Amerika geen beïnvloeding van buitenaf zag, maar een stap op weg naar gelijke rechten in het internationale statensysteem.

Het puur nationalistisch geluid kon steeds binnen de perken gehouden worden, hoewel zich in de CDU, en in haar Beierse zusterpartij CSU, in de jaren vijftig steeds verzamelplaatsen vormden van rechtsnationale krachten.

Erhard en Adenauer

Erhard en Adenauer

Samenvattend kan men vaststellen, dat de beginselen van de Bondsrepubliek onder Adenauer dus zowel een politiek van sociale pacificatie inhielden als een strikt anticommunisme. Daarbij viel de bereidheid op om, in het kader van de binding aan het Westen, van de Duitse kwestie een Europese kwestie te maken en zich te schikken in een internationaal controlesysteem van de westerse wereld.

Cultuur en samenleving

Hierboven werd al terloops opgemerkt, dat veel West-Duitsers na de oorlog hunkerden naar vrijheid en privacy. Men probeerde de voorheen bijna onontkoombare intrede in een door de nationaalsocialisten geëiste 'Volksgemeinschaft' van zich af te schudden en de inperkingen van het leven onder terreur en dictatuur te vergeten, alsmede de ontberingen van de gruwelijke oorlog. De klassieke werken van de Europese beschaving in het algemeen en van de Duitse in het bijzonder vormden daarvoor nieuwe oriëntatiebronnen: men stelde zich weer open voor kerkvaders en humanisten; dichters en schrijvers als Goethe, Lessing, Schiller, Thomas Mann of Hermann Hesse; schilders als Rembrandt, Rubens, Georg Meister of H.A.B. Grieshaber; of musici als Mozart, Bach, Beethoven, Henze of Carl Orff.

Bij het ontwerpen van de grondwet van de BRD uitte zich deze vrijheidsliefde als 'vrije ontplooiing van de persoonlijkheid' (artikel 2 van de grondwet der BRD) en niet, zoals het vrij naar Lenin en Engels in een handboek in de DDR weergegeven werd als 'inzicht in de objectieve noodzakelijkheid'.

De grondwet van de BRD draagt het stempel van liberalisme en spreekt van liberale grondrechten voor het individu, die opgeëist kunnen worden. In artikel 2 wordt de vrije ontplooiing van de persoonlijkheid vastgelegd voor iedereen voor zover de rechten van anderen niet aangetast worden, of de rechtsorde of de zedelijkheidswetten niet overtreden worden. Vrije ontplooiing werd een van de grondslagen van de nieuwe West-Duitse staat.

Democratie

De Bondsrepubliek was een staat die eigenlijk geen staat wilde zijn of behoorde te zijn. Een staat met een constitutie, die die naam eigenlijk niet verdiende, en daarom 'Grundgesetz' genoemd werd, en een staat, die zelfstandig was en toch een fragment bleef. Moest daarom ook de door de westerse geallieerden geplande democratie fragmentarisch en voorlopig blijven?

We weten nu dat de tweede poging om in Duitsland democratie te realiseren (na de eerste poging tijdens de Republiek van Weimar) en daarbij zowel staat als maatschappij te betrekken, zonder meer succesvol was. Dat zou niet mogelijk geweest zijn als deze regeringsvorm niet ook aan een Duitse traditie had kunnen aanknopen; denk aan het jaar 1848. Daar kwam nog bij, dat de vooraanstaande personen uit verschillende politieke richtingen die voor de democratie opkwamen, allen hun goede naam dankten aan het feit dat zij zich tijdens het Derde Rijk niet misgedragen hadden.

Natuurlijk was er ook weerstand, zowel binnen als buiten de partijen, tegen de 'ewig Gestrigen', de mensen met een ouderwetse instelling, die er moeite mee hadden de situatie te accepteren. Niet alleen deze weerstand bracht de jonge democratie in de Bondsrepubliek in gevaar. Routine in de toepassing van democratie ontbrak nog en de ontwikkeling van een democratische gezindheid verliep met horten en stoten. Menig persoon met macht op een bepaald terrein — waar en wanneer dan ook — kon medezeggenschap van anderen niet accepteren, hoezeer ook de democratische gedachte gebaseerd is op inspraak en de mogelijkheid van tegenspraak. Toch kunnen we stellen dat de democratische constitutionele staat in de tijd van Adenauer een profiel kreeg en een zodanig erkend gezicht, dat hij alle crises zonder noemenswaardig schade heeft doorstaan en stabiel bleef.

Heel wat burgers vonden echter dat Adenauer nog meer kon doen voor de democratie als hij zijn soms autoritaire leiderschapsstijl op zou geven en nog meer bereidheid tot tolerantie en compromis had getoond.

Sommige critici vonden de democratie in de periode Adenauer nog weinig ontwikkeld, maar andere benadrukten juist, dat de democratie zich toen in ieder geval had kunnen ontwikkelen, Ook al lopen de meningen uiteen, omdat de kanselier de democratie met autoritaire machtsspelletjes probeerde te dirigeren en veel West-Duitsers het autoritaire denken afwezen, toch was men unisono positief over de economische groei, die zich in de loop van de jaren vijftig in de Bondsrepubliek manifesteerde. Meer dan wat ook heeft de economische bloei voor politieke stabiliteit gezorgd. De sociale markteconomie en de toenemende trots op de Duitse mark werden in het oog springende kenmerken van de BRD onder Adenauer.

De jaren zestig en zeventig: tekenen van vernieuwing in de politiek.

Begin jaren zestig lag de werkloosheid onder de 1 procent en een verdere economische groei leek zo vanzelfsprekend, dat men een grote hoeveelheid buitenlandse werkkrachten begon aan te trekken. De West-Duitsers genoten van het verblindend succes. In hun droom van de heile Welt, die nu in de consumptiemaatschappij onverwacht meer dan gerealiseerd leek te worden, wilden zij niets weten van de nadelen en negatieve aspecten, die de ontwikkeling van staat en maatschappij met zich meebracht. Er ontstond hooguit ontevredenheid bij een kleine groep intellectuelen over de monotonie van het politieke debat. Anderen vroegen zich af wat nu eigenlijk 'heute noch links' moest betekenen of stelden de meer fundamentele vraag naar de legitimatie van de macht, omdat ze bij politieke beslissingen de brede sociale basis misten.

Aan de andere kant waren er ook bij de rechtsgeoriënteerden veel mensen ontevreden. Zij vonden de doelstellingen van de Duitsland-politiek niet ver genoeg gaan en zij vreesden dat de deling van Duitsland wel eens definitief zou kunnen worden. Tevens weigerden zij de pijnlijke verwerking van het jongste Duitse verleden op een open en eerlijke manier aan de orde te stellen. 'Schluss mit der Vergangenheit' was hun motto. Zij wilden geen confrontatie met het Derde Rijk en zijn actors.

In de loop van de jaren zestig werden hun aanvallen op het West-Duitse 'systeem' steeds scherper. Al kregen de rechtse nationalisten naar internationale maatstaven niet al te veel bijval, toch tastten zij de goede naam van de Bondsrepubliek in binnen- en buitenland aan.

Politiek links kreeg veel meer respons; zeker ook omdat men zich graag liet inspireren door de jonge generatie met zijn frisse ideeën, nieuwe samenlevingsvormen van en andere politieke doelstellingen. De jongeren huldigden een nieuwe lifestyle en oriënteerden zich op internationaal bekende politieke strijders als Che Guevara, Ho Chi Min, Mao Tse Tung of Martin Luther King. Er werd gediscussieerd over radicale democratisering.

Kanselier Kiesinger

Kanselier Kiesinger

In de periode van de grote coalitie van CDU/CSU en SPD (1966-1969) ontstond er een militante studentenbeweging, die nauw met de Ausserparlementarischer Opposition (APO) verweven was en die zich door menig docent gesteund zag met sympathiebetuigingen en politiek-filosofische concepten. Er werd gesproken van het Jargon der Eigentlichkeit (Theodor Adorno), van de tot inzicht leidende interesse, van repressieve tolerantie, van alternatieve structuren en van emancipatie. Er bestond grote behoefte aan voorlichting en informatie. Daaruit ontstond een kritische wetenschap, die tot cultus zou worden verheven, en die in Gesamtschulen, en vooral in de Gesamthochschulen werd aangeboden.

Bondkanselier Brandt SPD Brand

De nu als ouderwets beschouwde rituelen van de bestaande maatschappij maakten eind jaren zestig, begin zeventig, plaats voor vrije liefde, communes en hippe modetrends met minirokken en lang haar, waar de geïnteresseerde cultuurindustrie zonder meer gretig op inging.

Alles bij elkaar waren de jaren van de sit-ins, teach-ins en love-ins jaren van vernieuwing van de steeds meer geseculariseerde West-Duitse maatschappij en staat. Er vielen drempels weg - vaker dan wettelijk geoorloofd en wenselijk was volgens wat toen nog als bon ton gold. Maar uiteindelijk groeide in de Bondsrepubliek de erkenning van de lang gekoesterde wens: het recht op gelijke kansen voor het gehele maatschappelijke spectrum.

De staat gaf blijk van meer tolerantie en trad minder autoritair op.

Een anti-autoritaire opvoeding hoorde evenzeer bij de kenmerken van deze Aufbruch-Zeit als beïnvloeding door de grote persmagnaten. Men kan zelfs zeggen, dat de democratie in de BRD aan het eind van de jaren zestig haar diploma had gehaald. Willy Brandt, de eerste bondskanselier van een coalitie onder leiding van de SPD, (1969-1974), drukte het in zijn regeringsverklaring als volgt uit:

'Wij hebben als ieder ander volk onze eigen regels en normen nodig. In de jaren zeventig zal er echter in ons land slechts dat aan regels en normen gehandhaafd kunnen worden, waarvoor wij een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid kunnen opbrengen. Zo'n democratische structuur vergt buitengewoon veel goede wil om te luisteren en een buitengewone inspanning om elkaar te kunnen begrijpen.'

Relatie met het buitenland

Naast de politieke heroriëntering op binnenlands gebied, werden door de sociaal-liberale regering-Brandt ook nieuwe accenten gelegd in het Duitsland-beleid en de buitenlandse politiek. In een tijd, waarin voor delen van de West-Duitse bevolking de ideologische brug tussen Oost en West meer leek te kunnen dragen dan ooit, lag het voor de hand, dat men ook op het gebied van de buitenlandse politiek zoveel mogelijk bruggen sloeg. Voor de regering betekende dit vooral: aan de wens van de Sovjet-Unie en haar partnerstaten tegemoetkomen en het bestaan van de DDR erkennen. De normalisering van de betrekkingen met de Sovjet-Unie en haar partners werd zichtbaar aan het begin van de jaren zeventig in een nieuwe Ostpolitik, die werd vastgelegd in de verdragen, die de Bondsregering met de Sovjet-Unie, Polen, en de DDR sloot. Daarin werd de onaantastbaarheid van de Poolse westgrens en de grens van de DDR met de Bondsrepubliek bevestigd.

De Ostvertrage vormden een samenhangend vlechtwerk van prestaties en tegenprestaties, zoals Dietrich Thranhardt, hoogleraar te Munster, schreef. De regerende SPD en de oppositionele CDU/CSU waren het er echter niet over eens dat prestaties en tegenprestaties gelijk verdeeld waren. Uiteindelijk werd de hevige controverse, die overigens ook binnen de partijen woedde, door de kiezers beslist.

In 1972 wonnen de regeringspartijen een verkiezingsstrijd met de Ostpolitik van de sociaal -liberale regering als inzet. SPD en FDP kregen samen 54,2 % van de stemmen, de CDU/CSU 44,9 %.

kanselier Schmidt

Kanselier Schmidt

Angst voor de toekomst

Het politieke ontwaken in de Bondsrepubliek, begonnen in de jaren zestig, verloor aan vaart. Nog tijdens de jaren zeventig raakte men enigszins ontnuchterd, niet alleen omdat twee energiecrises het economische fundament aantastten, maar ook omdat men niet meer geloofde in de praktische haalbaarheid van vooruitgang voor iedereen, die door de wetenschap zo krachtig ondersteund was. Waarheen, zo vroeg men zich af, zou de weg van de BRD zonder de steun van een aanhoudende economische groei leiden?

Naast de economische onzekerheid trad nu, eerst zwak en daarna steeds dringender, de ecologische onzekerheid op de voorgrond. Men kon slechts hopen, dat economie en ecologie nog met elkaar te combineren zouden zijn.

Het grootste deel van de bevolking zocht houvast bij het verleden en richtte zich op dat deel van het politieke spectrum, dat bij de economische wederopbouw van de Bondsrepubliek zo succesvol was geweest.

Helmut Kohl profileerde zich als 'de andere politicus'.

Hij had een hekel aan principiële debatten; debatten over democratie en socialisme, vrijheid en openbaar geweld zouden de politieke waarden van de westerse gemeenschap van nationale staten alleen maar ter discussie stellen. Maar Kohl wilde niet alleen maar zijn trouw betuigen aan het bondgenootschap; ook zijn ambtsvoorgangers hadden dit gedaan. Kohl beloofde ook, de binnenlandse 'geistigmoralische Krise' met een uitgebreide 'Politik der Erneuerung' te bestrijden.

Economie: lusten en lasten

De hoge verwachtingen die hij bij zijn kiezers gewekt had, kon de kanselier in de loop van zijn zestienjarige regeringsperiode (1982-1998) niet overtuigend waarmaken. Op sociaal -economisch gebied bleef, na aanvankelijke succes, een doorslaggevende verbetering uit.

Enerzijds kon de regering-Kohl aantonen, dat de economische groei met uitzondering van het jaar 1993 toegenomen was (hoewel in steeds mindere mate, van 5,7% in 1990 tot 1,4% in 1996), dat de arbeidsproductiviteit gestegen was en dat de tussen 1983 en 1995 met 36 procent gestegen productiviteit per uur hoger was dan de internationale trend. Ook bleven de prijzen relatief stabiel en verdubbelde het volume van de export, van 428 miljard DM in 1982 naar 857 miljard in 1997.

Anderzijds was echter sprake van een negatieve faillissementenbalans en vooral van een constant hoog werkloosheidscijfer: gedurende de hele regeringsperiode van Kohl lag het werklozenaantal boven de 2 miljoen. In 1992/93 bedroeg het 3 miljoen en sinds 1996/97 zelfs meer dan 4 miljoen. De hoge werkloosheid bracht met zich mee dat de uitgaven voor sociale zekerheid, die op basis van steeds meer omstreden regelingen gedaan moesten worden, uitgesproken hoog bleven. Alleen al aan bijstand werd in 1982 18,2 miljard DM, in 1989 dan 32,3 miljard en 1997 zelfs 55,4 miljard uitbetaald.

De financiële lasten, die door de moeilijke sociale en economische situatie werden veroorzaakt, waren er de oorzaak van dat tijdens Kohls regeringsperiode de belastingen en de staatsuitgaven hoog waren. De Bondsregering kreeg te kampen met steeds hogere schulden. In 1982 bedroeg schuldenlast van de BRD (de deelstaten en gemeenten buiten beschouwing gelaten) in totaal 308,5 miljard DM, in 1997 905,7 miljard.

De burgers en de politiek

De moeilijke sociale, economische en financiële situatie van de Bondsrepubliek vroeg om diepgaande herzieningen. Het ging om principiële zaken als een nieuwe formulering van de verhouding tussen individualisme en gemeenschapszin.

Een zwijgende meerderheid vertrouwde erop, dat de sociale nood een kleine minderheid zou treffen waar men zelf natuurlijk niet bij hoorde. Wie moest dus de noodzakelijke aanpassingen treffen, als de regering er al duidelijk moe te mee leek te hebben? Niet de burgers. Daar was toch al een gebrek aar vertrouwen in politieke beslissingen gegroeid. Vraagstukken bleven onopgelost; de politieke besluitvorming schoot tekort. Velen wantrouwden wetenschappelijke informatie.

De mentale onzekerheid en het politieke onbehagen van de West-Duitsers leidden tot een groeiende partijmoeheid. Toch stemde men over het algemeen op de gevestigde partijen SPD, CDU/CSU, FDP en de Grünen.

In de Bondsdag hadden CDU/CSU en FDP van 1982 tot 1998 de meeste zetels. Daarmee kreeg de democratie van Bonn ook in deze moeilijke tijden steun tegen menige rechts-radicale stroming Anderzijds kan niet ontkend worden, dat de politieke partijen in de BRD, alle geroutineerde hectiek buiten beschouwing, tamelijk los van de realiteit opereerden. Hierdoor verloren ze aan aantrekkingskracht, vooral voor jongeren. Voor zover jonge burgers zich überhaupt politiek wilden engageren, hadden de Grünen, die in het begin jaren tachtig op het politieke toneel waren verschenen, de meeste kans op toeloop. Hun onconventioneel optreden, hun compromisloze strijd voor het milieu en tegen atoomenergie en de manier, waarop zij voor de vrede opkwamen en nieuwe samenlevingsvormen voorstonden, wogen zwaarder dan de utopische eigenaardigheden van deze partij.

Het buitenland

In de buitenlandse politiek werd de toenemende globalisering een nieuwe uitdaging. Afspraken tussen de staatslieden konden de handel en wandel van internationale concerns en wereldwijd opererende organisaties amper nog beïnvloeden. Democratisch gekozen colleges konden de hun toevertrouwde taken steeds minder zelf vervullen, omdat supranationale organen beslisten over economische groei, milieu en, ja zelfs, over oorlog en vrede.

Voor de regering Kohl was het nog moeilijker om deze problematiek op te lossen, omdat haar buitenlandse politiek nauw samenhing met de verwerking van de Duitse deling en in het bijzonder met de ontwikkeling van het trans-Atlantisch partnerschap en de bevordering van de samenwerking in Europa.

Kohl zette het Duitsland-beleid en de oostpolitiek van zijn voorgangers voort met eigen accenten. Ook hij trachtte de tegenstellingen tussen Oost en West te verminderen en het ontspanningsproces te bevorderen. Vanwege de militaire zekerheid leek er voor de BRD geen alternatief te bestaan ook al demonstreerden de Verenigde Staten van tijd tot tijd hun superioriteit tegenover het communisme.

Een belangrijk thema van Kohls buitenlandse politiek was de voortgang van de West-Europese integratie — tenminste, zolang de Duitse hereniging er nog niet in zat. In de stijl van een geëngageerde bouwheer zette Kohl zich daarom ook steeds constructief in voor het ontstaan van de Europese Acte (1986) en de Verdragen van Maastricht (1992) en Amsterdam (1997).

Hij onderhield goede betrekkingen met de lidstaten van de Europese Unie: met Frankrijk, omdat hij de Duits-Franse samenwerking als hoeksteen van de Duitse Europapolitiek zag, maar bijvoorbeeld ook met Nederland, dat hij in de loop van zijn ambtsperiode in totaal viermaal officieel bezocht.

Op diplomatiek gebied kon Kohl vanaf 1995 een verbetering van de Duits-Nederlandse betrekkingen bereiken. 'Historisch gezien in zekere zin ironisch', schreef Friso Wielenga in zijn commentaar op de Nederlands-Duitse betrekkingen na de oorlog. Want Kohl werd in 1979 door een links Nederlands publiek nog tamelijk bars over het Duitse onheil in heden en verleden ondervraagd.

Een nieuwe eeuw

De ontwikkeling van de Duits-Nederlandse verhouding leert ons, dat het Europese gemeenschapsidee een belangrijke rol heeft gespeeld in de West-Duitse aanpak van de internationale betrekkingen. Het leert ons ook dat het mogelijk is, met het nodige wederzijdse respect en vertrouwen, dat mensen elkaar politiek en cultureel goed genoeg leren kennen om de verbindende kracht van de Europese gemeenschappelijke kenmerken een kans te kunnen geven.

Ook na de opheffing van de Duitse deling is Duitsland op betrouwbare bondgenoten en goede politieke banden aangewezen. De ervaringen van de voorbije decennia hebben laten zien, dat er alleen onder deze voorwaarden partners en vrienden te vinden zijn, en dat men zich alleen op deze manier verantwoordelijk zal voelen voor vrede en vrijheid; een verantwoordelijkheid die na de bereikte eenheid in het nieuwe millennium duidelijk nog groter geworden is. Dat is de taak die de Bondsrepubliek in de toekomst moet vervullen.

Binnen Duitsland ligt er een bijzonder zware taak voor de overheden, omdat de oude Bondslanden als Beieren en Noordrijn-Westfalen de nieuwe als Thuringen en Brandenburg ook in de toekomst aanzienlijke opbouwhulp zullen moeten verstrekken, om de economische en sociale levensomstandigheden wat meer op gelijk plan te brengen, de heersende werkloosheid te verminderen, de ontwikkelingsperspectieven te verbeteren en iedere vorm van politiek extremisme effectief te bestrijden.

Prof. Dr. Hein Hoebink in Kleio jaargang 43 nummer 1 februari 2002 pagina 5 t/m 11

Literatuur

ULRICH VON ALEMANN, Das Parteiensystem der Bundesrepublik Deutschland, Opladen 2000

ARNULF BARING, Es lebe die Republik, es lebe Deutschland! Stationen demokratischer Erneuerung 1949 — 1999, Stuttgart 1999

ADOLF M. BIRKE, Kation ohne Haus. Deutschland 1945 - 1961, Berlin 1989

FRITS BOTERMAN, WILLEM MELCHING, De Duitse Phoenix. De geschiedenis van Duitsland in de twintigste eeuw, Amsterdam 1996

ECKART CONZE, GABRIELE METZLER (Hrsg.), Deutschland nach 1945. Ein Lesebuch zur deutschen Geschichte von 1945 bis zur Gegenwart, Munchen 1997

KARL DIETRICH BRACHER U. A. (Hrsg.), Geschichte der Bundesrepublik Deutschland, hrsg. v., 5 Bde (Band 5: 2 Teilbnde!), Wiesbaden 1981-1987

HERMANN GLASER, Deutsche Kultur 1945 - 2000, Munchen, Wien 1997

ALFRED GROSSER, Deutschland in Europa, Reinbek bei Hamburg 2000

PETER GRAF KIELMANNSEGG, Nach der Katastrophe. Eine Geschichte des geteilten Deutschland, Berlin 2000

CHRISTOPH KLE(MANN, Die doppelte Staatsgrundung. Deutsche Geschichte 1945 1955, Bonn 1982

CHRISTOPH KLEIiMANN, Zwei Staaten, eine Nation. Deutsche Geschichte 1955 — 1970, Bonn 1988

KARL - RUDOLF KORTE, Wahlen in der Bundesrepublik Deutschland, 3. Auflage Bonn 2000

RALF SCHNELL, Geschichte der deutschsprachigen Literatur seit 1945, Stuttgart, Weimar 1993 bis zur Gegenwart, Munchen 1999

DIETRICH THRANHARDT, Geschichte der Bundesrepublik Deutschland, Frankfurt a. M. 1986

WERNER WEIDENFELD, KARL-RUDOLF KORTE (Hrsg.), Handbuch zur deutschen Einheit, Bonn 1999 (Neuausgabe)

GOTTRIK WEWER (Hrsg.); Bilanz der Ara Kohl, Opladen 1998

FRISO WIELENGA, Van vijand tot bondgenoot. Nederland en Duitsland na 1945, Amsterdam 1999

HEINRICH A. WINKLER, Der lange Weg nach Westen, 2. Bd.: Deutsche Geschichte vom 'Dritten Reich' bis zur Wiedervereinigung, Munchen 2000