We hebben 222 gasten online

West-Duitsland onder Kiesinger en Brandt 1966-1974

Gepost in Duitsland

Kiesinger en Brandt

Kiesinger en Brandt

WEST-DUITSLAND ONDER KIESINGER EN BRANDT(l966-1974)

Brandt meester

In de interne situatie en in de internationale positie van de Duitse Bondsrepubliek hebben zich sinds 1966 belangrijke wijzigingen voltrokken. De SPD, die onder Adenauer steeds de oppositiebanken bezette, heeft de CDU/CSU overvleugeld. Bonns democratisch bestel heeft bewezen de proef van een regeringswisseling te kunnen doorstaan. De Bondsrepubliek bestaat nu al tien jaar langer dan de republiek van Weimar, waarmee pessimistische commentatoren, vooral in het buitenland, haar steeds vergelijken. West-Duitslands economische kracht staat ook niet langer in tegenstelling met het ontbreken van een zelfstandige inbreng in de internationale politiek: de eenzijdige oriëntatie op Washington en West-Europa heeft een aanvulling gekregen in de Ostpolitik.

De verleiding is groot de verschillen voor en na de val van bondskanselier Ludwig Erhard (eind 1966) terug te brengen tot de tegenstelling tussen de politieke leiders die de desbetreffende perioden door hun persoonlijkheid zijn gaan beheersen, Konrad Adenauer en Willy Brandt. Een era-Adenauer is er zonder twijfel geweest. De vanzelfsprekende autoriteit waarmee der Alte regering en partij bestierde, rechtvaardigt een typering van zijn bewindsperiode als de Kanzlérdemokratie. Om nu al te spreken over een periode-Brandt is nog wat te vroeg, maar in ieder geval kan thans al worden vastgesteld dat Brandt de capaciteiten bezit om geboden kansen te benutten.

Met de val van de regering-Ehrhard werd in 1966 de aflossing ingeluid van de era-Adenauer door de periode-Brandt. Aan het afbreken van de politieke carrière van zijn opvolger had der Alte nog volop meegewerkt. Zijn invloed in de CDU reikte evenwel niet ver genoeg meer om een beslissing te forceren gunste van zijn persoonlijke kandidaat.

Kurt Georg Kiesinger, sinds 1958 minister-president van de deelstaat Baden-Wurttentberg, verkreeg de nominatie voor het vacante kanselierschap. Zijn kandidatuur was een compromis, gesteund door de CSU, de Beierse zusterpartij van de CDU.

Erhards val kwam een jaar nadat hij zijn partij een eclatante verkiezingszege had bezorgd. De door hem veroorzaakte impasse was vrijwel compleet: de economie, jarenlang Erhards fort, was in recessie; internationaal stond Bonn geïsoleerd, ook tegenover zijn bondgenoten; de liberale FDP-ministers waren uit hei coalitiekabinet gestapt. De situatie werd alarmerend toen Erhard een parlementaire meerderheid tegenover zich vond van FDP en SPD. Voor de CDU doemde daarmee het spookbeeld op in de oppositie te moeten gaan. Voor de partij die sinds de oprichting van de Bondsrepubliek de regeringen had bepaald, bleef dan ook geen ander alternatief over dan Erhards val.

Even leek er nog kans op een FDP-SPD- regering, het ontbreken van een stabiele meerderheid in de Bondsdag en de volgehouden weigering van de FDP belastingverhogingen te accepteren deden die mogelijkheid echter teniet.

Brandt, maar vooral Herbert Wehner lieten evenwel de kans niet glippen om voor het eerst sinds 1930 weer sociaaldemocraten in de regering te brengen. Op 1 december 1966 werd de 'Grote Coalitie' tussen SPD en CDU/CSU definitief een feit: Kurt Georg Kiesinger werd met 340 stemmen voor, 109 tegen en 23 onthoudingen tot bondskanselier gekozen.

De bezwaren tegen het monsterverbond kwamen met name van links. Kiesinger kwam de kritiek tegemoet met de verzekering dat het de vaste wil van de partners was hun samenwerking slechts tijdelijk, dus tot het einde van de parlementaire periode voort te zetten. De coalitie werd zo al vanaf liet eerste optreden onder de druk van de komende verkiezingen geplaatst. Dat ontnam de stootkracht aan het kabinetsbeleid en spitste de tegenstellingen tussen de coalitiegenoten toe.

Scherpe confrontatie

Bij de verkiezingen van 1969 kon de balans worden opgemaakt van de polarisatie en radicalisatie van het politieke klimaat. De 'Grote Coalitie' bleek een overgangsregering en een overgangsfase te zijn geweest. De CDU bleef in combinatie niet de CSU de grootste stemmenverzamelaar met 46.1 %,. De groei naar een tweepartijensysteem ging onverminderd door. De voorspelde afbrokkeling naar links van de SPD had zich evenwel niet voorgedaan. De SPD behaalde zelfs winst, vooral in de grote industriecentra in het Rijnland, waar katholieke arbeiders naar haar rijen overstapten en zodoende ook voor de Bondsrepubliek een proces van deconfessionalisering inluidden, De liberale FDP haalde nog net de kiesdrempel van 5%.

De koerswending naar 'links', tijdens het partijcongres van 1968 ingezet, was te laat gekomen. De conservatieve aanhangers waren in groten getale naar de CDU doorgestroomd. De meer 'nationaal' ingestelde liberalen had den kennelijk hun heil bij de NPD gezocht en gevonden. Tot veler opluchting was deze neonazistische partij onder leiding van Adolf von Thadden buiten de Bondsdag gebleven.

Het hoogtepunt van de NPD --- ontstaan tijdens de dalende conjunctuur onder Erhard was voorbij. Haar aantrekkingskracht had gelegen in het bespelen van de nationalistische ressentementen , waarbij gastarbeiders, linkse pers en studenten evenzeer een mikpunt vormden als progressieve hoogleraren. De snelle opkomst van de NPD bij verschillende deel staatverkiezingen had de Sovjet-Unie stof gegeven de beschuldigingen aan het adres van Bonn inzake rechts revanchisme kracht bij te zetten. In de verkiezingsuitslagen van 1969 kwam ook het verhevigde politieke bewustzijn van de jonge generatie tot uiting. In acties en demonstraties had zij de voorgaande jaren in tal van kwesties partij gekozen: tegen de sjah van Perzië, de oorlog in Vietnam, de grote coalitie, het Notstandgesetz en autoritaire verhoudingen. Op NPD en Springer-concern waren de jongeren het meest gebeten, vooral na de aanslag op Rudi Dutschke, de leider van de socialistische studenten. De tol aan slachtoffers bij deze woede-uitbarstingen had echter geleid tot bezinning op het gebruik van geweld. Een uitzondering hierop vormden de zogenaamde Baader-Meinhofgroep en gelijkgezinde radicalen die een uitzichtloze guerrilla tegen het kapitalisme begonnen.

Het door protestacties en NPD opgeroepen klimaat spitste ook de confrontaties tussen de partijen in de verkiezingsstrijd toe. De FDP haakte in op de maatschappijkritiek en trad uit de oppositiekuur te voorschijn met een vernieuwd liberaal elan. Erich Mende moest als partijleider plaats maken voor Walter Scheel. Mendes positie bij de Investors Overseas Services, inmiddels berucht geworden en geliquideerd vanwege zijn speculaties, werd geacht niet te combineren te zijn met zijn politieke functie.

De jonge hoogleraar in de sociologie, Ralph Dahrendorf, de woordvoerder van de nieuwe koers, legde de FDP verder vast op een politiek die alleen de SPD als mogelijke regeringspartner openliet. Dat bleek bij de keuze van een opvolger van bondspresident Lubke. De FDP stemde voor de SPD-kandidaat Gustav W. Heinemann, die daardoor de eerste socialist in dit ambt werd.

Inzake de buitenlandse politiek liepen de visies van de FDP en SPD vrijwel parallel. Beide stonden normalisatie van de betrekkingen met de andere Duitse staat voor, beide waren voor het opgeven van de Hallstein -doctrine en wilden de claim op het alleen vertegenwoordigingsrecht van Bonn in kwesties die heel Duitsland betroffen, laten vallen.

En juist de buitenlandse politiek speelde in de verkiezingsstrijd een grote rol. De andere kwesties, zoals de revaluatie van de mark, hadden te zeer een technisch karakter om behalve de politici ook het grote publiek te interesseren. De inmiddels weer goed op gang gekomen economische ontwikkeling vormde voor de CDU/CSU weinig aanleiding de kiezers te herinneren aan de prestaties van SPD-minister professor Karl Schiller. In 1968 had hij geweigerd in te gaan op de Angelsaksische en Franse druk om de mark te revalueren. De geschrokken reactie in het buitenland was: `De Duitsers kunnen weer nee zeggen.' In de internationale politiek was het prestige van Bonn door de weigering vergroot.

CDU 1969

De CDU-verkiezingsleuze 'Auf den Kanzler komt es an'kreeg na de verkiezingen een onverwachte betekenis. De pogingen tot de vorming van een regeringscombinatie resulteerden namelijk in een mini-coalitie van SPD en FDP. Daaraan kon het feit dat de CDU/CSU haar verkiezingswinst interpreteerde als een mandaat om verder te regeren niets veranderen. Op 21 oktober 1969 werd Brandt met slechts twee stemmen boven het vereiste minimum tot bondskanselier gekozen. Een spel met marginale meerderheden kon beginnen: theoretisch kon Brandt in de Bondsdag rekenen op een meerderheid van twaalf stemmen.

Voor het kritische publiek in het buitenland was Brandts verkiezing een geruststelling: het democratische bestel was ook op Duitse bodem levensvatbaar gebleken. De parlementaire minderheid kon meerderheid worden, de regering oppositie. De SPD had het bewijs geleverd regierungsfähig te zijn. De vaste wil om in de regering te blijven had de SPD tot uitdrukking gebracht in het tot regeringsprogramma omgedoopte verkiezingsprogramma.

Bij de verkiezingen in 1972 werd de SPD met 45,9% de grootste partij. De NPD viel terug van 4,3% tot 0,6%. De totalen van de SPD en CDU/CSU samen overschreden de 90%, dit ten koste van de niet in de Bondsdag vertegenwoordigde partijen, die samen nog geen vol procent wisten te scoren. Dit hield in dat de CDU/CSU naar rechts was geschoven, terwijl de SPD door haar reformistische politiek steeds meer acceptabel bleek voor de kiezers van het midden. Toch had de SPD ook haar linkervleugel weten vast te houden.

Vergeleken met de verkiezingen van 1969 was er een afwijkende tendens: het herstel van de FDP. De FDP bleek bij de kiezers meer vertrouwen te genieten dan bij haar eigen parlementariërs. Onder anderen was namelijk ook oud-partijchef Erich Mende overgelopen naar de oppositiebanken. Enkelen waren zelfs toegetreden tot de CDU! Met 8,4% van de stemmen wist de FDP zich niet alleen te consolideren, maar zelfs verloren terrein terug te winnen. Het lijkt erop dat daarmee de groei naar een tweepartijenstelsel voorlopig geblokkeerd is. Voor de FDP was een versterkte wippositie het resultaat.

In het tweede kabinet-Brandt verkreeg de FDP dan ook behalve de portefeuilles van Buitenlandse Zaken. Binnenlandse Zaken en Landbouw bovendien nog de sleutelpost van Economische Zaken. Van de kant van de SPD was dit echt geen geste van dankbaarheid. Brandt moest er het gemor van zijn linkse achterban voor lief bij nemen. Vooral de Jusos, de jong-socialisten, wilden ernst maken met de toegezegde hervormingen en democratisering.

Maar 2- zaken als het sluiten van de mazen voor belastingontduiking en een paritaire arbeidersafvaardiging in de raden van commissarissen van bedrijven vonden in de FDP geen enthousiaste promotors. De aanpak van kwesties als woningbouw, ruimtelijke ordening en milieuvervuiling leverde wel duidelijke en aansprekelijke resultaten op. De meest spectaculaire successen van de regeringen-Brandt liggen evenwel in de buitenlandse politiek.

Brandts buitenlandse politiek

De uitgangspositie die Brandt in december 1967 als minister van buitenlandse zaken erfde, was geenszins rooskleurig. De grondwet van de Bondsrepubliek, die als doel van de voorlopige Duitse staat de Duitse hereniging noemt, was voor elk beleid een zware hypotheek. In feite vereiste dit niet minder dan een verandering van de status-quo in Europa. Deze optie had de Westduitse politiek volledig verankerd in de koude-oorlogstellingen. Betrekkingen werden slechts onderhouden met het Westen. Tot het optreden van De Gaulle was daarbij het verschil tussen Atlantische samenwerking en Europese integratie nauwelijks relevant. Diens erkenning van de Oder-Neissegrens en onafhankelijke opstelling tegenover de Verenigde Staten brachten de dialoog Moskou-Parijs tot stand. Door het afsluiten van een Frans-Duits vriendschapsverdrag had Adenauer nog voorzichtig geprobeerd te profiteren van de mogelijkheden die de ontspanningspolitiek internationaal bood. Zijn opvolger Erhard daarentegen had zich, ondanks sterk verzet van de Beierse CSU, weer helemaal op de Atlantische koers vastgelegd. Het resultaat was een verkoeling tussen Bonn en Parijs. Vietnam-zorgen en voorbereidende besprekingen tussen Washington en Moskou over een non-proliferatieverdrag, dat de club van atoommogendheden select moest houden, maakten duidelijk dat ook de Verenigde Staten belang hadden bij een de-escalatie van de spanningen in Europa.

De regering-Kiesinger stelde dan ook haar beleid in het teken van de ontspanning. Herinnerd werd aan de historische brugfunctie van Duitsland tussen Oost en West. De samenwerking met Frankrijk werd het kristallisatiepunt genoemd van een politiek die zich de vereniging van Europa ten doel stelde. Dat vereniging van Europa hereniging van Duitsland zou kunnen uitsluiten, was voor Bonn nog een nachtmerrie: erkenning van de DDR als een tweede Duitse staat was uitgesloten, aan de eenheid van de Duitse natie werd vastgehouden.

Brandts start leek overigens veelbelovend. Al in januari 1968 werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt met Roemenië. De Hallstein-doctrine, die erkenning van de DDR als een voor Bonn onvriendelijke daad beschouwde, welke tot verbreking van de contacten kon leiden, leek opgeheven wat Oost-Europa betrof. Ook met Joegoslavië, het eerste slachtoffer van de doctrine, werden weer officiële banden aangeknoopt. Deze eerste successen brachten Ulbricht echter tot een rechtstreeks tegenoffensief. In bilaterale verdragen met de overige Oostbloklanden legde hij vast dat een volkenrechtelijke erkenning van de DDR door Bonn aan het herstel van de betrekkingen met de Duitse Bondsrepubliek vooraf diende te gaan.

Ook in een briefwisseling tussen Kiesinger en de Oostduitse premier Will Stoph werd de bondsregering nu met deze omgekeerde Hallstein-doctrine geconfronteerd. Moskous steun aan Ulbricht kwam voort uit eigen motieven: de handelsbetrekkingen en ontspanningspolitiek van West-Duitsland ten opzichte van zijn oude Oosteuropese klantenkring hielden het gevaar in van een desintegratie van het Oostblok. En op een herhaling van de ontwikkelingen in 1956 was de Sovjetunie geenszins gebrand. Bij de inval van de legers van het Warschaupact in Tsjechoslowakije in 1968 heette het dat deze door het West-Duitse revanchisme was uitgelokt. Achter deze dekmantel vond de toepassing plaats van de Brezjnewdoctrine die de socialistische solidariteit stelt boven nationale soevereiniteit.

Ook met het Frankrijk van De Gaulle kwam een verbetering in de betrekkingen tot stand. De meer praktische opstelling van Bonn inzake de bevoegdheden van de Europese lichamen vond bij de Franse president waardering, de, aandrang tot het toelaten van Groot-Brittannië minder. De economische kracht van de Bondsrepubliek, gebleken bij de weigering te revalueren, bracht De Gaulle er zelfs toe in een toenadering tot Londen een tegenwicht te zoeken tegen Bonn.

Twee Duitse staten

verkiezingen 1972

Verkiezingen 1972

Bondskanselier Brandt oogstte op het gebied van de buitenlandse politiek meer succes dan minister Brandt. Hij begon meteen met het uitvoeren van zijn regeringsintenties. Het non-proliferatieverdrag werd getekend en de bereidheid tot onderhandelen gelijktijdig in Berlijn, Warschau en Moskou gepeild. De Sovjet-Unie reageerde positief op de kans de na Praag verkilde situatie aan haar westgrenzen te ontdooien. De eis dat een de juryerkenning van de DDR aan onderhandelingen moest voorafgaan, werd niet langer gesteld. Moskou besefte dat het optreden van de SPD/FDP -coalitie een niet meer terugkerende gelegenheid bood tot een modus-vivendi in Midden -Europa te komen.

De doorbraak in de relaties voltrok zich vanaf dat moment stap voor stap, in een afmattend. kritisch en vaak pijnlijk proces. Keerpunten hierin waren de verdragen van Warschau en Moskou en het viermogendheden akkoord over de status van West-Berlijn. De Oder-Neisse-grens werd erkend, evenals de demarcatielijn uit de Tweede Wereldoorlog tussen West- en Oost-Duitsland. Bonn beloofde de status-quo te erkennen. Moskou zag in ruil daarvoor af van het door haar geclaimde recht eventueel in de Bondsrepubliek te mogen interveniëren en eiste niet langer dat West-Duitsland uit de NAVO zou treden. Inzake het recht West-Berlijn internationaal te vertegen%5oordigen was Moskou minder bereid tot concessies.

Dat bleek ook in 1973 en 1974 toen Bonn in onderhandelingen met de Oost-Europese staten er meer probeerde uit te slepen dan de letter van de tekst die uitdrukkelijk sprak over vertegenwoordiging van personen. Navrant was dat de regering in Praag zelfs te verstaan kreeg dat zij inzake de ongeldigheidsverklaring van het beruchte Verdrag van München van 1938 wel tot een bepaalde schikking diende te komen, maar inzake 'West-Berlijn' pal moest staan. Wat de hereniging van Duitsland betreft: de Sovjetregering was slechts genegen nota te nemen van de West-Duitse hoop dat deze eens op vreedzame wijze tot stans zou komen.

Deze regelingen lieten overigens de rechten van de vier bezettingsmachten van Duitsland ten aanzien van het nog steeds niet gesloten vredesverdrag onverkort. De ontmoetingen tussen bondskanselier Brandt en premier Stoph waren historische momenten die duidelijk aantoonden hoe ver de twee delen van Duitsland uit elkaar waren gegroeid. Tegelijkertijd werd echter, vijfentwintig jaar na de oorlog, de basis gelegd voor het vreedzaam naast elkaar bestaan van Oost- en West-Duitsland. Lange reeksen onderhandelingen en verdragen over deelaspecten gingen vooral' aan het tot stand komen van een basisverdrag dat op 21 december 1972 getekend werd. Het regelt de betrekkingen tussen de Bondsrepubliek en de DDR. Als resultaat hiervan konden in 1973 de twee Duitse staten lid worden van de Verenigde Naties.

Terwijl stap voor stap de hindernissen werden genomen die de verbetering van de betrekkingen met de Oost-Europese staten in de weg stonden, zorgde Brandt ervoor dat de contacten met het Westen open bleven. Op dit punt vertoonde zijn regeringspolitiek een bewuste evenwichtigheid. De erkenning van de betekenis van de Verenigde Staten voor de veiligheid van Europa ging samen met de wil de Europese samenwerking uit te diepen en te verbreden. Brandts Ostpolitik, warm gesteund en bekwaam geleid door Walter Scheel, FDP -minister van buitenlandse zaken, betekende een aanvulling op en een doorbreking van de eenzijdige oriëntatie op Washington en West-Europa onder Adenauer. Bonn verwierf daardoor meer ruimte voor een eigen inbreng in de internationale politiek. Niet langer stond West-Duitslands economische kracht in tegenstelling met het ontbreken van een eigen buitenlands beleid.

Het was een opluchting voor de bondgenoten dat zij niet langer borg hoefden te staan voor de failliete Duitse hereniginghypotheek. In eigen land verkreeg Brandts Ostpolitik geenszins onverkorte instemming. De opinies vielen niet samen met partijlijnen, leeftijd of herkomst. De CDU/CSU - fractie in de Bondsraad verwoordde dan ook niet bij haar massieve oppositie de stemmen van alle Heimatvertriebene. Een positief alternatief voor de regeringspolitiek had zij niet te bieden. De CDU zag haar oppositierol — gezien de wankele regeringsmeerderheid — slechts als een interval. Op 27 april 1972 achtte kanselierskandidaat Rainer Barzel de situatie rijp voor een motie.

Het bleek een misrekening, te wijten aan malafide praktijken van ten minste één CDU-lid. De stemmen in de Bondsdag staakten. Daarmee was de constructieve motie van wantrouwen verworpen. De vervroegde verkiezingen die 19 november 1972 werden gehouden, gaven de regering-Brandt weer de meerderheid die door het overlopen van parlementariërs verloren was gegaan. Barzel verloor als gevolg van de nederlagen zijn functies als fractievoorzitter en partijleider aan respectievelijk Helmut Kohl en professor Karl Carstens. Qua politiek gewicht moesten zij het evenwel afleggen tegen de Beierse raspoliticus Franz Joseph Strauss, voorzitter van de CSU.

Brandt heeft zijn verkiezingszege niet lang overleefd. 6 mei 1974 zag hij zich gedwongen de politieke verantwoordelijkheid op zich te nemen voor een onverkwikkelijke affaire. Politieke commentatoren waren van mening dat de spionagezaak-Guillaume slechts een aanleiding was tot zijn aftreden. Spectaculaire resultaten had de ontspanningspolitiek niet bereikt. Op het gebied van de binnenlandse politiek was de oogst eveneens mager. Na de energiecrisis verloor Brandt veel prestige toen hij begin 1974 de vakbeweging niet tot loonmatiging wist te bewegen en zijn anti-inflatie-programma schipbreuk leed.

Binnen de SPD verweten met name de zogenaamde Jusos (Jung-Socialisten) de leiding gebrek aan visie en bereidheid tot fundamentele hervormingen. Aan dit verwijt staat ook Helmut Schmidt, Brandts opvolger als kanselier en exponent van de rechtervleugel van de SPD, bloot.

Het aftreden van Brandt viel vrijwel samen met de keuze van een opvolger van Gustav Henemann als hondspresident. 15 mei 1974 werd, voor het eerst in een eerste ronde, Walter Scheel tot het hoogste ambt geroepen. De CDU/CSU stemden en bloc op hun kandidaat. Daarmee was de regeringscoalitie van SPD en FDP tenminste tot de volgende verkiezingen gered. De FDP, nu onder leiding van de meer behoudende Hans Dietrich Genscher, die Scheel ook opvolgde als minister van buitenlandse zaken, behoudt zich ten aanzien van een volgende termijn alle vrijheid voor.

Drs. G. M V Mans Wetenschappelijk medewerker van het Instituut voor wereldgeschiedenis van de twintigste eeuw van de Katholieke Universiteit te Nijmegen.

WILLY BRANDTS MOEILIJKE REIS

Willy Brandts 'Ostpolitik' was erop gericht de betrekkingen met de Midden-Europese staten en de Sovjet-Unie te verbeteren door ze allereerst te `normaliseren'. In augustus 1970 kwam het daartoe strekkende verdrag met de Sovjet-Unie tot stand, waardoor de weg vrij werd gemaakt voor overeenkomsten met de andere landen van het Oostblok. Op 7 december 1970 tekende bondskanselier Brandt in Warschau het normalisatieverdrag met Polen. Bij die gelegenheid sprak hij vanuit Warschau via de televisie onder meer de volgende woorden tot de Westduitsers:

Landgenoten!

Ik ben mij ervan bewust: dit is een moeilijke reis. Voor een vreedzame toestand zal zij van betekenis zijn. Het verdrag van Warschau moet een streep zetten onder het leed en de offers van een slecht verleden. Het moet een brug slaan tussen beide staten en beide volken. Het moet een weg openen, opdat gescheiden gezinnen weer verenigd kunnen worden. Opdat grenzen minder scheiden dan tot dusver.

Nochtans: dit verdrag kon alleen na ernstig gewetensonderzoek getekend worden.

Wij hebben hiertoe niet onbezorgd besloten. Te zeer zijn wij gevormd door herinneringen en hebben teniet gedane verwachtingen hun stempel op ons gedrukt. Maar we doen het met een goed geweten, want wij zijn ervan overtuigd dat spanningen verminderd, verdragen over het afzien van geweld nagekomen en de betrekkingen verbeterd moeten worden, terwijl er bruikbare vormen van samenwerking gevonden moeten worden om tot een Europese vredesordening te komen. Daarbij dient men uit te gaan van hetgeen is ontstaan. Ook met betrekking tot de westgrens van Polen. Niemand heeft ons lot dit inzicht gedwongen. Wij zijn mondig geworden. Het gaat om het bewijs van onze rijpheid en om de moed de werkelijkheid te erkennen. Wat ik in augustus vanuit Moskou tegen u heb gezegd, geldt ook voor het verdrag met Polen: het geeft niets prijs dat niet al lang was verspeeld. Verspeeld niet door ons, die in de Bondsrepubliek politieke verantwoordelijkheid dragen en hebben gedragen. Maar verspeeld door een misdadig regime, door het nationaalsocialisme.

Wij mogen niet vergeten dat na 1939 aan het Poolse wolk het grootste kwaad werd berokkend dat het in zijn geschiedenis heeft moeten doorstaan. Dit onrecht is niet zonder gevolgen gebleven.

Groot leed trof ook ons volk, vooral onze Oost-Duitse landgenoten. Wij moeten rechtvaardig zijn: het zwaarste offer brachten zij wier vaders, zonen of broers hun leven lieten. Na hen hebben degenen die hun geboortegrond moesten verlaten, de bitterste prijs voor de oorlog betaald.

Ik wil van legenden niets weten, van Duitse evenmin als van Poolse: de geschiedenis van de Duitse oostgebieden kan niet willekeurig worden herschreven.

Onze Poolse gesprekspartners weten wat ik tot hen ook in hun eigen land nog eens met alle duidelijkheid zou willen zeggen: dit verdrag betekent niet dat wij onrecht erkennen of geweldadigheden rechtvaardigen. Het betekent niet dat wij uitdrijvingen achteraf wettigen.

Wrokgevoelens kwetsen de eerbied voor het verdriet om wat verloren ging — verloren 'in smarten, oorlog en ach, nooit uitgeputte tranen: zoals de Sileziër Andreas Gryphius aan het eind van de Dertigjarige Oorlog schreef Niemand kan zich aan dit verdriet onttrekken, het verlorene pijnigt ons. En het door leed beproefde volk zal onze smart eerbiedigen,

Namen als Auschwitz zullen beide volken nog lang vergezellen en ons eraan herinneren dat de hel op aarde mogelijk is: wij hebben haar beleefd. Juist deze ervaring dwingt ons de taken van de toekomst vastberaden aan te pakken. De vlucht voorde werkelijkheid schept gevaarlijke illusies, Ik zeg: hel ja-woord aan dit verdrag, aan verzoening, aan vrede, is een bezinning op de Duitse geschiedenis in haar geheel. Een duidelijk bewustzijn van de geschiedenis duldt geen onvervulbare aanspraken. Het duldt ook geen 'geheim voorbehoud' waartegen de Oost Pruis Immanuel Kant in zijn geschrift 'Over de eeuwige vrede’ gewaarschuwd heeft. Wij moeten onze blik op de toekomst richten en de moraal als politieke kracht erkennen. Wij moeten de keten van het onrecht doorbreken.

Door dit te doen bedrijven wij geen politiek van hel afstand doen, nraareen politiek van gezond versland en redelijkheid.

Het verdrag tussen Polen en ons (,..) vervangt geen formeel vredesverdrag. Het raakt niet aan de rechten en de verantwoordelijkheden van de vier mogendheden voor Duitsland als geheel Noch stelt het eerder in verdragen aangegane verplichtingen van de ene of de andere zijde buiten werking.

Ik wil hierop met nadruk wijzen, want wij handhaven onveranderd onze actieve medewerking in de Europese Gemeenschappen en onze hechtverankerde positie in het Atlantisch verbond, die de grondslag vormen waaruit wij naar een nieuwe, betere verhouding tot de Oost-Europese volkeren streven.

Eerst uit dit algemene verband wordt duidelijk wat dit verdrag voor de vrede betekent, voor de gedeelde Duitse natie en voor een verenigd Europa. Een Europa, dat niet door verklaringen, maar alleen door doelbewust werken geschapen kan worden.

Niets is overigens belangrijker dan het tot stand brengen van een verzekerde vrede. Daartoe bestaat geen alternatief. Vrede is niet mogelijk zonder Europese saamhorigheid.

Alles wat ons nader brengt tot dit doel is een goede dienst aan ons volk en vooral aan degenen die na ons komen.

(Uit: Willy Brandt', door H. O. Bolesch en dr. H. Leicht — Aalten z.j.)

PAPPA, WEET DE FÜHRER DAT'?'

Willy Brandt, voormalig regerend burgemeester van West-Berlijn en fervent tegenstander van het communisme, betoonde zich als bondskanselier van West-Duitsland een pleitbezorger van ontspanning in Europa. In december 1970 — ruim een jaar aan de macht — sprak hij met een redacteur van het Franse weekblad 'L'Express' over doeleinden en achtergronden van zijn buitenlandse politiek.

L'Express: Deze week gaat u in Warschau een verdrag met Polen ondertekenen. Vorige week is het klimaat in Berlijn verslechterd ten gevolge van verkeersversperringen van Oost-Duitse, makelij. Volgende week moet in Brussel een beslissing worden genomen over liet Europese monetaire stelsel. Welke van die drie gebeurtenissen acht u het belangrijkst?

Brandt: U vraagt me in feite of onze 'Ostpiolitik meer of minder belangrijk is dan onze 'Westpolitik . Áan die vraag heb ik een hekel, want die twee zijn allebei van eminent belang. Als u toch op een voorkeur van mijn kunt aandringt, dart moet ik u zeggen dat de politiek ten opzichte van het Westen me het belangrijkste lijkt.

L'Express: Waarom?

Brandt: Omdat de eenheid van West-Europa spoedig realiteit kan worden en omdat die eenheid voor ons een levensbelang is. Wat daarentegen het Oosten betreft: daar staan we op het punt de voorwaarden te scheppen voor een toenadering tussen de twee Europese blokken en met name voor onderhandelingen over evenwichtige troepenverminderingen van de NAVO en liet Pact van Warschau. Dergelijke onderhandelingen raken alle West-Europese landen.

L'Express: Bent u tevreden of teleurgesteld over de tot dusver bereikte resultaten?

Brandt: Ik heb nooit gedacht dat er zich in het Oosten wonderen zouden voordoen. Maar ik geloof dat er sprake is van gestage vooruitgang.

L'Express: Niettemin zijn er de moeilijkheden in Berlijn.

Brandt: Ja, Maar dit is de eerste keer sinds het eind van de Berlijnse blokkade dat de vier mogendheden proberen het eens te worden over een regeling. Daarbij dient men te bedenken dat de Sovjet-Unie geen bijster gemakkelijke taak heeft ten aanzien van de regering in Oost -Berlijn, wat overigens niet moeilijk te verklaren is. Voor de Russen is Berlijn een probleem uit meerdere. Voor de Oost-Duitsers daarentegen is het de centrale kwestie.

L'Express: De huidige incidenten lijken u dus eerder het werk van de Oost-Duitsers dan van de Russen?

Brandt: Zonder enige twijfel.

L'Express: Maar waarom zou de Sovjetregering u bepaalde zaken cadeau doen? Waarom zou zij een streep zetten onder de propaganda tegen de 'Bonner revanchisten'? Waarom zou het Kremlin niet bang zijn dat een vriendelijkere Bondsrepubliek in toenemende mate aantrekkingskracht gaat uitoefenen op de landen van Midden-Europa?

Brandt: Het is waar dat de Sovjetregering lange tijd de gewoonte heeft gehad West-Duitsland af te schilderen als de baarlijke duivel; dat had voor het Kremlin zo z’n voordelen. Ik ben er evenwel van overtuigd dat de ontspanning in Europa voor de Sovjet-Unie belangrijker is dan het handhaven van die kunstmatige propaganda. Daarvoor zie ik drie redenen, zelfs zonder speculaties te hoeven wagen met het oog op China. Ik zeg niet dat het Russisch-Chinese conflict onbelangrijk is; het is alleen een kwestie waarover ik het liever niet wil hebben.

L'Express: Waarom met?

Brandt: Ik zal u een verhaal vertellen dat tijdens Hitler de ronde deed. Een vader laat zijn zoontje een globe zien en zegt: 'Kijk — zie je daar dat kleine vlekje? Dat is nou Duitsland.' Het jongetje kijkt verschrikt op en zegt: ‘Pappa, wéét de Fürher dat’? Ik vertel u dit om u te laten weten dat de huidige kanselier wel degelijk beseft wat de werkelijke plaats is die Duitsland in de wereld inneemt. Wij hebben niet de pretentie dat er voor ons een rol te spelen valt in het kader van hel Russisch-Chinese conflict (. )

L'Express: Wat betreft die drie redenen...

Brandt: Ja. De eerste is een economische. De Russen zijn geïnteresseerd in de ontwikkeling van verschillende vormen van uitwisseling met West-Europa en in technologische hulp. En als goede marxisten zijn ze tot de conclusie gekomen dat in West-Europa de Bondsrepubliek een zwaarwegende factor is. Ontspanning tussen hen en ons zien zij dus als een conditie -vooral voor samenwerking niet heel West-Europa, inclusief Groot-Brittannië:

De: tweede reden is dal de Sovjet-Unie ondanks de spanningen in het Midden-Oosten een goede verstandhouding niet de Verenigde Staten nastreeft. Ook op dat punt zijn alleen blijvende resultaten te boeken als Europa zijn wantrouwende houding jegens Moskou laat varen.

De derde reden is naar mijn mening de belangrijkste. Ik geloof dat de Russische regering lering heeft getrokken uit het drama-Tsjecho-Slowakije en dat zij het thans in haar eigen belang acht dat de handelsbetrekkingen tussen Oost- en West-Europa worden uitgebreid en dat de Midden-Europese landen ook in het algemeen hun betrekkingen met West-Europa verstevigen. De ontspanning is mogelijk mits alle landen eraan deelnemen.

(Uit `L'Express' van 7-13 december 1970)