We hebben 344 gasten online

De nieuwe ‘Ostpolitik’ van de Bondsrepubliek, 1961-1972

Gepost in Duitsland

spotprent Ostpolitiek

De nieuwe ‘Ostpolitik’ van de Bondsrepubliek, 1961-1972

 

 

De bouw van de Muur in 1961 had het echec betekend van de tot dan toe gevoerde Duitsland – en Oost-Europa- politiek ( ‘Ostpolitik’) van de Bondsrepubliek. Ondanks de onder Konrad Adenauer gevoerde confrontatiepolitiek jegens het Oostblok en de niet-erkenningspolitiek jegens de DDR, was de Duitse eenheid alleen maar verder uit het zicht verdwenen. Het gevaar dreigde dat er niets meer te herenigen zou overblijven, omdat beide delen van Duitsland te zeer uit elkaar zouden groeien. Vanuit deze vrees gingen verschillende politici en publicisten op zoek naar een nieuwe omgang met de deling: toenadering tot het Oostblok. De centrale personen in deze ontwikkeling naar een ‘neue Ostpolitik’ waren de (West-) Berlijnse burgemeester Willy Brandt en zijn adviseur Egon Bahr.

Een nieuw concept

Hoewel de Muur het totale gebrek aan politieke legitimiteit van het Oost-Duitse bewind onderstreepte, was het belangrijkste effect ervan toch een versterking van de stabiliteit van de DDR. De instelling van de bevolking ten aanzien van de Oost-Duitse staat veranderde. Al in juni 1953 was gebleken dat een opstand tegen de communistische heerschappij geen kans maakte, zolang de Sovjet-Unie het SED-regime de hand boven het hoofd hield. Na de afgrendeling van West-Berlijn restte de Oost-Duitsers bovendien niets anders dan zich bij het trekken van hun levensplan te bepalen tot de DDR. De meesten begonnen zich noodgedwongen te 'arrangeren' met het bewind.

Deze accommodatie werd gestimuleerd door de houding van de DDR-leiding, die het in de schaduw van de Muur aandurfde veel van haar fanatisme jegens de eigen onderdanen te laten varen. Bovendien slaagde zij er in de eerste helft van de jaren zestig in de Oost-Duitse economie te versterken en de welvaart aanzienlijk te verhogen.

Op internationaal-politiek vlak versterkte de bouw van de Muur de roep in Oost en West om een vergelijk tussen beide blokken op basis van de status-quo. Deze tendens, die al eind jaren vijftig was ingezet, kreeg nog meer gewicht na de Cubaanse rakettencrisis van oktober 1962. In dit conflict, waarin de wereld op de rand van de afgrond had gebalanceerd, was gebleken dat er een nucleaire patstelling bestond tussen de supermogendheden. Deze maakte het onmogelijk nog langer grootscheepse veranderingen van de status-quo na te streven (althans in Europa en het voor de Verenigde Staten vitale westelijke halfrond). De VS en de Sovjet-Unie begonnen zich te richten op het vinden van een modus vivendi in de onderlinge relaties.

De Amerikaanse president John F. Kennedy ontwikkelde een 'vredesstrategie': door het vlechten van talloze contacten tussen de blokken moest een wereldomvattende belangengemeenschap geschapen worden die toekomstige internationale conflicten onmogelijke zou maken. Voor het welslagen hiervan was het noodzakelijk dat beide blokken de bestaande machtsverdeling voorlopig niet aan de orde zouden stellen. De Sovjet-Unie ging op haar beurt meer uit van de defensieve instelling van het Westen en richtte zich in het kader van haar politiek van vreedzame co-existentie op een gezamenlijke vastlegging van de status-quo in Europa, inclusief het bestaan van de DDR.

Door deze tendens in de richting van ontspanning kwam de Duitse kwestie minder centraal te staan in de internationale politiek. In de optiek van het Westen hoefde de hereniging van Duitsland niet meer zozeer het startpunt voor ontspanning tussen Oost en West te zijn, maar kon zij evengoed het sluitstuk van een langdurig toenaderingsproces vormen.

Voor veel politici en publicisten in Duitsland was het bitter te moeten constateren dat de steun van de NAVO-partners voor de traditionele Duitsland-politiek afkalfde. Viel het velen van hen al zwaar definitief afstand te moeten doen van de voormalige Duitse gebieden ten oosten van de Oder en Neisse, een grote meerderheid achtte acceptatie van het bestaan van de DDR uit den boze.

De Bondsregeringen onder Adenauer (tot 1963) en diens opvolger Ludwig Erhard (1963-1966) hanteerden een defensief buitenlands beleid. Zij trachtten de oude politiek zoveel mogelijk hoog te houden. Zo verklaarde minister van Buitenlandse Zaken Gerhard Schröder (CDU) dat de Bondsrepubliek de status-quo internationaal voortdurend aan de orde diende te stellen.

Met dit standpunt isoleerde West-Duitsland zich binnen de internationale statengemeenschap.

Schröder trachtte wel aan te haken bij de internationaal-politieke trend door de contacten met de Oost-Europese staten aan te halen. Deze politiek had echter slechts beperkt succes, omdat hij weigerde met de Sovjet-Unie afspraken te maken over deze contacten en de DDR heel bewust bleef negeren.

Willy Brandt

Vooral in liberale en sociaaldemocratische kring begonnen politici en publicisten wegen te zoeken om van de ontspanningspolitiek gebruik te maken om de Duits-Duitse verhoudingen beter te regelen.

De centrale rol hierbij speelde de SPD-leider Willy Brandt. Als burgemeester van (West-Berlijn had deze de bouw van de Muur in 1961 van nabij meegemaakt. Uit de passieve houding van de Amerikaanse bondgenoten tegenover de afgrendeling trok hij de conclusie dat de Duitsers zelf het initiatief dienden te nemen in de Duitse kwestie. Samen met zijn naaste medewerker Egon Bahr ontwikkelde Brandt in de vroege jaren zestig een alternatief concept voor de Duitsland- en OostEuropa-politiek van de Bondsrepubliek. Zij sloten daarmee aan bij Kennedy's vredesstrategie.

Tijdens een inmiddels klassiek geworden optreden in juli 1963 verklaarde Bahr dat deze nieuwe aanzet tot ontspanning tussen Oost en West de mogelijkheid bood om via een tijdelijke acceptatie van de status-quo (de Duitse deling) te komen tot een uiteindelijke doorbreking ervan (een verenigd Duitsland). Vertrouwend op de morele kracht van de westerse wereld, die uiteindelijk de doorslag zou geven, zou men kunnen afstappen van de mislukte confrontatiepolitiek en in plaats daarvan kunnen streven naar het aanknopen van zoveel mogelijk contacten met de DDR.

Aan volkenrechtelijke erkenning van de DDR dacht Bahr niet, omdat dit een ontkenning van de Duitse nationale eenheid zou inhouden. Door het vlechtwerk van contacten zouden de betrekkingen tussen de mensen in beide delen van Duitsland versterkt kunnen worden, waardoor op de lange duur de scheidsmuur tussen de twee Duitse staten zou wegvallen.

Bahr doopte dit concept: 'Wandel durch Annaherung' (verandering door toenadering).

Obstakels

In eerste instantie kwam de nieuwe 'Ostpolitik' van Brandt en Bahr alleen tot uiting in een aantal ad hoc-regelingen. Al in 1961 had Brandt afspraken gemaakt met de Oost-Duitse regering om een aantal gezinnen te herenigen die door de Muur waren gescheiden. Deze eerste contacten kregen een vervolg in de passenregelingen, waarmee West-Berlijners eind 1963, alsmede in 1964 en 1965 rond Kerst en Pasen familieleden en vrienden in het oostelijk deel van de stad konden bezoeken. De DDR was daarmee akkoord gegaan, omdat zij de besprekingen met de West-Berlijnse Senaat beschouwde als een stap op weg naar erkenning door het Westen.

Na 1965 was zij echter niet meer tot dergelijke beperkte regelingen bereid en wilde directe onderhandelingen met Bonn. Zolang de CDU/CSU daar nog aan de regering was, bleek dit niet bespreekbaar. Wel bracht de komst van de 'Grote Coalitie' van CDU/CSU en SPD eind 1966 eerste, kleine veranderingen. Zo was CDU-bondskanselier Kurt Georg Kiesinger (1966-1969) in 1967 voor het eerst bereid tot directe correspondentie met zijn collega in de DDR, minister-president Willi Stoph. Daarnaast werd de Duits-Duitse handel en de handel met Oost-Europa krachtig gestimuleerd.

Brandt, die minister van Buitenlandse Zaken was geworden, kreeg voor zijn nieuwe Duitsland-politiek echter nog onvoldoende ruimte.

De DDR reageerde argwanend op Brandts nieuwe concept voor de Duitsland-politiek. Zij vreesde dat Bonn en Moskou het buiten haar om op een akkoord zouden gooien. Bovendien beschouwde de SED toenadering van West-Duitsland als een groot risico voor haar bewind vanwege de Duist-nationale gevoelens die erdoor opgewekt zouden kunnen worden. Om dit gevaar te bezweren stuurde de DDR aan op een zo groot mogelijke ideologische 'Abgrenzung' jegens de Bondsrepubliek.

Ter legitimatie van die afscherming ontwikkelde de SED vanaf 1966 de theorie dat zich op het Duits grondgebied sinds 1945 twee verschillende culturen hadden ontwikkeld: enerzijds de West-Duitse, kapitalistische traditie die geheel in de lijn van het agressieve Pruisisch -Duitse imperialisme stond en anderzijds de Oost-Duitse cultuur, de incorporatie van alle progressieve, humanistische tradities in de Duitse geschiedenis.

De DDR beschouwde zichzelf vanuit deze gedachte als de 'sozialistische Staat Deutscher Nation', zoals het in de nieuwe grondwet van 1968 werd geformuleerd. Een jaar eerder was ook een apart staatsburgerschap van de DDR ingevoerd, waarmee haar inwoners niet meer formeel als 'Duitsers' maar als 'DDR-burgers' werden aangeduid.

Nederlanders naar de DDR

Tegelijk voerde de DDR haar campagne voor internationale erkenning op. Buitenlandse delegaties werden uitgenodigd om de verworvenheden van de Oost-Duitse arbeidersklasse te aanschouwen en vervolgens in hun land van herkomst de erkenning van de tweede Duitse staat te bepleiten.

Begin 1966 viel deze eer te beurt aan een groep van vier jonge Nederlandse journalisten, alle vier actieve PvdA'ers. De leider van de delegatie was het jonge partijbestuurslid Jan Nagel.

Ondanks hun kritiek op de Muur en het gebrek aan democratie, pleitten deze PvdA'ers na thuiskomst ervoor dat Nederland de DDR zou erkennen. Dit pleidooi bleek de opmaat voor een erkenningsdebat in Nederland, dat zijn hoogtepunt beleefde toen het PvdA-congres in 1969 op aandringen van Nieuw Links de Nederlandse regering opriep tot onvoorwaardelijke en onmiddellijke erkenning van de DDR.

Ook in andere landen ontstonden erkenningscomités of werd op andere wijze voor de opname van de DDR in de internationale statengemeenschap gestreden. Meestal werden die comités en dergelijke direct of indirect aangestuurd vanuit Oost-Berlijn. In 1968 werd op instigatie van de DDR in Helsinki zelfs een internationaal erkenningscomité opgericht.

Het succes van de erkenningscampagne was zeer gering. Alleen enkele Arabische en Aziatische landen gingen tegen het eind van de jaren zestig overstag. Toch ging er een zekere druk vanuit in de richting van de Bondsrepubliek, waar meer mensen begonnen in te zien dat de westerse niet-erkenningspolitiek niet het eeuwige leven had.

Egon Bahr zag dit als een belangrijke motivatie voor de Bondsrepubliek om snel zelf het initiatief tot (beperkte) erkenning te nemen, nu de Sovjet-Unie en de DDR nog bereid waren daar bepaalde concessies op het vlak van de Duits-Duitse contacten tegenover te stellen.

Onderhandelingen

Na de Bondsdagverkiezingen van 1969 kregen Brandt en Bahr de kans om hun nieuwe concept voor de Duitsland-politiek in de praktijk te brengen. Op grond van de uitslag kon met een zeer kleine meerderheid een coalitieregering van SPD en FDP worden gevormd, onder leiding van Brandt. De liberalen, die eerder dan de SPD voor een beperkte erkenning van de DDR hadden gepleit, waren bereid de nieuwe Duitsland-politiek mede te dragen; hun leider Walter Scheel werd minister van Buitenlandse Zaken.

In zijn regeringsverklaring op 28 oktober 1969 sprak de nieuwe bondskanselier voor het eerst van twee staten in Duitsland, die hun onderlinge betrekkingen per verdrag zouden moeten regelen. Een volkenrechtelijke erkenning was echter niet aan de orde, omdat de beide Duitse staten voor elkaar nooit buitenland zouden kunnen zijn.

Beter dan voorgaande kabinetten begreep de regering van SPD en FDP dat zij bij haar toenadering tot de DDR rekening moest houden met Moskou. Zij zag de Sovjet-Unie ook niet meer als een agressieve, expansionistische staat, maar als een voorzichtig opererende mogendheid die voornamelijk uit was op de handhaving van de eigen veiligheidsbelangen.

Dat de 'neue Ostpolitik' niet betekende dat de Bondsrepubliek de banden met het Westen losser wilde maken, bleek uit de voortdurende consultatie van de westerse Grote Drie en de overige NAVO-partners. Die inbedding van de Oost-Europa-politiek in het bondgenootschappelijke overleg was ten dele bedoeld om de angst bij sommige bondgenoten weg te nemen voor een Duitse 'Alleingang' of een Duits-Russisch akkoord naar het model van Rapallo (1922). Zij was echter van meer dan alleen tactische aard: voor Brandt was de 'neue Ostpolitik' een aanvulling op Adenauers 'Westbindungspolitik' en geen vervanging daarvan.

Na aftastend overleg in december 1969, begon Bahr, als onderhandelaar van de Bondsregering, eind januari 1970 in Moskou besprekingen met de Russische minister van Buitenlandse Zaken Andrej Gromyko over de West-Duitse verhouding tot Oost-Europa. De uitkomst was het Verdrag van Moskou dat op 19 augustus 1970 werd ondertekend. De belangrijkste concessie van West-Duitsland was de erkenning van de Europese status-quo. De bestaande grenzen, inclusief de Duits-Duitse en de Duits-Poolse grens, werden onschendbaar genoemd, hetgeen wilde zeggen dat zij niet met geweld mochten worden verlegd; een vreedzame grenswijziging werd echter niet verboden.

Het Verdrag van Moskou was bedoeld als raamwerk voor de normalisering van de West-Duitse verhoudingen met de DDR, Polen en Tsjecho-Slowakije. De Bondsrepubliek verklaarde in het verdrag de DDR voortaan op een gelijkwaardige manier te zullen behandelen. Al wees zij volkenrechtelijke erkenning van de DDR nog steeds af, eventuele verdragen van beide Duitse staten zouden wel een volkenrechtelijk karakter hebben.

Het eerste Oost-Europese land waarmee de Bondsrepubliek na de ondertekening van het Verdrag van Moskou een akkoord wist te bereiken was Polen. Op 9 december 1970 bracht Brandt een bezoek aan de Poolse hoofdstad, waar hij het Verdrag van Warschau ondertekende.

Brandt's knieval in 1970 Warschau

De Bondsrepubliek erkende daarbij de facto de Oder-Neisse-grens (formeel geschiedde dat pas in 1990). Brandts bezoek aan Warschau werd beeldbepalend voor de 'Ostpolitik' door zijn knieval voor het monument bij het voormalige joodse getto in Warschau. Dit gebaar van de bondskanselier, zelf slachtoffer van de nazi's, was symbolisch voor de door de 'Ostpolitik' belichaamde afrekening met het verleden en voor de achterliggende morele kracht.

Erfurt en Kassel

Tegen de achtergrond van de besprekingen in Moskou vonden de eerste ontmoetingen plaats tussen de regeringsleiders van beide Duitse staten. In maart 1970 werd Brandt door Stoph ontvangen in Erfurt in de DDR en in mei bracht Stoph een tegenbezoek aan Brandt in het West-Duitse Kassel.

Brandts reis naar Erfurt maakte duidelijk dat de vrees van het DDR-bewind voor de mogelijke reacties onder de Oost-Duitsers op de 'Ostpolitik' niet ongegrond was geweest. Het traject, dat de speciale trein die Brandt naar Erfurt bracht, aflegde, was vanaf de grens omzoomd door wuivende mensen. Na zijn aankomst verzamelde zich een menigte Oost-Duitsers op het plein voor hotel Erfurter Hof, die in spreekkoren 'Willy Brandt ans Fenster!' riepen. Na enige tijd kwam deze dan ook te voorschijn en gebaarde met zijn handen dat reserves geboden waren. Hij was diep bewogen door de intensiteit van het hier geuite saamhorigheidsgevoel en vreesde voor de consequenties als teveel hoop opgewekt zou worden.

Twee maanden later in Kassel was de stemming veel grimmiger. Rechts-extremistische demonstranten verbrandden de DDR-vlag en raakten slaags met communistische tegenhangers.

Bij de officiële besprekingen ging het natuurlijk vreedzamer toe, maar concrete verbeteringen van de Duits-Duitse relaties brachten zij niet; de ontmoetingen waren door beide partijen dan ook vooral bedoeld om tegenover de Sovjet-Unie van goede wil te getuigen.

Pas enkele maanden na de ondertekening van het Verdrag van Moskou startten beide Duitse regeringen een serie vertrouwelijke gesprekken. Deze sleepten zich slechts moeizaam voort. De Oost-Duitse partij- en staatsleider Walter Ulbricht bekeek de toenaderingspogingen van Bonn met argusogen. Net als Bahr constateerde hij een internationale tendens in de richting van erkenning van de DDR. Hij was ervan overtuigd dat zijn staat ook zonder concessies te doen aan Bonn binnen enkele jaren in de internationale statengemeenschap opgenomen zou worden. De nieuwe 'Ostpolitik' dreigde nu een streep door deze rekening te halen.

Om dit te voorkomen trachtte Ulbricht de toenadering tussen Bonn en Moskou zoveel mogelijk te blokkeren. Maar zijn waarschuwingen voor de 'imperialisten' in Bonn waren tot dovemansoren gericht. De Sovjet-leiders ergerden zich in de loop van 1970 steeds meer aan de oude DDR-leider, die ook op economisch en zelfs ideologisch gebied steeds eigengereider werd.

In het Oost-Duitse Politburo wierp Erich Honecker zich steeds meer op als de ware vertegenwoordiger van de Sovjetbelangen in Oost-Berlijn. Nadat de Russische partijleider Leonid Brezjnev hem te verstaan had gegeven dat zijn tijd gekomen was, maakte Ulbricht in mei 1971 plaats voor de jongere Honecker.

Toen de Grote Vier (de bezettende mogendheden) in september 1971 vervolgens een Akkoord over Berlijn bereikten, waarmee de positie van West-Berlijn was veiliggesteld, was vooruitgang in de Duits-Duitse onderhandelingen mogelijk.

De eerste doorbraak vormde een overeenkomst over de post- en telegraafverbindingen tussen beide staten (inclusief Berlijn), waartoe de Bondsrepubliek en de DDR op 30 september 1971 besloten. Op 17 december volgde het 'Berlin-Transit-Abkommen', over het doorgaande verkeer tussen West-Duitsland en West-Berlijn. Deze akkoorden vormden de eerste bilaterale stappen in de richting van erkenning.

Met de steun van de Verdragen van Moskou en Warschau en het Viermogendhedenakkoord over Berlijn was het Bonn daarbij gelukt twee belangrijke Oost-Duitse desiderata te omzeilen: de akkoorden bleven onder het niveau van een volkenrechtelijke erkenning en de DDR had moeten accepteren dat de Bondsregering namens West-Berlijn onderhandelde.

Het 'Grundlagenvertrag'

Dat beide Duitse staten hierna niet meteen doorstoomden naar onderhandelingen over een raamverdrag voor de wederzijdse betrekkingen, was vooral te wijten aan de grote politieke strijd in de Bondsrepubliek die aan de ratificatie van de Verdragen van Moskou en Warschau door de Bondsdag voorafging. De afspraken over de DDR en de grenzen stuitten in de Bondsrepubliek op felle oppositie van de CDU/CSU. Om de oppositionele krachten haar vasthoudendheid inzake de nationale eenheid te tonen, had de Bondsregering aan het Verdrag van Moskou nog een 'brief over de Duitse eenheid' toegevoegd, die door de Sovjets gelaten werd geaccepteerd. Voor de oppositie was dit echter onvoldoende. Uiteindelijk wist Brandt de beide verdragen, na maar net aan een motie van wantrouwen te zijn ontsnapt, op 17 mei 1972 door het parlement te loodsen.

Medio juni begonnen Bahr en Kohl vervolgens de geplande onderhandelingen over het aanknopen van officiële betrekkingen en op 8 november 1972 was een ontwerpverdrag gereed. Na de Bondsdagverkiezingen van 19 november 1972 waarin de regeringspartijen een grote zege boekten, volgde op 21 december 1972 de ondertekening van het zogeheten 'Grundlagenvertrag' (Basisverdrag) voor de Duits-Duitse betrekkingen. Hiermee verwierf de DDR weliswaar niet de gewenste volkenrechtelijke erkenning, maar de Bondsrepubliek kende haar wel een gelijkgerechtigde positie in de internationale politiek toe.

Met deze staatsrechtelijke erkenning (zoals Bonn het noemde) gaf de West-Duitse regering de aanspraak op alleenvertegenwoordiging van het Duitse volk tegenover het buitenland op. Ook ging Bonn akkoord met een Oost-Duits lidmaatschap van de Verenigde Naties.

Op haar beurt beloofde de DDR de onafhankelijke positie van West-Berlijn ten opzichte van Oost-Duitsland en de banden van de stad met West-Duitsland te respecteren. Daarnaast liet de DDR de eis vallen dat Bonn het Oost-Duits staatsburgerschap officieel zou erkennen. Voorts nam zij genoegen met de uitwisseling van permanente vertegenwoordigingen in plaats van ambassades. Beide laatste punten waren uitdrukking van de West-Duitse opvatting dat de twee Duitse staten geen buitenland voor elkaar konden zijn. Ook ging zij akkoord met een regeling voor het 'kleine grensverkeer', waardoor in de regio's langs de Duits-Duitse grens familie- en vriendschapsbanden opnieuw konden worden aangehaald. Ten slotte stond zij toe dat Oost-Duitsers in de toekomst in dringende familieaangelegenheden naar het Westen mochten reizen.

Het 'Grundlagenvertrag' maakte een einde aan een periode van meer dan twintig jaar waarin beide Duitse staten grotendeels langs elkaar heen hadden geleefd. De Bondsrepubliek en de DDR leken nu hun relaties te hebben genormaliseerd, al klonk in het commentaar van Egon Bahr op de nieuwe situatie een grote dosis scepsis door:

'Tot nu toe hadden we geen betrekkingen, nu zullen we slechte hebben, en dat is de vooruitgang'.

Besluit

Deze opmerking van Bahr voert naar de vraag wat Brandts 'neue Ostpolitik' voor Duitsland en voor de saamhorigheid van Oost- en West-Duitsers heeft betekend.

Voor Duitslands internationale positie was deze ontspanningspolitiek van grote waarde. De 'Ostpolitik' bracht een normalisatie van de relatie met Moskou en de andere Oost-Europese staten. Daardoor nam het wantrouwen jegens de Duitsers en jegens de Bondsrepubliek in de Oost-Europese hoofdsteden af. Bondskanselier Helmut Kohl en minister van Buitenlandse Zaken Hans-Dietrich Genscher, die de 'Ostpolitik' overigens ook na de machtswisseling in Bonn van 1982 grotendeels op de oude voet hadden voortgezet, konden daarvan in de crisismomenten de vruchten plukken in de nazomer en herfst van 1989 en tijdens het onderhandelingsproces over het herstel van de Duitse eenheid in 1990.

Voor de Duits-Duitse betrekkingen heeft de 'neue Ostpolitik' zowel positieve als negatieve effecten gehad. Aan de ene kant bleek de wederzijdse erkenning tussen beide Duitse staten een enorme stimulans voor de onderlinge betrekkingen, vooral op het vlak van de persoonlijke contacten. De speciale relatie van beide Duitse staten onderstreepte ook enigszins het gezamenlijke, nationale verband. Aan de andere kant verkreeg de Duitse deling in de jaren zeventig, door de westerse acceptatie van het SED-bewind en de relatieve stabiliteit en welvaart van de DDR, meer en meer de schijn van normaliteit. In West-Duitsland hechtte men minder aan het ideaal van nationale eenheid. Zowel ter linker- als ter rechterzijde richtte men zich meer op de Bondsrepubliek.

De zeer verregaande samenwerking van Oost- en West-Duitse politici in de tweede helft van de jaren tachtig versterkte dit nog.

Daardoor raakte in het Westen het einddoel van de 'neue Ostpolitik' uit de jaren zestig wel eens uit het zicht.

In de DDR bleef de gehechtheid aan de eenheid echter groot, mede door de intensieve Duits -Duitse relatie. De Oost-Duitsers voelden zich daardoor minder vergeten. Mede door de 'Ostpolitik' durfden zij nog te hopen op een betere toekomst dan de alledaagse utopie van het 'arbeidersparadijs', waarin zij leefden.

Dr.Jacco Pekelder in Kleio 40e jaargang nummer 8 december 1999 pagina 8 t/m 13