We hebben 357 gasten online

De Problematische Duitse Natie

Gepost in Duitsland

 

 


' Was ist des Deutschen Vaterland?'

Deze vraag maakte de schrijver en latere hoogleraar geschiedenis Ernst Moritz Arndt in 1813, aan de vooravond van de beslechting van de bevrijdingsoorlogen tegen Napoleon, tot thema van een patriottistisch lied over de grenzen van Duitsland. Zijn antwoord luidde: 'So weit die deutsche Zunge klingt (...), das soli es
sein,'

Arndts lied werd populair in het negentiende-eeuwse Duitsland, maar reeds één blik op de geografische versnippering van het Duitse taalgebied in Europa maakte duidelijk hoe problematisch zijn antwoord was. Er was geen sprake van een duidelijk af te bakenen terrrtorium waarin alle Duits sprekender bij dezelfde staats- en natievorming konden worden betrokken.
Niet alleen het grensverloop zou in de negentiende en twintigste eeuw een zware hyphoteek leggen op de ontwikkeling van de Duitse natie. Gedeeltelijk in samenhang daarmee bleven ook het politieke karakter en de identiteit van Duitsland problematisch en omstreden

Honderdtachtig jaar nadat Arndt zijn lied schreef, heeft de door hem opgeworpen vraag zijn actualiteit nog niet verloren. Weliswaar bestaan over de Duitse grenzen sinds 1990 geen problemen meer, in het derde jaar van het verenigde Duitsland is de nieuwe Duitse natie nog op zoek naar een nieuw evenwicht in de binnenlandse politiek en tast zij nog naar een nieuwe identiteit in de internationale verhoudingen

'Tegen deze achtergrond presenteert de Keulse historicus Otto Dann zijn Nation und Nationalismus in Deutschland 1770-1990. Als geschiedkundige houdt hij zich bij zijn historische les: hij mengt zich niet in de huidige politieke discussies. Zijn doel is het bieden van een historische oriëntatie in het hernieuwde proces van Duitse natievorming. Daarin is hij uitstekend geslaagd.

Niet alleen levert hij een heldere analyse van de Duitse natievorming sinds de late achtiende eeuw, maar ook plaatst hij de ontwikkelingen in Duitsland steeds naast die in andere Europese naties. Beknopt, maar uitstekend gedoseerd en in hun onderlinge samenhang gepresenteerd, besteedt hij aandacht aan de ontwikkeling van de burgerlijke culuur, de economisch-sociale modernisering en de rol van politieke bewegingen.

Aantrekkelijk is bovendien dat hij zijn boek begint met een uiteenzetting van de in het verdere betoog gehanteerde begrippen als natie, natievorming, nationalisme en patriottisme. Dat is niet alleen een goede greep omdat over de betekenis van deze begrippen vaak verschillende opvattingen bestaan, maar ook omdat in het gecompliceerde Duitse proces van natievorming een veelheid van termen opduikt (zoals Reichsnation en Kultusnation) die om een plaatsbepaling vragen. Het maakt dit evenwichtig en genuanceerd geschreven boek bovendien toegankelijk voor een minder goed geïnformeerd lezerspubliek.

Jammer is wel dat Dann zijn analyse in 1945 laat eindigen, hetgeen ook in strijd is met wat de titel van het boek belooft. Zijn bewering mag juist zijn dat door het nationaal-socialistische Duitsland de ondergang van het rijk werd ingeluid en dat de Duitsers na Hitler niet meer de kracht tot natievorming hadden, maar vormt de in de naoorlogse rnillu gegroeide Westduitse democratische identiteit sinds 1990 niet een van de pijlers rara het hernieuwde proces van natievorming?

Juist omdat Dann natie en democratie nauw met elkaar verbindt en daarbij de noodzaak van consensus over democratische grondbeginselen beklemtoont, was een apart hoofdstuk over het naoorlogse Duitsland op zijn plaats geweest. De tien stellingen waarmee hij zijn boek afsluit en waarin hij de overeenkomsten en vooral de verschillen tussen de eerste Duitse eenwording in 1870/1871 en de tweede van 1990 uiteenzet, maken dit gemis slechts gedeeltelijk goed.

De rode draad in Danns betoog is de vraag naar belangen, doelen en krachtsverhoudingen van de bij de natievorming betrokken standen en klassen. Zijn vertrekpunt is de tweede helft van de achttiende eeuw: het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie met zijn vele vorstendommen. Dit uit de middeleeuwen stammende rijk met zijn vele volkeren was door de reformatie in confessioneel opzicht verscheurd en was sinds de verwoestende Dertigjarige Oorlog (1618-1648) achtergebleven bij de natievorming elders in Europa.


De belangen van de hoge adel, toonaangevend in de afzonderlijke vorstendommen, lagen niet op het terrein van de vorming van een nationale staat, naar waren regionaal van aard. De aanzetten tot de vorming van de Duitse natie kwamen dan ook niet van de hoge adel, maar van de in de loop van de achttiende eeuw opkomende burgerij, die over de grenzen van de afzonderlijke staten een gemeenschappelijke Duitse cultuur ontwikkelde en propageerde. Rond 1770 bereikte deze Deutsche Bewegung, die op zoek was naar een nationaal cultureel bewustzijn en die als vroeg-democratisch kan worden beschouwd, zijn hoogtepunt.

In nationaal-politiek opzicht was dit burgerlijk patriottisme nog diffuus, omdat het zich zowel op de regionale staat als op het veel grotere rijk richtte. Dit betekende tegelijkertijd dat de opkomende burgerlijke beweging in Duitsland voor een veel omvangrijker taak stond dan bijvoorbeeld in Frankrijk, waar de revolutie van 1789 in een reeds bestaande nationale staat een einde maakte aan de heerschappij van de adel.
Weliswaar wijst Dann er terecht op dat iedere natie zich op zijn eigen wijze heeft ontwikkeld en dat het Franse model slechts een van de mogelijke varianten is, een feit blijft dat de Duitse burgerlijke beweging aan het eind van de achttiende eeuw nog een langere weg te gaan had. De vele vorstendommen van het rijk vormden nog lang geen nationale staat en herbergden een groot aantal volkeren.

De nationale ontwikkeling in Duitsland onderging een belangrijke versnelling door de napoleontische veroveringen, die het rijk in 1806 ten onder deden gaan. Voor de beslissende bevrijdingsslag tegen Frankrijk trokken in 1813 grote delen van de bevolking ten strijde die tot dan toe buiten de vooral cultureel-nationale beweging waren gebleven. Handwerkslieden, vrouwen, joden en studenten marcheerden onder het banier 'Voor Koning en Vaderland' tegen Frankrijk, waarbij de loyaliteit van de bevolking overigens in eerste instantie de regionale vorst gold en niet een groter Duits vaderland.

Teleurgesteld moest de burgerij echter in de periode van de restauratie na 1815 constateren dat haar loyaliteit in de anti-Franse bevrijdingsstrijd door de vorsten nauwelijks werd gehonoreerd. Niet toenadering tot, maar onderdrukking van de burgerlijke nationale beweging werd kenmerkend voor het gedrag van de meeste vorsten. De in 1815 op het congres van Wenen opgerichte Duitse Bond belichaamde de adellijke verbondenheid met het pre-revolutionaire Europa, maar tegelijkertijd liet de nationale geest zich niet meer terugdringen. Met veel oog voor nuances schetst Dann de gevolgen daarvan voor de nationale beweging, waarin zich in de eerste helft van de negentiende eeuw een democratische en een liberale vleugel ontwikkelde.

De democraten grepen terug op de idealen van volkssoevereiniteit van de Franse Revolutie en zagen in de vorsten hun grootste tegenstanders, omdat zij de weg naar politieke voor het Duitse volk blokkeerden. Duitse eenheid en politieke vrijheid - voor de democraten waren deze doelen onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De liberalen daarentegen waren er van overtuigd dat de Duitse natie zich niet tegen maar slechts in samenwerking met de vorsten liet verwezenlijken. Als bezittende burgerij vreesden zij politiek radicalisme, deinsden zij terug voor democratisering en streelfden zij primair naar eenwording. Deze spanning tussen eenheid en vrijheid zou in de ontwikkeling van het Duitse liberalisme diepe en dramatische sporen trekken.

'Pulver ist schwarz, Blut ist Rot, Golden flackert die Flamme!', dichtte Ferdinand Freiligrath tijdens de maart-revolutie van 1848. Zwart, rood en goud waren de kleuren van de revolutionaire vlag waaronder een van de grote massabewegingen uit de geschiedenis zich manifesteerde. Zelden, betoogt Dann, was een nationale beweging zo massaal en wijd verbreid als in Duitsland tijdens de revolutie van 1848.

De bezittende burgerij, radicale democraten, de opkomende arbeidersbeweging en een veelheid van regionale organisaties, clubs en verenigingen: de mobilisering betrof een breed spectrum van sociale groepen met gedeeltelijk parallelle en gedeeltelijk tegenstrijdige doelen. Gemeenschappelijk was het verlangen naar nationale eenheid voor de Duisetalige gebieden, maar over de te bereiken graad van parlementarisering en democratisering liepen de meningen uiteen.

De zwakte van de beweging, maakt Dann duidelijk, was dan ook niet een aan aanhang, maar paradoxaal genoeg haar hoge ontwikkelingsgraad en de daarmee samenhangende verdeeldheid. De economische, sociale en culturele modernisering van de Duitse maatschappij was al zo ver voortgeschreden dat niet één sociale groep het voortouw nam, maar verschillende groepen met elkaar concurreerden, die uiteindelijk alle verloren.

De democraten en de revolutionaire massa, die streden voor een republikeinse nationale staat met algemeen kiesrecht, werden onderdrukt. De door de liberalen nagestreefde nationale staat in samenwerking met de vorsten mislukte eveneens. Zelfs de nationaal-conservatieve poging onder leiding van Frederik Wilhelm IV van Pruisen om de eenheid van bovenaf te realiseren, liep vast. Zo had de revolutie van 1848 noch de nationale staat, noch de volkssoevereiniteit tot stand gebracht, laat staan dat voor de omvang toenemende arbeidersklasse een positie met gelijke rechten was bereikt.

Het aantrekkelijke van Danns studie is dat hij, ondanks de veelvuldige tegenslagen en nederlagen van de nationale beweging, de staats- en natievorming steeds als een open proces analyseert. Finalisme, dat wil zeggen het toeschrijven naar de historisch bekende uitkomst, is hem vreemd. Herhaaldelijk wordt duidelijk dat het verloop van de geschiedenis ook een heel andere wending had kunnen nemen.

Zo verzet hij zich tegen een oorzakelijk verband tussen de mislukking van 1848 en het antidemocratisch gesternte waaronder Bismarck uiteindelijk in 1871 de eenhid van bovenaf voltooide. In de jaren vijftig herstelde de nationale beweging zich van de nederlaag van 1848. Gesterkt ging zij zelfs het bepalende, daarop volgende decennium in.
Niet alleen was het culturele nationaal bewustzijn gegroeid en was het aantal'gesamtdeutsche' organisaties toegenomen, ook de tegenstellingen tussen liberen en democraten waren gedeeltelijk overbrugd. Zelfbewust en optimistisch stelde de in Pruisen opgerichte Deutsche Fortschrittspartei zich ten doel de Duitse Bond in een parlementair-democratische bondsstaat te doen overgaan.

In 1862 leek het er zelfs even op dat een belangrijke stap in deze richting kon worden gezet. Inzet was een conflict tussen de vooruitstrevende nieuwe partij en de Pruisische koning over de budgettaire bevoegdheden van het Pruisische parlement bij een geplande legerhervorming. Op het hoogtepunt van dit Verfassungskonflikt leek het erop dat de koning afstand wilde doen van de troon ten gunste van zijn liberaal gezinde zoon, die bereid was tot verzoening en samenwerking.
Als de koning die stap had gezet, was wellicht de weg vrij gemaakt voor een geleidelijke nationale en parlementair-democratische ontwikkeling. In plaats van de Duitse natie deze dienst te bewijzen, benoemde de koning echter Otto von Bismarck tot minister-president van Pruisen. Daarmee werd, zoals Dann beklemtoont, helaas een ontwikkeling in de richting van democratie geblokkeerd.

'Niet door redevoeringen en meerderheidsbesluiten worden de grote vraagstukken van deze tijd opgelost - dat was de grote fout van 1848 - maar door bloed en ijzer', verklaarde Bismarck kort na zijn benoeming in 1862.
Aan dit credo zou hij zich ook houden. Hij trok het initiatief naar zich toe, hield in het Verfassungskonflikt voet bij stuk, maar paaide tegelijkertijd de nationale beweging met de uitspraak dat een nationaal Duits parlement volgens algemeen en geheim kiesrecht moest worden gekozen.

In 1864 maakte hij korte metten met het sinds de jaren veertig slepende conflict met Denemarken over het door Duitsers en Denen bewoonde Sleeswijk-Holstein, waarmee hij ook in liberale kring respect afdwong. Succesvol was bovendien zijn korte oorlog tegen Oostenrijk, waarmee hij in 1866 de Duitse Bond opblies en definitief de weg vrij maakte voor de zogenaamde 'klein-Duitse' eenheid zonder Oostenrijk.

Deze politiek werd afgerond met de Frans-Duitse oorlog van 1870/1871 en de totstandkoming van het Tweede Duitse Keizerrijk. Met andere woorden: Bismarck had op zijn voorwaarden datgene gerealiseerd waartoe de nationale beweging niet in staat was gebleken. Door zijn politiek van voldongen feiten was deze beweging niet alleen buiten spel gezet, ernstiger was dat daardoor de liberalen en de democraten opnieuw uit elkaar waren gedreven en dat Bismarck zich geleidelijk aan had verzekerd van de steun van de liberalen.

Zo stonden bij de stichting van het keizerrijk in 1871 de conservatieve en liberale winnaars tegenover de verliezers, tot wie behalve de democraten ook de opkomende arbeidersbeweging behoorde. Verloren hadden bovendien de buitengesloten Duitsers uit de Habsburgse monarchie en de katholieken die in de jaren zeventig het slachtoffer werden van Bismarcks Kulturkampf.

Zowel binnen als buiten de grenzen van het rijk waren dus Duitsers buitengesloten. Dann spreekt dan ook terecht van een 'onvoltooide nationale staat'. Zeker, in de daarop volgende decennia boekte het proces van natievorming vooruitgang - de nationale mobilisering bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, vormt daarvan een duidelijk voorbeeld - maar de onvoltooide natie bleef tegelijkertijd een door klassentegenstellingen verscheurde natie.

Ter linkerzijde groeide de sociaal-democratische oppositie, die aanstuurde op democratische hervormingen en sinds de eeuwwisseling in toenemende mate steun kreeg van vooruitstrevende burgerlijke krachten. Ter rechterzijde hadden zich in de late negentiende eeuw krachtige nationalistische stromingen gemanifesteerd, die groot-Duits, antisemitisch, imperialistisch en antidemocratisch georiënteerd waren.

Opnieuw keert Dann zich tegen een finalistische visie op de geschiedenis, wanneer hij stelt dat aan het begin van de twintigste eeuw nog geenszins vaststond wie deze strijd om het karakter van de Duitse natie zou gaan winnen. Behaalden immers bij Rijksdagverkiezingen van 1912 de naar democratisering en volkssoevereiniteit strevende krachten niet de meerderheid in het nationale parlement? En manifesteerden deze krachten zich sinds 1916 niet in versterkte mate?

Na oorlog, nederlaag en revolutie kregen deze krachten vanaf de herfst van 1918 de kans hun verlangen naar een democratische Duitse natie te verwezenlijken. Hoezeer de geschiedenis van de republiek van Weimar ook altijd is beschreven tegen de achtergromd van haar ondergang, voorgeprogrammeerd was deze mislukking geenszins. De pijlers de democratische republiek bezweken echter onder de gecombineerde last van nederlaag, Verdrag van Versailles, economische en politieke instabiliteit, en de groeiende kracht het antirepublikeinse kamp.

Tegen deze achtergrond waren de democratische krachten niet in staat de verscheurde naoorlogse natie naar een nationale consensus te voeren. Typerend voor gebrek aan consensus was dat de officiële nationale kleuren van de republiek het zwart, rood en goud van de revolutie van 1848 waren, maar dat de Duitse handelsvloot voer onder het zwart-wit-rood van het Keizerrijk en dat antirepublikeinen in toenemende mate deze oude vlag weer uit de kast haalden.

In de 'coalitie van Weimar', bestaande uit sociaal-democraten, links-liberalen en katholieke Zentrum, leken aanvankelijk de klassentegenstellingen van het keizerrijk te kunnen worden overbrugd. Maar Weimar bleek niet alleen een verscheurde, maar toenemende mate ook een verlamde natie. Gebruikmakend van het groeiend antirepublikeinse kamp en revolutionair inspelend op de in brede kring levende nationale frustraties voerden uiteindelijk Hitler en zijn NSDAP de Duitse natie naar de ondergang.

De kracht van Danns relaas over de kansen, mislukkingen en ontsporingen van de Duitse natievorming sinds de late achttiende eeuw is de genuanceerde presentatie van de geschiedenis als een open proces. Door zijn nuchtere en heldere betoog over de maatschappelijke, ideologische en politieke verdeeldheid die de Duitse natievorm hebben gekenmerkt, wordt duidelijk hoe de strijd om de identiteit van de Duitse natie, steeds opnieuw is gevoerd en dat de uitkomst van die strijd herhaaldelijk anders had kunnen uitvallen.
Dat is geen verdoezeling van het problematische natievormingsproces in Duitsland. Integendeel. Dann raakt met zijn analyse van dit voortdurende strijdtoneel de kern van verloop van de geschiedenis waarin steeds 'alles' mogelijk is. Zo bezien is zijn historische oriëntatie voor het nieuwe Duitsland bemoedigend en zorgwekkend tegelijk.

Nation und Nationalismus in Deutschiand 1770 -1990. Boekbespreking van Otto Dann.
Eerder gepubliceerd in de Volkskrant 5 juni 1993.

F Wielenga in Syllabus studiedag geschiedenis 25 september 1993