We hebben 285 gasten online

Het Derde Rijk en de Duitsers

Gepost in Duitsland

Bij de bestudering van de geschiedenis van het nationaal-socialisme en van het Derde Rijk heet de vraag naar de rol van het Duitse volk altijd een belangrijke plaats ingenomen. De achtergrond daarvan was meestal de schuldvraag ten aanzien van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. Dat het Derde Rijk in deze de grote schuldige was, werd niet betwijfeld. Wél werd een punt van overweging in hoeverre de bevolking van Duitsland in de schuld participeerde. Historische werken waarin het totalitaire karakter van het Derde Rijk of de demonische trekken van de dictator Hitler werden beklemtoond, hadden als bijkomend of bedoeld effect dat de rol van de doorsnee Duitser uit het zicht verdween. Het latere onderzoek heeft zich echter ook op dit aspect gericht.

Bind jaren '50 maakte de Amerikaanse socioloog Lipset furore met zijn these van de radicalisering van de 'middle class' als verklaring van het verschijnsel fascisme. Daarmee wriil voor wat betreft Duitsland de aandacht gericht op de verkiezingsuitslagen tussen 1930 en 1933. De economisch in het gedrang gekomen middengroepen waren in deze zienswijze vooral verantwoordelijk voor het aan de macht komen der nationaal-socialisten. De verantwoordelijkheid voor de machtsoverdracht aan Hitler door diens benoeming tot rijkskanselier werd in de toenmalige beschouwingen meestal beperkt tot een kleine groep intriganten met invloed op de oude rijkspresident Von Hindenburg.

Daarnaast bestond er de marxistische visie, die het Derde Rijk geheel geïnspireerd zag door het monopoliekapitaal', i.c. de grote Duitse bankiers en industriëlen. Zij zouden de nationaal-socialisten als marionetten voor hun expansionistische doeleinden hebben gebruikt.

De laatstgenoemde visie, die in sterk dogmatische vorm de beschouwingen van de DDR- historici kleurde, is in het Westen meermalen op haar houdbaarheid beproefd. De Amerikaan Turner kwam daarbij tot een veel genuanceerder beeld. Voor zover er vanuit industriële kringen financiële steun aan de opkomende NSDAP is geleverd, was deze geenszins van doorslaggevende betekenis. Bovendien werden de meeste andere partijen evenzeer gesteund. De houding van de industriële en financiële leiders ten aanzien van het nationaal-socialisme was gedifferentieerd. Sommigen steunden Hitler al vroeg ( om zich soms in een later stadium juist van hem af te wenden, zoals Thyssen en Schacht). Anderen hadden eerder angst voor de radicale vleugel van de NSDAP. Daar werd de antiplutocratische propaganda soms nog vernomen, die Hitler overigens sinds 1928 bewust had gedempt. Een deel van de geavanceerde, op export gerichte chemische en elektrotechnische industrie zag weinig heil in de hypernationalistische beweging, waarvan een protectionistsche politiek werd verwacht.

Op hel beslissende moment, eind 1932, waren echter veel industriëlen geneigd Hitler een kans te geven. Het motief daarbij was minder het vooruitzicht van een imperialistische politiek dan dat van een autoritair regime in Duitsland. Een dergelijk regime zou de invloed van de vakbeweging en van de linkse partijen moeten elimineren om zo de strengen bezuinigingspolitiek te kunnen voeren die men in verband met de diepe economische crisis nodig achtte. Een dergelijke politiek had men eveneens verwacht van het kortstondige kabinet onder leiding van Franz von Papen. Deze kreeg echter onvoldoende steun van de Rijksdag ( waaronder de sterke NSDAP-fractie) en zo kwam men haast als vanzelf terecht bij Hitler met diens massa-aanhang. In de intriges ter voorbereiding van Hitlers benoeming speelde eveneens Von Papen een belangrijke rol.

De tenslotte op 30 januari 1933 gevonden oplossing had niet alleen de tenminste passieve steun van een groot deel van de industriële en financiële elite, hetzelfde gold voor de hoge militairen en ambtenaren. Reinhard Kuhnl's these van een verbond tussen de NSDAP en de 'Oberklassen' staat in zijn algemeenheid dan ook dichter bij de werkelijkheid dan de marxistische theorie van het 'monopoliekapitaal'.

De bedoelingen van het op de NSDAP stemmende deel der kiezers zijn moeilijker te peilen. Uitgebreid verkiezingsonderzoek heeft Lipset's middenklassethese in grote lijnen bevestigd, maar tevens enige nuanceringen aangebracht. Niet alle sub-groepen binnen het algemene begrip middenklasse waren even vatbaar voor de nazi-propaganda. Verder hebben ook flinke aantallen arbeiders en, in de grote steden, velen uit de meer gegoede burgerij op de NSDAP gestemd. Deze partij wordt tegenwoordig dan ook meer gezien als de eerste massapartij in Duitsland die haar aanhang uit alle geledingen trok.

Aanvankelijk hadden de nationaal-socialisten hun propaganda vooral op de steden gericht. Na de voor hun teleurstellende verkiezingen van 1928 werd de aandacht meer naar het platteland verplaatst. Vooral in de protestantse delen van het rijk wist de NSDAP zich een belangrijke plaats te veroveren. Het protestantse platteland vormde de basis van de verkiezingssuccessen van 1930 en 1932.

Centraal in de verkiezingspropaganda gedurende de succesrijke jaren stond agitatie in verband met de economische situatie. Daarmee was een algemene afwijzing van het democratische systeem en de bestaande partijen verbonden. Bovendien waren er antisemitische elementen in opgenomen. Meer op de achtergrond stond de algemene notie dat Duitsland door het verdrag van Versailles was vernederd en zich uit die vernedering moest verheffen. Alleen een nieuwe en krachtige beweging onder doelbewust leiderschap zou dat tot stand kunnen brengen. Het krachtige elan van het nationaal-socialisme sprak vooral de jongere generaties aan. Het was bijvoorbeeld al rond 1930 onder de Duitse studenten in de mode nationaal-socialist te zijn.

De miljoenen Duitsers die in de beslissende jaren op de NSDAP stemden (6,5 miljoen in 1930, 13,5 miljoen in 1932), deelden een afkeer van het politieke stelsel en waren bovendien op verschillende manieren door de crisis getroffen. De nationaal-socialistische propaganda stelde daartegenover een 'nationale Erhebung' en beloofde bovendien elke groep een oplossing voor haar specifieke probleem. Een concreet programma werd daarbij niet gepresenteerd.

Het aandeel van het electoraat in de overdracht van de macht aan het nationaal-socialisme kan zo in eerste instantie als een voorbeeld van politieke naïviteit worden beschouwd. Daarin stond het geloof in een politieke verlosser en wonderdoener centraal, waarop in de nationaal-socialistische propaganda dankbaar werd ingespeeld. Daarnaast speelde de meer concrete wens naar een terugkeer van vertrouwde autoritaire structuren een rol. De parlementaire democratie werd door velen als een anarchie van belangen beschouwd. Een nadruk op het Duitse volk als collectief geheel leek hierbij een uitweg te kunnen bieden. Daarmee kwam de kern van het al oudere zgn. volkse denken naar voren, dat in de door Hitler geformuleerde 'Weltanschauung' eveneens een centrale plaats innam.

Een herstel van het Duitse volk in politieke en economische zin door een autoritair regime dat de eenheid van het volk zou beklemtonen, was dus de boodschap die in 1932 zeer veel Duitsers met grote verwachtingen vervulde. Voor de verwerkelijking van een dergelijk vaag programma werd massaal gestemd en werd door leden van de leidende klassen politiek gemanoeuvreerd. De mate waarin na de machtsoverdracht de belangrijkstemaatschappelijke sectoren al spoedig werden gelijkgeschakeld, betekende voor velen echter een verrassing. De daarbij en bij de vervolging van tegenstanders gehanteerde rauwe methoden leidden tot de nodige verontrusting. Met de bloedige actie tegen de SA juni 1934 werd dan ook algemeen ingestemd. De revolutie leek daarmee door Hitler in rustiger banen geleid te zijn. Het Duitse volk leek het regime te hebben gekregen dat het in 1932 had gewenst en dat duidelijke resultaten in de strijd tegen de werkloosheid boekte. In de volgende jaren begon bovendien Duitslands positie in Europa te verbeteren, hetgeen eveneens algemeen in goede aarde viel. De gelijkschakeling van het maatschappelijke werd daarbij min of meer geaccepteerd, door velen ook positief gewaardeerd. Welke gevaren dit in zich borg, werd vaak niet onderkend. Elementen van een typisch nationaal- socialistische politiek had men overigens al vóór 1933 in Thuringen kunnen waarnemen, toen de NSDAP daar bij de vorming van de landsregering werd betrokken. De nazi's wisten daar in de persoon van de latere rijksminister van binnenlandse zaken Frick van minister van binnenlandse zaken en onderwijs te bezetten. Frick begon al gauw het Thuringse ambtenarenapparaat en de politie van 'rode' elementen te zuiveren en het onderwijs van nationaal-socialistische beginselen te doordringen. Aan de universiteit van Jena werd op een nieuw ingestelde leerstoel Rassenkunde een bekende rassenidioloog benoemd. Na ruim een jaar braken de coalitiegenoten wegens deze politiek met de NSDAP, maar in 1932 wisten de Nazi's in een aantal kleinere deelstaten eveneens regering toe te treden.

Samenvattend kan gesteld worden dat een belangrijk deel van het Duitse volk in de eerste jaren het regime en alles waar het openlijk voor stond, in meer of mindere mate accepteerde. De uitgesproken politieke tegenstanders waren gevangen genomen of hadden zich aangepast. Opvallend is wel dat de goedkeuring vooral de persoon van Hitler betrof. De NSDAP daarentegen werd veelal als een bonzenkliek gezien, waaraan corruptie niet vreemd was.

Er is wel gesteld dat de velen die het regime actief of passief steunden, niet konden weten hoe het zich zou ontwikkelen en waar het toe leidde. Daar zit een kern van waarheid in. Overziet men het Derde Rijk als geheel, dan blijken de twee belangrijkste doelstellingen een mateloos expansionisme met het verwerven van 'Lebensraum' voor het Duitse volk als doel en de stelselmatige moord op met name joden en zigeuners te zijn geweest. In die mate zullen in 1932/1933 slechts weinigen zich dat hebben voorgesteld. Zou men zich toentertijd de afloop hebben gerealiseerd, dan zou Hitler de macht niet hebben verworven.

Bovenstaande redenering dient er slechts toe het probleem theoretisch helder te stellen. Al direct valt op dat er geen scherpe scheidslijn te trekken valt tussen wat het regime deed tijdens de eerste vijf jaren en de uiteindelijke kerndoelen. Men kan weliswaar spreken van een radicalisering tijdens de tweede helft van de jaren '30, waarbij als gevolg van de toenemende macht van de SS de racistische en expansionistische componenten van de nazistische ideologie geleidelijk aan minder verhuld werden. Tijdens de eerste jaren is daarentegen aan discriminerende maatregelen en aan oorlogsvoorbereiding voldoende aan de orde geweest om in te zien dat een radicalere politiek op deze terreinen geenszins was uitgesloten. Een dergelijke politiek kon zelfs waarschijnlijk geacht worden indien men de vele geschreven en gesproken woorden van Hitler en andere nationaal-socialisten van vóór 1933 ter harte nam, ook al waren om electorale redenen sinds 1930 de scherpste kantjes van de propagandaleuzen afgehaald.

Los van deze algemene constateringen met betrekking tot de vraag n medeverantwoordelijkheid van de gemiddelde Duitser kan ten dele nog worden na hoe het Duitse volk zich werkelijk verhield. Er zijn vrij veel gegevens met betrekking tot de houding van de Duitsers tijdens het Derde Rijk overgeleverd. Overheid, politie en Gestapo rapporteerden op basis van door informanten geleverde berichten regelmatig over wat er onder de bevolking omging. De laatste tijd heeft het historisch onderzoek zich op deze bronnen gericht. Vooral een grootscheeps onderzoek over de ontwikkeling van de
publieke opinie in Beieren heeft opzien gebaard.

In de vorm van een groot aantal case-studies, in zes banden bijeen gebracht, zijn de resultaten gepresenteerd. Uitgangspunt was dat het grotendeels ontbreken van verzet tegen het Nazi-regime niet betekende dat de Duitse bevolking alles wat er gebeurde accepteerde.

Tussen de uitersten van volledige acceptatie en actieve deelname enerzijds en actief verzet anderzijds waren tal van houdingen mogelijk, veelal variërend naar gelang het verschillende aspecten van het regime betrof. Om dat duidelijk te maken heeft men in het Beierse onderzoek het begrip resistentie geïntroduceerd, waarmee het mogelijk werd allerlei reacties onder de bevolking ergens op een schaal met als uiteinden resp. collaboratie en verzet een plaats te geven.

Van resistentie tegen het nationaal-socialistische regime kan bijvoorbeeld in het Beierse geval gesproken worden met betrekking tot de Nazi-politiek in kerkelijke en godsdienstige aangelegenheden. Op andere gebieden, zoals de expansionistische politiek was daarentegen, althans in de eerste fase, van verregaande acceptatie sprake.

We hebben tegenwoordig op basis van dit soort gegevens een redelijk duidelijk beeld van wat er tussen 1933 en 1945 binnen de Duitse bevolking leefde. In het algemeen verwachtte het Duitse volk van de nieuwe regering orde en regelmaat, een sanering van de economische chaos en een oplossing van het werkloosheidsprobleem. Het antimarxisme van de Nazi's sloeg in dit verband meer aan dan hun antisemitisme. Voor zover dit laatste invloed had, was het vooral economisch gemotiveerd. Het NSBO (Nat. Soz. Betriebszellenorganisation) beschouwde het internationale marxisme als 'verjoodst', de nationaal-socialistische organisatie van kleine middenstanders ageerde tegen het verondersteld joods grootwinkelbedrijf.

Deze basisorganisaties waren, samen met de SA verantwoordelijk voor de straatterreur tegen met name joodse winkels en bedrijven, die al spoedig na de 30ste januari 1933 in tal van plaatsen werd uitgeoefend en uitliep op de grote anti-joodse boycotactie van 1 april. Deze actie bleek bij het grote publiek evenwel niet echt aan te slaan. De gemiddelde Duitser moest weinig hebben van straatgeweld. Toen vanwege de verontwaardigde reacties uit het buitenland, die een gevaar voor de Duitse export leken in te houden, talrijke protesten uit het bedrijfsleven de regering bereikten, maakte Hitler aan de acties spoedig een einde. Hij had deze niet zelf geëntameerd, maar er nogal ambivalent op gereageerd en nam nu als rijkskanselier een beslissing die bepaald werd door de politieke positie waarin hij verkeerde. De conservatieven waren als bondgenoten voorlopig nog onmisbaar en het regime had resultaten op economisch gebied nodig. De openlijke geweldpleging tegen joden werd echter meteen vervangen door de meer sluipende anti-joodse wetgeving, die vanaf deze tijd op gang kwam. Het betekende een duidelijke parallel met de manier waarop Hitler zijn strategie om aan de macht te komen na 1923 had gewijzigd: van direct geweld naar een pseudo-legale weg.

De discriminerende maatregelen waarmee de joden geleidelijk aan uit het openbare leven werden verdrongen, werden door de meeste Duitsers niet met geestdrift onthaald. Van protesten op enige schaal van betekenis was echter evenmin sprake. Een reeds langer aanwezig latent anti-semitisme, angst om zich kritisch te uiten en onverschilligheid leidden er toe dat deze fase van de antisemitische politiek ongestoord en in het openbaar kon plaatsvinden. De latere vernietigingspolitiek vond meer in het verborgene plaats uit vrees dat te veel bekendheid met de realiteit tot onrust onder het volk zou leiden. Waarschijnlijk hebben de protesten van kerkelijke zijde tegen de euthanasie-acties het regime voorzichtig gemaakt.

Niettemin zijn veel Duitsers in de één of andere vorm bij de Holocaust betrokken geweest.
Van de bevolkingsreacties op de buitenlandse politiek en op de oorlogsontwikkeling valt een duidelijk beeld te schetsen. Hitler's groeiende populariteit was mede gebaseerd op het feit dat hij een aantal beperkingen die 'Versailles' aan Duitsland had opgelegd, wist te doorbreken zonder dat het tot een oorlog kwam.

De remilitarisering van het Rijnland in 1936 en de 'Anschluss' van Oostenrijk zijn hiervan de duidelijkste voorbeelden. Na korte aarzelingen juichte het Duitse volk in beide gevallen de 'Fuhrer' toe. Tijdens de Sudetencrisis was er, vooral bij de oudere generaties werkelijk angst voor een oorlog. De overeenkomst van München was tot grote ergernis van Hitler in Duitsland dan ook even populair als elders. Hitler en Chamberlain werden beiden als vredestichters gezien. De Nazi-propaganda, die zich vooral op het lot van de 'verdrukte' Sudetenduitsers had gericht, had geen krijgslustige stemming weten op te wekken. Zij zou de komende jaren meer nadruk gaan leggen op de economische en militaire kracht van het Derde Rijk om de angst voor oorlog te dempen.

De 'Blitzkrieg'-successen vanaf september 1939 gaven de bevolking in toenemende mate het gevoel dat Hitler de juiste, want succesrijke en ongevaarlijke weg bewandelde. De onderwerping van Frankrijk leidde tenslotte voor het eerst, maar eveneens voor het laatst tot een met 1914 vergelijkbare krijgslustige stemming. Het uitblijven van verdere successen tegen Engeland deed de euforie vervolgens weer verdwijnen, maar verder bleef het vertrouwen in Hitlers leiding groot. Pas de mislukking van de 'Blitzkrieg' tegen Rusland en het groeiende besef dat de oorlog wel eens langdurig en moeizaam zou kunnen worden, bracht een begin van scepsis. Al vóór Stalingrad werd daardoor ook het vertrouwen in Hitler enigszins ondermijnd. Daarna ging het alleen nog bergafwaarts.

In verband met de reactie der Duitsers op het Derde Rijk zijn twee aspecten van belang waarop in de laatste vijftien jaren in toenemende mate de nadruk is gelegd. Het gaat hier om de mythe Hitler en om wat in een recent werk der schone Schein des Dritten Reiches is genoemd.

De Engelse historicus Ian Kershaw, één der medewerkers aan het Beierse project, heeft in een belangwekkende studie de rol van de mythe Hitler op het Duitse volk onderzocht. Deze mythe presenteerde een beeld van een boven belangen en partijen staande leider van het volk, die als een verlosser dat volk uit de economische ellende en de vernederingen van 'Versailles' zou bevrijden. Volk en 'Fuhrer' waren in wezen één, de 'Fuhrer' kon slechts ten bate van het volk handelen.

Kershaw ziet de werking van deze mythe niet enkel als een resultaat van de nationaal-socialistische propaganda, maar vooral ook als de neerslag van een onder Duitsers levende behoefte. Een wensdenkbeeld, dat in de algemene vorm van een komende 'Fuhrer'-verlosser na de nederlaag van 1918 vooral binnen het zgn. volkse denken in Duitsland al een langere voorgeschiedenis had. Hitler had in zijn beginjaren als agitator al op deze verlangens ingespeeld, maar zag zichzelf toen vooral als 'Trommler', als wegbereider van zo'n 'Führer'. Tijdens het proces naar aanleiding van de putsch-poging van 1923 was zijn zelfvertrouwen zo gegroeid, dat hij na zijn kortstondige gevangenisstraf zichzelf als de verwachte 'Fuhrer' ging beschouwen. Volgens Kershaw is Hitler omstreeks 1936 zelfs in zijn eigen mythe gaan geloven.

Dat zal mede het gevolg zijn geweest van het feit dat toen de Duitsers in grote getale 'gelovigen' waren geworden. De 'wonderbaarlijke' verdwijning van de werkloosheid was daarvan één der belangrijkste oorzaken. Van belang is nog dat de NSDAP geenszins deelde in de verering die de 'Fuhrer' ten deel viel. Er kan daarom van een schizofrene reactie van veel Duitsers op het fenomeen nationaal-socialisme gesproken worden. De grote verwachtingen werden op Hitler geprojecteerd. De kritiek en vaak afschuw die het regime eveneens opriep, was bestemd voor de partijbonzen, de patsers van de SA en de corrupte functionarissen. De ware aard van het regime werd daardoor veelal niet doorzien.

Ook de manier waarop het nationaal-socialisme door middel van allerlei rituelen wist te imponeren en te begoochelen, is in de loop der jaren het onderwerp van diverse studies geweest. In combinatie met het uitoefenen van allerlei vormen van intimidatie en bruut geweld is een fraai en indrukwekkend uiterlijk vertoon het middel geweest om de Duitsers het regime te doen aanvaarden.

De schone Schein des Dritten Reiches bestond enerzijds uit een aantal pre-moderne idyllische beelden van schijnwerelden, die elk voor verschillende groepen als toekomstige realiteit werden gepresenteerd. Het onbedorven eerlijke landleven, de idyllische familie en een frisse onbedorven, maar ook moedige en krachtige jeugd behoorden tot die beelden.

Centraal stond het ideaal van de raszuivere volksgemeenschap, geleid door haar 'Fuhrer', die de rol van surrogaat-keizer vervulde. Anderzijds was er de versiering van dit soort schijnwerelden, die bij allerlei manifestaties, met name tijdens de partijdagen tot uiting kwam. Hier werd van de modernste techniek gebruik gemaakt. Per vliegtuig daalde de 'Fuhrer' uit de hemel neer. Enorme schijnwerperbundels vormden kathedralen van licht. Fakkeltochten en vlaggenzeeën imponeerden de toeschouwers. Ritme en blokken geuniformeerden suggereerden een eenheid waarvan kracht en dreiging uitging. Deze laatste elementen kregen in de loop der jaren, naarmate de SS grotere invloed kreeg en als een apart machtsblok de kern van een nieuwe maatschappij begon te vormen, de overhand. Daarmee werd de essentie van het nationaal-socialisme zichtbaar.

Al deze middelen, die van de begoocheling en die van de afschrikking, waren nodig om te verbergen dat het regime voor de werkelijke problemen geen oplossing had, behalve die welke ten koste van andere volken gingen. De agressieve expansie naar buiten was daarom een noodzaak en werd aanvankelijk gemaskeerd, maar na enkele jaren openlijk gepropageerd en tenslotte uitgevoerd. Vooral om de bevolking daarin mee te krijgen waren de uiterlijke pracht en praal noodzakelijk.

J.T. Minderaa in Syllabus studiedag geschiedenis 28 september 1993